Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit luchtkwaliteit 2005[Regeling vervallen per 15-11-2007.]

Geldend van 01-01-2007 t/m 14-11-2007

Besluit van 20 juni 2005 ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit en tot uitvoering van richtlijn nr. 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313), (Besluit luchtkwaliteit 2005)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 juni 2005, nr. MJZ2005060047, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op richtlijn nr. 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313), richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163), richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296), richtlijn nr. 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156), de artikelen 53, 59 en 89 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, en de artikelen 5.1, 5.2, 5.2a, en 5.3, van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 15 juni 2005, nr. W08.05.0176/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 juni 2005, nr. MJZ2005125886, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf 1. Definities en bepalingen ten aanzien van grenswaarden, actieplannen en alarmdrempels [Vervallen per 15-11-2007]

Paragraaf 1.1. Definities [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 1 [Vervallen per 15-11-2007]

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

acht-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;

agglomeratie: stedelijk gebied met ten minste 250.000 inwoners;

alarmdrempel: kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij kortstondige overschrijding risico’s voor de gezondheid van de mens inhoudt;

autosnelweg: autosnelweg in de zin van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

beoordelen van de luchtkwaliteit: ingevolge paragraaf 3 vaststellen, dan wel overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3 prognosticeren van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;

grenswaarde: grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de wet ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;

inrichting: inrichting die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet, aangewezen categorie;

jaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties in een kalenderjaar, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en benzeen en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10);

meetmethode: procedure van het bemonsteren van de buitenlucht, het analyseren van aldus verkregen luchtmonsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot uurgemiddelde, dan wel acht-uurgemiddelde onderscheidenlijk vierentwintig-uurgemiddelde concentraties;

meetperiode: periode van 1 januari tot en met 31 december in een kalenderjaar;

motorvoertuig: motorvoertuig in de zin van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

natuurverschijnselen: seismische activiteit, spontane branden, stormen, atmosferische resuspensie en verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge gebieden, die een significante verhoging van de normale achtergrondconcentraties van natuurlijke oorsprong ten gevolge hebben;

plandrempel: kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij overschrijden aanleiding geeft tot het opstellen van een plan als bedoeld in artikel 9;

stikstofoxiden: het totale aantal volumedelen stikstofmonoxide en stikstofdioxide per miljard volumedelen, uitgedrukt in microgrammen stikstofdioxide per m3;

uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;

vierentwintig-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over het tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur Midden-Europese-Tijd, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10);

wet: Wet milieubeheer;

winterhalfjaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties van 1 oktober tot en met 31 maart, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;

zone: gedeelte van het Nederlandse grondgebied;

zwevende deeltjes (PM10): in de buitenlucht voorkomende stofdeeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van 50 procent bij een aërodynamische diameter van 10 micrometer.

Artikel 2 [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 3 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Onze Minister wijst voor de toepassing van dit besluit zones en agglomeraties aan.

  • 2 Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de vijf jaar in hoeverre de indeling van zones en agglomeraties voor de vaststelling van de luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 25 aanpassing behoeft.

  • 3 Aan het tweede lid wordt voor de eerste maal gevolg gegeven voor 1 januari 2010.

Artikel 4 [Vervallen per 15-11-2007]

Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de acht jaar in hoeverre de in paragraaf 2 genoemde waarden herziening behoeven en stelt de Staten-Generaal in kennis van zijn bevindingen daaromtrent.

Artikel 5 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Concentraties die zich van nature in de lucht bevinden en die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, worden bij het beoordelen van de luchtkwaliteit voor zwevende deeltjes (PM10) buiten beschouwing gelaten.

  • 2 Concentraties van zwevende deeltjes (PM10) die veroorzaakt worden door natuurverschijnselen worden bij het beoordelen van de luchtkwaliteit buiten beschouwing gelaten.

Artikel 6 [Vervallen per 15-11-2007]

Bij ministeriële regeling worden voor de toepassing van dit besluit regels gesteld aangaande de wijze van meten en berekenen en de frequentie daarvan.

Paragraaf 1.2. Bepalingen ten aanzien van grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, benzeen en zwevende deeltjes (PM10) [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 7 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

  • 3 Bestuursorganen kunnen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

    • a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

    • b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de wijze waarop aan het derde lid toepassing kan worden gegeven.

Artikel 8 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Bestuursorganen treffen tevens maatregelen teneinde overschrijding of dreigende overschrijding van een grenswaarde als bedoeld in paragraaf 2 zo spoedig mogelijk te beëindigen of zoveel mogelijk te voorkomen, tenzij artikel 9, eerste lid, van toepassing is. Deze maatregelen kunnen mede worden vastgesteld bij een actieplan, waarop artikel 9, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing is voor het desbetreffende bestuursorgaan.

  • 2 Omtrent het treffen van maatregelen bevorderen gedeputeerde staten een regelmatig overleg met de betrokken andere bestuursorganen binnen het gebied van de provincie en met de inspecteur.

Paragraaf 1.3. Algemene bepalingen ten aanzien van actieplannen [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 9 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Wanneer uit vaststelling van de luchtverontreiniging ingevolge artikel 26 of een verslag ingevolge artikel 32 blijkt dat een plandrempel als bedoeld in de artikelen 16, 17 en 24 wordt overschreden, stellen burgemeester en wethouders een actieplan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze op die plaatsen voldaan zal worden aan de grenswaarden voor de betreffende stof, binnen de voor die waarden gestelde termijnen.

  • 3 Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de uitvoering van het actieplan.

  • 4 Gedeputeerde staten, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en andere bestuursorganen die maatregelen als bedoeld in artikel 8 kunnen treffen, leveren op verzoek van burgemeester en wethouders een bijdrage aan het opstellen en uitvoeren van een plan als bedoeld in het eerste lid. Daarbij geven de betreffende bestuursorganen in het plan gemotiveerd rekenschap van het al dan niet treffen van maatregelen. Omtrent het opstellen en uitvoeren van het actieplan bevorderen burgemeester en wethouders overleg met de betreffende bestuursorganen.

  • 5 Burgemeester en wethouders stellen gedeputeerde staten in kennis van een actieplan als bedoeld in het eerste lid, voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarin de overschrijding van de betrokken plandrempels met inachtneming van de in de artikelen 26 en 32 gestelde regels is vastgesteld en gerapporteerd.

  • 6 Burgemeester en wethouders stellen gedeputeerde staten eenmaal in de drie jaar voor 1 mei van het op die periode volgende jaar in kennis van de voortgang van de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde actieplan.

  • 7 Gedeputeerde staten stellen Onze Minister voor 1 juli van het jaar, bedoeld in het vijfde lid, in kennis van de ingevolge dat lid ontvangen actieplannen.

  • 8 Gedeputeerde staten stellen Onze Minister eenmaal in de drie jaar voor 1 juli van het op die periode volgende jaar in kennis van de voortgang van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde actieplannen.

Artikel 10 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Een actieplan als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bevat tenminste de in bijlage IV van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit opgenomen gegevens.

  • 2 Een wijziging van bijlage IV van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

  • 3 Voor gevallen waarin ingevolge artikel 9 of ingevolge artikel 13 van de Regeling luchtkwaliteit ozon voor meer dan een stof een actieplan wordt vastgesteld en uitgevoerd, draagt het betrokken bestuursorgaan zorg voor één actieplan voor de betreffende stoffen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 1.4. Algemene bepalingen ten aanzien van alarmdrempels [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 11 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 De commissaris van de Koningin doet van een overschrijding van een alarmdrempel als bedoeld in artikel 14 of 18, zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek. Daarbij worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de drempel die is overschreden, de datum, het tijdstip, de duur en de plaats van de overschrijding en, indien bekend, de oorzaak van de overschrijding;

    • b. een prognose voor de volgende middag, dag of dagen, met betrekking tot:

      • de ontwikkeling van de concentratie en de gegevens die aan die verwachting ten grondslag liggen,

      • het geografische gebied waar de overschrijding zich zal voordoen en

      • de duur van de overschrijding;

    • c. de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor de overschrijding risico’s kan inhouden voor de gezondheid, alsmede de te verwachten symptomen en te treffen voorzorgsmaatregelen;

    • d. bronnen voor het verkrijgen van nadere informatie.

  • 2 Wanneer een alarmdrempel dreigt te worden overschreden, geeft de commissaris van de Koningin, voor zover dat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is, uitvoering aan het eerste lid, met uitzondering van onderdeel a.

Paragraaf 2. Grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen [Vervallen per 15-11-2007]

Paragraaf 2.1. Grenswaarden en alarmdrempel voor zwaveldioxide [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 12 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

  • a. 350 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vierentwintig maal per kalenderjaar mag worden overschreden;

  • b. 125 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal drie maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Artikel 13 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van ecosystemen, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen of van autosnelwegen, waar het ecosysteem naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft:

  • a. 20 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

  • b. 20 microgram per m3 als winterhalfjaargemiddelde concentratie.

Artikel 14 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor zwaveldioxide geldt 500 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

Paragraaf 2.2. Grenswaarden, plandrempels en alarmdrempel voor stikstofdioxide [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 15 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Voor stikstofdioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

    • a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

    • b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

  • 2 Het eerste lid, onder a, is met ingang van 1 januari 2010 van toepassing bij wegen waarvan ten minste 40.000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken.

  • 3 Tot 1 januari 2010 geldt bij de wegen, bedoeld in het tweede lid, voor stikstofdioxide een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens van 290 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

  • 4 Indien ten gevolge van maatregelen die door één of meer bestuursorganen zijn genomen met het oog op het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging bij de wegen, bedoeld in het tweede lid, in een kalenderjaar voor het jaar 2010 de grenswaarde wordt bereikt van 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, met maximaal achttien overschrijdingen per kalenderjaar, geldt, in afwijking van het tweede en derde lid, deze grenswaarde met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin de grenswaarde, bedoeld in de eerste volzin is bereikt.

Artikel 16 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor stikstofdioxide gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

  • a. in 2005, 50 microgram per m3;

  • b. in 2006, 48 microgram per m3;

  • c. in 2007, 46 microgram per m3;

  • d. in 2008, 44 microgram per m3;

  • e. in 2009, 42 microgram per m3.

Artikel 17 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor stikstofdioxide gelden bij de wegen, bedoeld in artikel 15, tweede lid, de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als uurgemiddelde concentraties waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mogen worden overschreden:

  • a. in 2005, 250 microgram per m3;

  • b. in 2006, 240 microgram per m3;

  • c. in 2007, 230 microgram per m3;

  • d. in 2008, 220 microgram per m3;

  • e. in 2009, 210 microgram per m3.

Artikel 18 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor stikstofdioxide geldt 400 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

Paragraaf 2.3. Grenswaarde voor stikstofoxiden [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 19 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen of van autosnelwegen, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft.

Paragraaf 2.4. Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 20 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

  • a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

  • b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Paragraaf 2.5. Grenswaarde voor lood [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 21 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.

Paragraaf 2.6. Grenswaarde voor koolmonoxide [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 22 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor koolmonoxide geldt 10.000 microgram per m3 als acht-uurgemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.

Paragraaf 2.7. Grenswaarden en plandrempels voor benzeen [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 23 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor benzeen gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

  • a. tot 1 januari 2010, 10 microgram per m3;

  • b. met ingang van 1 januari 2010, 5 microgram per m3.

Artikel 24 [Vervallen per 15-11-2007]

Voor benzeen gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

  • a. in 2006, 9 microgram per m3;

  • b. in 2007, 8 microgram per m3;

  • c. in 2008, 7 microgram per m3;

  • d. in 2009, 6 microgram per m3.

Paragraaf 3. Beoordelen van de luchtkwaliteit [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 25 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Gedeputeerde staten stellen in zones en agglomeraties de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen vast met gebruikmaking van vaste meetpunten.

  • 2 Voor de meting van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1000 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 75 microgram per m3. De eerste volzin is niet van toepassing in de in artikel 9 bedoelde gebieden.

  • 3 Voor de meting van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide wordt in de in artikel 9 bedoelde gebieden gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 12 microgram per m3.

  • 4 Voor de meting van de luchtverontreiniging door stikstofdioxide wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 32 microgram per m3.

  • 5 Voor de meting van de luchtverontreiniging door stikstofoxiden wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 24 microgram per m3.

  • 6 Voor de meting van de luchtverontreiniging door zwevende deeltjes (PM10) wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 400 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 25 procent voor vierentwintig-uurgemiddelde concentraties, groter dan 30 microgram per m3.

  • 7 Voor de meting van de luchtverontreiniging door lood wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 50 procent voor concentraties, groter dan 0,25 microgram per m3.

  • 8 Voor de meting van de luchtverontreiniging door koolmonoxide wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 50.000 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 7.000 microgram per m3.

  • 9 Voor de meting van de luchtverontreiniging door benzeen wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 100 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 25 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 3,5 microgram per m3.

Artikel 26 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Burgemeester en wethouders inventariseren eenmaal in de drie jaar de plaatsen waar de bevolking naar hun redelijke verwachting direct of indirect kan worden blootgesteld aan luchtverontreiniging:

    • a. door stikstofdioxide die meer dan achttien maal per kalenderjaar hoger is dan 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie;

    • b. door stikstofdioxide die hoger is dan 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

    • c. door zwevende deeltjes (PM10) die hoger is dan 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

    • d. door zwevende deeltjes (PM10) die meer dan vijfendertig maal per kalenderjaar hoger is dan 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie;

    • e. door koolmonoxide die hoger is dan 3600 microgram per m3 als 98-percentiel van acht-uurgemiddelde concentraties;

    • f. door benzeen die hoger is dan 5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.

  • 2 Burgemeester en wethouders stellen bij wegen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), koolmonoxide en benzeen vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling bij de in de eerste volzin bedoelde wegen geschiedt daar waar de concentraties van genoemde stoffen naar redelijke verwachting van burgemeester en wethouders het hoogst zijn.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt op verzoek van burgemeester en wethouders, bij wegen die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd en onder het beheer van het Rijk vallen, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), koolmonoxide en benzeen vast en rapporteert omtrent de resultaten daarvan voor 1 april van het jaar waarin de inventarisatie is verricht, aan burgemeester en wethouders. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Gedeputeerde staten stellen op verzoek van burgemeester en wethouders, bij inrichtingen die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, en bij wegen die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd en onder het beheer van de provincie vallen, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), koolmonoxide en benzeen vast en rapporteren omtrent de resultaten daarvan voor 1 april van het jaar waarin de inventarisatie is verricht aan burgemeester en wethouders. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Burgemeester en wethouders dienen een verzoek om vaststelling van de luchtverontreiniging, als bedoeld in het derde en vierde lid, in voor 1 februari van het jaar waarin de inventarisatie is verricht.

  • 6 Burgemeester en wethouders stellen in elk van de twee jaren, die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling als bedoeld in het tweede lid heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), koolmonoxide en benzeen, bedoeld in het eerste lid, vast bij wegen waar de bevolking direct of indirect wordt blootgesteld aan die luchtverontreiniging en waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in de artikelen 15, eerste en derde lid, 20, 22 onderscheidenlijk 23, genoemde waarden overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, en het derde, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7 Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid vindt voor de eerste maal plaats in 2006.

Artikel 27 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 De vaststelling voor stikstofdioxide bij wegen, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:

    • a. metingen, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, dan wel

    • b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.

  • 2 De vaststelling voor stikstofdioxide bij inrichtingen, bedoeld in artikel 26, vierde lid, vindt plaats door middel van:

    • a. metingen, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, dan wel

    • b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.

  • 3 De vaststelling voor zwevende deeltjes (PM10), bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:

    • a. metingen, overeenkomstig artikel 25, zesde lid, dan wel

    • b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties en niet meer dan een factor twee van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties afwijken.

  • 4 De vaststelling voor koolmonoxide, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:

    • a. metingen overeenkomstig artikel 25, achtste lid, dan wel

    • b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties afwijken.

  • 5 De vaststelling voor benzeen, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:

    • a. metingen overeenkomstig artikel 25, negende lid, dan wel

    • b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.

Artikel 28 [Vervallen per 15-11-2007]

Burgemeester en wethouders stellen de luchtverontreiniging door koolmonoxide vast door middel van metingen overeenkomstig de artikelen 25, achtste lid, en 27, vierde lid, en de krachtens artikel 6 vast te stellen regeling, op plaatsen waar, blijkens de ingevolge artikel 26, eerste lid verrichte inventarisatie en de ingevolge artikel 26, tweede, derde en vierde lid verrichte vaststelling, mensen worden blootgesteld aan een concentratie van koolmonoxide die hoger is dan 3600 microgram per m3 als 98-percentiel van acht-uurgemiddelde concentraties.

Artikel 29 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Gedeputeerde staten inventariseren eenmaal in de drie jaar de plaatsen waar de bevolking naar hun redelijke verwachting direct of indirect kan worden blootgesteld aan luchtverontreiniging, die in overwegende mate wordt veroorzaakt door één of meer inrichtingen die:

    • a. voor zwaveldioxide meer dan vierentwintig maal per kalenderjaar hoger is dan 350 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie;

    • b. voor zwaveldioxide meer dan drie maal per kalenderjaar hoger is dan 125 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie;

    • c. voor lood hoger is dan 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.

  • 2 Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, onderscheidenlijk lood vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde plaatsen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van gedeputeerde staten het hoogst is.

  • 3 Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, in elk van de twee jaren die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, onderscheidenlijk lood, vast waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in de artikelen 12 en 21, genoemde waarden overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De vaststelling voor zwaveldioxide, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:

    • a. metingen, overeenkomstig artikel 25, tweede lid, dan wel

    • b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.

  • 5 De vaststelling voor lood, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:

    • a. metingen, overeenkomstig artikel 25, zevende lid, dan wel

    • b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.

  • 6 Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt voor de eerste maal plaats in 2006.

Artikel 30 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Voorzover Onze Minister de in de artikelen 26, eerste lid, en 29, eerste lid, bedoelde plaatsen inventariseert en met overeenkomstige toepassing van de artikelen 25 tot en met 29 de luchtverontreiniging vaststelt, zijn Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, onderscheidenlijk gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders, daartoe niet verplicht.

Paragraaf 4. Toetsing van de vaststelling van de luchtverontreiniging [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 31 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Onze Minister kan:

    • a. de nauwkeurigheid van een meetmethode of een andere methode waarmee de luchtverontreiniging vastgesteld wordt toetsen,

    • b. de nauwkeurigheid van de toepassing van een onder a bedoelde methode toetsen.

  • 2 De door middel van de toetsing verkregen resultaten treden in de plaats van eerdere of anderszins verkregen resultaten.

  • 3 Onze Minister maakt de in het tweede lid bedoelde resultaten kenbaar aan het betreffende bestuursorgaan.

Paragraaf 5. Rapportage [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 32 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Burgemeester en wethouders doen van een inventarisatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, voor 1 mei van het jaar waarin die inventarisatie is verricht, aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag.

  • 2 Burgemeester en wethouders doen op basis van de vaststelling van de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), koolmonoxide en benzeen bedoeld in artikel 26, tweede, derde, vierde of zesde lid, voor 1 mei van het jaar waarin de vaststelling heeft plaatsgevonden aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag van:

    • a. de plaatsen waar overschrijding van de in de artikelen 15, 20, 22 en 23 genoemde grenswaarden is opgetreden, alsmede van de hoogte van de luchtverontreiniging op die plaatsen;

    • b. de plaatsen waar overschrijding van de in de artikelen 16 en 17 genoemde plandrempels voor stikstofdioxide, onderscheidenlijk de in artikel 24 genoemde plandrempels voor benzeen is opgetreden alsmede van de hoogte van de luchtverontreiniging op die plaatsen;

    • c. de reden van de overschrijding van de in onderdeel a of b bedoelde grenswaarden of plandrempels;

    • d. de gebruikte meetmethode, de data waarop of de periode waarin de overschrijding van de in onderdeel a of b bedoelde grenswaarden of plandrempels is opgetreden ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van metingen is verricht;

    • e. de aan deze vaststelling ten grondslag liggende gegevens ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van een andere methode is verricht, en

    • f. de maatregelen die zij hebben genomen of nog zullen nemen om de in de artikelen 15, 20, 22 en 23 genoemde grenswaarden te bereiken of te handhaven.

  • 3 Indien het tweede lid, onder e, van toepassing is, vermelden burgemeester en wethouders tevens de oppervlakte van de plaatsen, bedoeld in het tweede lid, onder a, in vierkante kilometers of, indien van toepassing, de lengte van wegen in kilometers, alsmede de omvang van de bevolkingsgroep die aan de betreffende concentraties wordt blootgesteld.

Artikel 33 [Vervallen per 15-11-2007]

  • 1 Gedeputeerde staten doen in een jaar waarin een inventarisatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderscheidenlijk 29, eerste lid, of een vaststelling als bedoeld in artikel 26, tweede, derde, vierde of zesde lid, 28 onderscheidenlijk 29, tweede of derde lid, heeft plaatsgevonden, voor 1 juli schriftelijk verslag aan Onze Minister van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in de provincie alsmede van de maatregelen en plannen om de in de artikelen 12, 15, 20, 21, 22 en 23 genoemde waarden te bereiken of te handhaven. Zij betrekken in hun verslag de resultaten van de ingevolge artikel 26 verrichte vaststelling van de luchtverontreiniging, de ingevolge artikel 32 opgestelde verslagen en de ingevolge artikel 9 opgestelde plannen. In het verslag wordt melding gemaakt van ingevolge artikel 25 vastgestelde overschrijding van de in de artikelen 13 en 18 genoemde waarden.

  • 2 In het in het eerste lid bedoelde verslag geven gedeputeerde staten een overzicht van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), koolmonoxide en benzeen in de binnen de provincie gelegen agglomeraties, alsmede van de maatregelen en plannen om de toepasselijke in de artikelen 12, 15, 21, 22 en 23 genoemde grenswaarden daar te bereiken of te handhaven. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 6. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 15-11-2007]

Artikel 34 [Vervallen per 15-11-2007]

[Red: Wijzigt het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer.]

Artikel 35 [Vervallen per 15-11-2007]

Een plan, opgesteld op grond van of overeenkomstig artikel 25 van het Besluit luchtkwaliteit, geldt als een plan, opgesteld op grond van artikel 9 van dit besluit.

Artikel 36 [Vervallen per 15-11-2007]

Het Besluit luchtkwaliteit wordt ingetrokken.

Artikel 37 [Vervallen per 15-11-2007]

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van dit besluit, die zijn uitgeoefend voor dat tijdstip en na 4 mei 2005 terug tot laatstgenoemde datum.

Artikel 38 [Vervallen per 15-11-2007]

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit luchtkwaliteit 2005.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 juni 2005

Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,

P. L. B. A. van Geel

Uitgegeven de drieëntwintigste juni 2005

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner