Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Sociale Zaken [...] Werkgelegenheid, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996

Geldend van 06-08-2005 t/m heden

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2005, nr. arc-2005.02131/2);

Besluiten:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 9 juni 2005

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

Algemene Rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
namens deze:
de

plaatsvervangend Secretaris-Generaal

,

P. Hennephof

BASISSELECTIEDOCUMENT

Beleidsterrein Volkshuisvesting, periode 1945–1996

Voor de zorgdragers:

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

&

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Minister van Financiën

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

Versie: juni 2005

dr. J.A.A. Bervoets (Nationaal Archief)

drs. P. Sierdsma (Ministerie VROM).

1. Inleiding

1.1. Verantwoording van het onderzoek

Dit basisselectiedocument is gebaseerd op het rapport institutioneel onderzoek: dr. J. Bervoets, Volkshuisvesting, Een institutioneel onderzoek naar de handelingen van de actoren betrokken bij het beleidsterrein volkshuisvesting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de jaren 1945–1994, PIVOT-rapport nr.136, Den Haag, 2003.

Met het rapport institutioneel onderzoek (RIO) en het basisselectiedocument (BSD) implementeren de algemene rijksarchivaris en de vertegenwoordigers van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu de afspraken die bij convenant van 25 juni 1995 tussen de algemene rijksarchivaris en de secretaris-generaal van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu zijn gemaakt. De eerste stap van de implementatie is de waardering van de neerslag van de handelingen, op basis waarvan bepaald kan worden welke neerslag voor permanente bewaring in het Nationaal Archief in aanmerking komt en welke neerslag op termijn vernietigd kan worden. Deze eerste stap is in het basisselectiedocument (BSD) vastgelegd.

Het BSD is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de organisatie, alsmede het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie in de rijks- en provinciale archieven. In het BSD is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die handeling. Alvorens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het BSD vaststelt, hoort deze de Raad voor Cultuur. Na vaststelling van het BSD kan de procedure voor enerzijds de overbrenging van de bescheiden naar het Nationaal Archief en anderzijds de vernietiging van de bescheiden worden uitgevoerd. Het BSD bestaat uit een korte beschrijving van het beleidsterrein en de actoren, een verantwoording van de doelstelling van de selectie en de gehanteerde selectiecriteria en de lijst van gewaardeerde handelingen, voorafgegaan door een toelichting op de lijst.

Het institutioneel onderzoek met betrekking tot het beleidsterrein milieubeheer is opgezet door het Project Verkorting Overbrengingstermijn PIVOT (1991–2001) vanuit een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en het Algemeen Rijksarchief in opdracht van beide instellingen. Het bevat een overzicht van de processen van het overheidshandelen op dit beleidsterrein. De vaststelling van deze processen geschiedde in dit samenwerkingsverband, gebaseerd op een op een permanente overlegsituatie tussen de administratie van het Ministerie van VROM en de medewekers van de projectgroep PIVOT van de Rijksarchiefdienst. Het onderzoek werd verricht door Jan Bervoets, Nico van Oldenbeek en Jan Velsink. Het is aangevuld met gegevens uit – mede op instigatie van het Ministerie van VROM tot stand gekomen – geschied- en bestuurskundige publicaties.

De hier beschreven handelingen speelden zich af in een periode, die door het ministerie werd herdacht in een gedenkboek Volkshuisvesting in goud, ’s-Gravenhage, 1996, waarin men zich een beeld kan vormen over de wisselende bestuursopvattingen ten aanzien van woningbouwvoorziening en de daarbij behorende regulering en de bemoeienis van de rijksoverheid bij de uitvoering. Hierbij moet worden opgemerkt dat vooral in de beginperiode sprake is geweest van een pragmatische aanpak, waarbij op bestuurlijk uitvoeringsniveau veel met interne regels is gewerkt. De gevolgen van het volkshuisvestingsvraagstuk in de organisatie van het Ministerie van VROM staan beschreven in twee monografieën die H.T. Siraa aan de geschiedenis van het Ministerie van VROM heeft gewijd:, Een miljoen nieuwe woningen, de rol van de rijksoverheid bij wederopbouw, volkshuisvesting, bouwnijverheid en ruimtelijke ordening (1940–1963), ’s-Gravenhage, 1989, en Met het oog om de omgeving, een geschiedenis van de zorg voor de kwaliteit van de leefomgeving, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1965–1995. ’s-Gravenhage, 1995. In het herdenkingsjaar verrichtte de studiegroep OTB in Delft een reeks deelstudies in het kader van ‘Vijftig jaar DGVH’, waarbij een aantal deelaspecten, die in het gedenkboek onvoldoende aan bod kwamen, nader werden toegelicht. Voor een uitvoerige bespreking van de beleidsinstrumenten, zoals die tot 1991 zijn ontwikkeld, zie J. van der Schaar, Volkshuisvesting, een zaak van beleid, Utrecht, 1991. Het rapport institutioneel is daarom voltooid nadat het project PIVOT in mei 2001 werd afgesloten (publicatie Rapport institutioneel onderzoek Volkshuisvesting, Pivotreeks nr. 136, 2004).

In het kader van het toekennen van waarderingen aan de handelingen was een voortgezet institutioneel onderzoek nodig. Dit leidde tot wijzigingen van de actoren vallend onder de zorgdrager VROM. Het betekende een toevoeging van de actor Adviescommisie Goede en Goedkope Woningen en aanvullende handelingen voor de Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV). De in het rio beschreven actor Nationaal Dubocentrum bleek geen VROM gelieerde organisatie, zodat de handelingen verwijderd zijn. Eén van de beleidshandelingen duurzaam bouwen is herschreven. Op het gebied van uitvoering van de volkshuisvesting, voorlichting en het architectenbeleid werden handelingen toegevoegd. Ook werden periodes van diverse handelingen en actoren aangepast op grond van beschikbare informatie. Kennis over beleidsterrein en organisatie is toegevoegd aan de opmerkingen in het handelingenblok.

Wijzigingen bij de overige zorgdragers/actoren betroffen de handelingen van de provincie (actor Gedeputeerde Staten), die overgenomen worden in de selectielijst van de provincie. De handelingen van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting en de Stichting Bureau Architectenregister worden niet beschreven in deze selectielijst maar in de lijsten van deze zelftandige bestuurlijke organen (zbo’s), evenals dit het geval is bij de handelingen van de Pensioen- en Verzekeringskamer.

Het nader onderzoek heeft geleid tot een het verlenging van de periode van de lijst van 1994 tot 1996.

Het BSD is besproken met:

beleidsdeskundigen van voormalig het Directoraat-Generaal Volkshuisvesting (1982–2002):

Dhr. J. Koopman, Directeur-Generaal Volkshuisvesting

Dhr. G. Hoelen, plaatsvervangend directeur Volkshuisvesting.

Mw. G. Bruin, Directie Bestuursdienst

Dhr. B. Westerdijk, Directeur Woningbouw en Stadsvernieuwing

Dhr. T. Lensen, Directie Woningbouw en Stadsvernieuwing

Dhr. W. Haeser, Directie Financiering Woningbouw

Dhr. R. Rese, Directie Financiering Woningbouw;

beleidsdeskundigen van het huidige Directoraat-Generaal Wonen (DGW) (2002–heden):

Dhr. Dr. J.J. Uijlenbroek, Directeur Informatiebeheer en Subsidieregelingen, Bedrijfsbureau

Dhr. drs. J.J. Koffijberg, Directie Financiële Strategie en Control

Mevr. drs. M.J. van Oostrom, Directie Strategie, Stafbureau

Dhr. ir. C.J. Schut, Directie Stad en Regio

Mr. S.F. Wolff, Directie Stad en Regio, secretariaat Huurcommissie

Mevr. C. Koster, Stad en Regio, secretariaat Huurcommissie

Dhr. F.G Veijgen, Directie Beleidsontwikkeling, Wonen; coördinator SEV

Dhr. L.L. van Deursen, Informatiebeheer en Subsidieregelingen, Advisering Kaderstelling en Ondersteuning.

Mevr. drs. A.W. Wisselink, Informatiebeheer en Subsidieregelingen, Advisering Kaderstelling en Ondersteuning

Drs. Ing. R.J. Schoonman, Directoraat-Generaal Ruimte, Stafbureau Directieraad, secretariaat Rijksplanologische Commissie Mevr. J. Verhulst, Centrale Sector, Vromraad

Dr. H.A. Groeneveld, directeur Stichting Bureau Architectenregister

Dhr. W. de Graaf, senior adviseur PRC Bouwcentrum;

archiefdeskundigen:

Dhr. A. Moennoe, VROM Inspectie – Noord.

Dhr. drs. P. Sierdsma, Directie Documentatie en Informatie, Archief- en Informatiecentrum.

1.2. Korte omschrijving van het beleidsterrein

Volkshuisvesting ofwel ‘bevordering van goede woongelegenheid’ is in de grondwet van 1983 opgenomen als ‘een voorwerp van zorg der overheid’ (art. 22, lid 2). Volkshuisvesting wordt thans omschreven als de verantwoordelijkheid voor ‘goed en betaalbaar wonen in een duurzaam en gebouwde en leefbare woonomgeving.’. Deze verantwoordelijkheid uit zich in drie kerntaken:

  • De zorg voor voldoende beschikbaarheid van woningen

  • De zorg voor de betaalbaarheid van woningen

  • De zorg voor de kwaliteit van het wonen en de woonomgeving.1

Deze eisen worden mede gegeven met het oog op de gezondheid en het maatschappelijk welzijn van de bevolking. Zij bestonden al vanaf de Woningwet van 1901, toen de overheid zich verbond zorg te dragen voor de woningkwaliteit in de stedelijke gebieden. Wel hebben zich binnen die drieledige taakstelling accentverschuivingen voorgedaan in de prioritetsstelling. De hier aangegeven volgorde geeft globaal de historische volgorde van de prioriteitsstelling vanaf 1945 weer. Het beleidsterrein laat zich in zijn historische ontwikkeling over de periode 1945–1994 indelen in de volgende deelterreinen:

  • Bevordering van de woningbouw (waaronder inbegrepen de stadsvernieuwing)

  • Bouw- en woningtoezicht

  • Woonwagenbeleid

  • Beheer van de woningvoorraad

  • Huurbeleid

  • Architectuurbeleid, vanaf 1989 bewust als een afzonderlijk werkterrein aangewezen aan de Rijksbouwmeester.

Toepassing van instrumenten, gekozen in het kader van het ene beleidsterrein, heeft in het verleden vaak geleid tot sturing van andere beleidsterreinen. Zo kan men bijvoorbeeld spreken van een architectuurbeleid van het rijk wanneer het zelf woningbouw financiert en op grond daarvan standaardnormen ontwikkelt. Het laatste geschiedt door specifiek bouwtechnisch en bouw-economisch onderzoek, waarvoor door het Rijk van meet af aan opdrachten zijn gegeven. Op grond van die taak heeft het ministerie zich zelfs een tijdlang Ministerie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid genoemd. Het resultaat van het onderzoek leidde tot instrumenten, die dienen om andere deelinstrumenten te ondersteunen. Zo kunnen onderzoeken op het gebied van duurzaam bouwen leiden tot richtlijnen voor de bouwregelgeving. Op de overige deelterreinen zal verderop worden ingegaan.

Daarnaast hebben zich wijzigingen van bevoegdheden voorgedaan die beschouwd kunnen worden als het gevolg van bijzondere omstandigheden. De bestaande regelgeving treft daarvoor op dit moment voorzieningen, die echter op de praktijk uit het verleden zijn geënt.

Woningbouw

Het woningbouwbeleid gaat ervan uit dat er in Nederland een structureel tekort is aan goede woningen, die aan de daarvoor gestelde eisen voldoen. Dit beleidsterrein omschrijft een situatie waarbij het rijk zelf als financier of als subsidieverlener bij de uitvoering van de bouw betrokken is.

Van 1940 tot 1956 werd volkshuisvesting tevens gezien als een onderdeel van de wederopbouw van hetgeen in ons land door het oorlogsgeweld was verwoest. Tot 1944 gold de schade in de steden en dorpen, die te lijden hadden van de krijgshandelingen tijdens de Duitse inval en enkele incidentele bombardementen, nadien ook de schade die door krijgshandelingen en inundaties tijdens de bevrijding was ontstaan. In 1953 werd daaraan de schade van de watersnood toegevoegd. Daarna werd de volkshuisvesting van Nederland vanuit verschillende beleidsvisies benaderd, die op zichzelf als de oplossing van verschillende deelproblemen werden gezien. Daarbij moet worden opgemerkt dat voor deze problemen vaak bestaande beleidsinstrumenten nader werden aangepast.

De geschiedenis van het volkshuisvestingsbeleid kan in perioden worden ingedeeld:

1945–1956: wederopbouw van verwoeste woningen en gebouwen. De rijksoverheid treedt hierbij zelf als uitvoerder of als financier op, stelt regels aan de planning en aan de kosten die voor woningbouw noodzakelijk zijn.

1956–1970: bestrijding van de woningnood met de noodzaak van nieuwbouw en stadsuitbreiding. Na 1965 kenmerkt de woningnood zich vooral kwalitatief door de noodzaak van de vervanging en sanering van het oude woningbestand.

1970–1980: kritiek op het saneringsbeleid en de eenvormigheid van de woningbouw, hetgeen wordt opgevangen door de bevordering van inspraak in het stadsvernieuwingsbeleid met behoud van de oorspronkelijke bewoners en democratisering van de ruimtelijke ordening. Stadsvernieuwing wordt gedefinieerd als ‘een stelselmatige inspanning [...] gericht op behoud, herstel, verbetering, herindeling of sanering van bebouwde gedeelten van [een] gemeentelijk grondgebied.’ (art. 1, Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing)

Vanaf 1980: De rijksoverheid blijkt op het gebied van woningbouw teveel verplichtingen te zijn aangegaan, hetgeen wordt vertaald in een krimpbeleid: decentralisering. deregulering en liberalisatie.

Vanaf 1991: voortzetting van de omslag ‘van bouwen naar wonen’: het rijk draagt er zorg voor dat de vrije marktwerking in de woningbouw er niet toe lijdt, dat bevolkingsgroepen van goede huisvesting verstoken blijven. Goede huisvesting is een van de rechten in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die inmiddels in de Nederlandse grondwet als grondrecht is verwerkt.

Bouw- en woningtoezicht

Het toezicht op de kwaliteit van de woningbouw is geregeld door de Woningwet van 1901. De gemeenten kregen de bevoegdheid om door middel van verordeningen eisen te stellen aan de woningbouw. Voortaan mocht er geen woning worden gebouwd zonder vergunning van de gemeente. Bovendien konden de gemeenten zelf uitbreidingsplannen ontwerpen. Het rijk moest hiervoor toestemming geven. Tenslotte had het rijk in diezelfde Woningwet een staatstoezicht op de toepassing het vergunningenstelsel ingesteld, dat zich vooral richtte op advisering van gemeenten ten aanzien van de regelgeving. Het toezicht zelf was georganiseerd door de aanstelling van provinciale ambtenaren, die onder leiding stonden van de inspectie van de volksgezondheid.

Een belangrijk aspect hierbij was de woningbouw door particuliere – charitatieve of coöperatieve – woningbouworganisaties. Deze organisaties, speciaal opgericht voor de volkswoningbouw, mochten niet winstgevend zijn of werden geacht hun winsten weer om te zetten in de woningbouw. Zij moesten toelating aanvragen, aan de provincie, of, wanneer het rijk zich garant stelde door een voorschot of een subsidie, aan het rijk.

Woonwagenbeleid

Het woonwagenbeleid betreft de regulering van de aanwezigheid van woonwagens in Nederland. Hiertoe werd rond de eeuwwisseling behoefte gevoeld na de invoering van de Woningwet 1901 Het werd als een bezwaar beschouwd dat er niets was geregeld voor een in aantal toenemende groep inwoners die in plaats van een vaste verblijfplaats rondtrokken in een wagen die ook als woning diende. Deze groep vormde binnen de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving in de twintigste eeuw een eigen, van sommige door de politiek ingegeven normen afwijkend cultuurpatroon, waarvoor nadere regulering blijkbaar noodzakelijk werd geacht. Woonwagenbewoners trekken thans niet meer, maar wonen nu bij elkaar in kampen. Het cultuurverschil tussen ‘reizigers’ en ‘burgers’ bestaat echter nog steeds. Voor de oorzaak van dit verschil wordt thans vaak naar de regelgeving gewezen, die het gevolg is van het vanaf 1890 geformuleerde woonwagenbeleid.

Voor een uitvoerige bespreking van de beleidsinstrumenten, zoals die tot 1991 zijn ontwikkeld, zie: D.A.Th. van Ooijen, ‘Je moet weg, hier komen mensen wonen’, Woonwagenbeleid in Nederland 1890–1990. ’s-Gravenhage, 1993.

Huurbeleid

Vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de huurprijs centraal geregeld om prijsopdrijving tegen te gaan. Na de oorlog was de huurprijs een factor van het levensonderhoud, geregeld door een centraal aangestuurd loon- en prijsbeleid. In 1950 werden bij wet kaders aan de huurprijzen gesteld en tot 1965 werden de huurverhogingen bij wet bepaald. Daarnaast trad een geleidelijke liberalisatie in. Vanaf 1989 is het streven om de huurprijs volledig aan de vrije markt over te laten. Om ook voor de laagstbetaalden een bewoonbare woning te garanderen is er bij wet een huursubsidiesysteem ingesteld. De minister bepaalt nu geen huurprijzen meer, maar kan nog wel sturen door het stellen van maximum-percentages.

Woningdistributie

Vanaf 1947 was als tijdelijke oplossing voor de woningnood de verdeling van de schaarse woonruimte wettelijk geregeld. De gemeenten hadden de bevoegdheid om woonruimte toe te wijzen, te vorderen en konden beletten dat woonruimte onttrokken werd. Deze bevoegdheid werd uitgeoefend bij de toekenning van verblijfsvergunningen aan kopers en huurders van woningen in die gemeente. Naarmate de woningnood minder werd, werden vanaf 1958 beperkingen op die bevoegdheden gelegd: het rijk stelde bij amvb gemeenten voor ‘vrije vestiging’ en ‘vrije sectoren’ vast. Doordat dit laatste aan een maximumprijs was gebonden, hadden vele gemeenten tot de dag van vandaag nog zeggenschap over de goedkoopste woningen. Ook konden gemeenten zelf bewoners weren door eisen te stellen op het gebied van maatschappelijke en economische gebondenheid.

Samengevat kunnen we stellen dat de beleidsmotivatie inzake volkshuisvesting vanaf de Tweede Wereldoorlog een historische ontwikkeling heeft doorgemaakt.

Tijdens de wederopbouwperiode van 1945–1950 bleek dat er een groot tekort was ontstaan aan goede en betaalbare woningen. De regering probeerde dit probleem langs verschillende wegen op te lossen:

  • door de distributie van de aanwezige woonruimte te laten regelen.

  • door de sturing van woningbouw bij schaarste van middelen

  • door het reguleren van de huur en het tegengaan van huurprijsopdrijving.

  • door het stimuleren van woningbouw via subsidie en staatsleningen aan woningbouwinstellingen.

De omstandigheden waaronder dit beleid gerealiseerd moest worden, werden door minister J. In ’t Veld tijdens een radiogesprek als volgt omschreven: ‘De beperktheid van de middelen, welke ter beschikking staan voor de woningbouw, dwingt tot de uiterste zuinigheid, teneinde met het beschikbare geld zoveel mogelijk huizen te bouwen’.

De periode 1950–1960 kenmerkte zich voornamelijk door de woningnood, waarvoor uiteindelijk eerst aan het eind van de jaren ’60 de voorzieningen afdoende bleken te zijn. Tot dan toe was het volkshuisvestingsbeleid er vooral op gericht om zoveel en zo goedkoop mogelijk woningen te bouwen, waarvoor subsidie- en financieringsregelingen werden getroffen. Tegelijkertijd werd de huurprijs wettelijk geregeld. Het rijk had de bevoegdheid om woningen ‘toe te wijzen’ aan gemeenten en deed dit aan de hand van de woningbehoefte en later ook van de beschikbare arbeidscapaciteit. Ten aanzien van de te financieren woningen stelde het rijk maximumeisen, die van invloed waren op de woonruimte en ook op de kwaliteit. De planning van de woningbouw en de huur stond politiek hoog op de agenda. In 1955 en 1961 gaven deze onderwerpen aanleiding voor een kabinetscrisis.

Na 1958 begon de liberalisatie van het woonbeleid.

  • De bevoegdheden van de overheid inzake distributie van woonruimte wordt ingeperkt (invoering van “vrije sectoren” en “vestigingsvrije gemeentes”)

  • De huurprijs wordt niet meer aan alle huiseigenaren bindend voorgeschreven.

Tot een volledige opheffing van de bevoegdheid van lagere overheden inzake de woningdistributie is het nimmer gekomen en ook thans nog worden aan de huurprijzen kaders gesteld. Ook al is de absolute woningnood opgeheven, een ‘relatieve’ woningnood bestaat er nog steeds; en deze nood kan worden omschreven als:

  • Kwaliteitsachterstand van woningen in de binnensteden (noodzaak tot ‘krotopruiming’, ‘herstructurering’, ‘renovatie’, ‘stadsvernieuwing’);

  • Woningtekort voor specifieke bevolkingsgroepen (in de jaren ‘50 is er vooral gedacht aan gezins-woningbouw, waardoor er geen ruimte was voor alleenstaanden);

Een ander probleem ontstond doordat in de jaren ’50 wel de nieuwbouw werd gestimuleerd, maar de problemen die er bestonden met het oude woningbestand niet werden opgelost. Een eerste poging tot oplossing was de afroming van de huurverhoging van oude woningen naar een fonds dat tot verbetering van die woningen moest voorzien, het Grootboek Woningverbetering. Een tweede probleem was de leegloop van de binnenstad door achterstelling van de wijken en vervolgens door sloop en vervanging door kantoren. In de jaren ’70 kwam hierin een ommekeer. De stadssanering mocht niet ten koste gaan van het karakter en de bewoonbaarheid van de binnenstad. In die jaren werd de oplossing gezien in subsidieregelingen met gemeenten. Een grote stimulans werd gegeven door het stadsvernieuwingsbeleid van staatssecretaris Schaeffer en het groeikernenbeleid van Gruyters. Het laatste is een gevolg van het streven om – zoals o.m. geformuleerd in de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening van 1966 – ‘ongewenste uitwaaiering’ van nieuwbouw in kleinere kernen tegen te gaan en naast bebouwde gebieden ook agrarisch-landschappelijke en natuurgebieden (‘het groene hart’) te behouden.

Vanaf 1977 werd het volkshuisvestingsbeleid gedecentraliseerd. Er was teveel kritiek op de centrale sturing van het volkshuisvestings- en stadsvernieuwingsbeleid. In toenemende mate werden subsidies nu niet meer vastgesteld op basis van landelijke aanvragen maar op basis van lump sums aan de gemeenten, die nu zelf tot verdeling moesten overgaan. Naast de budgetsubsidies werden er echter ook nog grote projecten gesubsidieerd (locatie-gebonden subsidie). Van belang waren in dit verband de experimenten met groeikernen, waarvan de uitbreidingsplannen gepaard gingen met een specifiek subsidiestelsel voor de bouw van de voorzieningen aldaar.

Beleidsproblemen waarvoor het rijk een oplossing zocht zijn:

  • De zgn. scheefheid in de volkshuisvesting: de goedkope woningen zijn niet altijd toebedeeld aan mensen met een laag inkomen: er is geen doorstroming in kwaliteit.

  • De verplichtingen van het rijk op grond van financieringen in de woningbouw, vooral als gevolg van aan hoge rentes gebonden kostprijsberekeningen. In 1994 werd dit probleem opgelost door het systeem van ‘balansverkorting’. Staatsleningen aan woningcorporaties werden vervangen door aan deze corporaties een waarborgkas te gunnen, waardoor ze op controleerbare wijze zelf fondsen konden vormen voor de woningbouw.

In 1980 en 1990 werden de doelstellingen van het volkshuisvestingsbeleid nader in nota’s geformuleerd. In 1980 was het beleidsdoel van het ministerie gericht op ‘het bevorderen van een optimale woonsituatie voor alle inwoners’, te realiseren door:

  • het bevorderen van een voldoende en gedifferentieerd aanbod van goede woonvoorzieningen;

  • het bevorderen dat de gedifferentieerde woonbehoeften tot uitdrukking komen;

  • afstemming van de bouwproductie, het productieapparaat en de arbeidsmarkt van de bouwnijverheid op de maatschappelijk erkende behoefte.

Vanaf 1982 trad de rijksoverheid terug. De ontwikkeling, meer kaderstellend, richt zich ‘van zorgen voor naar zorgen dat’. Het overheidsoptreden werd gekenmerkt door meer vertrouwen in het marktmechanisme. De algemene voorziening werd door deregulering aan de vrije markt overgelaten en de overheid stelde minimale kaders. In de Nota Volkshuisvesting in de jaren ’90 (1988) werden als doelstellingen geformuleerd:

  • Zorg voor goede en betaalbare huisvesting voor lager betaalden

  • Bevordering van een kwalitatief goed woon- en leefmilieu; hierbij wordt vooral gedacht aan energiebesparing, milieuvriendelijk en duurzaam bouwmateriaal. De hiermee gepaard gaande kostenstijgingen moeten weer in beleidspunt 1 worden verdisconteerd.

  • Bevordering van eigen woningbezit

  • Bevordering van experimenten, innovatie en kennisoverdracht.

Onder invloed van de Tussenbalans 1991werd het huur- en subsidiebeleid drastisch herzien. De steun aan rechtstreekse woningbouw, te zeer onderhevig aan renteschommelingen en te zeer leidend tot blijvende lasten, kwam nagenoeg te vervallen. In de plaats daarvan werden de bewoners, die anders niet in staat zouden zijn aan de markt deel te nemen, zelf gesteund met huursubsidie. Verder werden er aanvullende subsidies verleend voor (woningen met) bijzondere voorzieningen voor bepaalde groepen (invaliden, bejaarden). Van 1991 tot 1995 voerde het Ministerie van VROM op dat punt een bezuinigingsoperatie uit, die het budget voor volkshuisvesting – en ook het aandeel daarvan in de rijksbegroting – nagenoeg halveerde. Het uitgangspunt van het rijksbeleid in 1994 is dat burgers en particuliere instellingen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun huisvesting. De rijksoverheid beschermt mensen die daarin niet op eigen kracht kunnen voorzien.

1.3. Juridisch kader

In dit hoofdstuk wordt de wettelijke regelgeving behandeld. De bevoegdheid tot het opstellen van regels ligt bij:

  • de wetgever in formele zin voor wat betreft de opstelling van wetten en de wijziging daarvan

  • de regering voor wat betreft de opstelling van amvb’s. Deze bevoegdheid wordt nader in wetten, waarin de amvb’s worden aangekondigd, geregeld. Niet zelden wordt in wetten voorgeschreven in hoeverre de wetgever in formele zin alsnog bij bepaalde amvb’s zijn invloed dient uit te oefenen

  • de regering voor wat betreft ministeriële regelingen. Deze regelingen kunnen nader worden aangekondigd in amvb’s. In bijzondere gevallen worden ze in wetten aangekondigd, maar dan gaat het om spoedeisende zaken, die nader bij amvb dienen te worden vastgesteld. De meeste regelingen zijn subsidieregelingen, die nader bij circulaire worden toegelicht. Feitelijk werden in het verleden daarmee de kaders van een aantal beleidsinstrumenten vastgesteld, waaraan (zoals uit het vervolg zal blijken) niet altijd een eenduidige wet ten grondslag ligt. Als kaderstellend worden ook beschouwd de circulaires of voorlichtingsbrochures waarmee regelingen nader worden toegelicht

  • de Provinciale Staten voor wat betreft provinciale verordeningen. De wet kan regelen dat provinciale verordeningen op bepaalde terreinen door de minister kunnen worden getoetst, omdat de regels van verschillende provincies onderling op elkaar dienen te worden afgestemd

  • de gemeente voor wat betreft gemeentelijke verordeningen, al dan niet in een samenwerkingsverband in de vorm van een gemeenschappelijke regeling. De provincie kan in bepaalde door de wet voorgeschreven gevallen deze verordeningen toetsen, omdat de regelgeving onderling op elkaar dient te zijn afgestemd. De wet kan hiervoor nadere kaders vaststellen

Veranderende bestuursopvattingen

Wet- en regelgeving werden in 1945 vooral gezien als bestuursinstrumenten waarbij aan de burger als rijksonderdaan bindende regels werden opgelegd. Eenmaal vastgestelde administratieve bevoegdheden ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden konden in de opvatting van het ministerie aanvankelijk ook van toepassing worden verklaard op terreinen waarin de invloed zich verder uitstrekte dan oorspronkelijk leek te worden beoogd. Aan het wederopbouwbeleid lagen aanvankelijk naast de woonwet vooral bouwplannen ten grondslag, met name het Bouwplan 1946. Het beginsel van pragmatisch handelen alvorens te regelen gold met name voor de financiering van de woningbouw en de stadsvernieuwing. Vanaf 1965 wijzigde deze opvatting geleidelijk. Nog in het kabinet-Den Uyl (1973–1977) spoorde staatssecretaris Schaeffer aan tot het ‘creatief gebruik’ van bestaande subsidieregels voor stadsvernieuwing, waardoor een instrument voor ‘krotsanering’ kon worden gebruikt voor de instandhouding van bestaande woningen. Een en ander werd indertijd niet als détournement de pouvoir gezien, omdat veel (interne) regelingen als uitvoerende oplossingen golden voor de bestrijding van een noodprobleem. Of zoals Schaeffer in 1976 nog zei: ‘dit ministerie is erg doenerig. Ik houd ervan om aan de hand van concrete gevallen het beleid te vormen.’2 Een en ander betekent dat probleemstellingen vaak onmiddellijk door een uitvoeringsregeling worden opgelost. Vaak blijken vastgestelde subsidievoorwaarden te berusten op normen die intern worden vastgesteld. Onder Schaeffer worden zij door voorlichting geëxpliciteerd, maar in vroegere tijden waren zij vaak slechts bij de uitvoerende ambtenaren van het ministerie en de HID bekend. Het gevolg hiervan is dat over de periode tot 1985 vooral de interne circulaires als belangrijke beleids- en bestuurs-instrumenten moeten worden gezien.

Tegenwoordig dienen in overeenstemming met EG-regels en de Algemene Wet Bestuursrecht subsidieregels te berusten op daarvoor ontworpen wetten en bestaat er een transparantere samenhang tussen de bedoeling van de wetgever en zijn uitvoeringsregels: de normen zijn aan externe controle gebonden en er wordt steeds meer naar internationale standaarden verwezen. Met name lijken de subsidievoorwaarden en eisen aan de woningen niet zozeer gekoppeld aan door het ministerie vast te stellen maatstaven als wel aan internationale standaarden als ISO-normen. De beleidsruimte bij de uitvoering van vastgestelde instrumenten wordt tegenwoordig sterker ingeperkt door de wet. De keuze van beleidsinstrumenten wordt veel strikter in wettelijke of aan de wet ontleende regels vastgelegd. Deze regels geldem echter niet alleen voor het ministerie, maar ook voor andere overheden, zoals uit het vervolg zal blijken.

Verhouding tussen het rijk en andere overheden

In de Woningwet van 1901 worden de voornaamste regelgevende bevoegdheden inzake de kwaliteit van de woonomgeving bij de gemeente gelegd. Dit is een erkenning van de gemeentelijke autonomie in dezen. Het gemeentebestuur bepaalt door middel van een vergunningenstelsel welke kwaliteitseisen er aan woningen dienen te worden gesteld. De provincie toetste het gemeentebeleid. Het rijk heeft slechts toetsende bevoegdheden in gevallen van grote stadsuitbreidingen. Deze bevoegdheden vallen thans onder de regels met betrekking tot ruimtelijke ordening. Verder stelt het Rijk kaders aan door haar zelf te subsidiëren woningcorporaties; deze moeten aantonen dat zij geen instellingen waren met een winstoogmerk. Daarnaast moeten zij kunnen worden getoetst op de effectiviteit van hun financieel beheer. Het Rijk had zich immers verbonden om tegen mogelijke exploitatieverliezen garant te staan, dan wel garanties te ondersteunen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog trok het centrale overheidsgezag definitief de bevoegdheden om in te grijpen in de kwaliteit van de woningbouw naar zich toe. Dit had immers als gevolg van de oorlogssituatie de – reeds in 1936 door democratische besluitvorming vastgestelde – bevoegdheid om zelf de distributie van alle goederen te regelen en dit gold dus ook voor de materialen die voor de verrichting van openbare werken nodig waren. Ook na de bevrijding hield het rijk de bevoegdheid van de prijsbeheersing aan zichzelf. In 1945 beschikte de regering zich in afwachting van het herstel van de parlementaire democratie de in Londen vastgestelde volmachten om maatregelen te treffen tot herstel van het door de oorlog getroffen vaderland. De noodzaak van herstelmaatregelen viel samen met de totstandkoming van een regering die met steun van de parlementaire meerderheid regels kon stellen inzake (minimum-)lonen, (maximum-)prijzen, arbeidsbemiddeling, sociale zekerheid en dus ook de woningbouw.

Na 1945 ging de aansturing van de uitvoering over naar een centraal college, dat zelf bevoegd was om de werkzaamheden te plannen, toestemming te geven voor de uitvoering en goederen te onteigenen. Vanaf 1948 werd de gemeentelijke autonomie ten dele hersteld, zij het dan dat zij hun bouwplannen ter goedkeuring moesten voorleggen aan de minister. In 1950 werden de bevoegdheden van rijk om in te grijpen in de autonomie van de gemeente nader geregeld in de Wederopbouwwet. Hierin werd o.m. vastgesteld dat het rijk de bevoegdheid had om bepaalde (moderne) bouwmethoden op voorhand toelaatbaar te verklaren. De minister had zich de bevoegdheid toegekend om voor bouwvergunningen voor nieuwbouw toestemming te geven. De gemeente had verregaande bevoegdheden inzake de bewoning van de aanwezige woonruimte en kon desgewenst door het weigeren van toestemming tot bewoning of vorderingen ingrijpen in het particulier eigendomsrecht. Naarmate de woningnood toe- of afneemt kon de minister dus meer of minder directief optreden. In beginsel is dit nog steeds in de wetgeving vastgelegd. Want ofschoon de bestaande regelgeving heden ten dage vooral de nadruk legt op de gemeentelijke autonomie met betrekking tot de woningbouw en de regering slechts kaderstellend optreedt, voorziet de Woningwet toch in ‘bijzondere omstandigheden’ waarin de regeling alsnog noodvoorzieningen kan treffen die ongeveer gelijk zijn aan die van de wederopbouwperiode.

Nadere specificatie van de bevoegdheden der verschillende overheden

De gemeente heeft vanaf 1901 de volgende bevoegdheden:

  • Het opstellen van een plaatselijke bouwverordening op grond waarvan zij een vergunningenstelsel kan baseren.

  • Het toelaten en weigeren van vormen van woningbouw. Vergunningen om te bouwen worden slechts verleend indien het bouwplan aan de eisen van de verordening voldoet.

  • Het bestrijden van slechte woontoestanden door last te geven aan de eigenaar tot het aanbrengen van verbeteringen en door onbewoonbaarverklaring.

  • Het volgens een vereenvoudigde procedure onteigenen van gronden in het belang van de volkshuisvesting.

  • Het (mede)subsidiëren van woningbouw die uitsluitend dient om de volkshuisvesting te verbeteren.

  • Het instellen van een woningbeurs.

Daarnaast hadden gemeenten met meer dan 10.000 inwoners de verplichting om voor gronden die aan de bebouwde kom grenzen een uitbreidingsplan vast te stellen. Het rijk moest dit uitbreidingsplan goedkeuren.

Het Rijk verleende (incidenteel) subsidie aan ‘toegelaten instellingen’: dat zijn particuliere of gemeentelijke woningbouwverenigingen (veelal woningcorporaties) die zich zonder winstoogmerk met volkshuisvesting bezig houden. Het rijk had de bevoegdheid om deze winsten te controleren en paste die ook daadwerkelijk toe. Van 1937 tot 1965 werd die winst ook daadwerkelijk opgevorderd.

Vanaf 1947 had de gemeente ook de bevoegdheid om de woonruimte in zijn gebied te verdelen door:

  • het aan aanvragers toewijzen van woningen. Wie geen woonvergunning had, mocht niet in zijn woning verblijven.

  • het vorderen van woonruimte.

  • het sluiten van beleidsovereenkomsten met projectontwikkelaars. Deze situatie begint in 1956 aan te vangen, wanneer de eerste continu-contracten gesloten worden met systeembouwers.

Deze bevoegdheid werd de gemeentes gedeeltelijk ontnomen door latere wetgeving; de woonliberalisatie liet geleidelijk aan meer vrije vestiging toe. In 1993 werd ingevolge de nieuwe Huisvestingswet het verblijfsvergunningenstelsel gedeeltelijk afgeschaft. Woningtoewijzing was in beginsel slechts mogelijk om goedkope huisvesting voor de laagst betaalden te garanderen; voor andere criteria zoals economische gebondenheid, moest de gemeente toestemming van de provincie aanvragen. Ofschoon deze regelgeving in beginsel uitgaat van de gemeentelijke autonomie, is er toch controle mogelijk: Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid om de handelingen van de gemeente te toetsen: alle gemeentelijke bouwvoorschriften moeten door hen worden goedgekeurd. Waarschijnlijk zit hierin een harmonisatie-element. Tegen de besluitvorming van de gemeente is beroep bij Gedeputeerde Staten mogelijk. Ook kunnen GS zelf bouwvoorschriften opstellen indien de gemeente in gebreke blijft.

Vanaf 1903 is overigens voor bewoning van een woonwagen of woonschip de vergunning van de Commissaris der Koningin van een provincie vereist. GS heeft de bevoegdheid die vergunning in te trekken of zelfs woonwagens te ontruimen. Op deze manier kunnen zij toezicht uitoefenen op de kwaliteit van woonwagens. GS hebben ook de bevoegdheid om standplaatsen aan te wijzen voor woonwagencentra, zijn beroepsinstanties bij gemeentelijke beschikkingen over de plaats van woonwagens en woonwagencentra.

Het rijk heeft bij wet de volgende bevoegdheden verkregen:

Inzake de controle op de woningbouw krachtens de Woningwet 1901:

  • Het organiseren van het toezicht op de woningbouw;

  • Het uitoefenen van het toezicht op de woningbouw door middel van een daartoe aangewezen inspecteur. Deze brengt advies uit over gemeentelijke bouwvoorschriften aan Gedeputeerde Staten, zodat zij van hun bevoegdheden gebruik kunnen maken.

  • Het toelaten van woningbouwverenigingen als zijnde verenigingen zonder winstoogmerk. Hierbij verbindt het rijk zich borg voor het beheer van de gebouwde woningen, door bijv. deel te nemen aan de liquidatie van het bedrijf of bij faillissement. Het Rijk kan door regelgeving ook nadere voorwaarden stellen voor de toelating van deze verenigingen. De regelgeving betreft de boekhouding, de verslaglegging, het aandelenbeheer en allerlei andere vormen van bedrijfsvoering.

  • Het geven van regels ten aanzien van woningbeurzen.

Na de totstandkoming van de Wederopbouwwet en de Woningwet 1965 is de controle op de woningbouw versterkt:

  • Het bepalen welke bouwvergunningen de goedkeuring van de minister behoeven. In 1950 en 1951 paste de minister een goedkeuringsstop toe voor bouwplannen boven de 100.000 gulden om het bouwtempo te reguleren en goedkope bouw te bevorderen. Tot heden heeft de minister de bevoegdheid om op aanvrage van de gemeente bouwvolumes toe te wijzen (bevoegdheid tot bouwcontingentering). De minister maakt tot 1956 van deze bevoegdheid gebruik om in de voornaamste behoefte te voorzien. Na 1956 betrekt hij ook de aanwezige capaciteit in de bouwvak bij zijn toewijzingsbesluit.

  • Het voorbijgaan aan gemeentelijke bouwvoorschriften op grond van het algemeen belang. Hierbij moet gedacht worden aan tevoren vastgestelde en goedgekeurde moderne vormen van woningbouw (systeembouw, standaardbouw, hoogbouw), waarin door de gemeentelijke bouwvoorschriften nog niet was voorzien, maar die geschikt waren om de woningnood te bestrijden. De wijziging van de woningwet in 1962 maakte deze regeling overbodig.

  • Een en ander impliceert ook: het stellen c.q. bevorderen van nadere regels ten aanzien van gemeentelijke bouwvoorschriften. Vanaf 1956 streeft de minister naar grotere stroomlijning om het tempo van de woningbouw te versnellen. Mede onder zijn bemiddeling komen er in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten modelbouwvoorschriften tot stand. In dit proces speelt de Raad voor de Woningbouw een belangrijke rol. Vanaf 1962 stelde het rijk kaders voor gemeentelijke bouwverordeningen. Hierin staat aangegeven wat er precies in bouwverordeningen dient te worden geregeld. Gedeputeerde Staten van een provincie moeten die bouwverordening goedkeuren. Hierdoor kan het rijk en de provincie sturend optreden bij verschillen in bouwvoorschriften. Vanaf 1992 het bij AMVB stellen van kaders voor de kwaliteit van de bouw van gebouwen. Deze kaders worden vanaf 1992 vastgesteld in het Bouwbesluit. Het rijk wijst vanaf dat jaar instellingen aan die de normen ontwerpen waaraan gebouwen dienen te voldoen. Vaak wordt het bouwbesluit herzien aan de hand van eisen van de milieuwetgeving. Deze eisen worden soms door Europese richtlijnen opgelegd.

Inzake het verbintenissenrecht:

  • De regeling van de huurprijs. Vanaf 1940 werd die vastgesteld op basis van prijsbesluiten, zoals die op alle goederen van toepassing waren. Sedert 1950 kwam de huurprijsstelling door middel van formele wetgeving tot stand. De huurwet werd op onregelmatige tijden gewijzigd, totdat in 1965 werd besloten dat in bepaalde gebieden de huur kon worden ‘geliberaliseerd’. Tegenwoordig blijft de rijksoverheid de bevoegdheid voor zich houden tot de vaststelling van de huurprijs van door het rijk gesubsidieerde woningen of woningen van woningcorporaties,. Deze bevoegdheid wordt bij AMVB nader geregeld. De minister stelt thans nog de huurprijs vast voor standplaatsen in woonwagens (Besluit huurprijs standplaatsen voor woonwagens, Stb. 1992, 268).

  • Het stellen van regels inzake conflicten bij de vaststelling van de huurprijs in het bijzonder door de instelling van huur (advies)commissies. Deze commissies hebben weliswaar geen rechtelijke bevoegdheden, maar geven in sommige gevallen wel arbitragebeschikkingen. De rechtsmacht van deze commissies wisselt naarmate er meer of mindere politieke behoefte aan huurbescherming wordt gevoeld.

  • Het stellen van regels ten aanzien van verbintenissen inzake onroerend goed, met name het limitatief bepalen van gronden waarop huurovereenkomsten kunnen worden opgezegd. Dit heeft geleid tot de wettelijke huurbescherming.

Op financieel terrein:

  • Het wettelijk regelen van recht op subsidie aan woningbouw. Art. 24 van de Wederopbouwwet kende aan het Rijk de bevoegdheid toe subsidiegelden toe te kennen voor de wederopbouw. Dit artikel lag tot aan de invoering van de Woningwet 1962 ten grondslag aan de premiewoningbouw. Het rijk had op grond van de te stellen subsidievoorwaarden verregaande bevoegdheden om aan de bouw van deze woningen eisen te stellen en deed dat dan ook middels interne circulaires en voorschriften.

  • Het subsidiëren van plannen tot stadsvernieuwing en het stellen van controlevoorwaarden daarop. De visie op stadsvernieuwing werd aanvankelijk ‘creatief’ in de bestaande regelgeving ingepast, later werden de regelingen verfijnd. In de jaren ’70 werden de plannen centraal beoordeeld, tijdens het eerste kabinet-Van Agt is meer het accent gelegd op ‘zelfbeheer’ door de gemeente en werden de voorwaarden meer kaderstellend.

  • Het regelen van recht op huursubsidie. Vanaf 1979 regelde het Rijk bij wet een individuele huursubsidie, waarbij de berekeningstabellen naar inkomen, bij AMVB werden vastgesteld.

  • Het verstrekken van leningen (rijksleningen) vanaf 1948, het stellen van garanties. Hieronder kan men ook verstaan: het stellen van voorwaarden waaronder die garanties worden gegeven. Een voorwaarde kan zijn: de regeling van het toezicht op de leningen.

  • Het verlenen van geldelijke steun aan gemeenten voor bijzondere soorten van volkshuisvesting. Gedacht moet hierbij worden aan woonwagencentra (art. 13, lid 1 Woonwagenwet) of aan voorkeurswoningen.

  • Het verstrekken van leningen (rijksleningen) vanaf 1948.

  • Het aanwijzen van subsidie verlenende en controlerende instellingen tot uitvoering van een subsidieregeling.

    Voorbeelden zijn:

    • Krachtens de Regeling Eigen Woningbezit 1956 worden bouwspaarkassen – die aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen – als bemiddelende organen aangewezen, die de subsidie uitbetalen; de Verzekeringskamer oefent toezicht op hen uit.

    • De gemeente moet een aanvraag van individuele huursubsidie indienen en er zorg voor dragen dat de gegevens die door de aanvrager zijn verstrekt, juist en volledig zijn. De gemeente krijgt in deze gevallen tegelijk een bindend adviserende taak.

  • Het oprichten van waarborgfondsen van woningbouwverenigingen.

  • Vanaf 1992 had het rijk ook de bevoegdheid om de gemeente te dwingen bepaalde voorzieningen te treffen. Dit was echter bedoeld als stok achter de deur voorgeval de gemeente aantoonbaar nalatig was.

Teneinde tot een vorm van taakafbakening te komen bij de uitoefening van die bevoegdheden en de controle daarop werden door het rijk tal van aanwijzingen gegeven in de vorm van circulaires, die beoogden nadere uitleg te geven aan de regelgeving. Hiermee werd ook aangegeven op welke wijze de administratiefrechtelijke ruimte bij uitvoering zou worden ingevuld. Belangrijk in dit kader zijn de subsidievoorwaarden die – vooral in de jaren ’50 – op circulaires werden vastgelegd: deze hebben betrekking op de aan te wenden bouwmaterialen en de maxima aan te bouwen woonruimte.

Van 1945 tot 1956 had het rijk derhalve ook bevoegdheden die tot dan toe uitsluitend bij de gemeente berustte, zoals die van onteigening ten behoeve van de wederopbouw. Na 1956 gold de wederopbouw als voltooid en liet het rijk deze bevoegdheden weer aan de gemeente over. Maar nu werd de wet op de ruimtelijke ordening voorbereid, die de gemeente de verplichting op te leggen om grote bouwactiviteiten eerst te beginnen in een kader van een vastgesteld bestemmingsplan.

Veel subsidiekranen kwamen bovendien na 1989 onder scherpere parlementaire controle te staan als gevolg van rapporten van de Algemene Rekenkamer over het gebrek aan controle op de subsidie door de inspectie. Een aantal garanties en financieringsregelingen werden vanaf 1980 door het rijk afgestoten en geregeld als gezamenlijke verbintenissen van de woningbouwcorporaties, die onderling een aantal waarborgfondsen oprichtten. Deze fondsen hebben een publiekrechtelijke functie. Tenslotte moet in dit verband worden opgemerkt dat de Europese regelgeving invloed kan uitoefenen op de woningbouw. Een belangrijke rol speelt hierbij het Centre Europeen de Normalisation (CEN), dat door de Europese commissie is ingesteld. Dit heeft de bevoegdheid bindende kwaliteitsnormen vast te stellen voor bouwmaterialen en -producten. Deze normen worden in Nederlandse bouwvoorschriften bij AMVB nader uitgewerkt.

De regelgeving van het rijk betreft in toenemende mate procedures waaraan het handelen van andere overheden kunnen worden getoetst. Deze procedures zijn bedoeld om de transparantie van het overheidshandelen te vergroten en aan uitvoeringsprocessen structuur te geven. Zo zijn er kaders vastgesteld die de burger inspraak geven bij bouwvergunningen van de gemeente en de uitvoering van bouwwerken. Ook zijn er regels vastgesteld waarbij de burger het overheidshandelen door de rechter of door een door de wet aangewezen instantie kan laten toetsen. Deze regels vinden over het algemeen hun oorsprong in de woningwet 1990, die – met uitzondering van regels inzake de huursubsidie – als kaderwet dient voor de regeling van de woningkwaliteit.

De Woningwet 1990 werd met ingang van 1995 van kracht. Tegelijkertijd werd in dit jaar het einde van de objectsubsidie door middel van woningbouwfinanciering bewerkstelligd en de vervanging door huursubsidie doorgevoerd.

1.4. Organisatorisch kader

In het boven aangehaalde jubileumboekwerk Volkshuisvesting in goud wordt niet alleen de formele organisatie beschreven, maar wordt ook een beeld gegeven van het ambtelijke krachtenveld binnen het kader van de formulering van enkele beleidsvraagstukken, de regelgeving en de uitvoering. Ook op de reacties met betrekking tot nieuwe problemen word uitvoerig ingegaan. Het boek gaat echter wel uit van de zaken die thans door het Directoraat-Generaal van Volkshuisvesting zijn aangestuurd. Hierdoor is een deel van het bouwnijverheidsbeleid, voorzover dit niet door het Directoraat-Generaal is aangestuurd, onderwerp van nader onderzoek geweest. In de praktijk is dit bouwnijverheidsbeleid voor een groot deel vooronderzoek voor de normering van te subsidiëren woningbouw op grond van criteria als efficiency en prijsbeheersing.

In het rapport institutioneel onderzoek Volkshuivesting (rio rapport nr. 136) is de organisatie van het ministerie daarom niet volledig doorgelicht, maar worden slechts hoofdlijnen aangegeven. Voorzover de handelingen zijn verricht door directoraten en afdelingen binnen het ministerie, treedt de minister die belast was met het beleidsterrein volkshuisvesting, als actor op. Officieel is in 1996 gevierd dat het Ministerie van Volkshuisvesting vijftig jaar bestond. Dit ministerie nam formeel zijn taak over van het vooroorlogse Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat zich tot dan toe bezig hield met het beleidsterrein, dat voortvloeide uit de Woningwet 1901. Ook na de oorlog is dat ministerie nog met enkele taken belast geweest. Volgens de Woonruimtewet 1947 is Binnenlandse Zaken belast met de nadere regelgeving met betrekking tot het gemeentelijk toewijzingsbeleid van woningen.

De eerste taak van het nieuwe ministerie was het staatstoezicht. Officieel was in de wet van 1901 het staatstoezicht opgedragen aan de inspecteur van Volksgezondheid, onder wie provinciale inspecteurs ressorteerden. Maar blijkens het aanstellingsbesluit van de Directeur Generaal van de Centrale Directie Volkshuisvesting (CDV) was deze tevens inspecteur. Hij stelde in de provincies speciale ambtenaren aan, belast met het toezicht op de volkshuisvesting, de Hoofdingenieurs van dienst. Deze ingenieurs adviseerden de gemeenten bij de regelgeving en adviseerden de beroepsinstanties wanneer deze door belanghebbenden waren aangesproken voor het treffen van voorzieningen. Volkshuisvesting moest echter op grootschaliger wijze worden aangepakt, toen als gevolg van oorlogshandelingen in de jaren 1940–1945 tal van woningen in Nederland werden beschadigd en verwoest, en er aldus een acute woningnood ontstond.

Het Ministerie van VROM, dat in 1996 het vijfitgjarig bestaan van de Centrale Dienst Volkshuisvesting herdacht, kent een voorgeschiedenis. Vanaf 17 mei 1940 bestond er een algemeen gemachtigde voor de Wederopbouw. Dat was ir. J.A. Ringers, die daartoe – vlak na de capitulatie – door generaal Winkelman als opperbevelhebber der strijdkrachten was aangesteld, om met name de schade van het bombardement te Rotterdam en te Middelburg te herstellen. Hij kreeg door de bezettende Rijkscommissaris de leiding over de gehele bouwnijverheid toegewezen, maar werd in 1943 gearresteerd wegens zijn contacten met Londen. Hij zou de eerste naoorlogse minister worden. In het bevrijde Zuiden was intussen in 1945 in samenwerking met Londen een college opgericht, dat eveneens met wederopbouw was belast. Dat kwam na 23 juni formeel onder Ringers te staan, toen die op die datum tot Minister van Openbare Werken werd benoemd. Op 16 augustus 1945 werd de naam, van het ministerie herdoopt in dat van Openbare Werken en Wederopbouw. Op 28 februari 1947 kreeg het ministerie de benaming van Volkshuisvesting en Wederopbouw (Stb, H 63). Op 12 oktober 1956 werd de wederopbouw voltooid verklaard, al was daarmee de woningnood niet opgelost. Het ministerie ging toen onder het vierde kabinet-Drees van start als Ministerie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid (Stcrt. 201). In 1965, bij het in werking treden van de nieuwe Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening werd onder het kabinet-Cals de benaming Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Stb. 146). Bij het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers nam dit ministerie milieubeheer als beleidsterrein over van dat van Volksgezondheid; bij besluit van 4 november 1982, Stb 613, veranderde het zijn naam in Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.’

Op 16 maart 1946 ging het bureau Volkshuisvesting formeel over van het Ministerie van Binnenlandse Zaken naar het ministerie belast met wederopbouw. Er werd een apart directoraat-generaal van de Volkshuisvesting opgericht. Dit directoraat bleef sedertdien ministerieel en stuurde grotendeels het beleid met betrekking tot volkshuisvesting aan.

In 1945 bestond er naast het ministerie van Ringers bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken een Afdeling Volkshuisvesting, die vooral belast was met de inspectietaken krachtens de Woningwet. Deze dienst werd door Ringers overgenomen en – samengevoegd met de Wederopbouwdienst van zijn ministerie – omgedoopt tot een Centrale Directie voor de Volkshuisvesting (CDV). Op 18 maart 1946 werd een directeur-generaal daarvoor benoemd, die tevens hoofdinspecteur was. De inspectie zelf werd per provincie nader geregeld. De directie werd formeel benoemd bij Koninklijk Besluit van 23 september, met terugwerkende kracht vanaf 15 juni. In verband met deze data vond in 1996 de jubileumviering plaats.

De samenvoeging met de Wederopbouwdienst van het ministerie vond op 11 november 1947 plaats, zodat er een Centrale Directie voor de Wederopbouw en de Volkshuisvesting plaats vond. Dat werd in 1956 dus – met de naamsverandering van het ministerie – Centrale Directie voor de Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. In 1975 werd de dienst gesplitst en ontstonden de Centrale Directie voor de Volkshuisvesting en de Centrale Directie voor de Bouwnijverheid. In 1981 werd de Centrale Directie tot een directoraat-generaal omgedoopt (DGVH). Indien in dit rapport handelingen van ‘De Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)’ worden beschreven, gaat het in hoofdzaak om handelingen die door het CDV met zijn rechtsovolgers en uiteindelijk door de DGVH werden aangestuurd, deels ook door het directoraat belast met bouwnijverheid.

Daarnaast bestonden er op het beleidsterrein tijdelijk ook andere actoren, waarop hieronder verder zal worden ingegaan.

Zoals gezegd was van 1945 tot 1948 de volledige aansturing van de uitvoering van de wederopbouw in handen van het centraal georganiseerde College van Algemene Commissarissen, dat nog stamde uit de periode van het Militaire Gezag van het bevrijde Zuiden. Dit leidde tot protesten van de gemeenten en andere tegenstanders van een gecentraliseerd wederopbouwbeleid. Aan deze kritiek gaf men in 1948 gehoor door taken van het college naar de gemeenten door te decentraliseren. In afwachting van een nieuwe wederopbouwwet kende minister In ’t Veld aan het college namelijk een delegatiebevoegdheid toe. Na de totstandkoming van de Wederopbouwwet van 1950 werd het college opgeheven. Het ministerie bepaalde nu zelf zijn beleid in overleg met tal van advies-organen en studiecentra, waaronder instituten van het TNO en het in Rotterdam opgerichte Bouwcentrum, waarin het reeds tijdens de oorlog ontstane Bureau Documentatie Bouwwezen was opgenomen, evenals de Stichting Ratiobouw.

Een aparte Dienst Uitvoerende Werken voerde in opdracht van het ministerie woningbouwwerken uit ten behoeve van de volkshuisvesting (de z.g. DUW-arbeiderswoningen), zodat het ministerie zelf als ondernemer probeerde te voorzien in het woningtekort. Deze dienst ging in 1952 over naar het Ministerie van Sociale Zaken. Dit neemt niet weg dat het ministerie zelf nog tientallen jaren lang zelf betrokken bleef bij de financiering en de vormgeving van de woningbouw, waarbij de door de nood van die tijd ingegeven kwaliteitsnormen leidde tot veel innoverende strategieën.

De minister liet zich bij deze werkzaamheden van advies dienen door tal van raden en commissies, die meestal interdepartementale afvaardigingen hadden en/of inbreng vanuit de provincies. Deze commissies hadden tot taak de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te adviseren:

  • op het gebied van volkshuisvesting: de Raad voor de Volkshuisvesting;

  • bij de verdeling van gelden voor de woningbouw: het Centraal Orgaan voor de Wederopbouw en de Bouwnijverheid. Dit interprovinciale orgaan had tot taak de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te adviseren met betrekking tot de bouwnijverheid. Het werd opgevolgd door de Rijkscommissie van de volkshuisvesting;

  • voor de consequenties van de regelgeving inzake de woningbouw en de subsidieregeling daarvan: de Commissie van advies voor de woningbouw;

  • in specifieke beleidsvragen inzake volkshuisvestingsimplicaties op grond van een ‘beleidslevenscyclus’. Kenmerkend hiervoor zijn de Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing en de Interdepartementale Werkgroep Knelpunten Woningbouw (IWKW) 1972–1977, later de Interdepartementale werkgroep Groeikernen en Groeisteden (ICOG) 1977–1994. De laatste werkgroep ingesteld bij KB 25 maart 1977 (nr. 115) was mede een bindend adviesinstituut bij subsidie groeigemeenten, maar heeft feitelijk een coördinerende functie gekregen voor de stedebouwkundige gevolgen van ruimtelijke-ordeningsplannen.

In deze selectielijst wordt de inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur) herhaaldelijk als afzonderlijke actor opgevoerd, hetzij in verband met een wettelijk geregelde adviestaak, hetzij in verband met het hem toegewezen toezicht. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen de centrale organisatie van de inspectie (de inspecteur-generaal) en de op provinciaal niveau werkende ambtenaren, de vroegere ingenieurs HID. De reden hiervan is dat de functionarissen allen rijksambtenaar zijn geweest en dat er geen onderscheid tussen hun bevoegdheden op provinciaal en rijksniveau bij de beschrijving van hun handelingen kan worden gemaakt.

De inspectie volkshuisvesting oefende toezicht uit op de uitvoering van besluiten en wetten. Maar dit toezicht wordt in toenemende mate preventief, doordat de inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur) zelf afspraken maakt om handhavingswerkzaamheden vóór te zijn. Tegelijk ontvangt hij signalen over de uitvoerbaarheid van het beleid en de regels en geeft hij beleidsadviezen door. Als ‘oog en oor’ van het ministerie bleef deze inspectie als ambtelijk bureau aan het ministerie verbonden. De bemoeienis van de inspectie en andere provinciale organen met subsidieverstrekking is afgenomen. De inspectie heeft als taken handhaving, interventie en evaluatie. Onder interventie wordt vooral overleg met de ‘marktpartijen’ verstaan, zoals met de volkshuisvestingsorganen. Dat zijn gemeentelijke bouwcorporaties, woningcorporaties en toegelaten instellingen, alsmede woningbouworganisaties voor specifieke groepen. Van de inspectie worden ook beleids-adviezen verwacht, vooral door ‘het terugkoppelen van beleidsrelevante signalen’.

Het toezicht op de woningcorporaties berustte echter niet bij de provinciale inspecteur maar bij het ministeriële apparaat in Den Haag, dat tot 1965 immers ook de winsten van de woningcorporaties kreeg teruggestort. De Centrale Directie Volkshuisvesting (CDV) oefende hoe langer hoe minder toezicht uit op de uitvoering van de woningwet, maar bemoeide zich vooral met de subsidiekraan: dáár vonden de toetsingen plaats voor de subsidie aanvraag voor nieuwe woningen; daar werden de normatieve tabellen opgesteld. De inspecties adviseerden de lagere overheden bij de uitvoering van het woningbesluit, de uitoefening van bestuursdwang, maar ook de sturing van geldstromen. De inspectie werd aangestuurd door instructies van de CDV.

Het volkshuisvestingsbeleid ondergaat een nader dereguleringsproces, hetgeen zijn weerslag heeft in de begroting en in de organisatie. Tevens neemt het beleidsterrein in belang af. Het rijk trekt zich terug voorzover het de directe bemoeienis met bouwactiviteiten gaat. De voornaamste onderwerpen van zorg zijn momenteel:

  • de individuele huursubsidie

  • de kwaliteit van de woningbouw, aangestuurd door internationale normering, en in verband daarmee

  • de duurzaamheid van de woningbouw, de energiebesparing

  • de samenhang met ruimtelijke ordening en infrastructuur

  • het architectuurbeleid.

In verband met dit laatste dient te worden opgemerkt dat op grond van het Besluit Rijksgebouwendienst, Stb. 1989, nr. 230, de Rijksbouwmeester formeel belast is met de leiding van het architectuurbeleid, mede gezien het belang om omvangrijke rijksgebouwen in de stedelijke planning te integreren. In dit rapport wordt achitectuurbeleid ruimer gedefinieerd. Het wordt gezien als een gevolg van het bouwnijverheidsbeleid dat eveneens van invloed is geweest op de naoorlogse architectuur van veel Nederlandse woonwijken! In de periode die deze lijst bestrijkt heeft het architectuurbeleid vooral aanleiding gegeven tot een aantal voorbereidende nota’s, die – historisch gesproken – als een ombuiging kunnen gelden van de tot dan toe gevoerde koers.

Het bouwnijverheidsbeleid bestaat uit normering van door het rijk te financieren gebouwen en de bevordering van de uitvoering daarvan. In concreto betekende dit samenwerking met de Minister van Volkshuisvesting, van Economische Zaken en van Sociale Zaken.

1.5. Afbakening van het beleidsterrein

Het beleidsterrein omvat de periode 1945–1994. Het betreft de periode van wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog, de instelling van een ministerie, belast met volkshuisvesting en de handelingen van dit ministerie tot 1994. Binnen deze periode heeft het ministerie een aantal ontwikkelingen ondergaan, die zich over een langere periode geleidelijk heeft voltrokken en waarbinnen moeilijk cesuren zijn aan te brengen. Over de periode na 1994 zal een nieuw rapport worden ingesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende – reeds in dit rapport gesignaleerde – elementen:

  • Beleidsvoorbereiding, uitvoering en evaluatie zijn onderhevig aan structurele vormprocessen, die zonder de daarvoor vereiste specifieke gegevens niet kunnen worden uitgevoerd. Deze processen worden voor een deel digitaal aangestuurd. Beleid wordt hierbij gezien als een cyclisch proces dat onderhevig is aan maatschappelijke en politieke controle, waarvoor waarborgen zijn ingebouwd.

  • Uitvoeringsinstrumenten als subsidies kunnen slechts worden gebaseerd op wettelijk voorschrift en zijn bovendien aan internationale regels op het gebied van marktwerking gebonden; interne sturing waarbij bij de uitvoering beleidsruimte wordt geschapen, is binnen dit kader niet mogelijk. De keuze van het beleidsinstrument hangt daarom samen met de bovengenoemde waarborgen.

Vanaf 1995 kan het gegevensbeheer aan de hand van deze opvattingen procesmatig nader worden gestructureerd, waarbij een aantal factoren die de transparantie bevorderen een rol spelen:

  • de behoefte van interne kennis ten aanzien van het volkshuisvestingsbeleid door actoren op andere beleidsterreinen binnen het ministerie;

  • de belangen van de marktwerking, die met transparantie is gediend;

  • de belangen van de burger;

  • de bijdragen van bevindingen op het gebied van volkshuisvesting aan zo mogelijk internationaal vast te stellen normering;

  • de internationale sturing door de VN-organisatie Habitat, door internationale economische organen, maar vooral door regelgeving van bijv. de Europese Unie.

Het beleidsterrein volkshuisvesting kent raakpunten met de volgende beleidsterreinen:

  • Het woonwagenbeleid, waarover in het RIO een apart hoofdstuk is gewijd, wordt momenteel gezien als een geïntegreerd bestanddeel van het volkshuisvestingsbeleid. Het betreft dus vooral de rol die rondtrekkende bewoners hebben gespeeld in de ruimtelijke omgeving. Met deze probleemstelling hebben zich ook andere ministeries bemoeid, die belast waren met Justitie en Maatschappelijk Werk. Voor het cultuurbeleid ten aanzien van bijzondere bevolkingsgroepen, zoals Roma en Sinti, zij men verwezen naar het institutioneel onderzoek met betrekking tot discriminatiebestrijding of minderhedenbeleid.

Voorts worden in dit rapport niet behandeld:

  • Werkgelegenheidsvoorziening voor woonwagenbewoners; zoals voorzien door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en alle aspecten rond beroepsuitoefening

  • Onderwijs aan woonwagenbewoners, en alle aspecten met betrekking tot de uitvoering van de leerplichtwet

  • Welzijnsbeleid voor woonwagenbewoners, zoals voorzien door particuliere of overheidsorganisaties van maatschappelijk werk e.d.

    • Het Centraal fonds voor de Volkshuisvesting is sinds het Besluit Centraal fonds voor de Volkshuisvesting van 1998 (Stb. 483) een zelfstandig bestuursorgaan geworden. De taken op dit beleidsterrein staan in het Basisselectiedocument Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. (Stcrt. 28 januari 2004, nr. 18, blz. 21)

    • Ruimtelijke ordening, waarbij de verstedelijking een belangrijke rol speelt. Volkshuisvesting dient namelijk als argument voor stadsuitbreiding, hetgeen vanaf 1962 ook een onderwerp van ruimtelijke ordening is. De afbakening met het beleidsterrein RO is zodanig gesteld, dat de in planologische rapporten voorgestelde uitvoeringsregelingen onder het beleidsterrein van volkshuisvesting worden gerekend. Met betrekking tot bovenstaand onderwerp is art. 32 van de Wet op de ruimtelijke ordening, welk artikel van 1965 tot 1984 van kracht is geweest, van belang. Het artikel luidt: ‘Ten behoeve van het uitvoeren van bestemmingsplannen, strekkende tot reconstructie van bebouwde kommen, kunnen volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen uitkeringen uit ’s Rijks kas worden verstrekt.’ De betreffende algemene maatregel van bestuur is het Besluit bijdragen reconstructie- en saneringsplannen, Stb. 1969, 87, en alle daarop volgende besluiten en regelingen met betrekking tot locatie-gebonden subsidies. Het ruimtelijk beleid is beschreven in het rapport institutioneel onderzoek Ruimtelijke ordening en geo-informatie, (pivot rapport nr. 120) en in de selectielijst Ruimtelijke ordening (Staatscourant 2002, nr. 215).

    • Het milieubeheer speelt een rol bij grondwerken, bouwmaterialen en bouwtechnieken , waar in toenemende mate milieu-eisen worden gesteld ter wering van bouwmaterialen die milieuproblemen opleveren (asbest, spaanplaat), evenals eisen ter voorkoming van de uitputting van voorraden (tropisch hardhout) en in het algemeen ter bevordering van duurzaamheid van materialen en woningen. (Rapport institutioneel onderzoek ‘Milieubeheer’, pivot rapport nr. 94, selectielijst Milieubeheer, Staatscourant 2003, nr. 155, 157, 158)

    • Vergoeding van oorlogsschade, omdat met de middelen daartoe de wederopbouw kon worden gefinancierd, werd uitgevoerd door het ministerie van Financiën. Het behartigen van deze belangen wordt beschreven in het rapport institutioneel onderzoek ‘Materiële oorlogs- en watersnoodschade’ (pivot rapport nr. 127).

    • Economisch beleid: Energiebeleid, in het bijzonder de bijdrage van electrititeit en gas aan de woningkwaliteit; Bevordering van energiebesparende maatregelen in de woningbouw. (Rapporten institutioneel onderzoek ‘Energiebeleid, pivot rapport nr. 82, Eenergiedelfstoffen, pivot rapport nr. 83)

    • Arbeidsvoorziening in geval van werkverschaffing bij wederopbouwprojecten en het treffen van voorzieningen daartoe (werkkampen) met name in de periode van wederopbouw door de Dienst Uitvoering Werken (DUW). (rapport: Arbeidsvoorzieningen/arbeidsmarkt, pivot rapport nr. 134; selectielijst Arbeidsvoorziengsbeleid, Stcrt 2005/9)

    • Prijsbeleid, voorzover het huurprijzen betreft. (Rio: ‘Economische controle en prijsbeleid’, pivot rapport nr. 108)

    • Belastingbeleid. Het gaat hierbij om invoering van het huurwaardeforfait van koopwoningen en de aftrek van hypotheekrente. (vgl. Pivot rapport 65: Belastingen, de geheiligde schuld)

    • Ontwikkelingssamenwerking. Hierbij moet worden gedacht aan de volkshuisvesting in bidonvilles, bairros de lata of favelas, de verstedelijkte achterstandsgebieden in ontwikkelingslanden. (Rio raport: Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, pivot rapport nr. 103).

1.6. Reikwijdte van de selectielijst

De lijst heeft betrekking op handelingen, die gedurende de periode waarover deze lijst loopt zijn verricht of

verricht worden totdat een hernieuwd institutioneel onderzoek in 2015 een nieuwe lijst tot resultaat heeft, of

eerder op grond van een actualisatie.

De selectielijst Volkshuisvesting van het Ministerie van VROM, goedgekeurd 12 september1989, wordt hiermee ingetrokken.

2. Selectiedoelstelling

De selectiedoelstelling is er op gericht dat met te bewaren gegevens een reconstructie van het handelen van de rijksoverheid op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk moet zijn, waardoor bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. De selectie richt zich op organen van de rijksoverheid voorzover deze vallen onder de werking van de Archiefwet 1995 (art. 3, 12) en op de in het Archiefbesluit (art. 2–5) voorgeschreven selectielijsten. Over vaststelling en vormgeving van deze lijsten in het kader van Pivot zijn in 2003 procedure-afspraken gemaakt tussen het Nationaal Archief en het Interdepartementaal Platform Selectievraagstukken.

3. Selectiecriteria

  • 1. Handelingen die betrekking hebben op de voorbereiding en bepaling van het beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en de terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en instrumenten.

  • 2. Handelingen die betrekking hebben op de evaluatie van het beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces, of de effecten van het beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken, zoals bij de terugkoppeling van het beleid.

  • 3. Handelingen die betrekking hebben op de verantwoording van het beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

    Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over het beleid op hoofdlijnen aan andere actoren, of ter publicatie

  • 4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met de hoofdlijnen van het beleid

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

  • 5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop de beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

    Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken

  • 6. Handelingen die betrekking hebben op de beleidsuitvoering op hoofdlijnen en die direct zijn gerelateerd of voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

    Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van een oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

4. Verslag vaststellingsprocedure

Op 15 december 2003 is het ontwerp-BSD door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Financiën, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 3 januari 2005 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken Ministers, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant [nummer] van [datum] en in het Archievenblad.

Op 28 april 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02131/2), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot volgende wijzigingen van de ontwerp-selectielijst:

  • De bewaartermijn van handeling 97 en 346 is gewijzigd van V 5 jaar na beëindiging functie in V 10 jaar na pensionering.

  • De vernietigingstermijn van handeling 251 is gewijzigd van V 6 jaar in V 5 jaar.

  • De waardering van handeling 538 en 551 is gewijzigd van B, criterium 5 in V 20 jaar.

  • De waardering van handeling 244 [voorheen handeling 221] is gewijzigd van B, criterium 5 in V 5 jaar.

  • Handeling 282 is gewijzigd van V 5 jaar in B, criterium 5.

  • De bewaartermijn van handeling 323 is gewijzigd van B, criterium 5 in V 6 jaar.

  • De vernietigingstermijn voor handeling 355 is gewijzigd van B, criterium 5 in V 5 jaar.

  • Handeling 357 is vanuit het RIO toegevoegd onder het hetzelfde nummer met B, criterium 5. Handeling 357 uit het ontwerp is gewijzigd in handeling 245 B, criterium 5.

  • Handeling 603 is gewijzigd van B: bijdragen ministerie VROM en V: 5 jaar overige notulen in V 5 jaar.

  • Handeling 614 is gewijzigd van B: bijdragen van het ministerie en V: overige stukken 5 jaar in V 5 jaar.

  • Handeling 615 is gewijzigd van B: advies en V: overige stukken 10 jaar in V 10 jaar.

  • De waardering voor handeling 638 is gewijzigd van V 5 jaar in B, criterium 6.

Daarop werd het BSD op 9 juni 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer [C/S&A/05/1190], de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [C/S&A/05/1191], de Minister van Financiën [C/S&A/05/1193], de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [C/S&A/05/1194], de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [C/S&A/05/1195] en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [C/S&A/05/1192] vastgesteld.

5. Leeswijzer handelingenblok

( x ): Nummer van de handeling.

Actor: Wettelijk verantwoordelijk bestuursorgaan. Dit orgaan is volgens de wet – of de daaruit voortvloeiende regels – tot handelen bevoegd en wordt ook als archiefvormer beschouwd.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van en bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke de handeling wordt verricht. Als geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag/Bron: De grondslag is de wettelijke basis van een overheidshandeling. De bron geeft een andere basis, bijvoorbeeld een nota, interne regel of een interview.

Opmerking: Aanvullende informatie wanneer daartoe aanleiding is.

Waardering: Met een B staat aangegeven de blijvend te bewaren neerslag, met een V, gevolgd door een termijn, de periode waarna de stukken kunnen worden vernietigd. Bij de B staat een selectiecriterium vermeld (zie hoofdstuk 3).

6. Lijst van afkortingen

ABO: Adviseur voor Bouwonderzoek en Ontwikkelingswerk

ADL: Algemene Dagelijkse Leefvoorzieningen:

ATW: Adviescommissie Toelating Woningcorporaties

AVRW: Adviescommissie Verdeling Rijkssteun Woningbouw

AVW: Algemene Voorwaarden voor de bouw van woningen met rijkssteun 1927

Belstato: Beleid stadsvernieuwing in de toekomst

BLS: Besluit locatiegebonden subsidies

BNA: Bond van Nederlandse Architecten

BoN: Besturen op Niveau

BTIV: Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting

BBS: Beschikking Bijdrage Saneringsplannen

BBSH: Besluit Beheer Sociale Huursector

BBVWOV: Beschikking Bijdragen Voorzieningen ten behoeve van het Wegverkeer en het Openbaar Vervoer in en om de steden

BBW: Berekening van Bouwkosten van Woningen

BCFV: Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

BGSH: Beschikking geldelijke steun huurwoningen

BGSR: Beschikking geldelijke steun rehabilitatie

BGSVPV: Beschikking geldelijke steun verbetering particuliere woningen

BGSVWW: Beschikking geldelijke steun verbetering woningen en woonbuurten

BOW-fonds: Fonds Reserves Buitengewoon Onderhoud en Woningverbetering

BWS: Besluit woninggebonden subsidies

CAW: Commissie van Advies voor de Woningbouw

CBSW: Commissie Bijdrage Stedelijke Werken

CCSV: Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing

CCUB: Coördinatiecommissie Urbanisatiebeleid

CEC: Centraal-Economisache Commissie

CDV: Centrale Directie Volkshuisvesting van het minisisterie

CFV: Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

COCOS: Coördinatiecommisise voor Ontwikkelingssamenwerking

COWOM: Coordinatie Ontwikkeling Woning en Omgeving

DGVH: Directoraat-Generaal Volkshuisvesting

DKP: Dynamische Kostprijs (voor huurwoningen)

ECE: Economic Council of Europe

ECOSOC: Economic and Social Council (VN)

EIB: Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid

FMV: Financieel Management Volkshuisvesting

GIW: Garantie Instituut Woningbouw

GMD: Gemeentelijke Maatschappelijke Diensten

GOG: Gezamenlijk Overleg Groeisteden

HAT: Huisvesting alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens

HID: Hoofdingenieur Directeur van de Volkshuisvesting

HID-RWS: Hoofdingenieur Directeur – Rijkswaterstaat

HIS: Hoofdinfrastructuurregeling

IBBC: Instituut voor Bouwmaterialen en Bouwkundige Constructies (onderdeel van de Nijverheidsorganisatie TNO)

ICOG: Interdepartementale Commissie Groeikernen en Groeisteden

IHS: Individuele Huursubsidie

IPO: Interprovinciaal Overleg

ISMO: Beleid ter voorkoming van oneigenlijk gebruik van subsidies

ISR: Interimsaldoregeling

IWKW: Interdepartmentale Werkgroep Knelpunten Woningbouw

KB: Koninklijk Besluit:

KIV: Katholieke Instelling voor Volkshuisvesting

KIVI: Koninklijk Instituut voor Ingenieurs

Koda: Kosten Documentatie Analyse

KWO: Kwalitatief Woning Onderzoek

KWR: Kwaliteitswoningregistratie

MBV: Modelbouwverordening

MG: Ministerie (aan) Gemeenten

MoU: Memorandum of Understanding:

NBB: Nieuwbouwberekening

NeN-Normen: Normen van het NNI.

NIROV: Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting.

NIVOS/NIVS: Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw

NKS: Normkostensysteem

NNI: Nederlands Normalisatie Instituut

NIROV: Nederlands Instituut voor Ruimtelijke ordening en Volkshuisvesting

NIVOS: Nederlands Instituut Voor Stedebouw

NOVEM: Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu

NWI: Niet-winst beogende instellingen voor de volkshuisvesting

NWR: Nationale Woningraad

OKH: Omzetting van koop- in huurwoning

P&P: Planning en programmering

PKB: Planologische Kernbeslissing

PREGO: Project Rationeel Enegiegebruik in de Gebouwde Omgeving

PVC: Provinciale Volkshuisvestingscommissie

RAVO: Raad voor de Volkshuisvesting

RCV: Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

RIW: Research Instituut voor de Woningbouw

Rgd: Rijksgebouwendienst

RGSHG: Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten

RNP: Rijksbureau voor het Nationale Plan

ROZ: Raad voor Onroerende Zaken

RPC: Rijks Planologische Commissie

RPD: Rijks Planologische Dienst

RVC: Regionale Volkshuisvestingscommissie

SAR: Stichting Architecten Research

SBA: Stichting Bureau Architectenregister

SEV: Stichting/Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting

SGB: Subsidie Grote Bouwlocaties

SNIP: Stuurgroep Nationaal Isolatieprogramma

SSEW: Stichting Studiegroep Efficiënte Woningbouw

TNO: Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

UAR: Uniform Aanbestedingsreglement

UAV: Uniforme Administratieve Voorwaarden

UNCHS: United Nations Centre on Human Settlement

UNHSF: United Nations Settlement Foundation

V&W: 1. [Ministerie van] Verkeer en Waterstaat; 2. Voorschriften en Wenken

VINEX: Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra.

VKK: Vereniging van Kamers van Koophandel (en Fabrieken in Nederland)

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VRO: Volkshuisvesting, en Ruimtelijke Ordening, Ministerie van

VROM: Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Ministerie van.

WBN: Woontechnische Bepalingen Nieuwbouw

WBO: Woningbehoefteonderzoek

WEW: Waarborgfonds Eigen Woningen

Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen

WRO: Wet op de ruimtelijke ordeing

WSDV: Wet op de Stads- en Doerpsvernieuwing.

WSW: Waarborgfonds Sociale Woningbouw

7. Overzicht van actoren

Overige inhoudelijke informatie over de actoren is vermeld onder ‘Opmerking’ bij de handeling.

Actoren onder zorgdrager Minister van VROM

Minister van Openbare Werken en Wederopbouw, 1945–1947

Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, 1947–1956

Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid, 1956–1965

Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), 1965–1982

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), 1982–

De ambtelijke organisatie binnen het ministerie, die belast was met volkshuisvesting was de Centrale Directie voor de Volkshuivesting CDV, ingesteld in 1946–1981. Het CDV kent de volgende benamingen: Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting, 1947–1956; Centrale Directie van de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid, 1956–1975; Centrale Directie van de Volkshuisvesinting. 1975–1981.

Uit de hieronderstaande indeling van ambtelijke afdelingen kan worden opgemaakt dat de taakstellingen van de afzonderlijke bureaus daadwerkelijk bedoeld zijn om criteria en controle-instrumenten te ontwerpen voor de vaststelling van deelsubsidies. Enkele taken op het gebied van het onderzochte beleidsterrein zijn ook aan andere afdelingen van het ministerie toegekend. Zo is de Rijksplanologische dienst belast geweest met de uitvoering van regelingen met betrekking tot reconstructieplannen in stadsvernieuwingsprojecten. Zij kende een afdeling stadsreconstructie, die tot taak had om reconstructieplannen te beoordelen.

Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur), 1962–

Per 2000 maakt de inspecteur volkshuisvesting deel uit van de VROM-Inspectie, waarin mede de inspecties ruimtelijke ordening en milieu geïntegreerd zijn.

Adviesraden

Studie- en beoordelingsraad ziekenhuiswezen, 1945–1950.

Raad voor Herstel en Wederopbouw, 1946–1950.

Eerste Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting, 1946–1962

Raad voor de Woningbouw, 1955–1961

Tweede Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting, 1962–1965

Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO), 1965–1996

Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening (RARO), 1965–1994

Raad voor het Milieubeheer, 1980–1996

Commissies

Commissie van Advies voor de Woningbouw, (CAW), 1941–1995

Centrale Commissie voor de Onteigeningsvergoedingen, 1946–1966

Commissie van Beroep inzake vergoeding voor gevorderde woonruimte, 1947–1965

Studiecommissie Bouwvoorschriften (commissie Mazure), 1949–1952

Rijksplanologische Commissie (RPC), 1965–

Adviescommissie toelating volkshuisvestingsinstellingen, 1965–1992

Stuurgroep Efficiënte Woningbouw, 1965–1998

Commissie Bijdrage Stedelijke Werken (CBSW) 1969–1974

Commissie van Advies inzake de Woonwagenwet, 1970–1990

Interdepartementale Werkgroep Knelpunten Woningbouw (IWKW), 1972–1977

Adviescommissie Goede en Goedkope Woningen, 1974–1981

Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing (CCSV), 1974–1994

Interdepartementale Commissie Groeikernen en Groeisteden (ICOG), 1977–1994

Huurcommissie, 1979–

Commissie Verdeling Rijkssteun Woningbouw, 1980–1988

Staatscommissie Kleijn, 1980–1987

Adviescommissie PREGO, 1982–1989

Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting (RCV), 1985–1997

Klachtencommissie Gehandicapten, 1986–1994

Commissies toelating van architecten/stedebouwkundigen/landschaps-, tuinarchitecten/ingenieurs-architecten, 1987–1989

Centrale Overleggroep huisvesting Gehandicapten, 1990–1994

Adviescommissie toelating woningcorporaties (ATW), 1992–

Organisaties

Stichting Ratiobouw, 1945–1965

Bureau Documentatie Bouwwezen, 1945–1950

College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw, 1945–1948

Stichting Vorstverletbestrijding, Bouwnijverheid, 1946–1968

Centraal Orgaan voor de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid, 1947–1977

(PRC) Bouwcentrum, 1950–

Directeur Grootboek Woningverbetering, 1957–1960

Research Instituut voor de Woningbouw (RIW), 1969–1985

Rijksdienst voor het Kadaster en Openbare Registers (KADOR), 1984–1994

Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), 1982–1988

Stichting Bouwkwaliteit (SBK), 1987–

Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), 1988–

Stichting Duurzaam Bouwen, 1992–1995

Actoren onder zorgdrager Minister van Binnenlandse Zaken

Minister van Binnenlandse Zaken, 1945–

Financiële Commissie Publiekrechtelijke Lichamen, 1950–1958

Interdepartementale Stuurgroep Decentralisatie, 1980–

Actor en zorgdrager Minister van Financiën, 1945–

Actoren onder zorgdrager Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Minister van Binnenlandse Zaken (1945–1952)

Minister van Maatschappelijk Werk (1952–1968)

Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1968–1982)

Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994)

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (1994–….).

Staatscommissie Vervanging Armenwet, 1947–1952

Interdepartementale Commissie Woonwagenbeleid, 1974–1977

De minister ondersteunt organisaties, die zich met maatschappelijk werk bezig houden. Deze organisaties hebben onder meer een signaalfunctie met betrekking tot ongewenste woonomstandigheden. Maatschappelijk werk speelt zich namelijk vooral af in zgn. ‘achterstandswijken’, waar zich ook de noodzaak tot verandering van woonomstandigheden voordoet. Vanaf 1989 wordt een groot deel van de welzijnsondersteuning gedaan door het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW)

De minister begeleidt ook bijzondere groepen in hun huisvesting; een enkele keer bewerkstelligt hij de verplichting tot huisvesting van bepaalde groepen als daar zijn: repatrianten uit Indonesie, vluchtelingen. Van 1957 tot 1980 had dit ministerie ook de zorg voor de uitvoering van de Woonwagenwet.

Actoren onder zorgdrager Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid (1945–1971)

Minister van Sociale Zaken (1971–1981)

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1981–).

Actor en zorgdrager Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 1945

Selectielijst

A. Handelingen Minister van VROM en rechtsvoorgangers

8. Beleidsvorming en advisering algemeen

8.1. Algemene beleidsvorming

1

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden, formuleren en evalueren van beleidsstandpunten inzake de volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Nota’s, verslagen van directie-, minister-, interdepartementaal overleg, toespraken, verslagen studiereizen en werkbezoeken

Opmerking:

Waardering: B 1, 2 (nota’s, verslagen); V, 5 jaar (stafverslagen, documentatie, bijlagen)

658

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van het beleid volkshuisvesting, eventueel in overleg met andere ministeries, in relatie tot energie en milieu

Periode: 1972–

Grondslag:

Bron: Nota’s inzake aardgas (1972), Energievoorziening en milieu (1973–1974)

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1, 2 (nota’s, verslagen)

2

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden, formuleren en evalueren van beleidsstandpunten inzake het Woonwagenbeleid

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Nota Woonwagenbeleid 1976, Nota’s huisvestingsbeleid woonwagenbewoners, Kamerstukken, Nota Wonen op een standplaats in de jaren negentig

Opmerking:

Waardering: B 1, 2

3

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 3

4

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Bron:

Product: Jaarverslag van de Volkshuisvesting, rijksbegroting hoofdstuk VROM, jaarrekening

Opmerking:

Waardering: B 3

5

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (mede) beantwoorden van kamervragen met betrekking tot het woonwagenbeleid

Periode: 1945–

Grondslag:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 3

6

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks opstellen van volkshuisvestingsprogramma’s

Periode: 1950–1992

Grondslag: Wederopbouwwet 1950, art. 15; Woningwet 1962, art. 57

Bron:

Product: Vanaf 1962: Staat van de volkshuisvesting

Opmerking: Het jaarlijks bouwprogramma wordt voorzien van een Memorie van toelichting bij de Tweede Kamer ingediend met de rijksbegroting. Bij de opstelling van het programma zijn betrokken de gemeenten, die jaarlijks een planningslijst bij GS indienen, GS, die deze lijsten beoordelen aan de hand van de bouwcapaciteit en de beschikbare plannen, de Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

Waardering: B 1

9

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van richtlijnen voor de opstelling van gegevens ten behoeve van de jaarlijkse volkshuisvestingsprogramma’s

Periode: 1985–1992

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

11

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het adviseren aan de minister belast met het onderwijs over het beleid inzake de architectenopleiding

Periode: 1991–

Grondslag:

Bron: Nota architectuurbeleid, interview Rgd

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

12

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen aan interdepartementale platforms over architectuurbeleid

Periode: 1991–

Grondslag:

Bron: Nota Architectuurbeleid, p. 85

Product:

Opmerking: Voorbeelden zijn: Het cultuurplatform VROM-OCW. In dit architectuurplatform zijn diensten betrokken die betrokken zijn bij de bouw van objecten door de Minister van Volkshuisvesting, de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie en Verkeer en Waterstaat en het interdepartementale platform architectuurbeleid

Waardering: B 5

13

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voeren van periodiek overleg met belangenorganisaties en doelgroepen

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting, een zaak van beleid, p. 75, 84

Product:

Opmerking: Voorbeelden van deze overleggroepen zijn de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ), de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Woonbond, koepels van woningcorporaties: Nationale Woningraad, Katholieke Instelling voor Volkshuisvesting (KIV), Vereniging van Prot. Chr. Woningcorporaties, later NCIV, later Aedes, niet-winst beogende instellingen (NWI’s bijvoorbeeld stichtingen voor ouderenhuisvesting, jongerenhuisvesting, studentenhuisvesting, of koepels van NWI’s)

In het Export Platform VROM overlegt de Minister van Volkshuisvesting met bet bedrijfsleven over export van kennis over bouw, ruimtelijke ordening, beheer van overheidsgebouwen e.d. In het Milieuberaad Bouw, dat voorzien is in het Nationaal Milieu Beleidsplan overlegt de Minister van Volkshuisvesting over de aanpak van de milieuproblematiek in de bouwsector, een doelgroep in de milieubeleidsplanning

Waardering: B 1

8.2. Commissies, stuurgroepen, organisaties

7

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het instellen van adviescommissies, stuurgroepen en organisaties op het gebied van woningbouw en volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron: Statuten SEV (1988) art. 4

Product: Beschikkingen; Statuten

Opmerking: Tot de invoering van de Huurwet 1950 geschiedde deze instelling in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken, Directoraat-Generaal van de Prijzen

De hieronder genoemde commissies zijn interdepartementale adviescommissies die op een vraagstuk advies hebben uitgebracht. Hun adviezen hebben geleid tot wijziging in de wetgeving of in de financierings- en subsidieregelingen

Voorbeelden van adviescommissies zijn: Interdepartementale Commissie Huurwet 1948, Interdepartementale Commissie Bouwkosten, 1948, Interdepartementale Werkcommissie voor de reorganisatie der Prijzenburaus voor Onroerende Zaken

Op het gebied van de woningwet: Studiecommissie Bouwvoorschriften (commissie Mazure), 1949–1952. Commissie Woningkarthoteek 1953, Commissie Uniforme Bebouwing. 1953, Werkgroep Eigen Woningbezit. 1953–1955, Commissie Aanbestedingswezen 1953–1957, Commissie Woningonderzoek. 1953, Commissie van advies voor versterking van zelfstandigheid der woningcorporaties (Commissie- De Roos, 1959–1962), Commissie Krotopruiming en sanering (commissie-Bommer) 1953–1957, Commissie woningwaardering 1962. Commissie taakstelling en toezicht sociale verhuurders (commissie Koopman) 1988, Studiecommissie Weersinvloeden. 1955–1956, Commissie Bouwplanning, 1962–1966, Commissie ter bestudering van de financiële, consequenties van sanering, 1968–1971 (commissie-Schouten, rapport Stadsvernieuwing; commissie-Floor, rapport geldelijke steun stadsvernieuwing 1974), Interdepartementale Werkgroep Knelpunten Woningbouw IWKW. 1972–1977, Werkgroep aanvullende regeling stadsvernieuwing WARS. 1972–1973, Ministeriële Commissie Stadsvernieuwing, MICOSTA, 1975, Werkgroep volkshuisvestingsplannen. Interdepartementale stuurgroep decentralisatie met projectgroep Normkostensysteem, normkostensubsidiesysteen (NK(s)S), stuurgroep en proefprojecten, Werkgroep decentralisatie stadsvernieuwing 1978–1979, Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (1982–1988) Commissie Huurders-Verhuurders, 1992–; in de commissie zitten de Nederlandse Woningbond, het NCIV en afgevaardigden van VROM, Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) (1988–)

Waardering: B 4

15

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen, schorsen of (eervol) ontslaan van de voorzitters, secretarissen,leden en ambtelijke adviseurs van commissies, stuurgroepen en organisaties op het terrein van de volkshuisvesting en woningbouw

Periode: 1945–

Grondslag: Woningwet 1992, art. 66, lid 3 (Stb. 1991, 439); Statuten SEV (1988) art. 5, 6

Bron: Statuten SEV (1988) art. 9

Product: Koninklijke Besluiten

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

8.3. Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO)

16

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aanwijzen van personen die bevoegd zijn de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting bij te wonen

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: De Raad voor de Volkshuisvesting kende de volgende benamingen:

de Eerste Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting (1946–1962), de Tweede Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting, (1962–1965) en Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO) van 1965–1996. Elk ministerie kon één ambtenaar sturen

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging vertegenwoordiging

17

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bijwonen van de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439), art. 90, lid 2, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Ook andere ministers kunnen ambtenaren afvaardigen. De vergaderstukken en notulen worden bewaard in het archief van de RAVO

Waardering: V, 10 jaar

18

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van regels betreffende de werkwijze van de Raad voor de volkshuisvesting

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1992, Stb. 1991, 439, art. 92g

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

8.4. Overige commissies en organisaties inzake volkshuisvesting

27

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van een voorzitter en functionarissen van de Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

Periode: 1985–

Grondslag: Woningwet 1992

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beëindiging functie

32

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van voorzitters en secretarissen van de Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing (CCSV)

Periode: 1974–1994

Grondslag: Wet Stads en Dorpsvernieuwing (WDSV) Art. 4, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking: Voor het secretariaat wordt een rijksambtenaar aangewezen

Waardering: V, 5 jaar na beëindiging functie

33

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het om de vijf jaar verslag uitbrengen over de werkzaamheden van de Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing (CCSV)

Periode: 1974–1994

Grondslag: Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing, art. 2, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

38

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de secretaris en de overige leden van de Commissie van advies inzake de Woonwagenwet

Periode: 1970–1990

Grondslag: Woonwagenwet, art. 39, 41

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

39

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen en toekennen van vacatiegelden en vergoedingen aan de voorzitter, de de secretaris en de overige leden van de Commissie van advies inzake de Woonwagenwet

Periode: 1970–1990

Grondslag: Woonwagenwet, art. 39, 41

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

8.5. Externe adviescommissies op het gebied van experimentele woningbouw

42

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het instellen of aanwijzen van onderzoeksorganen op het gebied van de bouwnijverheid

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron: J. v. Schaar, Volkshuisvesting in goud (1996); Plan van aanpak Duurzaam Bouwen

Product: Formele instellingsbeschikkingen als:

Stichting Ratiobouw 1945–1965

Studiegroep Efficiënte Woningbouw (1947–)

Studiecommissie Experimentele Woningbouw (in het Bouwcentrum)

Adviescommissie Experimentele Woningbouw (1968)

Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), 1988–

Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), 1982–1988, Stcrt. 1982, 79

Nationaal Centrum Duurzaam Bouwen DubO, Utrecht (1995)

Opmerking:

Waardering: B 4

43

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het subsidiëren van particuliere instellingen ter bevordering van volkshuisvesting en/of bouwnijverheid

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron: Jaarverslag Bouwcentrum 1957; Rijksbegroting 1995

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

44

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – eventueel in samenwerking met andere ministers – goedkeuren van statuten en/of aanwijzen van bijzondere bestuursleden van particuliere commissies op het gebied van het bouwwezen

Periode: 1951–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Het gaat hier om stichtingen, die standaarden of normen vaststellen met betrekking tot de bouw, inrichting en exploitatie van bijzondere categorieën gebouwen, waarvoor subsidie moet worden verleend of waarvoor in het kader van art. 17 van de Wederopbouwwet toestemming voor de bouw moet worden gevraagd. Deze stichtingen dienen ook aanvragers en subsidieverleners nader van advies. De stichtingen zijn aanvankelijk opgericht binnen het Bouwcentrum, maar bestonden later ook zelfstandig

Waardering: B 5

45

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het zenden van ambtelijke deelnemers naar vergaderingen van adviescommissies

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Verslagen van of over de desbetreffende vergaderingen. De serie vergaderstukken en notulen worden bewaard bij de desbetreffende adviescommissies

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

46

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van periodieke onderzoeksprogramma’s in samenwerking met onderzoeksinstellingen

Periode: 1948–

Grondslag: J. van der Schaar, Volkshuisvesting in goud, 174. (1996)

Bron:

Product:

Opmerking: De onderzoeksprogramma’s zijn vanaf 1994 gedeeltelijk vervangen door de Plannen van Aanpak Duurzaam Bouwen. De Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting stelt afzonderlijke jaarplannen op

Waardering: B 1

9. Wet- en regelgeving

9.1. Algemeen

53

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden, opstellen en evalueren van wetten op het gebied van de volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1, 2

54

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden van wetgeving inzake heffingen ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron:

Product: Onderzoek naar een heffing op huuropbrengst (‘afroming’) in een voorstel tot huurwet in 1955. Wet Grootboek woningverbetering 1957–1960. Wetsontwerp doorstromingsheffing 1966–1967 (afgewezen in Eerste Kamer)

Opmerking: Gedacht wordt hierbij aan:

heffingen aan verhuurders op huurinkomsten bij huurverhogingen van oude woningen voor herstel van oude woningen (‘afroming van de huuropbrengst’);

heffingen aan huurders ten behoeve van huuregalisatie of om doorstroming van goedkope naar dure woningen te bevorderen. Bij deze handeling zijn voorstellen inbegrepen die niet tot uiteindelijk resultaat hebben geleid

Waardering: B 1

60

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij wet of AMVB uitschrijven van woningtellingen

Periode:1956–

Grondslag: Wet op de woningtelling 1956, art. 58 Woningwet 1962

Bron:

Product:

Opmerking: Deze woningtellingen vielen in 1960 en 1970 samen met de volkstellingen

Waardering: B 5

61

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij ministeriële regeling (mede-)vaststellen van standaardvoorwaarden voor de aanneming van bouwwerken en de aanleg van installaties

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron: Publicaties van Uniforme Administratieve Voorwaarden

Product: Vaststellingsbeschikkingen van Uniforme Administratieve Voorwaarden (UAV’s)

Opmerking: Uniforme Administratieve Voorwaarden komen tot stand uit het overleg van de brancheorganisaties in de bouw en aannemingsbedrijf. De rijksoverheid vervult een rol bij de vaststelling van deze voorwaarden omdat zij zelf aanbestedingsopdrachten verstrekt. Bovendien bemiddelt zij bij de toepassing van Europese regelgeving ter bevordering van de vrije interne markt. Daarom participeren de Ministers van VROM, van Waterstaat en van Defensie in overlegorganen die standaardregelingen in de bouw vaststellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op alle openbare werken en aanbestedingen, bouw, aanleg van installaties

Waardering: B 5

9.2. Woningwet 1901/1962/1992

62

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en evalueren van amvb’s

Periode: 1945–

Grondslag: Woningwet 1901/1962/1992

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1, 2

64

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van overgangs- en invoeringsregels bij de uitvoering van wetten, en amvb’s

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Circulaires inzake de inwerkingtreding

Opmerking:

Waardering: B 1

65

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voeren van periodiek overleg over de bouwregelgeving

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron: Structuurschets Bestuursdienst

Product: Onderwerpen van overleg zijn implemenatie van Europese regelgeving, deregulering, regeling van milieuproblematiek en toepassing van milieuvoorschriften

Overlegorganen zijn: het tripartite-overleg met de Raad voor Accreditatie en de Stichting Bouwkwaliteit (ingesteld in 1988), het Overlegplatform Bouwregelgeving en de daarin betrokken commissies, Bestuurlijke commissie, Juridisch technische commissie, Staf of Kerngroep

Opmerking:

Waardering: B 5

9.3. Wetgeving op woonwagens en woonschepen

68

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur vaststellen van nadere regels met betrekking tot de Wet op Woonwagens en Woonschepen

Periode: 1945–1968

Grondslag:

Bron:

Product: Beschikking tot vaststelling van de modellen bedoeld in de artikelen 3, 4, 15, 17 en 18 van het Reglement op woonwagens en woonschepen (Stcrt. 1919, 176)

Reglement op woonwagens en woonschepen (Stb. 1919, 530) [is in 1991 ingetrokken]

Opmerking:

Waardering: B 1

69

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur vaststellen van regels met betrekking tot de Woonwagenwet

Periode: 1970–1999

Grondslag: Woonwagenwet; Art. 12, 13

Bron:

Product: Woonwagenreglement (Stb. 1970, 153), Besluit werk en kosten woonwagencentra (Stb. 1970, 406), Besluit huurprijzen standplaatsen voor woonwagens (Stb. 1992, 268), Besluit werk en kosten woonwagencentra (Stb. 1970, 406)

Opmerking:

Waardering: B 1

9.4. Wederopbouwwet

70

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij AMVB vaststellen van nadere regelingen op basis van de Wederopbouwwet

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron:

Product: Voorschriften van bouwtechnische aard (art. 22a). vanaf 1952. Regels met betrekking tot gemeentelijke wederopbouwplannen. Subsidiebesluiten (art. 24)

Opmerking:

Waardering: B 1

9.5. Wet op de stads- en dorpsvernieuwing

71

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het formuleren en regelen van het beleid inzake het stimuleren van de stads- en dorpsvernieuwing

Periode: 1984–

Grondslag: Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, art. 4, lid 3

Bron:

Product: Regels ten aanzien van de opstelling van leefmilieuverordeningen en stadsvernieuwingsplannen, alsmede de verslaglegging in dezen, regels ten aanzien van de verslaglegging, regels ten aanzien van de verdeling der gelden

Opmerking:

Waardering: B 1

9.6. Huurwetten

72

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij AMVB vaststellen van nadere regelingen op grond van huurwetten

Periode: 1950–

Grondslag: Huurwet 1950; Huurprijzenwet woonruimte 1979

Bron:

Product: Het vaststellen van huurprijzen voor bepaalde categorieën gebouwen en percelen

De besluiten betreffen de volgende soorten gebouwen:

Huurverlaging ten aanzien van bedrijfsruimten (art. 2); Huurverhoging van onbebouwd onroerend goed, teneinde daarvan de exploitatie mogelijk te maken (art. 4; art. 6, lid 2); Huurverhoging als gevolg van speciale voorzieningen op het gebied van techniek, brandverzekering, bij splitsingen of samenvoegingen; Huurprijzen in bijzondere gebieden, bijv. Besluit Bijzondere Huurprijs Elten, 1954

Producten: b.v. Besluit bijzondere huurprijzen. Stb. 1950, K 588 (B.B.H., oud); Stb. 1954. Het vaststellen van percentages van de huurprijs bij meervoudige bewoning van een woning (art. 5 Huurwet 1950–1955). Het stellen van regels op grond waarvan een woning als onbewoonbaar kan worden beschouwd. (art. 5. lid 2 Huurwet vanaf 1955). Het regelen van de werkwijze van huuradviescommissies. Art. 8, lid 4, Huurwet 1950–1960

Opmerking:

Waardering: B 1

73

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het bij circulaire vaststellen van nadere richtlijnen voor de uitvoering van huurwetten, amvb’s en in ministeriële nota’s vastgelegde standpunten.

Periode: 1950–1971

Grondslag: Huurwet 1950

Bron:

Product: Circulaires met aanwijzingen inzake procedures: Circulaire inzake de overdracht van woningen aan bewoners (MG 85-22); Circulaire verslaglegging huurprijzenbeleid (MG 85-24); Circulaire inzake verhuur per kamer (MG 83-14) art. 15 Btiv, standaardformulieren

Opmerking:

Waardering: B 1

74

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij circulaire opstellen van (nadere) regels inzake de berekening van de huurprijs voor toegelaten instellingen

Periode: 1971–

Grondslag: Huurprijzenwet woonruimte 1979

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

75

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij AMVB stellen van regels inzake de huurverhoging van met subsidie van de minister verbeterde woningen

Periode: 1979–

Grondslag: Huurprijzenwet Woonruimte, art. 9

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

9.7. Huisvestingswetten

9.7.1. Woonruimtewet 1947

76

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van nadere voorschriften of richtlijnen

Periode: 1947–1993

Grondslag: Woonruimtewet 1947

Bron:

Product: De uitreiking van woonvergunningen (art. 3); door de gemeente benoemen van een commissie van advies in geval van vorderingen. (art. 8, lid 1); schadeloosstelling van eigenaars bij woonruimtevordering en inkwartiering (art. 17, lid 1)

Opmerking:

Waardering: B 1

77

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij AMVB buiten de Woonruimtewet verklaren van een gemeente

Periode: 1969–1993

Grondslag: Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking: Dit besluit heeft tot gevolg dat voor het wonen in de desbetreffende gemeente geen huisvestingsvergunning meer is vereist

Waardering: B 5

78

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op een verzoek aan de Kroon weer van toepassing doen verklaren van de Woonruimtewet in een geliberaliseerde gemeente

Periode: 1974–1993

Grondslag:

Bron: Woonruimtewet 1974

Product:

Opmerking: Dit besluit heeft tot gevolg dat voor het wonen in de desbetreffende gemeente voor bepaalde sectoren weer een huisvestingsvergunning is vereist

Waardering: B 5

79

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij circulaire vaststellen van nadere richtlijnen voor de uitvoering van amvb’s en in ministeriële nota’s vastgelegde standpunten inzake de uitvoering van de Woonruimtewet

Periode: 1947–1993

Grondslag:

Bron: Woonruimtewet 1947 en daaronder hangende amvb’s

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

9.7.2. Leegstandswet

80

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij circulaire vaststellen van nadere richtlijnen voor de uitvoering van de Leegstandswet

Periode: 1981–1993

Grondslag: Leegstandswet

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

9.7.3. Huisvestingswet

81

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM); Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels ten aanzien van de vordering van woningen

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingswet, art. 13 en 34, lid 3

Bron:

Product: Het bevat regels als bedoeld in de artikelen, respectievelijk inzake de vaststelling van criteria voor de verlening van huisvestingsvergunningen en de splitsingsvergunning

Opmerking:

Waardering: B 1

9.8. Wetten op de architectentitel

84

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden van AMVB’s en nadere regelingen met betrekking tot de Wet op de architectentitel

Periode: 1980–

Grondslag:

Bron:

Product: Examenbesluit Wet op de architectentitel, Stb. 1990, 577; Beschikking Algemene Vergoeding leden commissie van toelating, Wet op de architectenbescherming

Opmerking:

Waardering: B 1

10. Volkshuisvesting in bijzondere omstandigheden

10.1. De wederopbouw in 1945–1948

10.1.1. College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw, kaderstellend

85

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het geven van nadere richtlijnen aan het College van Algemene Commissarissen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb 1945, F67, art. 29

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

87

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het benoemen van functionarissen voor de uitoefening van zijn bevoegdheden

Periode:1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 2, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

88

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het vaststellen van instructies voor functionarissen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 2, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

89

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het ontwerpen van richtlijnen voor de vaststelling van prioriteiten van wederopbouwplannen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 3

Bron:

Product:

Opmerking: Deze richtlijnen worden door de Minister van Volkshuisvesting vastgesteld. Hierbij moet overleg worden gevoerd met het Militair Gezag, zolang de Bijzondere Staat van Beleg nog niet is opgeheven

Waardering: B 5

90

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het vaststellen van wederopbouwplannen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 3

Bron:

Product: Rijksbouwplan 1946, Jaarplan

Opmerking: Hieronder wordt ook verstaan het vaststellen van prioriteiten van die plannen, in overleg met de prioriteitencommissie, de Minister van Volkshuisvesting en de Minister van Binnenlandse Zaken

Waardering: B 1

91

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het ontwerpen van modelnoodwoningen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67; de Vreeze, 289/290, art. 3

Bron:

Product:

Opmerking: Uitvoering geschiedde door de Gemachtigde voor de Noodwoningen. Ontworpen zijn noodwoningen in hout, sintelbeton, grondbeton, vezelplaten met pleisterwerk, vlechtwerp met pleisterwerk, bouwpakketten. Ook zijn er noodboerdrijen ontworpen en geplaatst

Waardering: B 5

92

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het op aanvraag van de provincies toewijzen van noodwoningen op daarvoor aan te wijzen plaatsen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 3

Bron:

Product:

Opmerking: Uitvoering geschiedde door de Gemachtigde voor de Noodwoningen

Waardering: B 5

93

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het in overleg met de organisaties van bouwnijverheid stellen van regels ten behoeve van de bouw

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. F 67, art. 18, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: Onder organisaties van bouwnijverheid worden o.m. verstaan: de Stichting Ratiobouw, Het Bureau Documentatie Bouwwezen, Het Bouwcentrum

Waardering: B 5

10.1.2. College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw, uitvoerend

95

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het in beroep beschikken op appels tegen beslissingen van het College van Algemene Commissarissen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 12

Bron:

Product:

Opmerking: Volgens art. 29 van het KB zijn rechtsvorderingen tegen voorzieningen van het college niet toegelaten

Waardering: B 5

96

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw; Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het uitoefenen van bestuursdwang

Periode: 1945–1956

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67; art. 23 Wederopbouwwet, art. 28, lid 2–4

Bron:

Product:

Opmerking: Tegen bevelen tot het staken en ongedaan maken van werkzaamheden is beroep bij de arrondissementsrechtbank mogelijk

Waardering: B 5

97

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het aanstellen van ambtenaren, belast met de opsporing van onrechtmatig uitgevoerde bouw- en herstelwerkzaamheden

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 25–29

Bron:

Product:

Opmerking: De handelingen zijn volgens art. 23 strafbaar gesteld. Opzettelijk handelen wordt beschouwd als een misdrijf, het niet nakomen van regels krachtens art. 18 als een overtreding. De ambtenaren hebben uitgebreide opsporingsbevoegdheden

Waardering: V, 10 jaar na pensionering

98

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het treffen van bijzondere beschikkingen bij bezwaren en ‘moeilijkheden’

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 25–29

Bron:

Product:

Opmerking: Hieronder valt vermoedelijk de uitoefening van bestuursdwang om de uitvoering van dergelijke beschikkingen te bespoedigen

Waardering: B 5

99

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het uitvaardigen van bijzondere besluiten bij bezwaren en ‘moeilijkheden’ als gevolg van getroffen beschikkingen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1845, F 67, art. 29

Bron:

Product:

Opmerking: Hieronder vallen circulaires en nadere regels

Waardering: B 5

169

Actor: Centrale Commissie voor de Onteigeningsvergoedingen

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij aanvragen om vergoedingen voor onteigende percelen

Periode: 1946–1966

Grondslag: KB, art. 14 Wederopbouwwet, art.12, Stb. 1945, F 67

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

10.1.3. Gemeentelijke bouwverordeningen

100

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het op aanvraag van belanghebbenden goedkeuren van bouw- en herstelwerkzaamheden door oorlogsschade

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 5

Bron:

Product:

Opmerking: De aanvragen worden getoetst aan de wederopbouwplannen. Het gaat om eenmalige noodherstellingwerkzaamheden aan huizen

Waardering: V, 5 jaar

102

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het bij aanzegging gelasten van de uitvoering van bouw- en herstelwerkzaamheden

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. F 67, art. 18, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking: Hierbij is ook inbegrepen het treffen van financiële voorzieningen, die voor de uitvoering van die aanzegging noodzakelijk zijn

Waardering: B 5

103

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het toetsen van gemeentelijke bouwvergunningen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 19

Bron:

Product:

Opmerking: Voor elke bouwvergunning is goedkeuring van het college vereist

Waardering: V, 5 jaar

104

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het buiten werking stellen van gemeentelijke bouwverordeningen ten aanzien van door haar aangewezen bouwwerken

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 20 lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

105

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het toetsen van aanwijzingen van woningbouwwerkzaamheden die buiten werking van gemeentelijke bouwverordeningen worden gesteld

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 20, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: Tijdens de opstelling van het artikel lag deze bevoegdheid van de Minister van Volkshuisvesting bij de Minister van Binnenlandse Zaken als belast met het toezicht op de Woningwet 1901

Waardering: V, 5 jaar

10.1.4. Bouwwerkzaamheden van het rijk

106

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het onteigenen van roerende of onroerende goederen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 13

Bron:

Product:

Opmerking: Het college kan hierbij een voorschot verlenen voor door de minister van volkshuisvesting toe te kennen vergoedingen. Met deze vergoedingen wordt uitgegaan van de waarde van de goederen op 9 mei 1940 (art. 14). Bij deze onteigeningsprocedure behoort, indien er sprake is van zakelijke rechten, inschrijving in de openbare registers (art. 16). De gegevens zijn verwerkt in de registers van het Kadaster

Waardering: V, 5 jaar

107

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toekennen van vergoedingen voor door het College van Algemene Commissarissen onteigende goederen

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 14

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

108

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het beheren van afkomend materiaal van ernstig beschadigde gebouwen en werken

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 8

Bron:

Product:

Opmerking: Deze beschrijving omvat een verzameling van handelingen, die leiden tot beschikkingen als onteigeningen en aanwijzingen voor bestemming van het puin

Waardering: V 6 jaar

109

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het vergoeden van schade als gevolg van werkzaamheden door of namens het college

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 10

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

110

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het terugvorderen van bedragen, voortkomend uit voordelen als gevolg van verbeteringswerkzaamheden door of namens het College

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 11

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

111

Actor: College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw

Handeling: Het administreren van ogenblikkelijk noodzakelijke noodreparaties en werken op korte termijn door de Minister van Volkshuisvesting, van Marine en het Militair Gezag

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 21

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

10.2. Bijzondere omstandigheden, Woningwet 1992

112

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – in overeenstemming met de ministeries die het mede aangaat in geval van bijzondere omstandigheden – bij amvb vaststellen van een bijzondere omstandigheid in een bepaald gebied

Periode: 1992–

Grondslag: Woningwet 1992 (Stb. 1991, 493). art. 102, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: In de Woningwet 1992 zijn voorzieningen getroffen waarbij de minister bevoegdheden naar zich toetrekt op het gebied van volkshuisvesting in noodsituaties

Waardering: B 1

113

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – in overeenstemming met de ministeries die het mede aangaat in geval van bijzondere omstandigheden – nader vaststellen van een bouw- of herstelplan voor een gebied dat onder een bijzondere omstandigheid valt

Periode: 1992–

Grondslag: Woningwet 1992 (Stb. 1991, 493), art. 102, lid 1

Bron:

Product: Plan bijzondere omstandigheden

Opmerking:

Waardering: B 5

114

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – in overeenstemming met de ministeries die het mede aangaat – geven van toestemming om als opdrachtgever, architect, bouwondernemer, aannemer, of uitvoerder betrokken te zijn bij de uitvoering van bouwwerken, die zijn gestart in het kader van een plan bijzondere omstandigheden

Periode: 1992–

Grondslag: Woningwet 1992 (Stb. 1991, 493). art. 103, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

115

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – in overeenstemming met de ministeries die het mede aangaat – geven van ontheffing voor het vragen van toestemming om als opdrachtgever, architect, bouwondernemer, aannemer, of uitvoerder, werkzaam te zijn in een gebied dat valt in het plan bijzondere omstandigheden

Periode: 1992–

Grondslag: Woningwet 1992 (Stb. 1991, 493), art. 103, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

11. Toelating van instellingen op het gebied van de woningbouw

Toelichting: Toegelaten instellingen zijn: woningcorporaties, gemeentelijke woningbedrijven, niet-winst beogende instellingen (NWI’s bijvoorbeeld stichtingen voor ouderenhuisvesting, jongerenhuisvesting, studentenhuisvesting, of koepels van NWI’s)

11.1. Kaderstellend

116

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van (bestuurs)leden van een adviescommissie inzake toelatingen van woningcorporaties

Periode: 1965–

Grondslag: Toelatingsbesluit volkshuisvesting, Art. 2, lid 3, Stb. 1965, 330; Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting (Stb. 1976, 469)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

118

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van (nadere) regels aan het functioneren van woningcorporaties en gemeentelijke woningbouwdiensten

Periode: 1965–

Grondslag: Toelatingsbesluit volkshuisvesting (Stb. 1965, 589); Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, (Stb. 1976, 469)

Bron:

Product: Het vaststellen van een model van een balans en een winst- en verliesrekening welke jaarlijks, door een toegelaten instelling dient te worden opgestuurd aan de Minister van Volkshuisvesting (art. 6, lid 1, onder g, Woningbesluit, Stb. 1965, 589);

het stellen van regels omtrent de wijze van beheer en exploitatie van het onroerend goed van toegelaten instellingen;

het stellen van nadere regels inzake de bestemming van het batig saldi van een toegelaten instelling (art. 23, Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, Stb. 1976, 469);

het aanwijzen van complexen van woningen die in de administratie van de toegelaten instelling een geheel dienen te vormen. Per complex Woningwet-woningen wordt zo de financiële verhouding met de overheid bepaald (art. 29, lid 1, Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, Stb. 1976, 469);

het stellen van nadere regels inzake het verhuren van woningen door woningcorporaties aan groepen van personen die moeilijkheden hebben passende woonruimte te vinden;

het stellen van nadere regels en voorschriften inzake het beleid, het beheer, de exploitatie en vervreemding van woningen door een gemeentelijke woningbouwdienst;

het verplichten dat een toegelaten instelling niet over haar middelen kan beschikken noch verplichtingen kan aangaan zonder voorafgaande goedkeuring van B&W van betrokken gemeente, wanneer deze binnen een door de minister van volkshuisvesting gestelde periode niet voldoet aan een aanwijzing zoals deze staat in het Besluit toelating instellingen volkshuisvesting (Stb. 1976, 469);

het stellen van voorschriften inzake de verslaglegging, de rekening en verantwoording

Opmerking:

Waardering: B 1

119

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het afsluiten van energieconvenanten met de gezamenlijke woningcorporaties

Periode: 1994–

Grondslag:

Bron: Werkplan 1995 DGE

Product: Intentieverklaring en Meerjarenafspraken (MJA’s). Stimuleringsregeling energiezuinige verlichting

Opmerking: De resultaten van deze convenanten worden verwerkt in regels met betrekking tot het Bouwbesluit of in aanwijzingen aan verleners van bouwvergunningen. Een Meerjarenafspraak (MJA) is tot op heden nog in een voorbereidend stadium. Een MJA is civielrechtelijk bindend voor alle aangesloten corporaties

Waardering: B 5

11.2. Uitvoerend

11.2.1. Toelating door het rijk

121

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot toelating van instellingen die uitsluitend of mede in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1901 (Stb. 1952, 362), art. 52, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft instellingen die bij hun oprichting een voorschot van ’s Rijks kas hebben aangevraagd. Naast de toelating wordt aan die stichtingen een voorschot verstrekt, waarvoor een nadere financieringsregeling geldt

Waardering: B 5

122

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toelaten van instellingen die uitsluitend of mede in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn

Periode: 1965–

Grondslag: Toelatingsbesluit volkshuisvesting art. 2, lid 2, (Stb. 1965, 330)/art. 3, lid 1, Woningbesluit (Stb. 1965, 589)/art. 70, lid 1 en 2, Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product: het goedkeuren van wijzigingen in de statuten van een toegelaten instelling, het goedkeuren van een statutaire gebiedsuitbreiding

Opmerking:

Waardering: B 5

124

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op aanvraag goedkeuren van de werkzaamheden van aanmerkelijk belang inzake het beheer en de exploitatie van een toegelaten instelling

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Het goedkeuren van de verkoop van onroerende goederen door toegelaten instellingen. Een toegelaten instelling dient de goedkeuring aan de minister te vragen in het geval deze bij hem geld heeft geleend (Art. 6, lid 1, onder c, Woningbesluit, Stb. 1965, 589);

het geven van toestemming voor de overdracht van vermogen door een toegelaten instelling. (art. 6, onder l, sub 2, Woningbesluit, Stb. 1965, 589);

het geven van toestemming aan een toegelaten instelling om af te wijken van de regel dat de exploitatie van woningen die behoren tot het eigen vermogen van de instelling dienen te worden beheerd door een afzonderlijke tak van dienst (Art. 9, lid 3, Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, Stb. 1976, 469);

het goedkeuren dat wordt afgeweken van het bepaalde met betrekking tot de exploitatie van woningen door een afzonderlijke tak van dienst van een gemeente (art. 5, lid 1, Besluit geldelijk steun volkshuisvesting, Stb. 1965, 589);

het goedkeuren van de verkoop van woningen door een toegelaten instellingen. [het betreft woningen met technische gebreken of een beperkt woongerief] (Art. 10, lid 3, Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, Stb. 1976, 469)

Opmerking: Een besluit van aanmerkelijk belang dient door de Minister van Volkshuisvesting als zodanig aangemerkt te worden. De corporatie kan hiertegen bezwaar maken en in beroep gaan. Voorbeelden van werkzaamheden van aanmerkelijk belang zijn bij AMVB nader vastgesteld

Waardering: B 5

125

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toetsen van jaarverslagen en jaarrekeningen van toegelaten instellingen

Periode: 1945–1992

Grondslag: Besluit geldelijke steun toegelaten instellingen Volkshuisvesting, art. 1, lid 1 (Stb. 1965, 589)

Bron:

Product: Jaarverslag, jaarrekening, aktiviteitenplan

Opmerking: Indien het jaarverslag aanleiding geeft tot een nadere inspectie wordt het verslag bewaard. Zie: 126 en 142

Waardering: B 5 (jaarverslag, jaarrekeningen, in geval van nadere inspectie); V, 10 jaar (jaarverslag, jaarrekeningen, zonder nadere inspectie)

126

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan toegelaten instellingen

Periode: 1945–1992

Grondslag: Besluit geldelijke steun toegelaten instellingen Volkshuisvesting, art. 34, (Stb. 1965, 589, Stb. 1976, 469)

Bron:

Product:

Opmerking: Vanaf 1976 kan de minister deze aanwijzing in de Staatscourant openbaar maken, bijvoorbeeld indien de woningbouwvereniging niet aan de aanwijzing voldoet (art. 34, lid 1, onder a, Besluit toelating instellingen volkshuisvesting, Stb. 1976, 469). Een andere sanctie is het tijdelijk intrekken van artikel 67 van de Woningwet – inzake geldelijke steun – wanneer een toegelaten instelling binnen een door de minister gestelde periode niet voldoet aan een aanwijzing zoals deze staat in het Besluit toelating instellingen volkshuisvesting

Waardering: B 5

11.2.2. Toelating door andere overheden

130

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (doen) beschikken inzake een beroep op de Kroon tegen de weigering van GS een instelling toe te laten op grond van de Woningwet

Periode: 1965–1989

Grondslag: Woningwet 1962, art. 59, lid 4 (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

131

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beslissen in een beroep van een toegelaten instelling tegen een beschikking van burgemeester en wethouders op een verzoek om toelating

Periode: 1976–

Grondslag: Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, art. 38, (Stb. 1976, 469)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

132

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – op verzoek van burgemeester en wethouders – beslissen omtrent de wijze van uitvoering door een toegelaten instelling van een besluit van aanmerkelijk belang

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit beheer sociale-huursector, art. 36, lid 2, (Stb. 1994, 744)

Bron:

Product:

Opmerking: De minister kan bepalen dat een besluit vooralsnog niet wordt uitgevoerd

Waardering: B 5

11.2.3. Garantstelling door het rijk

136

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het op verzoek van gemeenten vergoeden van exploitatietekorten van toegelaten instellingen

Periode: 1945–1947

Grondslag: Woningwet 1901

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

137

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het bemiddelen bij het terugvorderen van winsten van woningbouwcorporaties ten behoeve van gemeenschappelijke volkshuisvestingsfondsen

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1937, art. 24c

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

138

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen aan garanties van de gemeenten voor het treffen van bijzondere voorzieningen aan woningen door toegelaten instellingen

Periode: 1985–1988

Grondslag: MG 85-30

Bron:

Product:

Opmerking: Vanaf 1987 is deze regeling slechts van toepassing op woningen, bestemd voor Molukse huishoudens in beheer van de Dienst der Domeinen. De taak wordt in 1998 overgenomen door het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

Waardering: V, 6 jaar

139

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan gemeenten voor de opstelling van richtlijnen met betrekking tot de huurprijsstelling

Periode: 1979–

Grondslag: Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, art. 13, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Het gemeentebestuur kan richtlijnen opstellen met betrekking tot de huurprijs van een door toegelaten instellingen te exploiteren woningen: zij geven daarin aan welke huurprijs redelijk is in overeenstemming met de kwaliteit. De Minister van Volkshuisvesting kan de gemeente hiertoe opdracht geven

Waardering: B 5

140

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen aan de liquidatie of ontbinding van een toegelaten instelling

Periode: 1945–1988

Grondslag: Woningbesluit, art. 9, lid 1 (Stb. 1965, 589)

Bron:

Product: Het verdelen van de bezittingen van een toegelaten instelling die ontbonden of opgeheven wordt, het registeren van de melding van de ontbinding van een toegelaten instelling

Opmerking: Het verdelen van de bezittingen van een toegelaten instelling die ontbonden of opgeheven wordt. De minister verricht deze handeling indien de verdeling betrekking heeft op bezittingen gelegen in meerdere provincies of indien er een beroep wordt gedaan op de minister (art. 6, lid 1, onder d, sub 4, Woningbesluit, Stb. 1965, 589)

Het registeren van de melding van de ontbinding van een toegelaten instelling (art. 6, onder h, Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, Stb. 1976, 469)

Waardering: B 5 (registratie); V, 20 jaar (overige stukken)

11.2.4. Controle

142

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het repressief en preventief controleren (inspecteren) van toegelaten instellingen

Periode: 1963–

Grondslag:

Bron:

Product: Verslag van een inspectiebezoek

Opmerking: Na 1992 wordt het toezicht door de inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur) uitgeoefend

Waardering: B 5 (repressieve controles/onderzoek op misstanden); V, 6 jaar (reguliere, preventieve controles)

144

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verzoeken aan een toegelaten instelling om een bepaalde gedragslijn te volgen

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit beheer sociale huursector, art. 42 (Stb. 1994, 744)

Bron:

Product:

Opmerking: Een aanwijzing bevat altijd de gevolgen van het niet voldoen aan die aanwijzing. Dit in tegenstelling tot een verzoek een bepaalde gedragslijn te volgen; daarbij is niet aangegeven wat de consequenties zijn van het niet opvolgen van de gedragslijn

Waardering: B 5

145

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van een aanwijzing aan een toegelaten instelling omtrent haar handelen of nalaten

Periode: 1965–

Grondslag:

Besluit beheer sociale huursector, art. 29, (Stb. 1992, 555), art. 32, lid 2, Besluit beheer sociale huursector (Stb. 1994, 744)

Bron:

Product:

Opmerking: Een aanwijzing omvat de gevolgen die de minister verbindt aan het niet voldoen van de aanwijzing. Zo kan de minister bepalen dat een landelijk toegelaten instelling, die verzuimd heeft zijn jaarverslagen naar de minister te zenden, aangeven rechtshandelingen slechts mag verrichten met zijn toestemming. (art. 31, lid 4, Besluit beheer sociale huursector)

Waardering: B 5

146

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op verzoek van B&W (doen) intrekken van de toelating tot een toegelaten instelling

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit beheer sociale huursector art. 39 art. 70, lid 2 en 9, art. 72, lid 3, Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

12. Woningbouw en woningverbetering

12.1. Bouwprogramma’s van het rijk

12.1.1. Programmering

147

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het laten verrichten van onderzoek op het gebied van de volkshuisvesting

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron: De Vreeze, Woningbouw, inspiratie en ambities

Product: Onderzoekopdracht; begeleidingsverslag, -correspondentie; (eind)rapport

Opmerking: De hier beschreven onderzoeksopdrachten hebben als doel het verstrekken van gegevens op grond waarvan een volkshuisvestingsbeleid kan worden gevoerd. Hierin zijn niet inbegrepen de onderzoekingen met betrekking tot normering van woningkwaliteit en bouwkosten in verband met subsidieverstrekking, voorbereiding van centrale regels met betrekking tot de kwaliteit van woningen. Planologisch onderzoek (geschiedt door het Rijksplanbureau en betreft dus ruimtelijke ordening onderzoek met betrekking tot de organisatie van de woningbouw (toevertrouwd aan staatscommissies). Hierbij is ook inbegrepen de opstelling van randvoorwaarden als rekenmodellen en definities van vraagstellingen

Waardering: B 1

148

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van onderzoeksopdrachten aan gemeenten met betrekking tot de volkshuisvesting

Periode: 1965–

Grondslag: Woningwet, art. 58

Bron:

Product: Vragenlijsten, samenvattend overzicht (rapport)

Opmerking: Art. 58 Woningwet verplicht gemeenten om mee te werken aan onderzoeksvragen van het rijk inzake de aldaar aanwezige woningbehoeften. Deze onderzoeken zijn daadwerkelijk aangevraagd in gevallen waarin een tekort werd geconstateerd aan woningen voor bepaalde categorieën bewoners (bijvoorbeeld aangekondigd in de Nota-HAT 1975). De minister kan vragenlijsten opstellen, die door de gemeenten beantwoord dienen te worden

Waardering: B 5

149

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verwerken van periodiek binnenkomende onderzoeksgegevens

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron: Stuctuurschets Bestuursdienst

Product: trendrapporten

Opmerking: Het betreft gegevens met betrekking tot het woningbehoefte-onderzoek, aangeleverd door het CBS. Deze gegevens hebben betrekking op een groot aantal thema’s als: woningbehoefte, woonlasten, huishoudensontwikkeling, doorstroming/scheefheid, inkomensontwikkelingen, eigen woningbezit, bijzondere groepen als ouderen e.d.

Waardering: B 5 (trendrapport); V, 5 jaar na verwerking (overige stukken)

150

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in samenwerking met de VNG en het NIROV verzamelen van te registreren gegevens over te vervangen bestaande woningen

Periode: 1961–

Grondslag: J. Koffijberg, Niet zonder slag… 1977, p. 18

Bron:

Product: Rapporten Kwalitatief Woningonderzoek (KWO)

Opmerking:

Waardering: B 5 (rapport); V, 5 jaar na verwerking (onderzoeksgegevens)

151

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het nader bestemmen van de in de bouwplannen vastgestelde bedragen aan de provincies en aan landelijke projecten

Periode: 1950–1970

Grondslag: Wederopbouwwet 1950, art. 16, lid 1

Bron:

Product: Vastgestelde bouwcontingenten in een verdeelbrief

Opmerking:

Waardering: B 5

12.1.2. Bijzondere vormen van financiering

154

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aangaan van leningen op de kapitaalmarkt voor de financiering van de woningbouw

Periode: 1947–1988

Grondslag: Volkshuisvesting in goud, p. 264

Bron:

Product: Leningencontract

Opmerking: Deze leningen geschiedden in het kader van de ‘debudgettering’, zodat de financiering buiten de staatsbegroting bleef. De leningen hadden een looptijd van 20 jaar. Zij werden met name aangegaan in de periode 1977–1981 in het kader van de terugdringing van de begroting volgens het plan Bestek ’81

Waardering: B 5 (contract); V, 6 jaar (aflossingen, verrekeningen)

12.1.3. Kaderstellend

155

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het stellen van nadere voorwaarden voor goedkeuring en ontheffing van bouwplannen

Periode: 1950–1956

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 17, lid 1

Bron:

Product: Besluit inzake ontheffing van het verbod tot het uitvoeren van werken zonder goedkeuring, 1 juni 1950, nr. 403104c, JZ, Stcrt. 1950, 130

Besluit inzake de richtlijnen, in acht te nemen bij de beslissing omtrent de goedkeuring bedoeld in art. 17, eerst lid der wet, 1 juni 1950, nr. 403104c, JZ, Stcrt. 1950, 130

Opmerking:

Waardering: B 1

156

Actor: Minister van Wederopbouwen en Volkshuisvesting

Handeling: Het onder nadere voorwaarden aanwijzen van gemeenten die bouwplannen zelfstandig mogen goedkeuren

Periode: 1950–1956

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 17, lid 1

Bron:

Product: Aan de bevoegdheid bouwplannen te maken worden grenzen gesteld in de vorm van maximumbedragen en/of categorieën gebouwen

Opmerking:

Waardering: B 5

158

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van commissies voor de nadere verdeling van voor woningwetwoningen bestemde gelden

Periode: 1950–1983

Grondslag: Wederopbouwwet 1950, art. 16, lid 3

Bron:

Product: Instelling van provinciale Adviescommissies voor de Verdeling van Rijkssteun Woningbouw, AVRW, 1971

Opmerking:

Waardering: B 4

12.2. Uitvoerend

159

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het stellen van nadere voorwaarden voor goedkeuring en ontheffing van bouwplannen

Periode: 1950–1956

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 17, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

160

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het al dan niet goedkeuren van wederopbouwplannen van gemeenten

Periode: 1948–1956

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 5

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

161

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het al dan niet goedkeuren van bouwplannen in de vrije sector

Periode: 1962–1988

Grondslag: Wederopbouwwet: MG 79-31, Art. 17

Bron:

Product: Opmerking: Deze bevoegdheid is aangehouden om te voorkomen dat er een situatie zou kunnen ontstaan, waarin door het beslag dat de vrije-sectormarkt op de kapitaalmarkt legt, de bouw van goedkopere woningen in de gesubsidieerde sector zou stagneren. Voorlopig was deze goedkeuring in alle gevallen verleend

Waardering: V, 5 jaar

162

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het verplichten van een gemeente tot het maken of herzien van een wederopbouwplan

Periode: 1948–1956

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 6 en 8

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

166

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan bouwondernemers, aannemers, opdrachtgevers of uitvoerders voor niet overeenkomstig het bouwplan te verrichten soorten bouwwerken

Periode: 1950–1965

Grondslag: Wederopbouwwet (1950), art. 17, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

12.3. Onteigeningen

12.3.1. Onteigeningen ten behoeve van de wederopbouw

168

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het op verzoek van een gemeente onteigenen van beschadigde woningen of percelen ten behoeve van de wederopbouw

Periode: 1950–1966

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 10

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 20 jaar

170

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het goedkeuren van een gemeenteraadsbesluit tot onteigening van percelen

Periode: 1950–1966

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 10, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

171

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het voorbereiden van onteigeningsbesluiten

Periode: 1950–1966

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 11

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

172

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting/van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het administreren van schadeloosstelling van onteigende personen

Periode: 1948–1958

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 14

Bron:

Product: Inschrijving in het Grootboek van de Wederopbouw

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

12.3.2. Onteigeningen krachtens de Woningwet

177

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (doen) beschikken in een beroep op de Kroon tegen een besluit van een gemeenteraad inzake het onteigenen van woningen en/of percelen ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1945–1989

Grondslag: Woningwet 1901, art. 34, lid 1 (Stb. 1952, 362)/art. 79, Onteigeningswet

Bron:

Product: Ontwerp KB

Opmerking: Bij een beroep op de Kroon brengt de Raad van State advies uit. Vanaf 1989 is het beroep op de Kroon vervallen en functioneert de Raad van State als hoogste beroepsinstantie

Waardering: B 5

12.4. Rijksdeelneming in de woningvoorziening

12.4.1. Financieringen van instellingen

178

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – eventueel in overeenstemming met de Ministeries van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid – (periodiek) opstellen van nadere aanwijzingen inzake de financiering van woningwetwoningen

Periode: 1947–

Grondslag:

Bron:

Product: Periodiek vaststellen van een leidraad – zoals een normbedrag, een tabel of toetsingscriteria – voor de toekenning van geldelijke steun ten behoeve van de volkshuisvesting. Mededelingen over normen, bijvoorbeeld: toetsingsprijs, curveprijs, normprijs per type woningen

Het stellen van regels voor berekening van de huur, bijstelling van jaarlijkse bijdragen, circulaires financiële afwikkeling van woningwetbouw, nieuwbouwkostenberekening, Normkostensysteem (NKS), Nadere regels inzake geldelijke steun aan gemeenten

Besluit geldelijke steun volkshuisvesting, Berekening Bouwkosten van Woningen

Opmerking: Het gaat hier om zowel interne als extern bekend gemaakte regels en voorschriften met betrekking tot berekeningen maar ook met betrekking tot de uitvoering van werken

Waardering: B 1

179

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het door middel van een monitoringssysteem vaststellen van periodieke effecten van van financieringsregelingen

Periode: 1982–

Grondslag:

Bron:

Product: Kwaliteits- en kostensignalering

Opmerking:

Waardering: B 5

180

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van circulaires aan de gemeenten met nadere richtlijnen inzake de toepassing van financieringsregelingen

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron:

Product: Circulaires MG (= ministerie aan gemeenten)

Opmerking:

Waardering: B 5

181

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van circulaires aan anderen met nadere richtlijnen inzake de toepassing van financieringsregelingen

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

182

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van interne ambtsrichtlijnen inzake de toepassing van financieringsregelingen

Periode: 1946–

Grondslag: Prijzenwetten

Bron:

Product: Nieuwbouwberekening, curveprijs

Opmerking: Deze richtlijnen of toetsingscriteria zijn tot 1971 niet in circulaires vastgelegd, maar zijn ambtsgeheim. Ze zijn echter wel gearchiveerd

Waardering: B 5

183

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van criteria op grond waarvan de beslissing inzake de financiering van bouwplannen aan een HID worden gedelegeerd of gemandateerd

Periode: 1950–1988

Grondslag:

Bron: J. Koffijberg, Tussen sturen en schipperen, p. 98–99

Product: Delegatieplannen

Opmerking: Het betreft marges van maximumkosten van de grondprijs, het ontbreken van bezwaren en van bijzondere voorzieningen tegen bouwplannen en het mandaat geldt alleen de beoordeling van het (gestandaardiseerde en goedkope) bouwplan

Waardering: B 5

184

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het incidenteel herverdelen van contingenten op basis van ingekomen aanvragen van financiering

Periode: 1950–1988

Grondslag:

Bron: J. Koffijberg, Tussen sturen en schipperen, p. 98

Product:

Opmerking: Dit is een handeling die verband houdt met nadere prioriteitsstelling bij de uitvoering van binnengekomen aanvragen, met name bedoeld om de woningbouw te stimuleren. De bijstelling van contingenten leidt ertoe dat de gewenste productie van de woningbouw niet wordt vertraagd omdat aan de cirteria van de oorspronkelijke verdeling niet wordt voldaan

Waardering: B 5

12.4.2. Uitvoerend

186

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het verlenen van voorschotten aan gemeenten, teneinde deze in staat te stellen om woningbouwcorporaties (toegelaten instellingen) te financieren

Periode: 1945–1948

Grondslag: Woningbesluit Stb, 1932, 7; Stb. 1947, H. 61; circulaire van 10 juli 1948, nr. 76.830

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

187

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het verstrekken van leningen aan toegelaten instellingen (via de gemeenten) voor de bouw van woningwetwoningen

Periode: 1947–1970

Grondslag: Financieringsregeling Woningbouw 17 januari 1947. Financieringsregeling Woningbouw 1948

Bron:

Product:

Opmerking: De HID kon onder bepaalde voorwaarden zelf plannen goedkeuren, waarvan de marges niet discutabel waren

Waardering: V, 6 jaar

189

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van garanties voor leningen aan toegelaten instellingen

Periode: 1956–1982

Grondslag: Regeling deelneming in garantie woninggebonden subsidies, 1956

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

190

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen in de verlieskosten van gemeentelijke hypotheekgaranties bij de gedwongen verkoop van huizen

Periode: 1956–

Grondslag: Regeling deelneming in garantie woninggebonden subsidies, 1956; art. 16, lid 4 en art. 34 BGSVH

Bron:

Product:

Opmerking: De garanties worden gegeven voor woningen, aangekocht door toegelaten instellingen op de kapitaalmarkt, waarvoor de gemeente zich garant heeft gesteld, voor de aankoop van woningen die aan verbetering toe zijn

Waardering: V, 6 jaar

191

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van leningen aan gemeenten voor de bouw van jaarlijks geplande woningwetwoningen

Periode: 1970–1988

Grondslag:

Bron: P&P-stelsel, Nota Volkshuisvesting 1970

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar na laatste terugbetaling

192

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van experimentele budgetten en aan gemeenten voor de bouw van jaarlijks geplande woningwetwoningen

Periode:

Grondslag: 1984–1998

Bron:

Product:

Opmerking: Van 1984–1988 geldt deze financiering niet voor alle gemeenten. Zij maken deel uit van een decentralisatieproject, waarbij langs experimentele weg wordt vastgesteld of er langs genormeerde kosten budgets aan gemeenten kunnen worden verstrekt

Waardering: V, 6 jaar

193

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van door genormeerde kosten gestuurde bugetten en aan gemeenten voor de bouw van jaarlijks geplande woningwetwoningen

Periode: 1988–1994

Grondslag:

Bron: Normkostensysteem

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

194

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in bijzondere gevallen uitsluiten van bepaalde categorieën woningwetwoningen van financieringsregelingen

Periode: 1970–1988

Grondslag:

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting in goud, p. 200

Product:

Opmerking: Voorbeeld van een categorie: door gemeentes opgekochte saneringswoningen

Waardering: B 5

195

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het maandelijks vaststellen van de rendementswaarde van verschillende in termijnen af te betalen waardevaste hoofdsommen

Periode: 1987–

Grondslag: Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987, art. 28b, lid 2b

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

12.5. Privatisering van financieel beheer

196

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aanwijzen van waarborgstellende instanties voor de woningbouwcorporaties en voor niet-winstgevende instellingen

Periode: 1956–

Grondslag:

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting in goud

Product: Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (Stb. 1988, 483)

Opmerking: Tot 1958 waren woningbouwverenigingen verplicht hun overwinst af te dragen aan het rijk. Zij hadden bovendien schulden aan het rijk als gevolg van nog terug te vorderen overwinst van vóór de Tweede Wereldoorlog. Om te voorkomen dat schuldenlasten geen rol meer konden spelen in de bouw en ze meer zelfstandigheid te geven, is geprobeerd door de instelling van waarborgfondsen zeker te stellen dat de winsten van de corporaties weer aan volkshuisvesting zouden worden besteed. De fondsen zouden moeten dienen als alternatief voor terugvordering van de winsten door het rijk. Bij deze handeling dienen alle voorbereidende werkzaamheden te worden gerekend

Waardering: B 4

197

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van subsidiebijdragen aan waarborgfondsen voor de volkshuisvesting

Periode: 1985–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: In perioden waarbij het gaat om jaarlijkse vaststelling is de hierna volgende handeling niet van toepassing. Het geldt hier dan vastselling waarbij ook controle door verslaglegging e.d. betrokken is. Gesubsidieerd zijn in ieder geval de stichtingen WSW, WEW, GIV

Waardering: B 5

198

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het periodiek uitkeren van vastgestelde subsidiebijdragen aan waarborgfondsen voor de volkshuisvesting

Periode: 1985–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Te verwachten gegevens zijn: Beschikking op aanvraag, financiële verantwoording en verslaglegging van het gesubsidieerde orgaan. De verslaglegging van het orgaan kan van invloed zijn op de vaststelling ten principale en dient daarom als een gegeven bij handeling

Waardering: V, 6 jaar

12.5.1. Kaderstellend

199

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van nadere regels omtrent de inrichting en de werkwijze van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

Periode: 1988–

Grondslag: Woningwet 1992, art. 71, lid 4; Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, art. 20, (Stb. 1988, 483)

Bron:

Product: Circulaire inzake de instelling van een centraal fonds voor de volkshuisvesting (MG 88-57/Stcrt. 1988, 253)

Opmerking: Aan het einde van de jaren ’80 is, onder andere met het oog op de verzelfstandiging van de woningcorporaties, het Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (Stb. 1988, 483) opgesteld. Het bestuur van dit fonds bestond uit een onafhankelijke voorzitter en afvaardigingen van belanghebbenden als de VNG, de Nationale Woningraad, de NCIV koepel voor woningbouworganisaties en het Ministerie van VROM. De onafhankelijke leden werden door de minister benoemd. Het fonds kreeg twee taken toegekend. Ten eerste de sanering van financieel zwakke toegelaten instellingen, die niet beschikken over de nodige financiële reserve. De overheid stelt hierover richtlijnen op in overeenstemming waarmee het Fonds moet handelen. Ten tweede kan het fonds steun verlenen aan corporaties die in financiële moeilijkheden zijn geraakt en bevorderen, dat toegelaten instellingen investeringen doen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding en verbetering van hun woningbezit. De belangrijkste bron van inkomsten van het fonds zijn de structurele bijdragen door toegelaten instellingen. Deze bijdrage is een percentage van de huuropbrengst van een toegelaten instelling. De hoogte van het percentage is afhankelijk van de financiële positie van een instelling, die verplicht is daarvan aangifte te doen. Het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting is sinds het Besluit van 1998 (Stb. 483) een Zelfstandig Bestuursorgaan geworden, dat zelfstandig taken uitvoert en zorgdrager is voor het eigen archiefbeheer.

Waardering: B 4

200

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen, schorsen of ontslaan van de voorzitter en bestuursleden van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

Periode: 1988–

Grondslag: Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, art. 4, lid 1 en 2, (Stb. 1988, 483)

Bron:

Product:

Opmerking: De benoeming geschiedt op voordracht van de Nationale Woningraad, het NCIV (koepel van woningcorporaties) en het VNG. Het bestuur wijst de vervangende voorzitter aan; de minister de vervangende leden

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

201

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in samenwerking met de woningbouwcorporaties en andere belanghebbenden vaststellen van afspraken inzake de nadere regeling van onderlinge garanties

Periode: 1988–

Grondslag: Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, art. 14, lid 2, (Stb. 1988, 483)

Bron:

Product: Convenant en instelling van daarbij behorende convenantsorganen

Opmerking: Het convenant en de daarbij behorende organen kunnen in overleg met de minister worden vastgesteld en geëvalueerd zonder dat de minister in de convenantsorganen zitting hoeft te hebben. Aan de organen kunnen bevoegdheden worden toegekend om in het belang van de woningcorporaties beslissingen te noemen. De afspraken zijn van beperkte duur en worden periodiek geëvalueerd. Zij mogen een politieke besluitvorming (bijvoorbeeld door gemeenten) niet in de weg staan

Waardering: B 5

12.5.2. Uitvoerend

202

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlagen of kwijtschelden van de verplichte storting van toegelaten instellingen aan het Centraal Fonds

Periode: 1988–

Grondslag: Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, art. 10, lid 4, (Stb. 1988, 483)

Bron:

Product:

Opmerking: De Minister van Volkshuisvesting heeft deze bevoegdheid als het fonds over voldoende middelen beschikt

Waardering: V, 6 jaar

203

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het korten van een toegelaten instelling in zijn subsidie voor het groot onderhoud en de verbetering van hun woningbezit

Periode: 1988–1998

Grondslag: Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, art. 11, lid 3, (Stb. 1988, 483)

Bron:

Product:

Opmerking: Deze handeling kan worden gedaan indien een toegelaten instelling de rentevoordelen, die het heeft genoten wegens het vervroegd aflossen van door de overheid verstrekte leningen, niet (voldoende) gebruikt voor ongesubsidieerde woningverbetering. De handeling geschiedt na rapportage van het Fonds in samenwerking met de toezichtorganen van het ministerie

Waardering: V, 6 jaar

12.6. Subsidieverlening door het rijk

12.6.1. Vaststelling van regelingen

204

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – eventueel in overeenstemming met de Minister van Financiën – opstellen en evalueren van subsidieregelingen in het belang van de volkshuisvesting

Periode: 1946–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

205

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van subsidievoorwaarden voor woningen en andere gebouwen

Periode: 1946–

Grondslag: Financieringsregeling woningbouw 1948, art. 12

Bron:

Product: Beschikking bijdragen Woningwetbouw 1948; Beschikking risico-berekening 1948

Opmerking:

Waardering: B 5

206

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van circulaires met nadere – regelgevende – aanwijzingen inzake de toepassing van subsidieregelingen

Periode: 1974–

Grondslag:

Bron:

Product: Toeslagen voor anderstaligen bij de voorbereidingskosten van stadsvernieuwing, circulaire MG 83-03

Opmerking: Het betreft hier bijzondere tijdelijke maatregelen in bijzondere situaties, die kunnen leiden tot versoepeling

Waardering: B 5

207

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van richtlijnen aan de inspectie van de volkshuisvesting

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron: J. Koffijberg, Niet zonder slag…, p. 94, 134

Product:

Opmerking: Deze richtlijnen betroffen voor een deel toelichting op subsidieregelingen, maar voor een gedeelte is het ook de schriftelijke neerslag van overleg. Soms betreft het de toepassing van een nota als de HAT, waarmee bestaande subsidieregelingen op een andere manier worden toegepast

Waardering: B 5

208

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (doen) evalueren van subsidieregelingen

Periode: 1950–

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 24, lid 1

Bron:

Product: Evaluatierapporten inzake het groeikernenbeleid.: Rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwsubsidies (1962, nr. 30–36)

Opmerking: Hiermee wordt bedoeld onderzoek; inbegrepen reactie op kritiek op regels

Waardering: B 2

209

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van premies voor Premie C- en D-woningen

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

210

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – eventueel in overeenstemming met de Minister van Financiën – vaststellen van regels voor gedecentraliseerde subsidies aan daartoe aangewezen gemeentelijke en regionale overheidsorganen

Periode: 1992–

Grondslag: BWS

Bron:

Product: Regeling deelneming in garanties woninggebonden subsidies (Stcrt. 1992, 213); Regeling nadere voorschriften accountantsverklaring woninggebonden subsidies (Stcrt. 191, 187); Regeling normering woninggebonden subsidies (Stcrt. 1991, 204). Regeling normering budgetberekening locatiegebonden subsidies (Stcrt. 1994, 65)

Opmerking:

Waardering: B 5

12.6.1.1. Uitvoeringsvoorschriften

211

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – eventueel in overeenstemming met de Ministeries van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid – (periodiek) stellen van subsidienormen

Periode: 1948–

Grondslag:

Bron:

Product: Beschikking risico-berekening 1948, Stcrt. 1948, 225

Netto Contante Waarde van vooroorlogse woningen, 1990

Opmerking:

Waardering: B 5

212

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van normen voor door de gemeente aanvaardbare grondkosten voor locatiegebonden subsidies

Periode: 1975–

Grondslag: Circulaires inzake locatiegebonden subsidies MG 75-27; normen voor bouwkosten van woningen

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

213

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van normen voor door de gemeente aanvaardbare volkshuisvestingskosten

Periode: 1982–1994

Grondslag: Normen voor bouwkosten van woningen

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

214

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van administratieve beoordelingsinstrumenten voor beantwoording van subsidie-aanvragen

Periode: 1950–

Grondslag: J. v.d Schaar, Volkshuisvesting in goud

Bron:

Product: Subsidietabellen voorzover niet reeds toegevoegd aan vastgestelde handleidingen en regels. Geautomatiseerde registratiesystemen als KODAL, 1978. Regels met betrekking tot de verantwoording van gelden, zoals vragenlijsten e.d. voorzover niet reeds toegevoegd aan vastgestelde handleidingen en regels

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na verval/wijziging instrument

215

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het treffen van nadere betalingsregelingen met woningbouwcorporaties ter afdoening van bestaande financieringsverplichtingen

Periode: 1982–

Grondslag: Nota’s Volkshuisvesting

Bron:

Product: Convenant, bijvoorbeeld Bruteringsafspraak 1992

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

216

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij ministeriële regeling aanwijzen van regio’s, gewestelijke organen of gemeenschappelijke regelingen welke bevoegd zijn tot verlening van geldelijke steun

Periode: 1991–

Grondslag: Besluit woninggebonden subsidies, art. 2, lid 1, (Stb. 1991, 440)

Bron:

Product:

Opmerking: Voorbeelden van aangewezen organen zijn als bovengemeentelijke organen omschreven in de actorenlijst

Waardering: B 5

12.6.1.2. Adviezen inzake normen en regels

217

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van nadere regels inzake adviescommissies die betrokken zijn bij de uitvoering van financierings- en subsidieregelingen

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Voorbeelden van dergelijke commissies zijn:

• Studiecommissie Bouwvoorschriften, 1949–1952

• Commissie indexcijfers van het Bureau Documentatie Bouwwezen

• Commissie Financiering Woningbouw (Commissie M.P. Gans), 1964–

• Commissie Bijdrage Stedelijke Werken (CBSW) 1969–1974; Commissie bijdragen verkeers- en vervoersvoorzienigen

• Coördinatiecommissie stadsvernieuwing (CCSV), 1974–1994

• Verzekeringskamer, voor het toezicht op bemiddelende organen (hypotheekhouders) in het kader van het Besluit Bevordering Eigen Woningbezit

• Interdepartementale werkgroep decentralisatie stadsvernieuwing (werkgroep Viersen), 1977–1980

• Interdepartementale werkgroep Sleutel (formule verdeling stadsvernieuwingsgelden)

• Stuurgroep Ordening op de Bouwmarkt (Stcrt. 1983, 150)

• Stuurgroep Nationaal Isolatieprogramma NIP

• Centrale Overleggroep huisvesting gehandicapten (Stcrt. 1990, 55)

• Klachtencommissie gehandicapten (Stcrt. 1990, 55)

Waardering: B 4

220

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aanwijzen van waarborgende instanties welke garantiecertificaten mogen afgeven in verband met de bouw van een sociale koopwoning

Periode: 1991–

Grondslag:

Bron:

Product: Aanwijzing van de Stichting Garantie Instituut Woningbouw, de GIW (Art. 33, lid 4, Besluit woninggebonden subsidies (Stb. 1991, 440)

Opmerking:

Waardering: B 4

223

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en maatschappelijke diensten vaststellen van verdeelsteutels tussen woonaanpassingen en andere voorzieningen voor gehandicapten

Periode: 1972–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

12.6.1.3. Programmering en planning

225

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van vragenlijsten voor gemeenten ter wille van een meerjarenplanning van de woningbehoefte en van een jaarplan

Periode: 1970–1992

Grondslag:

Bron: Nota Volkshuisvesting 1970

Product: Landelijk Rompmodel lokaal woningonderzoek 1970

Opmerking: Hierbij is inbegrepen het basismateriaal dat voor die vragenlijsten als standaard heeft gediend

Waardering: V, 5 jaar na verval/wijziging van formulier

226

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van een landelijk jaarplan

Periode: 1970–1992

Grondslag:

Bron: Nota Volkshuisvesting 1970

Product: Landelijk Rompmodel lokaal woningonderzoek 1970

Opmerking: Hierbij is inbegrpen het basismateriaal dat voor die vragenlijsten als standaard heeft gediend

Waardering: B 1

12.6.2. Toekenning aan woningen (objectsubsidies)

12.6.2.1. Premiewoningen

230

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting/Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het op aanvraag verlenen van premies aan gemeenten bij woningsplitsingen

Periode: 1948–1965

Grondslag: Premieregeling woningverbetering en -splitsing 1948 en 1953, OB XI 17, nr. 11307

Bron:

Product:

Opmerking: De aanvraag om steun geschiedde door de gemeente aan het Terlingenfonds. Zij diende als tijdelijke oplossing voor de woningnood, maar werd minder wenselijk geacht toen de woningwet in 1965 werd herzien om splitsingen door speculanten tegen te gaan, vgl. de besluiten, houdende aanwijzingen van gemeenten ex. art. 56 woningwet, waarin het verboden is om zonder vergunning van het gemeentebestuur woningen te slopen of aan het woningbestand te onttrekken

Waardering: V, 6 jaar

231

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij aanwijzing verplichten van gemeenten tot het geven van geldelijke steun aan aanvragers ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1962–

Grondslag: Woningwet 1962, art. 66, lid 1

Bron:

Product: Aanwijzing

Opmerking:

Waardering: B 5

232

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het op aanvraag uitkeren van bouwpremies aan particuliere woningbouwers

Periode: 1950–1966

Grondslag: Premieregeling woningbouw 1950; Premie- en bijdragenbesluit woningbouw. 1953

Bron:

Product:

Opmerking: De premieregeling kreeg in 1953 wettelijke basis als gevolg van een AMVB. Zij was bedoeld om particuliere woningbouw te stimuleren. Zij hield de uitkering van een bedrag ineens in na voltooiing van een te verhuren woning door particuliere eigenaars

Vanaf 1955 konden premies tot op de helft van de normale bijdrage worden uitgekeerd aan bouwers en eigenaars; deze z.g. ‘halve premiewoningen’ stonden buiten de normale vergunningendistributie en de verplichtingen van de huurwet

Waardering: V, 6 jaar

233

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het op aanvraag uitkeren van jaarlijkse bijdragen aan particuliere woningbouwers voor te verhuren woningen

Periode: 1953–1966

Grondslag: Premieregeling woningbouw, 1950; Premie- en bijdragenbesluit woningbouw, 1953

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

12.6.2.2. Eigen woningbezit

12.6.2.2.1. Uitkeringen en garanties

234

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het eenmalig uitkeren van toeslagen op premiewoningen aan eigenaars die de woning zelf gaan bewonen

Periode: 1956–1965

Grondslag: Besluit bevordering eigen-woningbezit, art. 2

Bron:

Product:

Opmerking: De toeslag is gebonden aan de premie die aan de woning wordt toegekend. De woning moet voldoen aan de eisen die aan premiewoningen worden gesteld en de eigenaar moet de woning minimaal tien jaar zelf hebben bewoond

Waardering: V, 6 jaar

235

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van premies op premiewoningen

Periode: 1951–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Premies kunnen worden teruggevorderd indien de premiewoningen binnen bepaalde termijn door de eigenaar of verhuurder aan derden worden doorverkocht. Premies kunnen ook worden teruggevorderd als de woningen niet voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de vereiste woonruimte die in het premiebesluit is gesteld

Waardering: V, 6 jaar

236

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toekennen van een jaarlijkse subsidie aan eigenaars van koopwoningen

Periode: 1984–1992

Grondslag: Beschikking geldelijke steun eigen woningen, art. 85, lid 2, .MG 88-47

Bron:

Product:

Opmerking: De regeling kan doorlopen tot 2012

Waardering: V, 6 jaar

237

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toekennen van meerjaarlijkse tegemoetkomingen aan eigenaars van premiewoningen

Periode: 1965–1991

Grondslag: Besluit geldelijke steun volkshuisvesting art. 35–41

Bron:

Product:

Opmerking: De hoogte van de premie is afhankelijk van het belastbare inkomen

Waardering: V, 6 jaar

238

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toekennen van een renteloze lening uit het Bezitvormingsfonds

Periode: 1971–1991

Grondslag:

Bron: Besluit bezitsvormingsfonds eigen woningen

Product:

Opmerking: De renteloze lening bedraagt 3600,–, die in acht jaarlijkse termijnen moet worden terugbetaald. Het bedrag is niet waardevast. Aan de toekenning is een maximum leeftijd en een maximum belastbaar inkomen verbonden

Waardering: V, 6 jaar

239

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen aan gemeenten voor verliezen op door de gemeente gegarandeerde hypotheken bij de aankoop van woningen door particuliere eigenaars-bewoners

Periode: 1956–1995

Grondslag: Besluit bevordering eigen woningbezit; Regeling deelneming in garanties woninggebonden subsidies, art. 8, (Stcrt. 1992, 213)

Bron:

Product: Gemeentegarantie

Opmerking: De Minister van Volkshuisvesting kan bij besluit een dekking toezeggen van maximaal 50% van het verlies dat voortspruit uit de zekerheidsstelling door een gemeente. De normen voor gemeentegarantie worden vastgesteld in overleg met de VNG. Zij zijn echter niet bindend omdat de gemeente eigen voorwaarden kan stellen

Waardering: V, 6 jaar

240

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het subsidiëren van sociale verhuurders ter verlaging van de boekwaarde van aan huurders te koop aangeboden woningen

Periode: 1991–

Grondslag: Regeling bijdragen ineens boekwaardeverlaging huurwoningen

Bron:

Product:

Opmerking: Deze bijdrage wordt via de gemeenten verstrekt. De bijdrage geschiedt in beginsel voor woningen met een rijkslening; vanaf 1991 geldt die bijdrage ook voor woningen met een kapitaalmarktlening

Waardering: V, 6 jaar

12.6.2.2.2. Bemiddelende organen

241

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aanwijzen van een bemiddelend orgaan (voor het adviseren bij) aanvragen van hypotheken door eigenaars van een individuele premiewoning

Periode: 1956–

Grondslag: Besluit bevordering eigen-woningbezit, art. 10, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: Het bemiddelend orgaan oefent controle uit op de voorbereiding, de bouw en het onderhoud van nieuw gebouwde premiewoningen. Het mag echter niet zelf bezig houden met de bouw, het kopen en verkopen van woningen of grond. Bij haar advies gaat het bemiddelend orgaan uit van normen voor de toekenning van garanties

Onder deze toelatingshandeling wordt ook verstaan: het geven van een verklaring van geen bezwaar bij gewijzigde reglementen (art. 11 sub h.)

Waardering: B 5

242

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het mede voeren van overleg met de bemiddelende organen over de normering van voorwaarden voor gemeentegaranties

Periode: 1956–

Grondslag:

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting, p. 229 (1997)

Product:

Opmerking: De normen worden vastgesteld in overleg met de VNG; zij zijn echter niet bindend omdat de gemeente eigen voorwaarden kan stellen. Uitgangspunt is een berekening van de verhouding tussen de netto woonlast en het inkomen, die niet lager dan de bijstandsnorm mag uitvallen

Waardering: B 5

243

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van nadere regels voor bouwkassen als toegelaten bemiddelende organen

Periode: 1956–

Grondslag: Besluit bevordering eigen woningbezit, art. 15, lid c en d

Bron:

Product:

Opmerking: Deze regels kunnen betrekking hebben op: de samenstelling van een jaarverslag aan de Verzekeringskamer, de door de Verzekeringskamer te heffen contributie

Waardering: B 4

246

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij Koninklijk Besluit intrekken van de toelating van een bemiddelend orgaan voor de gemeentegarantie bij de verkrijging van een woning

Periode: 1992–

Grondslag: Woningwet 1992, art. 85, lid 2 (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

12.6.2.3. Subsidies voor woningverbetering en -vernieuwing

12.6.2.3.1. Subsidies woningverbetering en -vernieuwing door het Grootboek Woningverbetering

247

Actor: De Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het aanwijzen van een Directeur van het Grootboek voor Woningverbetering

Periode: 1957–1960

Grondslag: Wet Grootboek Woningverbetering, art. 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

12.7. Subsidies woonverbetering en woningvernieuwing door de minister

12.7.1. Bijdragen aan particulieren

252

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks vaststellen van bedragen voor subsidies aan particulieren voor voorzieningen aan bestaande woningen

Periode: 1953–1992

Grondslag: Premieregeling woningverbetering en splitsing, bv. art. 8a, Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987, Regeling geldelijke steun gehandicapten 1992

Bron:

Product:

Opmerking: Deze subsidiebedragen worden nader in de begrotingen vastgesteld. Een deel van die subsidieregelingen zijn ‘streefsubsidies’ met het oog op specifieke verbeteringen als geluidsisolatie, energiebesparing

Waardering: V, 6 jaar

253

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op grond van een subsidieregeling beschikken op aanvragen van particulieren om bijdragen tot voorzieningen en verbeteringen aan bestaande woningen

Periode: 1953–1992

Grondslag: Premieregeling woningverbetering en splitsing, bv. art. 8a, Besluit geldelijke steun volkshuisvesting

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

254

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlenen van een tegemoetkomende subsidie aan eigenaars, die op grond van een gemeentelijke aanzegging tot woningverbetering worden verplicht

Periode: 1977–1992

Grondslag: Besluit geldelijke steun volkshuisvesting, art. 41

Bron:

Product:

Opmerking: De eigenaar moet in dit geval voldoen aan de uitgangspunten voor woontechnische minimumeisen bij woningverbetering

Waardering: V, 6 jaar

255

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlenen van bijdragen aan gemeenten voor verliezen op door de gemeente gegarandeerde hypotheken bij de verbetering van woningen

Periode: 1965–1992

Grondslag: Besluit geldelijke steun volkshuisvesting, art. 35

Bron:

Product:

Opmerking: De minister kan bij besluit een dekking toezeggen van maximaal 50% van het verlies dat voort vloeit uit de zekerheidstelling door een gemeente

Waardering: V, 6 jaar

256

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlenen van bijdragen aan bewoners voor verhuis- en inrichtingskosten als gevolg van woningverbetering

Periode: 1969–1992

Grondslag: Beschikking geldelijke steun bewoners bij krotopruiming 1969 en latere regelingen

Bron:

Product:

Opmerking: De bijdrage wordt aan de gemeente uitgekeerd, die jaarlijks verslag uitbrengt over de bestedingen. Art. 26, 27, 33, 34 en 41 BGSV

Waardering: V, 6 jaar

257

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van uitkeringen ineens (premies) aan bewoners van stadsvernieuwingsgebieden ingevolge daartoe vastgestelde regelingen

Periode: 1959–

Grondslag: Regelingen krotopruiming, premieregelingen woningbouw, regelingen voor woningverbetering bijdragen tijdelijke kosten huisvesting

Bron:

Product:

Opmerking: Deze uitkeringen kunnen betrekking hebben op tjdelijke huisvesting, verbetering particuliere woningen, bijzondere voorzieningen aan particuliere woningen, verplaatsing milieuhinderlijke bedrijven

Waardering: V, 6 jaar

258

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geheel/gedeeltelijk intrekken of terugvorderen van subsidies

Periode: 1953–1992

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Subsidies worden teruggevorderd aan personen of instellingen die niet aan de subsidievoorwaarden voldoen

Waardering: V, 6 jaar

259

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het gedeeltelijk vergoeden van gemeentelijke financiële steun aan voorzieningen van particuliere huurwoningen

Periode: 1985–1992

Grondslag: Regeling geldelijke steun woonvoorzieningen aan particuliere huurwoningen, MG 84-41

Bron:

Product:

Opmerking: De gemeente krijgt van de zonder tussenkomst van het rijk gehonoreerde subsidie-toekenning eenderde vergoed van het rijk. Nadat de gemeente deze subsidie heeft toegezegd, meldt zij dit bij de HID van de desbetreffende provincie, Als de toegezegde kosten meer bedragen dan 20% van de bouwkosten van vergelijkbare nieuwe woningen, verwarming niet inbegrepen, stelt de minister de huurprijs vast. Het rijk betaalt uit als de werkzaamheden van de gemeente gereed zijn, in overeenstemming met de werkelijk gemaakte kosten

Waardering: V, 6 jaar

260

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op aanvraag van belanghebbenden verstrekken van subsidie aan gemeenten ten behoeve van voorzieningen aan gehandicapten

Periode: 1979–1994

Grondslag: Beschikking, later regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten. (RGSHG)

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft subsidies die door de gemeenten aan particuliere aanvragers worden uitgekeerd voor:de bouw van gehandicaptenwoningen, voorzieningen voor gehandicapten in bestaande woningen

Waardering: V, 6 jaar

12.7.2. Bijdragen aan gemeentelijke budgetten

262

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van nadere regelingen bij de vaststelling van subsidies aan gemeenten ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit Woninggebonden Subsidies (BWS)

Bron:

Product: Regeling normering woninggebonden subsidies 1995; Overgangsregeling Besluit Woninggebonden Subsidies 1995

Opmerking:

Waardering: B 5

265

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks toepassen van verdeelsleutels bij de vaststelling van subsidies aan gemeenten ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit Woninggebonden Subsidies (BWS), art. 17

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

266

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks toekennen van subsidies aan andere overheden ten behoeve van woningverbetering op basis van een budget

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit Woninggebonden Subsidies (BWS), art. 17

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

267

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks toekennen voor subsidies aan apparaatkosten voor gemeenschappelijke regelingen

Periode: 1991–

Grondslag: BWS, art. 52

Bron:

Product:

Opmerking: De subsidies worden aan provincies uitgekeerd, die de kosten verder verdelen

Waardering: V, 6 jaar

12.7.3. Waarborgstellingen en controle

272

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beschikken inzake een beroep tegen de intrekking van een besluit tot toelating van een bouwkas

Periode: 1956–

Grondslag: Besluit bevordering eigen woningbezit, art. 16

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

12.7.4. Subsidieregelingen in belang van duurzame energie en duurzaam bouwen

276

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beschikken op subsidie aanvragen krachtens de subsidieregeling geldelijke steun proefprojecten rationeel energiegebruik in de gebouwde omgeving (PREGO)

Periode: 1982–1989

Grondslag: Geldelijke steun proefprojecten rationeel energiegebruik in de gebouwde omgeving (Stcrt. 1984, 69)

Bron:

Product:

Opmerking: De formele beschikkingsbevoegdheid berust bij het Ministerie van Economische Zaken; de feitelijke uitvoering ligt bij VROM, die ook over bezwaarschriften inzake subsidieregelingen beschikt; de aanvrage wordt ingediend door de hoofdingenieur directeur van de volkshuisvesting (HID) in de provincie

Waardering: V, 6 jaar

278

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van inhoudelijke bijdragen aan de Stuurgroep Nationaal Isolatie-programma (SNIP)

Periode: 1978–1991

Grondslag:

Bron: H.G. de Maar, Energierecht, p. 119

Product:

Opmerking: De Stuurgroep NIP heeft de bevoegdheid om de ministers gevraagd en ongevraagd van advies te dienen. Zij is verplicht een jaarlijks verlag uit te brengen. Voor de handelingen van de SNIP zie het RIO Energiebeleid van het Ministerie van Economische Zaken

Waardering: V, 5 jaar

279

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen aan de vergaderingen van de Stuurgroep Nationaal Isolatie-programma (SNIP)

Periode: 1978–

Grondslag:

Bron: Evaluatie 10 jaar Nationaal Isolatieprogramma, NIP, Rotterdam 1988

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

280

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beschikken over de organisatie van de Stuurgroep Nationaal Isolatieprogramma (SNIP)

Periode: 1978–1991

Grondslag:

Bron: H.G. de Maar, Energierecht, p. 119

Product: Instelling van een stafbureau, 1981

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na opheffing organisatie

281

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks toeschrijven van subsidies aan subsidieverleners in het kader van het Isolatieprogramma NIP

Periode: 1978–1991

Grondslag:

Bron: H.G. de Maar, Energierecht, p. 119

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

12.7.5. Toekenning aan aangewezen locaties

12.7.5.1. Uitbreidingsplannen ingevolge de Woningwet 1901 en van regelingen, ontleend aan de Wederopbouwwet

12.7.5.1.1. Kaderstellend

283

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het instellen van tijdelijke instanties, belast met instructie- en evaluatietaken

Periode: 1973–1977

Grondslag:

Bron: J. Koffijberg, Niet zonder slag of stoot. Een keerpunt in de stadsvernieuwing, (1997)

Product:

Opmerking: Instanties zijn: voorlichtingsconsulenten, ideeëncentrale

Waardering: B 4

284

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het instrueren van uitvoerende instanties inzake beleidsvisies ten aanzien van de toekenning van subsidieaanvragen

Periode: 1973–1977

Grondslag:

Bron:

Product: Voorlichtingscirculaires

Opmerking: Deze manier van optreden is karakteristiek voor de handelwijze van staatssecretaris Schaeffer op het gebied van stadsvernieuwing

Waardering: B 4

285

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het door middel van circulaires nader instrueren van gemeenten inzake de uitvoering van subsidieregelingen en de daaraan verbonden budgetteringsssystemen en administratieve procedures

Periode: 1973–

Grondslag:

Bron: A. Faber, Werk in uitvoering, p. 109

Product: Brief aan de gemeenten met daaraan toegevoegde bijlagen

Opmerking: Hieronder vallen ook zgn. lump-sum afspraken, bijvoorbeeld als in 1992 vastgesteld bij de alsdan nog bestaande HIS-regeling

Waardering: B 5

286

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het door middel van aangewezen commissies doen evalueren van de uitwerking van subsidieaanvragen

Periode: 1973–1977

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Deze manier van optreden is karakteristiek voor de handelwijze van staatssecretaris Schaeffer op het gebied van stadsvernieuwing

Waardering: B 2

287

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het door middel van richtlijnen aankondigen van wijzigingen van een taakstelling van een groeigemeente of groeikern

Periode: 1977–

Grondslag:

Bron: Nota Financiële gevolgen van ombuiging planologisch beleid, HdTK 1976–1977 14, 389, Faber, Werk in uitvoering, p. 24

Product: Aanwijzingbrief

Opmerking: Deze aparte procedure is het gevolg van een mededeling van minister Gruijters aan de Kamer waarbij hij vastlegt dat gemeenten aan beleidsnota’s, schetsen e.d. geen rechten konden ontlenen. Met deze afzonderlijke aanwijzingsbrief kondigt de aan dat de desbetreffende gemeente in het vervolg rekening moet houden met minder subsidietoewijzingen. Deze brief wordt gevolgd door een schrijven waarin de verlaging van de subsidie als gevolg van de taakverkleinding wordt bevestigd. Dergelijke aanwijzingsbrieven zijn in 1979 daadwerkelijk door de minister verstuurd

Waardering: B 5

288

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bemiddelen en adviseren inzake de vaststelling en toepassing van subsidieregelingen van andere ministeries met betrekking tot uitbreidingsplannen in groeikernen

Periode: 1972–1983

Grondslag: Subsidieregelingen EZ: Verbetering regionale infrastructuur. Bijdrage aanlegkosten nieuwe industrieterreinen, Regelingen voorwaardenschappend beleid. Premieregeling Stimulering Ontwikkeling Lelystad. 1960–1988. Verfijningsregeling groeikernen: bijdragen uit het gemeentefonds door de Minister Binnenlandse Zaken, 1975–

Bijdrageregelingen ten behoeve van gezinsverzorging en gezinshulp door de minister belast met Maatschappelijk Werk, 1978–

Bijdragen voor openluchtreecretatievoorzieningen door de minister belast met Landbouw, 1973–

Bijdrageregeling verplaatsingskosten werknemers door de Minister van Sociale Zaken, 1977

Bron:

Product:

Opmerking: Bij EZ betreft het subsidieregelingen, waarbij vanwege het regionale belang de voor subsidie in aanmerking komende gemeenten in de regeling worden aangewezen. De namen van de belanghebbende gemeenten worden in de Staatscourant gepubliceerd. [De gegevens dienen zich te beperken tot de vaststelling van regelingen of de aanwijzing van inrichtingen en de monitoring van effecten.]

Waardering: V, 5 jaar

12.7.5.1.2. Uitvoerend

12.7.5.1.2.1. Algemeen

290

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op aanvrage van particulieren verstrekken van verklaringen met betrekking tot vastgestelde reconstructie-, sanerings- en stads- en dorpsvernieuwingsprojecten

Periode: 1965–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Verzoeken van particulieren om verklaringen waaruit blijkt dat zij op grond van bouw- of verbouwingswerkzaamheden recht hebben op een vergoeding of ontheffing van een wettelijke verplichting. De vereisten voor een dergelijke verklaring zijn in de desbetreffende wet of de daaraan verbonden voorschriften geregeld

Waardering: V, 6 jaar

12.7.5.1.2.2. Sanering en stadsvernieuwing

291

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het goedkeuren van een door de gemeente aangewezen saneringsgebied

Periode: 1955–1965

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Een gemeente aanvaardt een plan voor sanering. Deze kent de gemeente bij sanering of krotopruiming 50% van het exploitatietekort toe. Dit tekort wordt bepaald door de kosten van het plan, verminderd met de opbrengst van de uit te geven bouwrijpe grond. Dit wordt door de HID beoordeeld en door DGVH. Na 1965 moet stadssanering ook in overeenstemming zijn met het gemeentelijke bestemmingsplan in overeenstemming met de Wet op de Ruimtelijke Ordening

Waardering: B 5

292

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het goedkeuren van een in een gemeentelijk bestemminggsplan aangewezen saneringsgebied

Periode: 1965–1979

Grondslag: Beschikking bijdragen saneringsplannen 1963

Bron:

Product:

Opmerking: Een gemeente wijst een ‘vernieuwingsgebied’ aan die daardoor onder een subsidieregeling komt te vallen. Voor de goedkeuring van de subsidieaanvrage dient de gemeente een saneringsplan in te dienen. Dit wordt door de HID beoordeeld en door DGVH. De subsidie kan oplopen tot 80% van de verwervingskosten van de te saneren woningen. Op grond van diezelfde aanvraag kan de gemeente een vergoeding krijgen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor voorzieningen in het wegverkeer en het openbaar vervoer. (Beschikking bijdrage voor de voorzieningen in het wegverkeer en het openbaar vervoer in de steden 1967). Op grond van het ingediente reconstructieplan krijgt de gemeente van het Ministerie van V&W een vergoeding van 50% van de kosten van openbare werken en 80% van de daarvoor noodzakelijke verwervingskosten. In 1969 krijgt de Minister van Volkshuisvesting de bevoegdheid om ook reconstructieplannen te subsidieren ingevolge de ‘80%-regeling’

Waardering: B 5

294

Actor: De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toekennen van subsidies aan gemeenten voor verhoogde grondkosten in stadsvernieuwingsgebieden

Periode: 1955–

Grondslag: Locatiesubsidieregelingen

Bron:

Product: Subsidie

Opmerking: Het gaat om vergoedingen voor grondkosten die hoger uitvallen dan bij stadsuitbreidingsplannen en, waar nodig, kosten voor het bouwrijp maken

Waardering: V, 6 jaar

295

Actor: De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van een door de gemeente aangewezen interimsaldoregelingsgebied

Periode: 1977–1985

Grondslag: Interimsaldoregeling (ISR)

Bron:

Product: Beschikking goedkeuring ‘vernieuwingsgebied’

Opmerking: Een gemeente wijst een ‘vernieuwingsgebied’ aan in de zin van de ISR. Deze aanwijzing moet goedgekeurd worden door de minister, die daardoor wordt geadviseerd door GS van de provincie, de Rijksplanologische Commissie en de CBSW/CCSV). Aanwijzing houdt in dat in principe financiële streun zal worden verleend. De goedkeuringsvoorwaarden waren niet altijd even doorzichtig. Het rijk besliste of er al dan niet gesubsidieerd werd. Tijdens het ministerschap Beelaerts van Bloklandt veranderde het beleid, waardoor de goedkeuring van het plan minder aan rijkscontrole onderhevig was. Aan de gemeente werd een lump-sum toegekend op grond waarvan vernieuwingsplannen door de gemeente konden worden uitgevoerd

De ISR is van toepassing op de vier grote steden, Leiden en Groningen, later geldt deze regeling voor veertien steden. Zij zou bedoeld zijn voor alle steden als voorbereiding op een Wet op de Stadsvernieuwing. De ISR sluit in deze gevallen BBRS en locatiesubsidie uit

Waardering: B 5

296

Actor: De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aanwijzen van instellingen die feitelijk belast zijn met de goedkeuring van een door de gemeente aangewezen Interimsaldoregelingsgebied

Periode: 1977–1985

Grondslag: Interimsaldoregeling (ISR)

Bron:

Product: Aanwijzing

Opmerking: Het betreft hier de gevolgen van het zg. deconcentratiebeleid van het kabinet van Agt dat aan de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing voorafgaat

Waardering: B 4

299

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks toekennen van stadsvernieuwingstoeslagen aan gemeenten voor stadsvernieuwingsgebieden

Periode: 1977–1985

Grondslag:

Bron:

Product: Financiële bijdrage

Opmerking: De jaarlijkse vaststelling was bij de ISR bedoeld om reeds genomen subsidie-besluiten begrotingstechnisch te realiseren. Feitelijk zijn het kostendeclaraties die achteraf moeten worden goedgekeurd. Vanaf ca. 1980 werd het ISR-beleid gedeconcentreerd en werd de beoordeling van een aanvrage aan de HID overgelaten

Waardering: V, 6 jaar

300

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aan gemeenten verstrekken van uitkeringen voor een -- voor verbetering van steun aan de woonomgeving

Periode: 1978–1985

Grondslag: Regeling Geldelijke Steun Verbetering in de Woonomgeving. MG 78-50

Bron:

Product: Financiële bijdrage

Opmerking: Deze regeling, ook wel 2500 guldenregeling genoemd, subsidieert gemeentelijke werken voor verbetering van de omgeving voor een maximum van 25.000,– per woning. In 1985 ging zij op in het stadsvernieuwingsfonds

Waardering: V, 6 jaar

301

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks toekennen van stadsvernieuwingstoeslagen aan gemeenten voor sociale huurwoningen voor stadsvernieuwingsgebieden

Periode: 1959–

Grondslag:

Bron: J. v.d. Schaar Volkshuisvesting, een zaak van beleid, p. 260

Product: Stadsvernieuwingstoeslage

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

393

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van een besluit van burgemeester en wethouders om een bouwvergunning te verlenen die leidt tot een wijziging van het beschermde stads- en dorpsgezicht

Periode: 1961–1992

Grondslag: Woningwet 1962, art. 50, lid 10r a, (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

12.7.5.1.2.3. Nieuwbouwregelingen

304

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VROM)

Handeling: Het aanwijzen van locaties binnen een gemeente die voor een subsidie voor bouwlocaties in aanmerking komen

Periode: 1955–1972

Grondslag: Besluit locatiegebonden subsidies groeikernen, Subsidieregelingen voor grote bouwlocaties (SGB) 1989

Bron:

Product: Bestuursovereenkomsten met de desbetreffende gemeente of regionale organisatie in het kader van een gemeenschappelijke regeling; uitvoeringscontracten

Opmerking: Deze subsidie vergoedt 50% van de kosten en is daarom minder rendabel dan de Hoofdinfrastructuurregeling (HIS)

Waardering: B 5

305

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op advies van HID Verkeer en Waterstaat verstrekken van tegemoetkomingen in de in overeenstemming met de HIS-regelingen aangewezen groeikernen

Periode: 1974–1988

Grondslag:

Bron: A.W. Faber, Werk in uitvoering, p. 110–111

Product: Financiële bijdrage

Opmerking: Deze bijdrage geschiedt als de grondkosten onevenredig hoog zijn voor de begin van nieuwbouw. Zij geldt voor gemeenten met vastgestelde stadsvernieuwingsgebieden, de vier grote gemeenten, groeikernen en groeisteden. De locatiesubsidie bedraagt 100% van het verschil tussen de werkelijke grondkosten en een genormeerd grondkostenbedrag. Dit is de eerste trap van het zg. drietrapsbeleid voor groeikernen. De beoordeling van een aanvrage en de uitvoering van de subsidie geschiedt door HID-Verkeer en Waterstaat

Waardering: V, 6 jaar

306

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van te ramen kosten van in beginsel goedgekeurde subsidies voor aangewezen bouwlocaties

Periode: 1980–1988

Grondslag: Interim Saldoregeling (ISR), BLS, Besluit locatiegebonden subsidies (BLS)

Bron:

Product: Meerjarenschema

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

307

Actor: Minister van Volkshuisvesting,Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toewijzen van subsidies aan gegunde projecten in een HIS-gebied op grond van potentiële verplichtingen

Periode: 1980–1988

Grondslag: Interim Saldoregeling (ISR)

Bron:

Product: Subsidiebeschikking

Opmerking: Het betreft de goedkeuring van aangevraagde subsidies van projecten in overeenstemming met de bijgestelde jaarraming. Deze goedkeuring geschiedt op advies van HID-RWS, die de aanvrage toetst aan de hand van de alsdan geldende ramingen. De controle van de gemeentelijke declaraties na toezegging van de subsidie geschiedt door De Minister van VROM (afd. Grondzaken)

Waardering: V, 6 jaar

308

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks toekennen van in beginsel goedgekeurde subsidies voor aangewezen bouwlocaties

Periode: 1972–1983

Grondslag: Besluit locatiegebonden subsidies (BLS)

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft de tweede trap van de drietrapsfase in een groeikernproject: locatiesubsidie 1975, plansubsidie snelgroeiende gemeenten 1977–1986, toeslagen vanwege de Wet Investeringerekening, subsidies voor multifunctionele accommodaties

Waardering: V, 6 jaar

309

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren of bemiddelen van toeslagen in het kader van de Wet Investeringsrekening Ruimtelijke Ordeningstoeslagen

Periode: 1978–1983

Grondslag: Wet Investeringerekening Ruimtelijke Ordeningstoeslagen (WIR)

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft de locatiesubsidie 1975, plansubsidie snelgroeiende gemeenten 1977–1986, toeslagen vanwege de Wet Investeringsrekening

Waardering: V, 6 jaar

311

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op aanvraag leveren van bijdragen ineens aan gemeenten voor bijzondere grondkosten

Periode: 1989–

Grondslag: Regeling bijdrage ineens bouwplaatskopkosten 1989

Bron:

Product: Bijdragen ter bestrijding van excessief hoge grondkosten

Opmerking: De gemeenten moeten van deze bijdragen een extra fonds aanleggen, waarover zij jaarlijks een verantwoording moeten afleggen

Waardering: V, 6 jaar

12.7.5.2. Bijdragen aan stadsvernieuwingsprojecten en fondsen

12.7.5.2.1. Kaderstellend

314

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij AMVB aanwijzen van personen die vrije toegang hebben tot stadsvernieuwingsterreinen

Periode: 1981–

Grondslag: Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, art. 55

Bron:

Product: Aanwijzing in Stcrt.

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging van functie

315

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van nadere regels inzake de verslaglegging van de provincies over de stadsvernieuwing

Periode: 1984–

Grondslag: Besluit op de Stads- en dorpsvernieuwing, art. 13, lid 2

Bron:

Product: Circulaire van de DGVH 7 april 1986, nr. 2 407 154 inzake accountantsverklaringen

Circulaire van de SS van VROM van 18 april 1986, nr. 2 418 153 inzake de mogelijke renteverliezen van de gemeenten bij besteding van uitgekeerde gelden

Handleiding Verslaglegging, circulaire van de SS van VROM van 28 februari 1990, (Stcrt. 56)

Opmerking:

Waardering: B 5

12.7.5.2.2. Uitvoerend

316

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks uitkeren van bedragen aan provinciale en gemeentelijke stadsvernieuwingsfondsen

Periode: 1984–

Grondslag: Wet Stads en Dorpsvernieuwing, (WSDV) art. 39 en 40

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

320

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks verslag uitbrengen aan de Staten-Generaal over de stads- en dorpsvernieuwing

Periode: 1984–

Grondslag: Wet Stads- en Dorpsvernieuwing (WSDV), art. 17

Bron:

Product: Jaarverslag stads- en dorpsvernieuwing

Opmerking: Dit verslag bevat tevens een overzicht van de aard en omvang van de behoefte van de stadsvernieuwing;een vijfjarenraming en een overzicht van de alsdan te treffen voorzieningen

Waardering: B 3

321

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks opstellen van programma’s voor stadsvernieuwing voor de Staten-Generaal

Periode: 1984–

Grondslag: Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, art. 3, lid 2

Bron:

Product: Programma stadsvernieuwing

Opmerking: Het jaarlijks op te stellen programma is bedoeld voor de komende vijf jaar en wordt elk jaar bijgesteld. Zij wordt tijdens de begroting ingediend. Tegelijkertijd wordt in de begroting verwerkt Een overzicht van de op de stadsvernieuwing betrekking hebbende posten,

Een kostenraming ter uitvoering van het programma,

Een overzicht van de door Burgemeesters en Wethouders en GS opgegeven behoeften Producten zijn volgens voorschrift,

Een staat van de stadsvernieuwing,

Een voortschrijdend vijfjarenprogramma met een verslag van het gevoerde regeringsbeleid en de voortgang van de stadsvernieuwing,

Een voortschrijdende vijfjarenraming,

Hierin wordt ook de verdeelsleutel vastgesteld van de bedragen die aan de gemeenten zullen worden uitgekeerd, als beschreven in art. 4 en 5, Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing

Waardering: B 1

12.7.5.2.3. Controle op de uitvoering

323

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op aanvrage van gemeenten vrijstellen van stadsvernieuwingsfondsen van het maximumbedrag van vier keer de jaarlijkse toelage

Periode: 1984–

Grondslag: Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing, art. 9

Bron:

Product: Vrijstelling maximumbedrag stadsvernieuwingsfonds

Opmerking: Het is een stadsvernieuwingsfonds toegestaan gelden te beheren tot een maximum van vier maal de jaarlijkse toelage. Wat daarboven komt, vloeit terug in de rijkskas of wordt met de volgende subsidie verrekend. Gemeenten kunnen echter genoodzaakt zijn dit maximum te overschrijden, omdat voor een bepaald jaar berekende bestedingen door onvoorziene omstandigheden moest worden uitgesteld

Waardering: V, 6 jaar

325

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het laten controleren van de besteding van gelden van niet van het maximumbedrag vrijgestelde gemeentelijke stadsvernieuwingsfondsen

Periode: 1984–

Grondslag: Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing 1984, art. 7–8, Wet op de stads- en dorpsvernieuwing 1994, art. 41a

Bron:

Product:

Opmerking: Deze maatregel heeft betrekking op het vermoeden dat een stadsvernieuwingsfonds over meer gelden beschikt dan het toegestane maximum. In dat geval kan de Minister van VROM besluiten de jaarlijkse bijdrage te verlagen

Indien GS vermoeden dat een gemeentelijk stadsvernieuwingsfonds het maximum overschrijdt, vraagt zij de desbetreffende gemeente om inlichtingen. Zij delen daarna hun bevindingen aan de minister mede. Deze stelt het gemeentebestuur op de hoogte van zijn voorlopige bevindingen en neemt desgewenst een besluit tot verlaging of stopzetting van de bijdrage. De gemeente kan dit besluit proberen ongedaan te maken door een verzoek aan de minister, die daarbij GS hoort. De minister kan ook zelf actie ondernemen als hijzelf vermoedt dat het fonds het maximum heeft overschreden

Waardering: B 5

326

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het doen van een onderzoek naar de besteding van gelden van niet van het maximumbedrag vrijgestelde provinciale stadsvernieuwingsfondsen

Periode: 1984–

Grondslag: Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing, art. 10

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

327

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlagen, stopzetten of terugvorderen van de jaarlijkse bijdrage aan gemeentelijke of provinciale stadsvernieuwingsfondsen

Periode: 1984–1992

Grondslag: Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing, art. 7 (Stb. 1984, 477)

Bron:

Product:

Opmerking: Het inhouden van bijdragen uit ’s-Rijks kas, welke zijn bestemd voor de stadsvernieuwing, indien een gemeente geen verslag inzake het beheer van het stadsvernieuwingsfonds heeft opgesteld (art. 42, lid 4, Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, Stb. 1984, 406)

Waardering: B 5

12.7.6. Bijzondere subsidies aan gemeenten

329

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van subsidies aan gemeenten in het kader van bijzondere volkshuisvestingsprojecten van het rijk

Periode: 1965–

Grondslag: Beleidsinstrumenten Volkshuisvesting 1985, 1.9.10

Bron:

Product: Subsidie

Opmerking: Voorbeelden: het project grote woningen voor etnische minderheden. 1982–1991

Waardering: V, 6 jaar

330

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van bijdragen aan gemeenten voor inrichtingen voor gehandicapten overeenkomstig bijzondere regelingen

Periode: 1989–1992

Grondslag: Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989, art. 42

Bron:

Product: Subsidie

Opmerking: Voorbeelden zijn: ‘ADL-clusters’, die onder bepaalde voorwaarden door de gemeenten worden aangelegd voor gehandicapten die voor algemene dagelijkse levensverrichtingen extra voorzieningen nodig hebben

Waardering: V, 6 jaar

331

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het sluiten van overeenkomsten met gemeenten in het kader van de sociale vernieuwing

Periode: 1991–

Grondslag: Besluit sociale vernieuwing

Bron:

Product: Overeenkomst sociale vernieuwing

Opmerking:

Waardering: B 5

333

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van subsidie aan gemeenten ten behoeve van eigen organisatie en van bewonersorganisaties (woonconsumenten)

Periode: 1991–

Grondslag: Woningwet 1965, artikel 58, lid 4, Regeling bijdragen woonconsumenten en sociale vernieuwing, 1989. Regeling bijdragen apparaatkosten regionale samenwerking BWS

Bron:

Product: Subsidie

Opmerking: De subsidies voor apparaatkosten gelden voor een gezamenlijke regeling voor de toepassing van subsidiebudgets. Een voorbeeld hiervan is de bijdrage in de kosten van stuurgroepen huisvesting alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens

De subsidies voor woonconsumenten zijn aangekondigd in de nota Volkshuisvesting in de jaren ’90. Zij wordt uitgekeerd op de volgende voorwaarden

Indien er een convenant tussen gemeente en rijk bestaat op het gebied van sociale vernieuwing: overeenkomstig dat convenant

Anders: indien de gemeente meer dan ƒ 100.000,– per jaar ontvangt, moet zij een inspraakverordening opstellen of aanpassen waarin een aantal waarborgen voor goede inspraak worden geregeld;

De subsidie moet jaarlijks vóór 1 juni worden verantwoord

Waardering: V, 6 jaar

12.8. Subsidies van andere overheden

336

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toetsen van gemeentelijke subsidiebesluiten aan personen en instellingen die tevens de steun genieten van ’s rijks kas

Periode: 1945–

Grondslag: Woningwet 1901, art. 52–53, Woningwet 1962, art. 65, lid 2 (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

338

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij KB verplichten van gemeenten om in het belang van de volkshuisvesting een subsidieaanvraag in te willigen

Periode: 1963–

Grondslag: Woningwet 1962, art. 66, Woningwet 1992, art. 80, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

343

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden van een kroonbeschikking dat gemeenten of Provinciale Staten verplicht geldelijke steun uit te keren aan bewoners in het kader van woningverbetering of krotopruiming

Periode: 1992–

Grondslag: Woningwet 1992, art. 80, lid 1 (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking: Dit KB kan worden uitgevaardigd indien gemeenten of provincies als bevoegd gezag bij een gemeenschappelijke regeling in gebreke blijven bij de verstrekking van subsidie bij ontruimingen of verbouwingen, zoals beschreven in art. 74–78 Ww. en op deze wijze onvoldoende voorzien in de volkshuisvesting. De minister voert deze handeling zelf uit wanneer Provinciale Staten, binnen een door de minister bepaalde periode, geen uitvoering geeft aan koninklijk besluit zoals bedoeld in artikel 80, lid 3, Ww

Waardering: B 5

13. Toezicht op de woningbouw en woningverbetering

13.1. Kaderstellend

13.1.1. Organisatie van het staatstoezicht

345

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het aanwijzen van functionarissen, belast met het toezicht op de volkshuisvesting, de wederopbouw en de woningdistributie

Periode:

Grondslag: Gezondheidswet 1901; art. 26, Woonruimtewet 1947; art. 29, lid 1, Wederopbouwwet

Bron: 1945–1962

Product: Koninklijk Besluit van 18 maart 1946, nr. 12; Koninklijk Besluit van 20 november 1950 (Stcrt. 251), houdende aanwijzing van provinciale Hoofdinspecteurs van Dienst, belast met het toezicht op de volkshuisvesting

Opmerking:

Waardering: B 4

346

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen, schorsen of ontslaan van de inspecteur-generaal, de inspecteurs en toegevoegde ambtenaren die toezicht houden op de naleving van de regelgeving op het gebied van de volkshuisvesting

Periode: 1962–

Grondslag: Woningwet 1962, art. 80, art. 105, lid 1, (Stb. 1962, 287) art. 95, Woningwet 1992, art. 114 (Stb. 1991, 493) Organisatiebesluit, art. 14, lid 1 (Stb. 1965, 329)

Bron:

Product: Product: Beschikking aanwijzing van functionarissen krachtens artikel 105, lid 1 Woningwet (Stcrt. 1964, 164)

Opmerking: Het aanwijzen van een toegevoegde ambtenaar die als adjunct-inspecteur fungeert (art. 24, lid 1, Organisatiebesluit volkshuisvesting (Stb. 1990, 384)

het aanwijzen van inspecteurs in algemene dienst en de waarnemend inspecteur-generaal van de Volkshuisvesting art. 13, lid 1, Organisatiebesluit (Stb. 1965, 329)

Waardering: V, 10 jaar na pensionering

349

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan lagere overheden inzake de organisatie van het bouw- en woningtoezicht

Periode: 1950–1965

Grondslag: Wederopbouwwet 1950, art. 18, 19 Woningwet, art. 13

Bron:

Product:

Opmerking: Een en ander betreft de opzet van gemeenschappelijke regelingen of het integreren van toezichtsorganen: het aanwijzen van gemeenten die gemeenschappelijk het toezicht op voorschriften en andere wettelijke bepalingen inzake de volkshuisvesting moeten regelen (art. 13, lid 2 en 3 Woningwet 1901, Stb. 1952, 362) en het opdragen van de leiding van het gemeenschappelijk toezicht aan één gemeente. Deze handeling wordt verricht indien gemeenten vrijwillig tot een overeenkomst inzake het gemeenschappelijk toezicht komen (art. 13, lid 5, Woningwet 1901 (Stb. 1952, 362)

Waardering: B 4

350

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van (nadere) regels omtrent het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving op het terrein van de volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag: Toelatingsbesluit volkshuisvesting, art. 11, lid 4, (Stb. 1965, 330), Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, art. 32, lid 3 (Stb. 1976, 469)

Bron:

Product: Circulaires

Opmerking:

Waardering: B 5

351

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het ontwikkelen van onderzoeksmethoden voor inspectiedoeleinden

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting in goud, p. 145

Product: Onderzoeksmethoden

Opmerking:

Waardering: B 1

13.1.2. Bouwtechnische regelgeving

13.1.2.1. Kaderstellend

353

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van (nadere) regels inzake bouwtechnische voorschriften en bouwmateriaal overeenkomstig het Bouwbesluit

Periode: 1992–

Grondslag: Bouwbesluit art. 33, art. 34, art. 330, lid 2, art. 415, art. 416 (Stb. 1991, 680)

Bron:

Product: Regeling bouwbesluit constructieve veiligheid en gebruiksveiligheid (Stcrt. 1992, 108), Circulaire inzake de wijzigingen van enige uitvoeringsregelingen Bouwbesluit (MG 94-04); publicatie: Wenken en voorschriften voor het ontwerpen van woningen, 1965

Opmerking: Het aangeven van belastingcombinaties inzake bouwconstructies; het aanwijzen van de geldende normpublicatie; het opstellen van voorschriften inzake de toepassing van een NEN-EN

Waardering: B 5

354

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van regels inzake merktekens voor kwaliteitsverklaringen voor goed of aan de normen voldoend bouwmateriaal

Periode: 1991–

Grondslag: Woningwet 1992, art. 1, onder j

Bron:

Product: Regeling Bouwbesluit EG-Merkteken (CE-markering) en erkende kwaliteitsverklaringen (Stcrt. 1992, 104/Stcrt. 1994, 44)

Opmerking: Hierbij is ook inbegrepen: het opstellen van voorschriften omtrent het gebruik van EG-merktekens (als bedoeld in de EG-richtlijn bouwproducten) en het aanwijzen van een onafhankelijk instituut dat kwaliteitsverklaringen afgeeft op grond waarvan bouwmateriaal of een bouwdeel, wordt geacht te voldoen aan door de Minister van Volkshuisvesting of de Europese Unie gestelde eisen

Waardering: B 5

355

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van het jaarlijkse overzicht van publiekrechtelijk erkende kwaliteitsverklaringen van de Stichting Bouwkwaliteit

Periode: 1992–

Grondslag:

Bron: Structuurschets Bestuursdienst, p. 43

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

13.1.2.2. Uitvoerend: ontheffing van algemene rijksvoorschriften

356

Actor: Minister voor Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het verlenen van vrijstelling van in het Besluit Uniforme Bouwvoorschriften vastgestelde technische voorschriften

Periode: 1956–1960

Grondslag: Besluit Uniforme Bouwvoorschriften, art. 12 (Stb. 1956, 321)

Bron:

Product: Vrijstelling

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

358

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het – in bijzondere gevallen – verlenen van een vrijstelling aan bij het Bouwbesluit vastgestelde technische voorschriften omtrent het bouwen van woningen, woonwagens, woonketen en andere gebouwen

Periode: 1992–

Grondslag: Woningwet 1992, art. 7, lid 1 (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product: Vrijstelling

Opmerking:

Waardering: B 5

359

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden van een koninklijk besluit krachtens hetwelk de Woningwet 1962/1992 niet van toepassing is op een in dat besluit aan te wijzen werk dat wordt uitgevoerd ten behoeve van de landsverdediging

Periode: 1965–

Grondslag: Woningwet 1962, art. 102, lid 2 (Stb. 1962, 287)/Woningwet 1992, art. 116, lid 2 (Stb. 1991, 493)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

13.2. Uitoefening van het toezicht

13.2.1. Gemeentelijke bouwverordeningen

360

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van circulaires inzake gemeentelijke bouwverordeningen

Periode: 1992–

Grondslag:

Bron:

Product: Circulaire inzake beeldkwaliteit en juridische inkadering (MG 94-30)

Opmerking: Deze circulaires hebben geen betrekking op technische voorschriften

Waardering: B 5

367

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beslissen in een beroep, ingesteld door belanghebbenden tegen een besluit van Gedeputeerde Staten, met betrekking tot bouwvoorschriften

Periode: 1945–1992

Grondslag: Woningwet 1901,art. 11, lid 3, 35, lid 6, 43, a. lid 3, (Stb. 1952, 362)/Woningwet 1962, art. 18 (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product: Beslissing in beroepszaak

Opmerking:

Waardering: B 5

369

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van door Gedeputeerde Staten opgestelde of gewijzigde gemeentelijke bouwvoorschriften

Periode: 1945–1992

Grondslag: Woningwet 1901, art. 12, lid 4 en lid 9, (Stb. 1952, 362)/Woningwet 1962, art. 22, lid 1 (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking: Gedeputeerde Staten treedt hierbij in de plaats van de gemeenteraad

Waardering: B 5

13.2.2. Controle op het gemeentelijk woningtoezicht

378

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting/van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het goedkeuren van besluiten die Gedeputeerde Staten wil nemen ten aanzien van gemeenten die het toezicht op voorschriften en andere wettelijke bepalingen betreffende de volkshuisvesting niet naar behoren verrichten

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1901, art. 14, lid 2 (Stb. 1952, 362)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

379

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het voorschrijven van voorzieningen – aan gemeenten die in meer dan een provincie liggen – indien een gemeente het toezicht op voorschriften en andere wettelijke bepalingen betreffende de volkshuisvesting niet naar behoren verricht

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1901, art. 14 lid 1 (Stb. 1952, 362)

Bron:

Product:

Opmerking: De voorzieningen kunnen betrekking hebben op het benoemen of ontslaan van ambtenaren, het vaststellen van instructies

Waardering: V, 5 jaar

380

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beslissen in een beroep – van een gemeenteraad tegen Gedeputeerde Staten – naar aanleiding van het opleggen, door Gedeputeerde Staten, van verplichtingen aan een gemeenteraad die niet naar behoren functioneert op het terrein van het gemeentelijk woning- en bouwtoezicht en eventueel naar aanleiding van het in de plaats treden van de gemeenteraad door Gedeputeerde Staten

Periode: 1965–1992

Grondslag: Woningwet 1962, art. 88 (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

13.2.3. Gemeentelijke bouwvergunningen

384

Actor: Minister van OpenbareWerken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het verlengen van de termijn waarin niet voor blijvende bestemming opgerichte woningen of inrichtingen – zoals een loods of tent –, mogen worden bewoond

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1952, art. 74, lid 1 (Stb. 1952, 362)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na einde termijn

385

Actor: Minister van OpenbareWerken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het op aanvraag geven van toestemming aan een gemeentebestuur om aan een woning of inrichting – die na verloop van een door de minister bepaalde termijn niet meer mag worden bewoond – een andere bestemming te geven

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1901, art. 74, lid 1 (Stb. 1952, 362)

Bron:

Product:

Opmerking: Het intrekken of wijzigen van de toestemming maakt deel uit van deze handeling (art. 74, lid 2, Ww, 1901)

Waardering: V, 10 jaar

387

Actor: Minister van OpenbareWerken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het in het belang van de woningbouw goedkeuren van bouwconstructies

Periode: 1945–1965

Grondslag: Wederopbouwwet 1950, art. 20, lid 2, XL, Woningwet 1962, art. 13

Bron: Volkshuisvesting in goud, p. 171

Product:

Opmerking: Op grond van dit oordeel van de minister kunnen (verouderde) gemeentelijke bouwvoorschriften/bouwverordeningen omzeild worden met als doel dat goedkopere en efficiëntere bouwsystemen kunnen worden ingevoerd zonder dat het risico wordt gelopen dat een bouwvergunning wordt geweigerd

Waardering: B 5

389

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van een besluit van Burgemeester en Wethouders om af te wijken van de voorschriften inzake het bouwen van schuilplaatsen bij woningen

Periode: 1955–

Grondslag: Besluit schuilplaatsen bij woningen, art. 14 (Stb. 1968, 391)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

13.2.4. Gemeentelijke vergunningen ten aanzien van monumenten

392

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beschikken op bezwaren van de minister belast met Cultuurbeleid, tegen een gemeentelijke bouwvergunning voor monumentale gebouwen

Periode: 1961–1992

Grondslag: Woningwet 1901, art. 6a (Stb. 1961, 200)/art. 50, lid 9, Woningwet 1962 (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking: Deze beschikking kan leiden tot vernietiging van het besluit

Waardering: B 5

13.2.5. Uitoefening van het voorkeursrecht in stadsvernieuwingsgebieden

395

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij AMVB stellen van nadere regels over de uitoefening van het voorkeursrecht door gemeenten

Periode: 1981–

Grondslag: Wet voorkeursrecht gemeenten, art. 28

Bron:

Product: Besluit voorkeursrecht gemeenten, 1984 (Stb 543)

Opmerking:

Waardering: B 5

398

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden van een KB, houdende aanwijzing van percelen als vallend onder het voorkeursrecht van het Rijk

Periode: 1984–1992

Grondslag: Wet voorkeursrecht gemeenten, art. 8

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

400

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het namens de Kroon beschikken in beroep tegen een beschikking van GS inzake ontheffing van eigenaren van de verplichting tot verkoop van hun onroerende goederen aan de gemeente, die gebruik maakt van zijn voorkeursrecht

Periode: 1981–1993

Grondslag: Wet voorkeursrecht gemeententen, art. 15, lid 4

Bron:

Product:

Opmerking: De wetsbepaling is herzien, omdat de Raad van State deze beschikkingsbevoegdheid toegewezen heeft gekregen

Waardering: V, 20 jaar

13.2.5. Advisering bij onbewoonbaarverklaringen

405

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het (doen) beschikken inzake een beroep op de Kroon tegen het onbewoonbaar verklaren van een woning

Periode: 1945–1975

Grondslag: Woningwet 1901, art. 26, lid 6, (Stb. 1952, 362)

Bron:

Product: KB tot vernietiging van het besluit van Gedeputeerde Staten van Friesland van 7 december 1965, afd. 1, nr. 3160, ter zake van een onbewoonbaarverklaring

Opmerking:

Waardering: B 5

14. Woonwagens en woonschepen

14.1. Vergunningen tot het gebruik van woonwagens en woonschepen

408

Actor: Mnister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beslissen op een beroep, aangespannen door de aanvrager van een vergunning tot gebruik van een woonschip of woonwagen, tegen een besluit tot weigering of intrekking van die vergunning

Periode: 1945–1991

Grondslag: Wet op Woonwagens en Woonschepen, art. 15

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

409

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in een algemeen register aantekenen van kennisgevingen door de Commissaris van de Koningin inzake vergunningen tot gebruik van woonschepen en woonwagens

Periode: 1945–1991

Grondslag: Wet op Woonwagens en Woonschepen, art. 18, 19

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft hier kennisgevingen van: de inlevering door gewezen vergunninghouders van ingetrokken en verlopen vergunningen; besluiten tot het verlenen, weigeren of intrekken van een vergunning; de overgang van een dergelijke vergunning aan erfgenamen;veroordelingen van een bewoner van een woonwagen of woonschip voor een strafbaar feit

Waardering: V, 20 jaar

14.1.2. Krachtens de Woonwagenwet

412

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het registreren van afschriften van alle door Gedeputeerde Staten genomen beschikkingen inzake de bewoning, ontruiming, sluiting en sloop van woonwagens

Periode: 1970–1991

Grondslag: Woonwagenwet, art. 31a

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

414

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het registreren van de door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing van verplicht verblijf in woonwagencentra

Periode: 1970–1999

Grondslag: Besluit woonwagencentra, art. 19, (Stb. 1970, 152)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

14.2. Aanwijzing van standplaatsen van woonwagens

14.2.1. Krachtens de Wet op de Woonwagens en Woonschepen, vanaf 1957

415

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beslissen op een beroep van gemeenten tegen de weigering van GS om een gemeentelijke regeling voor de opzet van standplaatsen voor woonwagens goed te keuren

Periode: 1957–1999

Grondslag: Wet op Woonwagens en Woonschepen, art. 31

Bron:

Product:

Opmerking: Elk van de bij de regeling betrokken gemeenteraden kan tegen de weigering in beroep komen. Het betreft hier gemeenschappelijke regelingen, vaststelling van het maximum aantal woonwagens

Waardering: B 5

416

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het al of niet goedkeuren van een gemeenschappelijke gemeentelijke regeling voor de opzet van standplaatsen voor woonwagens

Periode: 1957–1999

Grondslag: Wet op Woonwagens en Woonschepen, art. 31

Bron:

Product:

Opmerking: Het al of niet goedkeuren van een gemeenschappelijke gemeentelijke regeling voor de opzet van standplaatsen voor woonwagens in een gebied dat de provinciegrenzen overschreidt

Waardering: B 5

417

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van een maximum aantal toelaatbare woonwagens op gemeentelijk grondgebied

Periode: 1962–1999

Grondslag: Wet op Woonwagens en Woonschepen, art. 31a

Bron:

Product: Beschikking

Opmerking: De vaststelling gebeurt op verzoek van een gemeenteraad, dan wel van de gemeenteraden die een gemeenschappelijke regeling tot aanwijzing van standplaatsen voor woonwagens hebben aangegaan, of van het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, gevormd door die samenwerkende gemeenten

Waardering: B 5

14.2.2. Krachtens de Woonwagenwet

14.2.2.1. Goedkeuring regionale woonwagencentra en ontheffingen

419

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het al dan niet goedkeuren van een gemeenschappelijke gemeentelijke regeling tot instandhouding van een woonwagencentrum

Periode: 1970–1999

Grondslag: Woonwagenwet, art. 2, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking: De goedkeuring kan ook de wijziging, verlenging of opheffing van de regeling betreffen, alsmede de toetreding en uittreding van gemeenten

De Minister van Volkshuisvesting verleent de goedkeuring als de gemeentelijke regeling de provinciegrens overschrijdt

Waardering: B 5

425

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM):

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren voor overleg met de gemeente ter zake van de uitvoering van de bepalingen van het Besluit woonwagencentra

Periode: 1970–1999

Grondslag: Besluit woonwagencentra, art. 16 (Stb. 1970, 152)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na einde functie

426

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toetsen van een door de gemeente of samenwerkende gemeenten voorgelegd plan inzake te treffen voorzieningen ingevolge het Besluit woonwagencentra

Periode: 1970–1974

Grondslag: Besluit woonwagencentra, art. 17,lid 1 (Stb. 1970, 152)

Bron:

Product:

Opmerking: Dergelijke plannen hadden betrekking op woonwagencentra die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Besluit woonwagencentra reeds bestonden en als zodanig in gebruik waren

Waardering: V, 5 jaar

427

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van nadere richtlijnen ten aanzien van in het Besluit woonwagencentra geregelde onderwerpen

Periode: 1970–1999

Grondslag: Besluit woonwagencentra, art. 20 (Stb. 1970, 152)

Bron:

Product: Beschikking tot vaststelling van de modellen bedoeld in de artikelen 5, 8 en 9, derde lid, van het Woonwagenreglement (Stcrt. 1971, 20). Het betreft hier het model van het formulier voor het aanvragen van een vergunning tot het bewonen van een woonwagen, het model van het schouwrapport, en het model van het bord door middel waarvan de woonwagen wordt voorzien van een kenmerk

Opmerking: Zulks geschiedt in het belang van een goede uitvoering van dit besluit

Waardering: B 5

435

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beslissen op een beroep tegen een besluit van Gedeputeerde Staten op grond van de Woonwagenwet

Periode: 1970–1999

Grondslag: Woonwagenwet, art. 6; 7, lid 5; 20, lid 1; 27, lid 1

Bron:

Product: Hierbij is inbegrepen: het treffen van een voorziening, ook indien Gedeputeerde Staten niet (tijdig) een besluit hebben genomen

Opmerking: Belanghebbenden kunnen zijn: de gemeenteraad, de aanvrager van een vergunning tot bewoning van een woonwagen, de hoofdbewoner van een woonwagen. Een besluit van Gedeputeerde Staten kan zijn: – de onthouding van goedkeuring aan de door de gemeenteraad bepaalde maximumcapaciteit van een openbaar woonwagencentrum; het besluit dat de gemeente op haar grondgebied meer dan één openbaar woonwagencentrum in stand moet houden; – de weigering of intrekking van een door de gemeente gevraagde vrijstelling van de verplichting op haar grondgebied een openbaar woonwagencentrum in stand te houden; – de weigering of intrekking van een door de gemeente gevraagde ontheffing van de eis dat zich in of in de onmiddellijke nabijheid van een openbaar woonwagencentrum een centrumgebouw moet bevinden; – de weigering of intrekking van een vergunning tot bewoning van een woonwagen

Waardering: B 5

436

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het registreren van de door Gedeputeerde Staten genomen beslissing op een beroepen van woonwagenbewoner, tegen beschikkingen van B en W bij ontheffingsaanvragen van woonwagenbewoners

Periode: 1977–1999

Grondslag: Woonwagenwet, art. 10a, lid 7

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

14.2.2.2. Woonwagenplannen

441

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het registreren van besluiten tot vaststelling, herziening of intrekking van een woonwagenplan

Periode: 1977–

Grondslag: Woonwagenwet, art. 4a, lid 8

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

442

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opleggen van de verplichting aan Provinciale Staten een woonwagenplan vast te stellen of te herzien

Periode: 1977–

Grondslag: Woonwagenwet, art. 4a, lid 9

Bron:

Product:

Opmerking: Hierbij wordt door de Minister van Volkshuisvesting een bepaalde termijn gesteld. De minister stelt zelf een woonwagenplan vast, indien Provinciale Staten in gebreke blijft

Waardering: B 5

14.3. Geldelijke steun

14.3.1. Kaderstellend

443

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van regelingen voor geldelijke steun aan gemeenten voor gezamenlijke voorzieningen ten behoeve van woonwagenbewoners

Periode: 1970–

Grondslag: Woonwagenwet; art. 13, lid 1

Bron:

Product: Besluit werk en kosten woonwagencentra (Stb. 1970, 1952)

Uitvoeringsbesluit werk en kosten woonwagencentra (Stcrt. 1982, 26)

Tijdelijke rijksbijdrageregeling standplaatsen buiten een openbaar centrum voor woonwagens (Stcrt 1976, 144)

Tijdelijke voorzieningen woonwagenstandplaatsen. 1980

Opmerking: Na 1991 worden deze voorzieningen getroffen in het kader van de Woningwet

Waardering: B 1

444

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van nadere regels met betrekking tot het geven van steun aan bewoners van woonwagens

Periode: 1970–1991

Grondslag: Besluit werk en kosten woonwagencentra, art. 21; Wet geldelijke steun woonwagens, art. 2, lid 1

Bron:

Product: Circulaire Inrichting en financiering standplaatsen van woonwagens, 10 januari 1981. Circulaire Aanvraag voorlopige rijksbijdrage 1981 in de financiering van standplaatsen, 30 oktober 1981

Opmerking:

Waardering: B 5

445

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlenen van ontheffing van de nakoming van de bepalingen van het Besluit werk en kosten woonwagencentra

Periode: 1970–1991

Grondslag: Besluit werk en kosten woonwagencentra, art. 44

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

14.3.2. Uitvoerend

446

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlenen aan gemeenten van bijdragen in voorzieningen voor woonwagenbewoners

Periode: 1970–1991

Grondslag: Besluit werk en kosten woonwagencentra, art. 13, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

447

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het terugvorderen aan gemeenten van voorschotten in het kader van de bijdrageregeling voor de stichting, uitbreiding, verbetering en exploitatie van openbare woonwagencentra

Periode: 1970–1991

Grondslag: Besluit werk en kosten woonwagencentra, art. 31

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

450

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het registreren van jaarverslagen in het kader van de bijdrage-regeling voor de stichting, uitbreiding, verbetering en exploitatie van openbare woonwagencentra

Periode: 1970–1991

Grondslag: Besluit werk en kosten woonwagencentra, art. 40

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft verslagen der werkzaamheden door gemeenten en instellingsverslagen

Waardering: V, 10 jaar

451

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het van een gemeente in eigendom ontvangen van die gebouwen, terreinen of roerende zaken van woonwagencentra, die geheel of gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken of vervreemd zijn

Periode: 1970–1991

Grondslag: Besluit werk en kosten woonwagencentra, art. 41, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking: Wanneer gebouwen, terreinen of roerende zaken ten behoeve waarvan door de gemeente een bijdrage in de stichtingskosten of inrichtingskosten is genoten of in welker afschrijving een vergoeding werd ontvangen, geheel of gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken of vervreemd, is de gemeente hiervoor aan het Rijk een door de minister vast te stellen bedrag verschuldigd. In plaats van dit bedrag te betalen kan de gemeente binnen een bepaalde termijn de eigendom van genoemde gebouwen e.d. aan het Rijk overdragen. Daarbij verrekent het Rijk het verschil tussen de waarde van die gebouwen met de genoten bijdrage overeenkomstig de subsidieregeling

Waardering: V, 5 jaar na overdracht aan Domeinen

452

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van een door een gemeente genoten bijdrage

Periode: 1970–1991

Grondslag: Besluit werk en kosten woonwagencentra, art. 43, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: Dit kan het geval zijn wanneer een gemeente onjuiste inlichtingen heeft verstrekt of als zij de voorwaarden waaronder de bijdrage is verleend niet zijn nagekomen. Tegen deze terugvordering is beroep mogelijk bij de kroon

Waardering: V, 6 jaar

14.3.3. Subsidie ten behoeve van individuele woonwagenbewoners

14.3.3.1. Kaderstellend

453

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en evalueren van subsidie- en financieringsregelingen voor woonwagenbewoners

Periode: 1980–

Grondslag: Wet geldelijke steun woonwagens, art. 2

Bron:

Product: Regeling geldelijke steun voor woonwagens (Stcrt. 1981, 1989, 211; 1992, 203); Regeling geldelijke steun ontheffing krotstandplaatsen 1992

Opmerking: Het evalueren van subsidie- en financieringsregelingen inzake hun doelmatigheid maakt deel uit van deze handeling

Waardering: B 5

454

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (periodiek) stellen van nadere regels (circulaires) inzake de financiering en subsidiëring van woonwagens

Periode: 1980–1993

Grondslag: Wet geldelijke steun woonwagens, art. 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

14.3.3.2. Uitvoerend

455

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks uitkeren van subsidies aan woonwagenbewoners

Periode: 1981–1993

Grondslag: Wet geldelijke steun woonwagens, art. 7

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

456

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aan gemeenten toekennen van geldelijke steun voor voorzieningen aan woonwagens

Periode: 1981–1993

Grondslag: Regeling geldelijke steun voor woonwagens

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

15. Distributie van de woningvoorraad

15.1. Toezicht op gemeentelijke regelgeving

15.1.1. Kaderstellend

458

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het registreren van door Gedeputeerde Staten toegezonden richtlijnen voor gemeentelijke verordeningen over de verdeling, onttrekking en splitsing van woonruimte, alsmede van aanwijzingen ter verwezenlijking van die richtlijnen

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingswet, art. 63, lid 1; art. 65, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

459

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het aanwijzen van adviesinstanties op gebied van experimenten in het belang van een evenredige en evenwichtige woonruimteverdeling

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingsbesluit, art. 15, lid 3

Bron:

Product: Aanwijzing Stuurgroep/Stichting Experimenten Volkshuisvesting

Opmerking: Deze instantie is verplicht te adviseren op aanvragen tot afwijking van in het huisvestingsbesluit gestelde regels

Waardering: B 4

460

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting/Volkshuisvesting en Bouwnijverheid/Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het voor gemeenten geheel of gedeeltelijk, dan wel voor bij KB aan te wijzen categorieën van woningen, buiten toepassing te verklaren van de Woonruimtewet 1947 (‘vrije sector’)

Periode: 1947–1974

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 31, lid 1–2

Bron:

Product: Besluit liberalisatie woonruimtebeleid

Opmerking: Deze van toepassing verklaring kan aan een termijn worden gebonden. Later zijn er ook verklaringen herroepen

Waardering: B 5

15.1.2. Uitvoerend

461

Actor: Minister van Volkshuisvesting, RuimtelijkeOrdening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toetsen van gemeentelijke regels op het gebied van woonvergunningen

Periode: 1947–

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 4, lid 4

Bron:

Product:

Opmerking: De gemeente is verplicht onmiddellijk regels hiervoor op te stellen. Dit betreft zowel de regels die onmiddellijk in 1947 zijn opgesteld als naderhand gewijzigde regels

Waardering: V, 5 jaar

462

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden van een bij KB vast te stellen goedkeuringsbeschikking van een gemeenschappelijke huisvestingsverordening van gemeenten die in meer dan één provincie liggen

Periode: 1947–

Grondslag: Woonruimtewet, art. 29, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

465

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan gemeentebesturen ter verbetering van de woningdistributie

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingswet, art. 67

Bron:

Product: Aanwijzing voor woningreservering voor erkende vluchtelingen of voor asielzoekersopvang

Opmerking:

Waardering: B 5

15.1.3. Vorderingen en verdelingen door de gemeente

15.1.3.1. Kaderstellend

472

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het doen beschikken op een door een gemeenteraad of een gemeenschappelijk orgaan ingesteld beroep tegen besluiten van Gedeputeerde Staten of een ministeriële aanwijzing

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingswet, art. 71, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

473

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij ministeriële regeling wijzigen van de grenzen van huurprijs of jaarinkomen waarboven geen voorrang wordt gegeven bij de toewijzing van de goedkopere woningen

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingsbesluit, art. 8, lid 4

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

474

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op verzoek van belanghebbenden toestaan van experimenten op het gebied van de verdeling van de woonruimte ter afwijking van regels van het Huisvestingsbesluit

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingsbesluit, art. 15, lid 1–2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

476

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van een vijfjaarlijks verslag ten behoeve van de Staten-Generaal over de wijze waarop de Huisvestingswet is toegepast

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingswet, art. 80

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 3

15.1.4. Subsidies en vergoedingen

478

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting/Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor woonruimtevordering en schadeloosstelling

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

479

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting/Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor samenwerkingsorganen op het gebied van vrijwillige woningruil

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking: Een voorbeeld is de Stichting Interlocale Woningruilcentrale

Waardering: V, 6 jaar

15.1.5. Sloopverbod en onttrekking aan de woonbestemming

482

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het door de Kroon doen bepalen dat het zonder toestemming van burgemeester en wethouders in een gemeente, verboden is om een woning te onttrekken aan de woonbestemming

Periode: 1952–1993

Grondslag: Woningwet 1901, art. 33, lid 1, (Stb. 1952, 362); Woningwet 1962, art. 56, lid 1, (Stb. 1962, 287), Woningwet 1992, art. 124, (Stb. 1991, 493)

Bron:

Product: Bij koninklijk besluit aangewezen gemeente Tilburg als bedoeld in artikel 56, lid 1, Woningwet (Stcrt, 1976, 118)

Opmerking:

Waardering: B 5

483

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beslissen in een beroep tegen een besluit van burgemeester en wethouders inzake de onttrekking van een woning aan de woonbestemming

Periode: 1952–1965

Grondslag: Woningwet 1901, art. 33, lid 2, (Stb. 1952, 362)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 20 jaar

15.1.6. Aanwijzing van urgente woningzoekenden door het rijk

489

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in bijzondere omstandigheden bij ministeriële regeling aanwijzen van categorieën woningzoekenden

Periode: 1993–

Grondslag: Huisvestingswet, art. 68, lid 3

Bron:

Product: Tijdelijke regeling, houdende de aanwijzing van vluchtelingen als woningzoekenden (Stcrt 1993, 137)

Opmerking: Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake wanneer snel gehandeld moet worden bij een plotselinge toestroom van vluchtelingen of repatrianten of bij grote verplaatsingsoperaties van rijksambtenaren. Een hier bedoelde regeling geldt voor een periode van ten hoogste twee jaar. De minister kan op grond van deze regeling ook nadere aanwijzingen geven aan een gemeentebestuur. In normale omstandigheden kan de Minister van VROM gebruik maken van het contingent rijksvoorkeurswoningen in het kader van de Woningwet

Waardering: B 5

15.1.7. Vrijstellingen van gemeenten inzake woningsplitsing

490

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij koninklijk besluit aanwijzen van gemeenten of gedeelte van gemeenten waar het zonder vergunning van burgemeester en wethouders verboden is een gebouw te splitsen in appartementen

Periode: 1974–1993

Grondslag: Woningwet 1962, art. 56a, lid 1, (Stb. 1974, 526/Stb. 1985, 575)/, Woningwet 1992, art. 124 (Stb. 1991, 493)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

493

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het registreren van de (wijzigingen van de) splitsingsverordening opgesteld door burgemeester en wethouders

Periode: 1974–

Grondslag: Woningwet 1962, art. 56d, lid 3, (Stb. 1974, 526/Stb. 1985, 575), Woningwet 1992, art. 124 (Stb. 1991, 493)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

15.1.8. Toewijzing rijksvoorkeurswoningen

15.1.8.1. Kaderstellend:

494

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van (nadere regels) met betrekking tot het aanwijzen en huisvesten van voorkeursgroepen

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Circulaire inzake de Regeling rijksvoorkeurswoningen (MG 93-21); Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989

Opmerking:

Waardering: B 5

495

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het eventueel op advies van de Minister van VWS aanwijzen van groepen van de bevolking die voor toewijzing van een rijksvoorkeurswoning in aanmerking kunnen komen

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit geldelijk steun volkshuisvesting, art. 6, lid 5, onder c. (Stb. 1965, 589)/Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, art. 1, onder d, art. 2, lid 2, (Stcrt. 1988, 253) e.a

Bron:

Product: Het ter bespreking stellen van een dergelijke aanwijzing van voorkeursgroepen maakt deel uit van deze handeling. Bijvoorbeeld: aanwijzing rijksambtenarenaanwijzing vluchtelingen

Opmerking:

Waardering: B 5

15.1.8.2. Uitvoerend

497

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in overeenstemming met de Minister van VWS sluiten van een bestuurs-overeenkomst over het toewijzen van rijksvoorkeurswoningen aan voorkeurs-gerechtigden

Periode: 1945–

Grondslag: Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, art. 14, lid 1 en 2 (Stcrt. 1988, 253),

In werkingtreding 1993. (Stcrt. 1993, 115)

Bron:

Product: Overeenkomst met het VNG inzake de huisvesting van vluchtelingen

Opmerking: Rijksvoorkeurswoningen kunnen ook worden toegewezen aan migranten met status en vluchtelingen

Waardering: B 5

499

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vergoeden van huurderving die is ontstaan ten gevolge van het leegstaan van rijksvoorkeurswoningen

Periode: 1989–

Grondslag: Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, art. 15, lid 1 (Stcrt. 1988, 253)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

500

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het van toepassing verklaren van artikelen inzake voorkeurgerechtigden (art. 3, 11, 14 en 14 Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989) ten aanzien van gemeenten die naar het oordeel van de minister niet of onvoldoende zorg dragen voor de huisvesting van vluchtelingen

Periode: 1989–

Grondslag: Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, art. 16a, lid 2 (Stcrt. 1988, 253)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

501

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het terugvorderen van vergoedingen welke zijn gegeven aan de eigenaren van rijksvoorkeurswoningen wegens leegstand

Periode: 1989–

Grondslag: Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, art. 15, lid 2, (Stcrt. 1988, 253)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

643

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het afhandelen van de administratie van verzoeken tot het afvoeren of plaatsen van personen op de gemeentelijke speciale lijst Rijksvoorkeurswoningen

Periode: 1989–

Grondslag: Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, art. 15, lid 2, (Stcrt. 1988, 253); Wijziging regeling 1989 (Stcrt.1993, 115) art. 2

Bron:

Product: Voorradadministratie van plaatsingsverzoeken

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

16. Huurbeleid

16.1. Huurprijsregulering

16.1.1. Kaderstellend

502

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Handeling: Het aanwijzen van prijzenbureau’s voor onroerende zaken

Periode: 1945–1955

Grondslag: Huurprijsuitvoeringsbesluit 1941

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

503

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van normen voor berekening van huurprijzen en andere woonlasten die door toegelaten instellingen moeten worden opgelegd

Periode: 1979–

Grondslag: Huurprijzenwet Woonruimte, art. 19

Bron:

Product: Rapport Van service naar kosten door de Werkgroep Servicekosten. 1984

Opmerking:

Waardering: B 5

504

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van modelformulieren op grond waarvan wijzigingen van de huurprijs dienen te worden aangezegd

Periode: 1979–

Grondslag: Huurprijzenwet Woonruimte, art. 19, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na vervallen of wijziging

16.1.2. Uitvoerend

505

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het bij beschikking vaststellen van huurprijzen in bijzondere gevallen voor bepaalde gebouwen

Periode: 1950–1979

Grondslag: Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH) oud, art. 17, BBH, art. 18

Bron:

Product:

Opmerking: Deze bevoegdheid kan betrekking hebben op afwijkingen in huurprijzen van vergelijkbare onroerende goederen

Waardering: B 5

506

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het bij beschikking verklaren dat een woning ongeschikt is voor bewoning voor de vastgestelde huur

Periode: 1955–1979

Grondslag: Huurwet, art. 5.2

Bron:

Product:

Opmerking: De minister gaf in eerste instantie een verklaring dat hij het verzoek van de aanvrager al dan niet in overweging neemt. Indien hij het verzoek in overweging neemt, treft hij een uiteindelijke beschikking, die veelal huurverlaging inhoudt

Waardering: V, 20 jaar

507

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het bepalen van de huurprijs van door de minister gefinancierde en gesubsidieerde woningen

Periode: 1950–1979

Grondslag: Huurwet, art. 2, lid 2; Woningwet, art. 59–60; Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting, art. 14, (Stb. 1976, 469)

Bron:

Product:

Opmerking: Blijkens art. 3 van de Huurwet vanaf 1957 heeft dit ook betrekking op verhogingen in verband met wijzigingen van de huurwet. Deze handeling wordt soms verricht in combinatie met beschikkingen inzake aanvullende subsidies met betrekking tot de vastgestelde huur

Waardering: V, 5 jaar

508

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bepalen van de aanvangshuurprijs van door de minister gefinancierde of gesubsidieerde woningen

Periode: 1979–1996

Grondslag: Huurprijzenwet woonruimte, art. 8

Bron:

Product: Beschikking geldelijke steun huurwoningen

Opmerking: De minister heeft de bevoegdheid de aanvangshuurprijs vast te stellen van een door hemzelf gefinancierde of gesubisidieerde woning. De eerste vijf jaar zal de huur moeten worden verhoogd met het door de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangegeven percentage

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur van de huurregeling

509

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op aanvrage van woningcorporaties en toegelaten instellingen beschikken dat van vastgestelde huurverhoningspercentages mag worden afgeweken

Periode: 1979–1996

Grondslag: Regeling huursom sociale-huursector, art. 2 (Stcrt. 1994, 100)

Bron:

Product:

Opmerking: De reden voor deze uitzondering berust op de vraag in hoeverre het verhuren van de woongelegenheden, in verband met de samenstelling van het woningbezit van een toegelaten instelling, ernstig bemoeilijkt wordt

Waardering: B 5

510

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in bijzondere gevallen wijzigen van overeengekomen huurprijzen

Periode: 1979–

Grondslag: Huurprijzenwet woonruimte, art. 16

Bron:

Product:

Opmerking: De minister kan in uitzonderingsgevallen eigenmachtig beslissen over de rechtmatigheid van een huurprijs. Gewoonlijk wordt dit geschil door een huur(advies)commissie opgelost. De minister kan echter ingrijpen indien er bij de vaststelling van een huurprijs sprake is van onredelijke bevoordeling of benadeling

Waardering: B 5

511

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het jaarlijks verslag afleggen over de huurprijzen aan de Staten-Generaal

Periode: 1979–

Grondslag: Huurprijzenwet Woonruimte, art. 38–39

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 3

512

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij ministeriële regeling vaststellen van de huurprijs voor het gebruik van een woonwagenstandplaats

Periode: 1992–1996

Grondslag: Besluit huurprijzen standplaatsen voor woonwagens, art. 2, (Stb. 1992, 268)

Bron:

Product:

Opmerking: Jaarlijks worden – met toepassing van de Regeling huurprijzen standplaatsen voor woonwagens – de huurprijzen van woonwagenstandplaatsen vastgesteld volgens een in het Besluit huurprijzen standplaatsen voor woonwagens opgenomen methodiek. Deze methodiek is analoog aan de Huurprijzenwet woonruimte houdt in dat de huren jaarlijks worden verhoogd met het trendmatige percentage met daar bovenop een correctiebedrag in verband met de structurele achterstand van de standplaats-huren en gecorrigeerd met een verouderingsaftrek. Het correctiebedrag en de verouderingsaftrek worden jaarlijks ingevolge dit besluit bij ministeriële regeling bepaald. Het basisbedrag is vastgesteld aan de hand van de besluitvorming van de gemeente overeenkomstig de Woonwagenwet. Ook deze situatie wordt geliberaliseerd

Waardering: B 5

513

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij ministeriële regeling beperken of buiten toepassing stellen van de huurprijsverhoging voor het gebruik van een woonwagenstandplaats

Periode: 1992–1996

Grondslag: Besluit huurprijzen standplaatsen voor woonwagens, art. 3, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking: De in deze handeling bedoelde beperking of buiten toepassingstelling is een ouderdomsaftrek, bedoeld voor standplaatsen waarvan de kwaliteit in de loop van de exploitatie achteruit is gegaan

Waardering: B 5

16.2. Huursubsidie

16.2.1. Kaderstellend

514

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van regelingen voor tegemoetkoming in de huurkosten voor huurders met een lager inkomen

Periode: 1970–1991

Grondslag:

Bron:

Product: Beschikking aanvullende huursubsidie BAH, 1970, Beschikking geldelijke steun huurwoningen BGSH (Beschikking individuele huursubsidie)1975, Uitvoeringsregeling Individuele huursubsidie, Regeling huurgewenningsbijdrage

Opmerking: De regelingen zijn vervangen door de Wet Individuele Huursubsidie

Waardering: B 5

515

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van nadere aanwijzingen en instructies aan gemeenten voor de uitvoering van huursubsidieregelingen

Periode: 1986–

Grondslag: Wet individuele huursubsidie, art. 34–37

Bron:

Product: Handleiding voor de uitvoering van de Wet individuele huursubsidie door gemeenten en verhuurders voor de periode 1 juli 1995–1 juli 1996 (CR 27)

Opmerking: Hierbij is inbegrepen het doen van onderzoek ter evaluatie van de gegeven instructies

Waardering: B 5

16.2.2. Uitvoerend

516

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op aanvraag verstrekken van huurgewenningsbijdragen en huursubsidies

Periode: 1970–

Grondslag: Beschikking individuele huursubsidie 1975; Wet individuele huursubsidie, art. 2

Bron:

Product: Subsidie

Opmerking: Onder toekenning wordt verstaan: Het beoordelen van de aanvraag aan de hand van vastgestelde criteria; Het vaststellen van het te subsidiëren bedrag.aan de hand van vastgestelde tabellen; Het nader vaststellen als gevolg van door de wet voorziene gewijzigde situaties; Het uitbetalen en verrekenen van het bedrag; Het eventueel terugvorderen van onrechtmatig uitgekeerde bedragen

De aanvraag kan geschieden door de huurder of door de verhuurder; in het laatste geval wordt een deel van de vergoeding aan de verhuurder uitbetaald

Waardering: V, 6 jaar

517

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het treffen van van de huurtabellen afwijkende voorzieningen

Periode: 1950–

Grondslag: Huurwet 13 december 1950 (Stbl K 452),art3 Wet individuele huursubsidie, 1986, art. 9, Wijzigingwet individuele huursubsidie, 1989, art. I–VI (Stb 242)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

16.3. Huurbescherming, Huurcommissies

16.3.1. Kaderstellend

519

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bij AMVB vaststellen van nadere regels ten aanzien van Huurcommissies

Periode: 1950–

Grondslag: Huurwet 1950, art. 10, lid 2, (Stb. K452); Huurprijzenwet Woonruimte, art. 20, lid 5, art. 24

Bron:

Product: Besluit van 1950, Stb. K 579, houdende voorschriften huurcommissies. Besluit van 1981, Stb. 563, tot vaststelling van de vergoedingen van de leden en plaatsvervangende leden van Huurcommissies

Opmerking: Deze regels betreffen samenstelling, aantal leden, gebied, zetel en werkwijze, rechtspositie van de door de minister benoemde functionarissen, vereiste gegevens voor een aanvraag

Waardering: B 1

520

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het stellen van nadere richtlijnen ten aanzien van Huurcommissies

Periode: 1950–

Grondslag: Huurcommissiebesluit, art. 4, Huurwet 1955–1960, art. 8, lid 5

Bron:

Product: Beschikking van 26 augustus 1955, Brochure Huurprijzen en onderhoud van woningen en bedrijven. Nader opgestelde puntensystemen met circulaires over de toepassing daarvan. Regelingen inzake standplaatsen, roosters van vervanging van voorzitter. Circulaire aan GS, houdende richtlijnen inzake de samenstelling van Huurcommissies (Stcrt 1979, 158)

Opmerking: Deze richtlijnen, veelal geformuleerd in circulaires aan GS, en aan voorzitters en secretarissen van Huurcommissies, dienen als aanwijzing ter vervanging van regelgeving bij AMVB

Waardering: B 5

521

Actor: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het aanwijzen van gemeentes waarin Huurcommissies moeten worden ingesteld

Periode: 1950–1960

Grondslag: Huurwet, art. 8, lid 3

Bron:

Product: KB 1955, Stcrt. 165 tot aanwijzing van gemeenten

Opmerking:

Waardering: B 4

522

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van de (voorzitters en) secretarissen van Huurcommissies

Periode: 1950–

Grondslag: Huurwet, art.10 Wet op de Huurcommissies, art. 5

Bron:

Product:

Opmerking: De voorzitters worden vanaf 1979 door de Minister van Volkshuisvesting benoemd

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

524

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toetsen van de benoemingen van leden van de huur-(advies)commissies door Gedeputeerde Staten

Periode: 1950–1998

Grondslag: Wet op de Huurcommissies, art. 6

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

16.3.2. Uitvoerend

527

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Wederopbouw

Handeling: Het innen van vergoedingen voor het aanvragen van advies aan een Huurcommissie

Periode: 1950–1955

Grondslag: Huurwet, art. 11, lid 2; Huurprijzenwet Woonruimte, art. 10, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking: Ingevolge KB 1955, Stcrt. 165 is de gemeente als incasseerder van de vergoedingen aangewezen. In het Besluit Huurprijzen Woonruimte worden de vergoedingen nader vastgesteld en innen de Huurcommissies zelf de opgelegde kosten

531

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in bijzondere gevallen wijzigen van overeengekomen huurprijzen

Periode: 1979–

Grondslag: Huurprijzenwet woonruimte, art. 16

Bron:

Product:

Opmerking: Een dergelijke beschikking is slechts mogelijk als zich naast aanzienlijke afwijking van de huurprijs ook bv. de omstandigheid heeft voorgedaan dat de huurder redelijkerwijs niet in staat is geweest om na rustige overweging tot overeenstemming met verhuurder te komen

Waardering: B 5

532

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van modelformulieren voor de aanvraag van een vergunning voor de tijdelijke verhuur van leegstaande woonruimte

Periode: 1985–

Grondslag: Leegstandswet, art. 15, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Deze regeling houdt in dat de huurder de huur na verstrijking van een bepaalde termijn kan worden opgezegd, omdat het pand een andere vastgestelde bestemming heeft (bijvoorbeeld sloop), maar niet leeg mag blijven staan. De modellen der formulieren zijn nader uitgewerkt in de circulaire van 12 mei 1993, MG 93-17

Waardering: V, 5 jaar na vervallen of wijziging

17. Bouwnijverheidsbeleid

17.1. Aansturing van bouwtechnische kwaliteitseisen

17.1.1. Algemeen

534

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het subsidiëren van projecten van de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Structuurschets Bestuurszaken

Product:

Opmerking: Gesubsidieerd worden bij voorbeeld: EXPIDEMO-activiteiten Incidentele aanvullende bijdragen per experiment. De Stuurgroep opereerde vanaf 1988

als een stichting

Waardering: V, 6 jaar

17.1.2. Bestrijding woningnood door bevordering van de bouwnijverheid

17.1.2.1. Bouwtechnische richtlijnen

535

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en evalueren van criteria voor de toetsing van de kwaliteit van de te financieren woningwetwoningen

Periode: 1950–1988

Grondslag:

Bron: J. v.d Schaar, Volkshuisvesting in goud

Product: Voorlopige wenken voor het ontwerpen van eensgezinshuizen, opgesteld door de BNA. 1946; Technische Subsidievoorwaarden TSV. 1989; Regels van modulaire coördinatie (stelsel van maatafspraken voor de bouw) 1965- Actieprogramma goedkoper bouwen

Opmerking: Zie voor het vooronderzoek ter vaststelling van de normen hoofdstuk 11. De minister publiceerde ook ‘aandachtspunten,’ die niet het karakter van een voorschift hadden, maar wel konden dienen als toetsingscriterium of aanbeveling. Bij deze ontwerpen werd soms een traject van vooroverleg betrokken. Dit traject kan bestaan uit onderzoekscentra, overlegorganen met of door architecten, locale inspraakorganen als huisvrouwen De ontwerpen worden medegedeeld en/of gepubliceerd in de Staatscourant

Waardering: B 5

536

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het per circulaire of door middel van brochures opstellen van handleidingen voor de toetsing van subsidie-aanvragen

Periode: 1950–

Grondslag:

Bron: J. v.d Schaar, Volkshuisvesting in goud

Product: Handleiding voor het bouwen in open gaten; Beoordelingsmethodiek voor woningverbetering; Brochure Grondkosten woningbouw; Standaardisering van de grondexploitatie (STANG); Brochure Grondkosten woningbouw en Grondkosten bestemmingsplannen

Opmerking: ‘Men zie deze wenken vooral als een illustratie van de geest, waarin de bedoelde woningen ontworpen dienen te worden en niet als een poging tot ongezonde nivellering.’ Wenken 1946

Waardering: B 5

544

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vorderen van een bijzonder gemeentelijk onderzoek naar de volkshuisvesting in de gemeenten

Periode: 1965–1992

Grondslag: Woningwet 1963, art. 58, lid 4

Bron:

Product: KB van 1 juni 1976, Stcrt. 113, houdende de vordering aan 106 gemeenten om een onderzoek in te stellen naar de huisvesting van alleenstaanden en tweepersoons-huishoudens

Opmerking: Alvorens een vordering wordt ingesteld, hoort de minister GS van de provincie

Waardering: B 5

545

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid;Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het vaststellen van modelplannen van woningbouwcorporaties (keuzeplannen) die op voorhand in aanmerking komen voor subsidie

Periode: 1960–1970

Grondslag:

Bron: N. De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities, p 307

Product:

Opmerking: Keuzeplannen werden ingediend door de gezamenlijke organien van de woningbouwcorporaties. De ontwerpers hadden zich daarmee van financiering verzekerd. De plannen zelf, gebaseerd op herhaling van identieke woningen binnen een bouwblok, werden in bundels gepubliceerd, in totaal verschenen er vijf (1960–1968). In 1970 hield men op met het subsidiëren van woningbouw volgens keuzeplannen

Waardering: B 5

546

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het vaststellen van modelplannen voor stadsvernieuwing die in aanmerking komen voor subsidie

Periode: 1973–1977

Grondslag: J. Koffijberg, Niet zonder slag…, p. 112

Bron:

Product: Handleiding voor het bouwen in ‘open gaten’. Uitgangspunt voor woontechnische minimumeisen bij woningverbetering

Opmerking:

Waardering: B 5

547

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid; Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het in projectverband doen verrichten van onderzoek naar totaalstandaarden voor kwalitatieve woningbouw

Periode: 1960–1974

Grondslag:

Bron: N. De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities, 307–310

Product: Rapporten

Opmerking: Voorbeeld: de Ontwikkelingscyclusflat in samenwerking met NIROV, Ratiobouw, Nederlandse Huishoudraad, Landbouwhogeschool en woningcorporaties

Waardering: B 1

17.1.2.2. Stimulering van nieuwe bouwprocédés

548

Actor: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw; Minister van Volkshuisvesting en Wederopbouw; Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het vaststellen van regelingen met betrekking tot subsidies en toeslagen voor de toepassing van arbeidsbesparende bouwprocédés

Periode: 1946–1965

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 20, lid 2

Bron: N. De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities, p. 258

Product:

Opmerking: De regelingen werden in circulaires aan de gemeenten bekend gemaakt. Zij werden stopgezet in 1950, maar golden in 1954 weer

Waardering: B 5

549

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het sluiten van meerjarige contracten met gemeenten inzake de toepassing van arbeidsbesparende bouwprocédés bij stadsuitbreidingsprojecten

Periode: 1954–1965

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 20, lid 2.

Bron: N. De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities, 258–259

Product:

Opmerking: De regelingen werden in circulaires aan de gemeenten bekend gemaakt. Zij werden stopgezet in 1950, maar golden in 1954 weer

Waardering: B 5

17.1.3. Experimentele volkshuisvesting

17.1.3.1. Stimuleringsprogramma Experimentele Woningbouw

554

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen van programma’s voor experimentele woningbouw

Periode: 1968–

Grondslag: Reglement Adviescommissie Experimentele Woningbouw, art. 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

555

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het vaststellen van subsidievoorschriften voor experimentele woningbouw

Periode: 1968–1979

Grondslag:

Bron: Structuurschets Bestuurszaken

Product: Circulaires

Opmerking:

Waardering: B 5

558

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het begeleiden, evalueren van uitvoeringen van experimentele woningbouw

Periode: 1968–1979

Grondslag: Reglement Adviescommissie Experimentele Woningbouw

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

560

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het periodiek uitkeren van vastgestelde subsidies aan erkende projecten van experimentele woningbouw

Periode: 1968–1979

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

561

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het openbaar verantwoorden van het programma voor experimentele woningbouw

Periode: 1968–1979

Grondslag:

Bron: De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities p. 358

Product: Het programma experimentele woningbouw, stand van zaken HdTK 1979–1980

Opmerking:

Waardering: B 3

562

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het ontwerpen van specifieke eenmalige stimuleringsregelingen voor woonstijlen en woonvormen

Periode: 1970–

Grondslag:

Bron: De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities, 350, Nota’s volkshuisvesting

Product:

Opmerking: Deze regelingen worden aangekondigd in de nota’s Volkshuisvesting en komen nadien door middel van circulaires tot uitvoering, Zij zijn eenmalig en worden gehonoreerd op basis van aanmelding en beoordeling

Producten zijn: de Stimuleringsregeling Goed en Goedkoop, 1974, Regeling inzake bijzondere woningen op grond van de Nota HAT (huisvesting alleenstaanden- en tweegezinshuishoudens) e.d.

Waardering: B 5

563

Actor: Minister Volkshuisvesting en Bouwnijverheid;Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het ontwerpen van specifieke financieringsregelingen voor woonstijlen en woonvormen op grond van bijzondere voorzieningen van bepaalde maatschappelijke categorieën

Periode: 1960–1979

Grondslag:

Bron: De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities, 350, Nota’s volkshuisvesting

Product:

Opmerking: Gedacht moet worden aan: bejaardenwoningen, studentenhuisvesting e.d.

De voorwaarden van deze regelingen zijn oorspronkelijk vastgelegd in daarvoor ontworpen hoofdstukken van de Voorschriften en Wenken, waarvoor adviescentra als het Bouwcentrum en het ministerie de nodige standaarden hadden ontworpen

Waardering: B 5

564

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Handeling: Het op aanvraag verlenen van uitkeringen op grond van specifieke financierings-regelingen voor woonstijlen en woonvormen voor tweepersoonswoningen

Periode: 1975–1979

Grondslag: Regelingen Hat-eenheden of Van Dam-eenheden

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

565

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het ontwerpen van nota’s en voorlichtingsbrochures over woonstijlen en woonvormen

Periode: 1970–

Grondslag:

Bron: De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities, 322

Product: Rapporten Woonvormen, Nota Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens (Nota HAT), 1970

Opmerking:

Waardering: B 5

17.1.3.2. Overige programma’s

566

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van meerjarenplannen van de Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Statuten SEV

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

567

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toekennen van financiële bijdragen aan de Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Periode: 1988–

Grondslag: Statuten SEV

Bron:

Product:

Opmerking: In de statuten staan de voorwaarden opgenomen op grond waarvan de minister de stichting financiert: dit zijn o.m. de verplichting verslag uit te brengen van zijn werkzaamheden, de opstelling van een begroting en een financiële verantwoording met een accountantsrapport

Waardering: V, 6 jaar

17.1.4. Bevordering van duurzaam bouwen

572

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en evalueren van het beleid op het gebied van duurzaam bouwen

Periode: 1990–

Grondslag:

Bron: Interview dhr. D. van Dijk

Product: Plan van aanpak Duurzaam Bouwen, Actieprogramma hout als duurzame grondstof, Implementatieplan bouw- en sloopafval, Plan van aanpak lood in drinkwater

Nota’s, verslagen van beleidsoverleg, verslagen van de Duboraad

Opmerking: Duurzaam bouwen betreft het gebruik van bouwmaterialen en bouwconstructies, die milieuvriendelijk zijn wat betreft de winning van grondstoffen, het voorkomen van de emissie van ongezonde stoffen, het zuinig omgaan met hulpbronnen (o.a. energie) en het hergebruik van bouwstoffen

Het secretariaat duurzaam Bouwen Bouwen, gestart bij het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, viel na een jaar onder het DG Volkshuivesting. Na een tijd bij de Centrale Sector van het ministerie werd het na 1995 weer deel van DGVH. Overleg werd gevoerd in de Duboraad (vanaf 1993)

Waardering: B 1

573

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het periodiek informeren van de Staten-Generaal over de bevordering van duurzaam bouwen

Periode: 1990–

Grondslag:

Bron:

Product: Halfjaarlijkse verslagen

Opmerking: De rapportage wordt vanaf 1999 volledig opgezet aan de hand van aanwijzingen in het kader van een monitoringsprogramma dat voor duurzaam bouwen is opgesteld

Waardering: B 3

574

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het sluiten van convenanten en/of samenwerkingsverbanden met belangengroepen in de volkshuisvesting inzake duurzaam bouwen

Periode: 1990–

Grondslag:

Bron: Plan van aanpak Duurzaam Bouwen

Product: Overleg Platform Bouwregelgeving, Voorlichtingsproject duurzaam klussen

Opmerking: Als convenantspartners worden gezien: sociale en particuliere verhuurders en eigenaar-bewoners. Deze convenenten kunnen betrekking hebben op energie-besparing, gebruik van bouwmaterialen en hergebruik van sloopmaterialen. Bij deze convenanten kunnen ook actoren op het gebied van milieubeheer en het Ministerie van Economische Zaken betrokken worden

Waardering: B 5

575

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het in het kader van projecten en/of convenanten vaststellen van subsidieregelingen met betrekking tot duurzaam bouwen

Periode: 1990–

Grondslag: Plan van aanpak duurzaam bouwen 1995, p. 29–30

Bron:

Product: Tijdelijke stimuleringsregeling duurzaam bouwen, 1995–1997

Opmerking:

Waardering: B 5

576

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (doen) opstellen van richtlijnen tot bevordering van duurzaam bouwen

Periode: 1990–

Grondslag: Tweede plan van aanpak duurzaam bouwen, p. 10

Bron:

Product: Nationaal Pakket Duurzame Woningbouw; Nationaal Pakket Woningbeheer,

Rapport duurzaam woningbeheer; Plan van aanpak duurzaam bouwen in de bouwregelgeving

Opmerking: De richtlijnen zijn niet bindend, maar dienen wel als standaard

Waardering: B 5

17.2. Architectuurbeleid

17.2.1. Beroepsbescherming

17.2.1.1. Interne organisatie van de Stichting Bureau Architectenregister (SBA)

583

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het vaststellen en het goedkeuren van wijzgingen van de statuten van de Stichting Bureau Architectenregister

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 3. 1 (Stb. 1988, 439)

Bron:

Product:

Opmerking: Oprichtingsakte SBA 04-08-1988. De examenreglementen gelden voor architecten en stedebouwkundigen.

Waardering: B 4

584

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het eventueel op voordracht van andere ministers benoemen en ontslaan van voorzitter en bestuursleden van de SBA en van examencommissies

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 4; 8.2 (Stb. 1988, 439); Examenbesluit Wet op de architectentitel (Stb. 1990, 577)

Bron:

Product:

Opmerking: Het bestuur bestaat uit actieve of voormalig actieve architecten, stedebouwkundig-, tuin-, landschaps- en interieurarchitecten

Waardering: V, 5 jaar na einde functie

646

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het instemmen met benoeming en ontslag van de directeur van de SBA

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 5 (Stb. 1988, 439)

Bron: Selectielijst zbo Stichting Bureau Architectenregister (SBA) (2003)

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

647

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het geven van voorschriften voor de inrichting van het architectenregister

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 2.3 (Stb. 1988, 439)

Bron: Selectielijst zbo Stichting Bureau Architectenregister (SBA) (2003)

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

586

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van tarieven en vergoedingen voor op verzoek verrichte handelingen van de SBA

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 7. (Stb. 1988, 439); Beschikking van de Minister van VROM, 10 maart 1989 (Stcrt. 75)

Bron: Selectielijst zbo Stichting Bureau Architectenregister (SBA) (2003)

Product:

Opmerking: Het betreft tarieven voor ondermeer het verstrekken van informatie en vergoedingen voor het afgeven van getuigschriften en verklaringen.

Waardering: V, 5 jaar

588

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toetsen van het jaarverslag van de SBA

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 8, lid 1 (Stb. 1988, 439)

Bron: Selectielijst zbo Stichting Bureau Architectenregister (SBA) (2003)

Product:

Opmerking: De minister heeft de bevoegdheid een nader accountantsonderzoek in te stellen naar aanleiding van de werkzaamheden van de stichting. Hij zendt het verslag tevens naar de Algemene Rekenkamer. Zowel de accountant als de Algemene Rekenkamer hebben de bevoegdheid om de boeken van de stichting in te zien. Een exemplaar van het goedgekeurde verslag wordt toegezonden aan het SBA en de Ministers van OCW, LNV, Justitie en Economische Zaken

Waardering: V, 6 jaar

17.2.1.2. Uitvoeringsbepalingen bij de invoering van de wet

589

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van leden van de commissies voor de toelating van architecten en stedebouwkundigen

Periode: 1987–1989

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 33, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na einde functie

17.2.1.3. Toelating van architecten na 1988

592

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het instemmen met de erkenning van diploma’s door het Ministerie van Onderwijs, op grond waarvan architecten kunnen worden ingeschreven

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 9–13

Bron:

Product:

Opmerking: De minister, belast met landbouw en/of cultuurbeleid toetsen diploma’s voor land- en tuinbouwarchitecten resp. interieurarchitecten. Voor stedebouwkundige diploma’s geldt erkenning in Europees verband

Waardering: V, 10 jaar

595

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van architectenopleidingen van de Stichting voor Architectuur

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 9, lid 1; h., 9.2; 10.1.f; 10.2; 24.2 (Stb. 1988, 439)

Examenbeluit Wet op de architectentitel, art. 16 (Stb. 1990, 577)

Bron:

Product:

Opmerking: De aangemelde opleidingen moeten voldoen aan de EEG-Architectenrichtlijn en kunnen op die grond worden toegelaten of afgewezen. Dit geldt voor architecten en stedenbouwkundigen

Waardering: B 5

596

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op verzoek van stedebouwkundigen verlenen van ontheffing voor een verplicht af te leggen examen wegens aangetoonde uitzonderlijke bekwaamheid

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 10, lid 1 sub e

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

648

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verstrekken van een getuigschrift waaruit blijkt dat de bezitter van het diploma IVA (stichting Instituut voor de Architectuur) tenminste over zes jaar praktijk-ervaring beschikt

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 9, lid 1, f. (Stb. 1988, 439)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

17.2.1.4. Examens

598

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van voorzitters en leden van de examencommissie

Periode: 1990–

Grondslag: Examenbesluit Wet op de architectentitel, art. 7, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na einde functie

600

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het goedkeuren van examenreglementen voor uit te schrijven examens

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 25, lid 3

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

601

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het toetsen van verslagen van de examencommissie inzake hun handelingen en de door haar afgelegde examens

Periode: 1988–

Grondslag: Examenbesluit Wet op de architectentitel, art. 15

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

649

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verlenen van ontheffing van het examen voor architecten vanwege uitzonderlijke bekwaamheid

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 9, lid 1, (Stb. 1988, 439); g.; 10.1.e (Stb. 1995, 669)

Bron:

Product:

Opmerking: Dit betreft architecten en stedebouwkundigen

Waardering: V, 10 jaar

652

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het afgeven van een verklaring voor de Europese Gemeenschap voor het beroep van stedebouwkundige

Periode: 1995–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art.10, lid 1, g. (Stb. 1995, 669)

Bron:

Product: EG verklaring

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

653

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bieden van de gelegenheid tot het afleggen van erkende architectuur of stedebouwkundige examens alsmede het wijzigen van examenreglementen

Periode: 1990–

Grondslag: Examenbesluit Wet op de Architectentitel, art. 25.1–4. (Stb. 1990, 577)

Bron:

Product: Algemene maatregel van Bestuur inzake het examenreglement

Opmerking: De omvang en inrichting wordt geregeld. De AmvB wordt ter kennisname gezonden van de minister belast met onderwijs

Waardering: B 5

17.2.1.5. Architectuuropleiding

602

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beschikbaar stellen van stageplaatsen voor aankomende architecten

Periode: 1991–

Grondslag:

Bron: Nota Architectuurbeleid 1991, p. 34

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

17.2.2. Bevordering van de architectuur

17.2.2.1. Advisering

603

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen bij de opstelling van richtlijnen voor architectonische kwaliteit in overlegorganen

Periode: 1991–

Grondslag: Nota Architectuurbeleid, p. 83

Bron:

Product: Vergaderstukken en correspondentie, waaronder: Verslagen van het overleg met de Orde van Nederlandse Raadgevende Ingenieurs (ONRI). Verslagen van het overleg met het Nederlands Architectuur Instituut. Verslagen van het overleg met het Berlage Instituut. Verslagen van het overleg met BONAS

Opmerking: In dit verband heeft de Rijksbouwmeester of een van zijn medewerkers zitting in een verenigingsbestuur

Waardering: V, 5 jaar

604

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op verzoek van particulieren en lagere overheden adviseren in bouwkundige aangelegenheden

Periode: 1945–1989

Grondslag: De Rijksbouwmeesters

Bron:

Product:

Opmerking: Deze handeling is gelijk aan handeling 25 in het PIVOT-rapport 45, Het rijk onder dak, beleidsterrein rijkshuisvesting, maar is hier gewaardeerd als een handeling op het beleidsterrein volkshuisvesting. Het betreft adviezen van de Rijksbouwmeester op architectonisch terrein

Waardering: B 5

605

Actor: De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het adviseren aan derden over de architectonische kwaliteit van stedebouwkundige projecten van utiliteitsbouw

Periode: 1991–

Grondslag:

Bron: Nota Architectuurbeleid

Product:

Opmerking: Volgens bovengenoemde nota betreft het adviezen aan gemeentebesturen in het kader van het overleg met de gemeente inzake in opdracht van het rijk uit te voeren bouwprojecten. Er kunnen bijvoorbeeld situaties ontstaan waarbij het gemeentebestuur besluiten neemt die architectonische en stedebouwkundige consequenties hebben. Stukken die betrekking hebben op concrete bouwprojecten, worden gezien als gegevens betreffende de initiatieffase en de definitiefase van het project. De Rijksbouwmeester geeft echter ook aan projectontwikkelaars advies. Het gaat hierbij vooral om objecten of stedebouwkundige opgaven waarmee een dusdanig algemeen maatschappelijk belang gediend is dat er professionele ‘coaching’ voor nodig is. Deze handeling is gelijk aan handeling 160 in het PIVOT-rapport 45, Het rijk onder dak, maar is niet gewaardeerd als een handeling op het beleidsterrein Rijkshuisvesting. Het komt echter voor dat de bij deze projecten betrokken belangen de draagwijdte van de taakstelling van de Rijksbouwmeester als controleur van het concrete bouwproject overstijgt

Waardering: B 5

17.2.2.2. Prijsvragen

606

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het instellen van prijzen en prijsvragen

Periode: 1990–

Grondslag: Nota Architectuurbeleid, p. 87

Bron:

Product: Rijksprijs voor bouwen en wonen De Bronzen Bever, bestemd voor opdrachtgevers. Deze prijs heeft elk jaar een ander aandachtspunt op het gebied van bouwen

Opmerking: Doel is het stimuleren van opdrachtgevers om in het hele bouwproces hoogwaardige producten tot stand te brengen

Waardering: B 1, 2

607

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (doen) uitreiken van prijzen

Periode: 1990–

Grondslag:

Bron: Nota Architectuurbeleid, p. 87

Product:

Opmerking: Hierbij is ook inbegrepen de bemoeienis met de beoordeling van inzendingen en/of de jurering, voorzover de minister hierbij betrokken is geweest

Waardering: B 5

18. Voorlichting

608

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van een voorlichtingsplan inzake een onderwerp op het terrein van de volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Voorlichtingsplan: een plan van aanpak met betrekking tot de voorlichting inzake een bepaald onderwerp

Opmerking:

Waardering: B 5

609

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het laten vervaardigen van voorlichtingsmateriaal

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Brochures inzake huursubsidie en huurgewenning, brochures inzake gehandicapten

brochures inzake woonwagencentra, inzake huurrecht en huurbescherming

brochures inzake huurverhogingen en huurprijzen, kamerhuur en Huurcommissies

Verzamelingen technische subsidievoorschriften. Verzamelingen bouwkundige eisen

Serie voorlichtingsbochures Vernieuw de stad. 1974–1978

Opmerking:

Waardering: B 5 (1 exemplaar van publicatie); V, 6 jaar (overige stukken)

610

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het (doen) administreren en toekomen van normeringegevens, instructies en ander materiaal over regels en voorschriften inzake volkshuisvesting aan belanghebbenden

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

611

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het organiseren en geven van uitvoering aan congressen, conferenties en andere speciale bijeenkomsten die betrekking hebben op de volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5 (verslagen, deelnemerslijst); V, 5 jaar (basisgegevens, statistisch materiaal, begeleidingscorrespondentie, stukken inzake voorbereiding)

612

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het verrichten van onderzoek inzake de voorlichting op het terrein van de volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Effectenonderzoek bij campagnes; opinie-onderzoek

Opmerking:

Waardering: B 5

613

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het redigeren en publiceren van tijdschriften die betrekking hebben op de volkshuisvesting en van persberichten

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5 (één exemplaar tijdschrift); V, 5 jaar (overige stukken)

668

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het weergeven van opvattingen over het volkshuisvestingsbeleid door toespraken, interviews en bijdragen aan symposia en congressen

Periode: 1982–

Grondslag:

Bron:

Product: Verslag

Opmerking:

Waardering: B 5

661

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het beantwoorden van vragen van burgers

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Burgerbrieven

Opmerking: Vragen van burgers die tot nader onderzoek of een beleidswijziging hebben geleid worden bewaard bij de desbetreffende beleidshandelingen

Waardering: V, 5 jaar

19. Internationaal overleg inzake de volkshuisvesting

19.1. Algemeen

614

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het uitwisselen van kennis inzake de volkshuisvesting tijdens internationale (ad hoc) conferenties en symposia

Periode: 1946–

Grondslag:

Bron: IAHS international symposium on housing problems (1976)

Product:

Opmerking: N.B. Te bewaren eigen bijdragen van het ministerie onder handeling 668

Waardering: V, 5 jaar

615

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op verzoek adviseren van regeringen of (handhavings)instanties in het buitenland inzake aangelegenheden welke betrekking hebben op de volkshuisvesting

Periode: 1946–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Deze handeling wordt niet gedaan ter uitvoering van een Memorandum of Understanding (MoU) of actieprogramma

Waardering: V, 10 jaar

19.2. Verenigde Naties

616

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en inbrengen van de door Nederland in te brengen standpunten en bijdragen met betrekking tot de volkshuisvesting ten behoeve van conferenties van de Verenigde Naties

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product: Notulen United Nations Conference on Human Settlements (UNHCS), Habitat I, 1976, Wereldconferentie Habitat II en de voorbereidende commissies in Genève 1994, Nairobi 1995 en New York 1996

Opmerking: Hierbij zijn ook inbegrepen: het deelnemen aan voorbereidende commissies en de opstelling van het Global Action Plan

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

617

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen aan het Nederlandse standpunt in de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) en de Commissie voor menselijke nederzettingen (UN Commission on Human Settlements UNCHS-Habitat)

Periode: 1976–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: De UNCHS-Habitat behandelt volkshuisvesting op wereldniveau. Het doel is in de eerste plaats landen te helpen met problemen op dit gebied. Hiervoor is een apart financieel fonds opgericht, de United Nations Habitat Human Settlements Foudation (UNHHSF)

Waardering: B 5 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

618

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de United Nations Habitat Human Settlements Foudation (UNHHSF)

Periode: 1976–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

619

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het op verzoek van de organisatie mede subsidiëren van projecten van de United Nations Habitat Human Settlements Foudation (UNHHSF)

Periode: 1976–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

620

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en rapporteren aan de VN van nationale actieplannen voor een Globaal actieplan ter verbetering van de leefomgeving ter uitvoering van de besluiten van de conferentie Habitat II

Periode: 1996–

Grondslag:

Bron: Global Action Plan van Habitat II

Product: Nationaal Rapport Nederland II, met de volgende bijlagen Statement of principles and commitments Best Practices, zijnde een onderzoek naar praktijkvoorbeelden van volkshuisvesting

Opmerking: Het Globaal actieplan wordt geacht in 2000 te zijn voltooid

Waardering: B 5

621

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen in gouvermentele en niet-gouvernementele organisaties naar aanleiding van Habitat II

Periode: 1996–

Grondslag:

Bron: Global Action Plan van Habitat II

Product: Nederlandse Habitat Commissie. Urbaneth. Holland Habitat Consultants

Opmerking:

Waardering: B 1

622

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen in voorlichtingsorganisaties met betrekking tot Habitat II

Periode: 1996–

Grondslag:

Bron:

Product: Deelname aan een World Fair. Opstelling van een Habitat-document

Opmerking:

Waardering: B 1

19.2.1. COCOS

623

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen aan overleg in het kader van de Coördinatiecommissie Ontwikkelingssamenwerking (COCOS)

Periode: 1972–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

624

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het deelnemen aan overleg in het kader van de Coördinatiecommissie Verenigde Naties en Geassocieerde Organisaties (COCO VNGO)

Periode: 1972–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

625

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen van door Nederland in te brengen standpunten en bijdragen ten behoeve van internationaal overleg over volkshuisvesting in het kader van de Verenigde Naties

Periode: 1972–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

19.2.2. Economic Commission for Europe (ECE)

626

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en inbrengen van de door Nederland in te brengen standpunten en bijdragen met betrekking tot de volkshuisvesting ten behoeve van bijeenkomsten in het kader van de Economische Commissie voor Europa (ECE) en de Economische Commissie voor Huisvesting, Woningbouw en Ruimtelijke Ordening (ECOCHS)

Periode: 1947–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

19.2.3. Diverse internationale organisaties

627

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en inbrengen van bijdragen op het gebied van de volkshuisvesting tijdens bijeenkomsten van internationale al dan niet gouvernementele organisaties op het gebied van volkshuisvesting

Periode: 1973–

Grondslag:

Bron:

Product: Notulen Inrternational Federation for Housing and Planning (IFHP), International Union of Local Authorities (IULA), International Council for Building Research, Studies and Documentation (CIB), International Council on Monuments and Sites ICOMOS

International Federation of Landscape Architects IFLA. International New Towns Association. International Unifon of Housing Finance Institute. United Towns Organisation

Opmerking: De doelstelling van de International Federation for Housing and Planning (IFHP) is het vergroten van de kennis onder zijn leden inzake de huisvesting en de stedelijke en ruimtelijke planning. Jaarlijks wordt een congres georganiseerd

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

19.3. Europese Unie

628

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de totstandkoming van Europese beleidsdocumenten

Periode: 1985–

Grondslag:

Bron: Bundel regels uitgegeven door het EG-beraad voor de bouw

Product: EU-groenboek voor het stadsmilieu

Opmerking: De beleidsdocumenten van de Europese Commissie nemen in eerste instantie de vorm van een Groenboek aan. Na overleg met de lidstaten wordt dit groenboek uitgewerkt tot een Witboek, hetgeen de grondslag kan vormen tot nadere regelgeving

Waardering: B 1

629

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en inbrengen van bijdragen in comités van de Commissie van de EU ter voorbereiding van richtlijnen, verordeningen en andere – communautaire – regelgevende documenten op het gebied van de volkshuisvesting

Periode: 1958–

Grondslag:

Bron:

Product: Richtlijn bouwproducten

Opmerking: Richtlijnen zijn aanwijzingen aan lidstaten om de daarin verwerkte bepalingen in de eigen regelgeving op te nemen

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

630

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en inbrengen van bijdragen in het EG-beraad voor de Bouw

Periode: 1956–

Grondslag: Bundel regels uitgegeven door het EG-beraad voor de bouw

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1 (VROM bijdragen); V, 5 jaar (overige notulen)

631

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het opstellen en inbrengen van bijdragen in intergouvernementele conferenties

Periode: 1956–

Grondslag: Bundel regels uitgegeven door het EG-beraad voor de bouw

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

632

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het door de Minister van Economische Zaken doen aanmelden van technische bouwnormen en regels bij de Europese Commissie

Periode: 1985–

Grondslag:

Bron: Publicatieblad-EEG 1983 L 109, gewijzigd 1988 L 81

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

633

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het uitwisselen van technische regelgeving inzake de bouw, waarbij kan worden afgeweken van het beginsel van vrije verkeer van goederen binnen de EG

Periode: 1995–

Grondslag: Beschikking 3052/95/EG

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

634

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de Nederlandse delegatie in de Standing Committee for Constructuin (SCC)

Periode: 1995–

Grondslag:

Bron: Structuurschets Bestuurszaken, p. 43

Product:

Opmerking: De Nederlandse delegatie bestaat uit vertegenwoordigers van VROM en EZ; de resultaten worden vastgesteld in overleg met het Nederlands Normalisatie Instituut

Waardering: B 1

635

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het bemiddelen bij EG-subsidieprojecten voor stadsvernieuwingsgebieden

Periode: 1975–2000

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Voorbeelden zijn EU-subsidies, verleend aan projecten in de Schilderswijk in Den Haag, de Bijlmermeer in Amsterdam, Delfshaven in Rotterdam en de Kanaalstraat in Utrecht. Deze subsidieprojecten maken deel uit van door de Europese Commissie vast te stellen projecten van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), die door het rijk en regionale organen worden gecofinancierd

Waardering: B 5

636

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van Nederlandse bijdragen in het EU coördinatie overleg ter voorbereiding van een standpunt in UNCHS

Periode: 1976–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

19.4. Geformaliseerd bilateraal en multilateraal overleg in het kader van samenwerkingovereenkomsten

637

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voeren van geformaliseerd bilateraal en multilateraal overleg

Periode: 1982–

Grondslag:

Bron:

Product: Samenwerkingsovereenkomst

Opmerking:

Waardering: B 1

638

Actor: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het indienen van plannen ten behoeve van het Europees Herstelprogramma in het kader van de Marshall-hulp

Periode: 1949–1954

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Als gedelegeerde trad namens de Wederopbouw een medewerker Economische Zaken op. Het Ministerie van Economische Zaken was met de uitvoering van het Marshallplan belast, in de vorm van: voorbereiding van herstelprogramma’s

voorlichting over de Marshallhulp en de daarmee te bereiken doelstellingen

bemiddeling bij aanvragen van credieten aan het bedrijfsleven. uitkering van kredieten. verantwoording van de toekenning en de resultaten bemiddeling bij technische hulpverlening en uitwisselingen

Waardering: B 5

19.5. Niet-geformaliseerd bilateraal en multilateraal overleg

639

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het voeren van niet-geformaliseerd bilateraal en multilateraal overleg inzake de volkshuisvesting

Periode: 1982–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

640

Actor: Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het leveren van bijdragen tot bilaterale verdragen op het gebied van volkshuisvesting

Periode:

Grondslag:

Bron:

Product: Verdragen met België Duitsland en Luxemburg op het gebied van regelgeving ten aanzien van de bouw

Opmerking:

Waardering: B 1

B. Handelingen overige actoren

20. Handelingen van de inspecteur voor de volkshuisvesting

20.1. Beleidsontwikkeling

10

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de staat van de volkshuisvesting

Periode: 1962–2001

Grondslag: Woningwet 1962, art. 78a

Bron:

Product:

Opmerking: De Hoofdinspecteur van de Dienst Volkshuisvesting HID was tegelijk rijks- en provinciaal ambtenaar: had een adviestaak op nagenoeg elk terrein waarbij de provincie in volkshuisvestingsproblemen was betrokken. Het staatstoezicht op de Volkshuisvesting werd eerst organiek geregeld in de Woningwet 1962, die in 1965 van kracht werd met de invoering van het Organisatiebesluit Volkshuisvesting. De HID had echter intussen ook al bevoegdheden gekregen bij de uitvoering van de toedeling van bouwsubsidies: hij beoordeelde alle bouwplannen en had tot op zekere hoogte ook beschikkingsbevoegdheid

In 1993 werd de inspectie gereorganiseerd en werd de HID van de provincie vervangen door een landelijke Inspecteur voor de Volkshuisvesting IVH. De reorganisatie had ook ingrijpende personele consequenties: de 480 formatieplaatsen van de twaalf HID’s werden teruggebracht tot een bureau met 8 vestigingsplaatsen en 172 formatieplaatsen. De inspectie had zich ontwikkeld ‘van potentaat tot partner van het overleg’ in plaats van detailbemoeienis op planniveau was hij nu veeleer adviseur van de minister op uitvoerbaarheid van diens beleid

Dit advies bestaat uit: de opzet van provinciaal onderzoek naar de staat van de volkshuisvesting, het stimuleren van gemeenten voor het geven van informatie

In de praktijk is dit werk slechts ten dele uitgevoerd

Per 2000 maakt de inspectie volkshuisvesting deel uit van de VROM-Inspectie, waarin mede de inspecties ruimtelijke ordening en milieu geïntegreerd zijn

Waardering: B 1

17

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het bijwonen van de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439), art. 90, lid 2, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

51

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het uitbrengen van schriftelijke adviezen aan de minister inzake de volkshuisvesting

Periode: 1965–2002

Grondslag: Organisatiebesluit, art. 10 (Stb. 1965, 329)

Bron:

Product:

Opmerking: Het advies van de inspecteur kan gepaard gaan met adviezen en gegevens van de provinciale inspecteurs, ingesteld in verband met de volkshuisvesting. (Art. 21, lid 2, art. 22, lid 2) Organisatiebesluit volkshuisvesting (Stb. 1990, 384)

Waardering: B 1

52

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het uitbrengen van adviezen aan GS op het gebied van volkshuisvesting

Periode: 1965–2001

Grondslag: Organisatiebesluit, art. 10 (Stb. 1965, 329)

Bron:

Product:

Opmerking: Dit betreft ook periodiek advies als lid van een commissie. De provinciale inspecteur heeft bijvoorbeeld zitting in provinciale commissies voor de bejaardenoorden

Waardering: B 1

20.2. Woningbouwcorporaties

128

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het indienen van bezwaren bij GS tegen de toelating van instellingen op het gebied van volkshuisvesting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1901, art. 52a, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Feitelijk komt dit neer op het adviseren van gemeenten

Waardering: B 5

20.3. Bouwplannen

134

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het inbrengen van bezwaar – bij Gedeputeerde Staten – tegen een besluit van een gemeenteraad inzake het verlenen van steun in het kader van de volkshuisvesting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Woningwet 1901, art. 52a, lid 2, art. 53, lid 2, art. 54, lid 2 (Stb. 1952, 362)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 20 jaar

153

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het toedelen van de gemeentelijke bouwcontingenten

Periode: 1950–1970

Grondslag: Wederopbouwwet 1950, art. 16, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Blijkens een in 1956 opgesteld rapport heeft de inspecteur voor de volkshuisvesting een belangrijke invloed op de goedkeuring en de uitvoering van een bouwplan. Hij moet in verband met de prijsbeheersing bij woningwetbouw van alle projecten de aanbestedingsprijzen op hun aanvaardbaarheid beoordelen

Hij beslist zelfstandig over de rijksgoedkeuring van gebouwen beneden een bepaald maximumbedrag; de uitvoering wordt getoetst aan de hand van urgentie en de mogelijkheden van regionale bouwcapaciteit. Hij adviseert de gemeenten in geval van ‘onderuitputting’. In dit verband werkt de inspecteur voor de Volkshuisvesting gelijktijdig voor de provincie als voor het rijk

Waardering: V, 5 jaar

165

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van het bevoegde gezag – inzake een schriftelijk bezwaar tegen gemeentelijke bouwplannen

Periode: 1945–1965

Grondslag:

Bron: Instructies HID 1956

Product:

Opmerking: Deze handeling kan ook worden verricht door de inspecteur voor de volkshuisvesting en de inspecteur voor de ruimtelijke ordening;. zie het PIVOT-rapport Ruimtelijke ordening en geo-informatie

Waardering: V, 5 jaar

20.4. Onteigening

173

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het toetsen van besluiten van gemeenteraden inzake het onteigening van woningen en/of percelen ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1945–2001

Grondslag: Woningwet 1992, art. 98, lid 1 (Stb. 1991, 493)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

174

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van het bevoegde gezag – Burgemeester en Wethouders, Gedeputeerde Staten en de minister – inzake een schriftelijk bezwaar tegen een raadsbesluit betreffende de onteigening van woningen en/of percelen ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1945–2001

Grondslag: Woningwet 1901, art. 34, lid 1, Stb. 1952, 362)/Onteigeningswet, art. 85

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

188

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake een aanvraag tot financiering van woningwet-woningen

Periode: 1945–1988

Grondslag: Woningbesluit (Stb, 1932, 7)

Bron:

Product:

Opmerking: Deze advisering houdt ook in vooroverleg met de aanvragende instelling (gemeentelijke) dienst of corporatie

Waardering: V, 5 jaar

20.5. Woningverbetering en stadsvernieuwing

251

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren bij een aanvraag voor woningverbetering uit het Grootboek voor Woningverbetering

Periode: 1957–1960

Grondslag: Wet Grootboek Woningverbetering

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

270

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het registeren van verslagen van ontvangers van Rijksgelden ter verantwoording van subsidiegelden welke bestemd zijn voor de volkshuisvesting

Periode: 1945–

Grondslag: Woningwet 1992, art. 98, lid 1(Stb. 1991, 493)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

328

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het inspecteren van stadsvernieuwingsfondsen

Periode: 1984–1992

Grondslag: De regelgeving inzake de stads- en dorpsvernieuwing

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

20.6. Subsidiëring volkshuisvesting

341

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van gemeente en provincie bij aanvragen van geldelijke steun ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1992–1993

Grondslag: Woningwet 1992, art. 79, lid 2, (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking: Bijvoorbeeld:het adviseren van Gedeputeerde Staten bij het geven van toestemming aan een gemeenteraad tot verlenen van geldelijke steun aan een toegelaten instelling (art. 74–78, WW) zonder voorwaarde van geldelijke steun uit ’s Rijks kas

Waardering: V, 6 jaar

342

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van de minister bij het voorbereiden van een KB dat een gemeente verplicht geldelijke steun uit te keren aan bewoners

Periode: 1992–2001

Grondslag: Woningwet 1992, art. 74 en 78, 80, lid 1, (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

20.7. Toezicht op de volkshuisvesting

348

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het aanwijzen van een vervanger van de inspecteur-generaal

Periode: 1990–2001

Grondslag: Organisatiebesluit volkshuisvesting, art. 24, lid 1–2, (Stb. 1990, 384)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

352

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het uitbrengen van verslagen inzake aangelegenheden betreffende de volkshuisvesting

Periode: 1965–2001

Grondslag: Organisatiebesluit, art. 11, lid 2, (Stb. 1965, 329); Organisatiebesluit 1992, art. 22

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 3

364

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van de gemeenteraad, Gedeputeerde Staten en de minister inzake de goedkeuring en verplichte wijziging van gemeentelijke bouwverordeningen

Periode: 1945–1995

Grondslag: Woningwet 1901, art. 11, lid 2, art. 12, lid 2, art. 12, lid 8, art. 35, lid 6, (Stb. 1952, 362), Woningwet 1962 art. 17, lid 1, art. 21

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

370

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het registeren van afschriften van besluiten inzake bouwvoorschriften

Periode: 1965–

Grondslag: Woningwet 1962, art. 17, lid 4, (Stb. 1962, 287), Woningwet 1992, art. 98, lid 1, (Stb. 1991, 493)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

373

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van Gedeputeerde Staten en de minister inzake het opstellen van verplichtingen voor een gemeenteraad die het gemeentelijk woning- en bouwtoezicht niet naar behoren verricht

Periode: 1945–1992

Grondslag: Woningwet 1901, art. 14, lid 1, (Stb. 1952, 362), Woningwet 1962, art. 86, lid 3, (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

374

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van Gedeputeerde Staten inzake een gemeenschappelijke regeling van het bouw- en woningtoezicht door verschillende gemeenten

Periode: 1965–1984

Grondslag: Woningwet 1962, art. 87, lid 2, (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

20.8. Gemeentelijke bouwvergunningen.en aanschrijvingen woningverbetering

382

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het in beroep gaan bij Gedeputeerde Staten tegen het (ontbreken van een) besluit met betrekking tot het verlenen, verlengen of intrekken van een bouwvergunning

Periode: 1945–1992

Grondslag: Woningwet 1901, art. 73, lid 4, (Stb. 1952, 362)/Woningwet 1962, art. 51, lid 5, Art. 52, lid 4, (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking: De inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur) kan, alvorens hijzelf een voorziening treft, de gemeente adviseren zijn besluit in te trekken (art. 52, Ww 1962)

Waardering: V, 10 jaar

383

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van Gedeputeerde Staten over een beroep van derden tegen gemeentelijke beschikkingen inzake bouwvergunningen

Periode: 1945–1992

Grondslag: Woningwet 1901, art. 73, lid 4, (Stb. 1952, 362) Woningwet 1962, art. 51, lid 6, art. 52, lid 4, (Stb. 1962, 287)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

401

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van de gemeentelijke overheid inzake aanschrijvingen tot woningverbetering en tot het treffen van voorzieningen

Periode: 1945–2001

Grondslag: Woningwet 1901, art. 18, 24 lid 1, (1952, 362)/Woningwet 1962, art. 29–30, (Stb. 1962, 287), Woningwet 1992, art. 27, lid 1 (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking: De inspecteur voor de Volkshuisvesting kan eigenmachtig optreden in het belang van de volkshuisvesting of de volksgezondheid, maar ook op aanvrage van belanghebbenden. Deel van deze handeling maakt uit: het opstellen van een voorstel inhoudende een verzoek aan burgemeester en wethouders om een aanschrijving uit te vaardigen inzake het treffen van voorzieningen en tot het aanbrengen van verbeteringen aan een woning, woonkeet, woonwagen of standplaats en het vragen van een voorziening, bij de gemeenteraad, naar aanleiding van een afgewezen voorstel inzake een aanschrijving tot het treffen van voorzieningen

Waardering: V, 10 jaar

491

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van burgemeester en wethouders bij het verlenen van een splitsingsvergunning

Periode: 1974–1993

Grondslag: Woningwet 1962, art. 56b, lid 2, onder a, (Stb. 1974, 526/Stb. 1985, 575), Woningwet 1992, art. 124, (Stb. 1991, 493)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

20.9. Onbewoonbaarverklaringen

402

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van een gemeente inzake het onbewoonbaar verklaren van een woning

Periode: 1945–2001

Grondslag: Woningwet 1901, art. 25, lid 1, art. 26, lid 1 en 4, art. 31, lid 1, (Stb. 1952, 362) Woningwet 1962, art. 33–34 (Stb. 1962, 287)/Woningwet 1992, Art. 29, lid 4 en lid 5, art. 37, lid 1, (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking: Van af 1992 strekt de onbewoonbaarheidsverklaring van de Woningwet zich ook uit tot woonwagens en de bruikbaarheid van standplaatsen. Het bevoegde gezag kan hier een gemeenteraad, Burgemeester en Wethouders, Gedeputeerde Staten en de minister zijn

Waardering: V, 10 jaar

403

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren van Gedeputeerde Staten inzake het al dan niet goedkeuren van een plan van een gemeenteraad betreffende het ontruimen van een woning

Periode: 1952–1965

Grondslag: Woningwet 1901, art. 25, lid 4, onder b, (Stb. 1952, 362), Woningwet 1962, Art. 35, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Hierbij is ook inbegrepen: het vragen van voorziening – bij Gedeputeerde Staten of door middel van een administratiefrechtelijke procedure – inzake het niet opvolgen van een advies – afkomstig van de inspecteur voor de volkshuisvesting – tot onbewoonbaarverklaring door een gemeenteraad/Burgemeester en Wethouders

Waardering: V, 10 jaar

20.10. Woonwagens

421

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het adviseren bij de opzet en inrichting van een woonwagenstandplaats

Periode: 1992–1999

Grondslag: De organisatie van het staatstoezicht op de volkshuisvesting, Interimrapport p. 22

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

20.11. Distributie van de woningvoorraad

469

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het op aanvrage in beroep gaan tegen beschikkingen van gemeenten met betrekking tot woonvergunningen

Periode: 1947–2001

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 75, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Het gaat hier om reacties op klachten van aanvragers

Waardering: V, 10 jaar

485

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het al dan niet instemmen met de weigering tot huisvesting van een repatriant door een gemeente

Periode: 1950–1953

Grondslag: Wet Huisvesting gerepatrieerden, art. 2

Bron:

Product:

Opmerking: Wordt er niet ingestemd dan roept de inspecteur voor de volkshuisvesting de beslissing in van de Commissaris van de Koningin van een provincie

Waardering: V, 5 jaar

488

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het vorderen van woonruimten ten behoeve van gerepatrieerden

Periode: 1950–1953

Grondslag: Wet Huisvesting gerepatrieerden. art. 2

Bron:

Product:

Opmerking: De inspecteur voor de Volkshuisvesting geeft bij vordering van woonruimte kennis aan B en W van de gemeente. B en W kunnen tegen deze vordering bezwaar aantekenen. In dat geval horen zij de commissie, vermeld in art. 8, lid 1 van de Woonruimtewet, en dienen zij hun bezwaar, vergezeld van dat advies, in bij de Commissaris van de Koningin van de provincie. De inspecteur treedt hierbij in de plaats van B en W, conform art. 7–28 van de Woonruimtewet

Waardering: B 5

20.12. Internationaal

615

Actor: Inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur)

Handeling: Het op verzoek adviseren van regeringen of (handhavings)instanties in het buitenland inzake aangelegenheden welke betrekking hebben op de volkshuisvesting

Periode: 1946–2001

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Deze handeling wordt niet gedaan ter uitvoering van een Memorandum of Understanding (MoU)of actieprogramma

Waardering: B (advies); V, 5 jaar (overige stukken)

21. Handelingen van adviesraden

21.1. De Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO)

19

Actor: Eerste/Tweede Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting, Raad voor de

Volkshuisvesting (RAVO)

Handeling: Het uit eigen midden benoemen, (eervol) ontslaan of schorsen van een (plaatsvervangende) voorzitter

Periode: 1946–1996

Grondslag: KB 18 maart 1946 n.12, art. 91, onder a, lid 2, art. 91, onder a, lid 3, Woningwet 1992

Bron:

Product:

Opmerking: Het in bijzondere gevallen schorsen en uit zijn functie ontslaan van de voorzitter maakt deel uit van deze handeling (art. 91, onder a, lid 3, WW)

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging functie

20

Actor: Eerste/Tweede Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting, Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO)

Handeling: Het instellen van bijzondere commissies voor een bepaald onderwerp

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1992, art. 92, lid 2, 92, onder a, lid 1 (Stb. 1991, 439)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

21

Actor: Eerste/Tweede Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting, Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO)

Handeling: Het adviseren van de minister en de Eerste en Tweede Kamer over de hoofdlijnen van het te voeren beleid op het terrein van de volkshuisvesting en over tot andere beleidsterreinen behorende onderwerpen die mede van belang zijn voor die hoofdlijnen

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1992, KB 18 maart 1946 nr. 12/art. 89, onder a, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: De Eerste Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting, ingesteld 1946, had als taak de minister van advies te dienen in zaken betreffende volkshuisvesting. Zij kreeg een wettelijke basis in de Woningwet 1962 (art. 74, lid 1), waarbij zij ook betrokken is bij de voorbereiding van wettelijke bepalingen. De raad heette daarna de Tweede Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting om in 1965 over te gaan in de Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO). Vanaf 1986 heeft de RAVO ook een adviesfunctie omtrent onderzoek en ontwikkeling betreffende de volkshuisvesting. Het is een sectorraad die het belang van een landelijk volkshuisvestingsbeleid sterk benadrukt en op dit punt initiatieven neemt tegen bijvoorbeeld bezuinigingen. Revisie in 1994, Stb. 766. Adviseert over volkshuisvestingsaangelegenheden

De raad is een overlegorgaan tussen ambtenaren, belast met volkshuisvestingtaken, de woningbouwcorporaties, architecten en gemeentelijke inspraakorganen. De raad kan bijzondere commissies instellen die optreden als permanent adviesorgaan. De vergaderingen van de RAVO en zijn bijzondere commissies worden in ieder geval bijgewoond door de inspecteur voor de Volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur) volkshuisvesting (Hoofd Ingenieur Directeur) voor de volkshuisvesting. De RAVO ging met ingang van 1 januari 1997 op in de VROM-raad

Waardering: B 1

55

Actor: Eerste/Tweede Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting/Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het opstellen van wet- en regelgeving met betrekking tot de volkshuisvesting

Periode: 1946–1997

Grondslag: Woningwet, 1962

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

22

Actor: Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO)

Handeling: Het (minstens) eenmaal per jaar in overleg treden met de Minister van Volkshuisvesting over de werkzaamheden van de Raad van de volkshuisvesting voor de komende twaalf maanden

Periode: 1992–1996

Grondslag: Woningwet 1992, art. 92, onder f, lid 1 (Stb. 1994, 766)

Bron:

Product:

Opmerking: Deze taak wordt door de voorzitter uitgevoerd. Het opstellen van een overzicht van de werkzaamheden voor de komende twaalf maanden maakt deel uit van deze handeling

Waardering: B 1

23

Actor: Raad voor de Volkshuisvesting (RAVO)

Handeling: Het – minimaal eens in de vier jaar – opstellen van een rapport over het functioneren en de werkwijze van de Raad en het doen van voorstellen over gewenste veranderingen

Periode: 1992–1996

Grondslag: Woningwet 1992, art. 89, onder f, lid 1 (Stb. 1994, 766)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1, 2

21.2. Overige raden voor de volkshuisvesting

86

Actor: Raad voor Herstel en Wederopbouw

Handeling: Het adviseren van het college van Algemene Commissarissen

Periode: 1946–1950

Grondslag:

Bron:

Product: Instellingsbeschikking

Opmerking:

Waardering: B 1

366

Actor: Raad voor de Woningbouw

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de harmonisatie van gemeentelijke bouwvoorschriften

Periode: 1955–1961

Grondslag:

Bron:

Product: Model-bouwverordening 1952

Opmerking:

Waardering: B 1

57

Actor: Raad van advies voor de Ruimtelijke Ordening (RARO)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het opstellen van wet- en regelgeving met betrekking tot de volkshuisvesting

Periode: 1965–1994

Grondslag:

Bron: Nota van toelichting bij het Besluit locatiegebonden subsidies (Stb. 1994, 57)

Product:

Opmerking: Deze raad is in zijn functie later gedeeltelijk vervangen door het Interprovinciaal Overleg

Waardering: B 1

67

Actor: Raad voor het Milieubeheer

Handeling: Het adviseren van de minister bij de opstelling van wijzigingen in het Bouwbesluit en van bouwverordeningen

Periode: 1980–1996

Grondslag:

Bron: NMP, Plan van aanpak Duurzaam Bouwen

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

22. Handelingen van adviescommissies

22.1. Commissie van advies voor de woningbouw (CAW)

24

Actor: Commissie van Advies voor de Woningbouw (CAW)

Handeling: Het geven van advies inzake de financiering van het bouwbeleid

Periode: 1941–1995

Grondslag: Stcrt 1982, 147

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

25

Actor: Commissie van Advies voor de Woningbouw (CAW)

Handeling: Het geven van advies inzake bouwprogramma’s

Periode: 1941–1995

Grondslag: Wederopbouwwet 1950, art. 15

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

56

Actor: Commissie van Advies voor de Woningbouw (CAW)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het opstellen van wetten en regels met betrekking tot de volkshuisvesting

Periode: 1941–1995

Grondslag: Taakstellingsbesluit Stcrt 1982, 147

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

185

Actor: Commissie van Advies voor de Woningbouw

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting inzake de bouw, financiering en exploitatie van woningwetwoningen

Periode: 1941–1995

Grondslag: Woningbesluit 1947

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

539

Actor: Commissie van Advies voor de Woningbouw

Handeling: Het adviseren van de minister op het terrein van de bouwvoorschriften

Periode: 1941–1995

Grondslag: Woningbesluit 1947; Wederopbouwwet 22a, 1952

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

22.2. Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

8

Actor: Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

Handeling: Het jaarlijks opstellen van een programma-advies ten behoeve van het volkshuisvestingsprogramma

Periode: 1985–1997

Grondslag: Woningwet, 1962, art. 57

Bron:

Product:

Opmerking: De Rijkscommissie van de volkshuisvesting (RCV) werd ingesteld in 1985, Stcrt. 216. Zij kreeg ruimere bevoegdheden en een wettelijke status in de Woningwet 1991 Vanaf die datum functioneert er ook een zelfstandige voorzitter. Met de invoering van de woningwet en het Besluit woninggebonden subsidies is de commissie niet meer belast met verdeelsleutels van woningwetwoningen. De Rijkscommissie coördineert de werkzaamheden van Provinciale Commissies voor Volkshuisvesting, PKV’s, die op hun beurt de Gedeputeerde Staten adviseren bij hun opstelling van huisvestingsplannen

De commissie bestaat uit de Directeur-Generaal voor de Volkshuisvesting als voorzitter, de DG Ruimtelijke Ordening als plkaatsvervangend voorzitter, ambtenaren van VROM, EZ, Binnenlandse Zaken, Sociale Zaken, de afdeling Ruimtelijke Ordening van het IPO, de directeur van het VNG en een wethouder van de vier grote steden. Zij adviseert de minister over woningbouwprogramma’s van de gemeenten over de periode 1985–1992. Na invoering van het Besluit Woninggebonden Subsidies adviseert zij de minister alleen nog maar over de periodieke herziening van de verdeelsleutels van de toe te kennen subsidies. Vanaf 1992 heeft de RCV een van het Ministerie van VROM onafhankelijke voorzitter

De commissie kon haar taak beeïndigen ten gevolge van de Wijzigingswet op de stads- en dorpsvernieuwing in 1997

Waardering: B 1

26

Actor: Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het opstellen van regelingen met betrekking tot de financiering en subsidiëring van de volkshuisvesting

Periode: 1985–1997

Grondslag: Stcrt. 1985, 216

Bron:

Product:

Opmerking: Deze aanbevelingen dienen in ieder geval gedaan te worden bij:

beleidsvoornemens inzake de planning en programmering van te bouwen woningen of te treffen voorzieningen; de programma’s van te bouwen woningen of te treffen voorzieningen; de verdeling van de vastgestelde programma’s, zoals vastgelegd in de Meerjarenplanning Woningbouw. Alvorens deze commissie advies uitbrengt, hoort zij Gedeputeerde Staten van de provincies

Waardering: B 1

28

Actor: Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

Handeling: Het instellen van werkgroepen

Periode: 1985–1997

Grondslag: Stcrt. 1985, 216

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

29

Actor: Rijkscommissie voor de volkshuisvesting

Handeling: Het mede toedelen van woningcontingenten naar aanleiding van aanvragen van GS voor geldelijke steun ten behoeve van de volkshuisvesting

Periode: 1985–1997

Grondslag: Instellingsbesluit Centraal Orgaan voor de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid en zijn rechtsopvolgers

Bron:

Product: Advies voor een Verdeelbrief.

Opmerking: De commissies kregen een wettelijke status bij de herziening van de Woningwet 1992. Het advies heeft betrekking op: de provinciale rol bij woningcontingenteringen, zeker vanaf 1970, de provinciale woningbouwprogramma’s, de uitsplitsing naar de verschillende subsidiecategorieën aan gemeenten, waarvoor de provincie verantwoordelijk is. De organen zijn tevens overlegpartners in centrale coördinerende commissies

Waardering: B 5

264

Actor: Rijkscommissie voor de Volkshuisvesting

Handeling: Het adviseren van de minister over de verdeelsleutel en normbedragen van op aanvrage toe te kennen subsidies aan gemeenten

Periode: 1985–1997

Grondslag: Dit advies wordt verstrekt aan de gemeenten voor de toewijzing van rijksvoorkeurswoningen

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

22.3. Rijksplanologische Commissie (RPC)

58

Actor: Rijksplanologische Commissie (RPC)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het opstellen van wet- en regelgeving met betrekking tot de volkshuisvesting

Periode: 1965–

Grondslag:

Bron: Nota van toelichting bij het Besluit locatiegebonden subsidies (Stb. 1994, 57)

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

297

Actor: Rijksplanologische Commissie

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de goedkeuring van een door de gemeente aangewezen interimsaldoregelingsgebied

Periode: 1975–1985

Grondslag: Interimsaldoregeling (ISR)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

310

Actor: Rijksplanologische Commissie

Handeling: Het adviseren van de minister inzake aanvragen met betrekking tot de financiering en subsidiëring van te bouwen woongebieden

Periode: 1985–

Grondslag: Locatiesubsidieregeling 1992, art. 29, lid 2, (Stcrt. 1991, 187)

Bron:

Product:

Opmerking: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer omtrent het opstellen van een uitvoeringscontract maakt deel uit van deze handeling (art. 3, Besluit locatiegebonden subsidies (Stb. 1994, 57)

Waardering: B 1

22.4. De Commissie Bijdragen Stedelijke Werken (CBSW) en de Coördinatiecommissie stadsvernieuwing (CCSV)

30

Actor: Commissie Bijdragen Stedelijke Werken (CBSW);Coördinatiecommissie stadsvernieuwing (CCSV)

Handeling: Het adviseren inzake beleidsvoorstellen op het gebied van stadsvernieuwing

Periode: 1969–1994

Grondslag: Instellingsbesluit 1969, Wet Stads en Dorpsvernieuwing (WSDV), art. 4, lid 2, 1989

Bron:

Product:

Opmerking: De Commissie Bijdragen Stedelijke Werken (CBSW) functioneerde van 1969–1974

en werd opgevolgd door de CCSV. De adviezen betroffen onder meer beleidsnota’s van het ministerie inzake stadsvernieuwing, bijvoorbeeld de ‘beleidskaders’ vanaf 1978. De taken van de commissie werden beeïndigd met ingang van 1998 door de inwerkingtreding van de Wijzigingswet stads- en dorpsvernieuwing

Waardering: B 1

31

Actor: Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing (CCSV)

Handeling: Het opstellen van meerjarenplannen inzake de stadsvernieuwing

Periode: 1974–1994

Grondslag: Wet Stads en Dorpsvernieuwing (WDSV) art. 4, lid 2

Bron:

Product: Meerjarenplan Stadsvernieuwing 1988–1992

Opmerking:

Waardering: B 1

297

Actor: Coördinatiecommisie Stadsvernieuwing (CCSV)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de goedkeuring van een door de gemeente aangewezen interimsaldoregelingsgebied

Periode: 1974–1994

Grondslag: Interimsaldoregeling (ISR)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

302

Actor: Commissie Bijdragen Stedelijke Werken; Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing

Handeling: Het adviseren inzake subsidie-aanvragen van gemeenten voor stadsvernieuwingsprojecten

Periode: 1969–1997

Grondslag: Instellingsbesluit 1969, Stb. 175

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

317

Actor: Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing. (CCSV)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de jaarlijkse uitkering aan de stadsvernieuwingsfondsen

Periode: 1974–1994

Grondslag: Wet Stads en Dorpsvernieuwing, (WSDV), art. 4 Besluit Stads en Dorpsvernieuwing, (SDV) art. 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

22.5. IWKW en het ICOG

34

Actor: Interdepartmentale Werkgroep Knelpunten in de Woningbouw (IWKW);

Interdepartementale Commissie Groeikernen en Groeisteden (ICOG)

Handeling: Het houden van bestuursvergaderingen en van plenaire vergaderingen met interdepartementale deelnemers

Periode: 1972–1994

Grondslag:

Bron: A.W. Faber, Werk in uitvoering, p. 36, 1997

Product: Agenda’s, notulen

Opmerking: De IWKW beeïdigde zijn taak in 1977. De ICOG volgde op en had haar laatste vergadering bij het beoordelen van de Vinex-convenanten, de overeenkomsten voor nieuwe bouwprogramma’s en woningkwaliteit volgens de Vierde Nota Volkshuisvesting Extra

Waardering: B 1

35

Actor: Interdepartmentale Werkgroep Knelpunten in de Woningbouw (IWKW);

Interdepartementale Commissie Groeikernen en Groeisteden (ICOG)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het woningbouwbeleid in verstedelijkte gebieden en bij uitbreidingsplannen

Periode: 1972–1994

Grondslag:

Bron: A.W. Faber, Werk in uitvoering, p. 36, 1997

Product: Advies, studierapport

Opmerking:

Waardering: B 1

48

Actor: Interdepartementale Werkgroep Knelpunten Woningbouw (IWKW); Interdepartementale Commissie Groeikernen en Groeisteden (ICOG)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de oprichting van overlegorganen in groeikerngebieden

Periode: 1972–1994

Grondslag:

Bron: A.W. Faber, Werk in uitvoering, p. 36. (1997)

Product:

Opmerking: Opgericht zijn de Stuurgroep Noordelijke deel Randstad (2 nov. 1972), de Coordinatiecommissie Urbanisatiebeleid (CCUB, door GS Zuid-Holland)

Waardering: B 1

289

Actor: Interdepartementale Werkgroep Knelpunten Woningbouw (IWKW); Interdepartementale Commissie Groeikernen en Groeisteden (ICOG))

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de administratie van de subsidiëring van groeikernen en groeisteden en van andere grote infrastructurele voorzieningen

Periode: 1972–1994

Grondslag: Instellingsbesluit ICOG, KB 25 maart 1977, nr. 115

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

303

Actor: Interdepartementale Werkgroep Knelpunten Woningbouw (IWKW); Interdepartementale Commisse Groeikernen en Groeisteden (ICOG)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake aanvragen met betrekking tot de financiering en subsidiëring van groeikernen en groeisteden en van andere grote infrastructurele voorzieningen

Periode: 1972–1994

Grondslag: Instellingsbesluit ICOG, KB 25 maart 1977, nr. 115; Locatiesubsidieregeling 1992 (Stcrt. 1991, 187); art. 29, lid 2, SGB-regeling

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft adviezen met betrekking tot de uitvoering van HIS-regelingen en andere subsidies na de vaststelling van de zg. ‘drietrapsraket’

Waardering: B 1

22.6. Adviescommissie toelating instellingen volkshuisvesting; Adviescommissie toelating woningcorporaties

117

Actor: Adviescommissie toelating instellingen volkshuisvesting; Adviescommissie toelating woningcorporaties

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het opstellen van (nadere) regels met betrekking tot het handelen van woningcorporaties

Periode: 1965–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: De Adviescommissie toelating instellingen volkshuisvesting is in 1992 opgevolgd

door de Adviescommissie toelating woningcorporaties

Waardering: B 1

120

Actor: Adviescommissie toelating instellingen volkshuisvesting; Adviescommissie toelating woningcorporaties

Handeling: Het adviseren van de minister inzake het toelaten, de exploitatie en het beheer van woningcorporaties

Periode: 1965–

Grondslag: Toelatingsbesluit volkshuisvesting, art. 5, lid 1, onder b, Stb. 1965, 330)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

143

Actor: Adviescommissie toelating instellingen volkshuisvesting;Adviescommissie toelating woningbouwcorporaties

Handeling: Het adviseren van de minister bij het treffen van maatregelen tegen een toegelaten instelling naar aanleiding van haar handelen of nalaten

Periode: 1965–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

22.7. Huurcommissie

518

Actor: Huurcommissie

Handeling: Het adviseren aan B&W en de Minister van VROM inzake de redelijkheid van een door aanvrager van een huursubsidie te betalen huurprijs

Periode: 1979–

Grondslag: Wet op de Huurcommissies art. 3 a (Stb. 1979, 332), ingetr. Stb. 2003, 230; Uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte art. 5.5, 6.b (Stb. 2003, 230)

Bron:

Product: Advies huurprijs

Opmerking: Met ingang van 1 juli 1995 moest de gemeente bij een aanvrage van individuele huursubsidie een verklaring aan de minister sturen over de redelijkheid van een huurbedrag. Tot 1 agustus 2003 werd het advies aan B&W uitgebracht. Na het aannemen van de Uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte wordt aan de minister geadviseerd

Waardering: V, 10 jaar

525

Actor: Huurcommissie

Handeling: Het op aanvraag van huurders of verhuurders adviseren bij huurgeschillen

Periode: 1979–

Grondslag: Huurwet art. 11 (Stb. 1979, 230), ingetr. Stb. 2003, 230; Wet op de Huurcommissies, art. 11–13. (Stb. 1979, 332) ingetr. Stb. 2003, 230; Uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte art. 4–6, (Stb. 2003, 230)

Bron: Interview mevr. C. Koster

Product: Advies/uitspraak gebruiksvergoeding, aanvullende vergoeding, huurprijs, overige huurgeschillen

Opmerking: Na het vervallen van de Huurwet en de Huurprijzenwet woonruimte per 1-8-2003 heeft de huurcommissie alleen nog de bevoegdheid om advies te geven in geschillen over geliberaliseerde huurovereenkomsten (art. 5 lid 5 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw)

Bevoegdheid om advies te geven over de huurprijs na woningverbetering (art. 10 Huurprijzenwet woonruimte) is omgezet in een bevoegdheid om uitspraak te doen (cf. art. 10a Huurprijzenwet woonruimte; art. 7:255 BW jo. art. 4 lid 2 sub d Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte)

De bevoegdheid om advies te geven over onredelijke bedingen in de huurovereenkomst (art. 6 Huurprijzenwet woonruimte) is komen te vervallen

De bevoegdheid om advies te geven over een gebruiksvergoeding is nu een bevoegdheid om uitspraak te doen over een gebruiksvergoeding (art. 5 lid 1 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte)

Waardering: V, 10 jaar

526

Actor: Huurcommissie

Handeling: Het vaststellen van de bewoonbare staat van goedkope vooroorlogse woningen

Periode: 1970–2003

Grondslag: Huurwet, art. 5 (Stb. 1969, 557), ingetr. Stb. 2003, 230

Bron:

Product:

Opmerking: De zg. ‘huizen onder de huurwaarde’ betreffen woningen waarvan de huur lager is dan een aan de hand van tabellen per gemeente of wijk vastgesteld bedrag; de huuradviescommissie moet in dat geval vaststellen of de woning voldoende bewoonbaar is voor een huurverhoging van 20%

Waardering: V, 10 jaar

529

Actor: Huurcommissie

Handeling: Het aanhouden van een openbaar register van de huurcommissieuitspraken

Periode: Wet op de Huurcommissies art. 22 (Stb. 1979, 332) ingetr. Stb. 2003, 230

Uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte art. 42 (Stb. 2003, 230)

Grondslag: 1979–

Bron: Interview mevr. C. Koster

Product: Uitspraken als onderdeel woonruimtedossier

Opmerking: Het betreft de registratie van de slotwoorden van de uitspraken van de Huurcommissies en van de voorzitters van de Huurcommissies, met weglating van de namen van de betrokken huurders en verhuurders. Bij circulaire van 11 oktober 1979, nr. 301 112 heeft de minister formulieren vastgesteld waarop de in het register te vermelden gegevens dienen te worden ingevuld. De registratie vindt in de praktijk plaats door toevoeging van de uitspraken van de commissie en kantonrechter aan het pandendossier (woonruimte-dossier)

Waardering: B 5 (uitspraken in zaken die beleidsgevolgen hebben); V, 10 jaar (overige uitspraken)

530

Actor: Huurcommissie

Handeling: Het jaarlijks verslag uitbrengen inzake de verrichte werkzaamheden

Periode: 1979–

Grondslag: Wet op de Huurcommissies art. 24 (Stb. 1979, 332), ingetr. Stb. 2003, 230;

Uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte art. 43 (Stb. 2003, 230)

Bron: Interview mevr. C. Koster

Product: jaarverslag

Opmerking: Dit verslag is gericht aan de minister, GS en de kantonrechter van het district. Het is openbaar. In dit verslag is een analyse van kantonrechtersuitspraken opgenomen

Bovendien worden de in het verslagjaar genomen beleidsbesluiten van de huurcommissies in het verslag vermeld of wordt naar de nieuwe beleidsnotities verwezen

Waardering: B 3

22.8. Klachtencommissie Gehandicapten

224

Actor: Klachtencommissie Gehandicapten

Handeling: Het adviseren van de minister inzake knelpunten met betrekking tot het subsidie-beleid aan gehandicapten

Periode: 1986–1994

Grondslag: Instellingsbeschikking 1986, art. 2b

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

261

Actor: Klachtencommissie gehandicapten

Handeling: Het behandelen van klachten van gehandicapte aanvragers voor geldelijke steun voor aangepaste huisvesting

Periode: 1986–1994

Grondslag: Instellingsbeschikking 1986, art. 2a

Bron:

Product:

Opmerking: De klachtencommissie is in 1986 ingesteld en heeft een nieuw reglement vanaf 1989. Deze klachtencommissie is ingesteld om de drempel tot een bezwaar of (hoger) beroep inzake beschikkingen op aanvragen voor een subsidie voor aan te passen woningen te verlagen

Waardering: V, 10 jaar

22.9. (Adviescommissie) Studiecommissie inzake experimentele woningbouw

556

Actor: (Adviescommissie) Studiecommissie inzake experimentele woningbouw

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting bij de vaststelling van subsidiecriteria met betrekking tot experimentele woningbouw

Periode: 1968–1979

Grondslag: Reglement Adviescommissie Experimentele Woningbouw, art. 12, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

557

Actor: (Adviescommissie) Studiecommissie inzake experimentele woningbouw

Handeling: Het berekenen van normen voor de vaststelling van interne regels voor de erkenning van experimentele woningbouw

Periode: 1968–1979

Grondslag: Reglement Adviescommissie Experimentele Woningbouw, art. 3, lid 1, art. 10, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

559

Actor: (Adviescommissie) Studiecommissie inzake experimentele woningbouw

Handeling: Het erkennen van plannen van experimentele woningbouw

Periode: 1968–1979

Grondslag: Reglement Adviescommissie Experimentele Woningbouw, art. 10

Bron:

Product:

Opmerking: Over niet erkende plannen doet de commissie rechtstreeks mededeling aan de aanvrager

Waardering: B 5

22.10. Overige volkshuisvestingscommissies en overlegorganen

470

Actor: Commissie van beroep inzake vergoedingen voor gevorderde woonruimte

Handeling: Het in beroep nader vaststellen van vergoedingen voor gevorderde woonruimte en/of gebouwen

Periode: 1947–1965

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 13, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Zolang het bedrag door de commissie niet is vastgesteld, vindt het verhaal van de woon- of andere ruimte niet plaats

Waardering: V, 6 jaar

365

Actor: Studiecommissie Bouwvoorschriften (commissie Mazure)

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de harmonisatie van gemeentelijke bouwvoorschriften

Periode: 1949–1952

Grondslag:

Bron:

Product: Model-bouwverordening. 1952

Opmerking:

Waardering: B 1

540

Actor: Studiecommissie bouwvoorschriften (Commissie Mazure)

Handeling: Het opstellen van model-bouwvoorschriften

Periode: 1949–1952

Grondslag: Nota van toelichting Bouwbesluit (Stb. 1991, 680)

Bron:

Product:

Opmerking: In 1952 werd door deze commissie een eerste aanzet gegeven tot een model-bouwverordening. Dit model werd niet dwingend opgelegd. Een deel van de voorschriften die staan in dit model zijn in 1956 overgenomen in het Besluit Uniforme Bouwvoorschriften. In vervolg op de model-bouwverordening heeft het VNG een eigen model-bouwverordening opgesteld (zie verder paragraaf gemeentelijke bouwverordeningen)

Waardering: B 5

293

Actor: Commissie Bijdragen Stedelijke Werken

Handeling: Het adviseren van de Ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat inzake de subsidiering van sanerings- en reconstructieplannen

Periode: 1963–1985

Grondslag: Besluit bijdragen reconstructie- en saneringsplannen (BBS) 1963

Bron:

Product:

Opmerking: Deze advisering is bij iedere subsidieaanvraag verplicht gesteld. De preadviezen werden nader uitgebracht door de DGVH of de RPD naargelang het een saneringsplan of reconstructieplan betrof

Waardering: V, 5 jaar

541

Actor: Stuurgroep Efficiënte Woningbouw

Handeling: Het doen ontwerpen van bouwsystemen en bouwmethoden

Periode: 1965–1998

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 20, lid 2

Bron:

Product: Materialenlijsten. Praktijkhandboek bouwkwaliteit

Opmerking: De uitvoerende instelling is de Stichting Bouwresearch, een organisatie die vertegenwoordigd is uit alle landelijke organisaties op het gebied van de bouw. De stichting geeft o.m. richtlijnen uit die door deze organen als beginsel worden goedgekeurd. De richtlijnen worden gekoppeld aan voorschriften, uitgevaardigd door de Commission Européenne de Normalisation (CEN). De gegevens kunnen als bindend voorschrift worden toegepast als regels in het kader van het Bouwbesluit

De hier beschreven handeling heeft betrekking op adviezen die De Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de ruimte geven om bepaalde bouwsystemen te bevorderen of toe te laten. De handelingen maken vanaf 1995 deel uit van projecten die in het Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen zijn omschreven

Waardering: B 5

577

Actor: Stuurgroep Efficiënte Woningbouw

Handeling: Het subsidiëren van particulieren bij de toepassing van duurzame bouwsystemen en bouwmethoden

Periode: 1995–1998

Grondslag:

Bron: Tijdelijke stimuleringsregeling duurzaam bouwen; 2e voortgangsrapportage van het Tweede Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen

Product:

Opmerking: De regeling heeft betrekking op concrete projecten als verwijdering loden waterleidingen

Waardering: V, 6 jaar

578

Actor: Stuurgroep Efficiënte Woningbouw

Handeling: Het opstellen van handleidingen, richtlijnen en voorlichtingsmateriaal inzake duurzaam woningbeheer

Periode: 1995–1998

Grondslag:

Bron: Plan van aanpak duurzaam bouwen 1995, p. 10, 31; de nationale paketten

Product: Handleiding duurzaam woningbeheer. Handleiding duurzaam beheer van ulitiliteitsgebouwen. Milieubewust materiaal kiezen

Opmerking: Hierbij is inbegrepen het aanmerken van documenten van de groepen of van derden als standaarddocumenten duurzaam bouwen

Waardering: B 5

37

Actor: Commissie van advies inzake de Woonwagenwet

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de uitvoering van de Woonwagenwet en andere woonwagenaangelegenheden

Periode: 1970–1990

Grondslag: Woonwagenwet, art. 42

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

641

Actor: Adviescommissie Goede en Goedkope Woningen

Handeling: Het beoordelen van bouwplannen op het realiseren van goede en goedkope woningen

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbeschikking 13 juni 1974. Circulaire gemeenten 16 juli 1979 inzake opheffing van de regeling goede en goedkope woningen

Bron:

Product:

Opmerking: Deze niet-ambtelijke commissie ingesteld door minister Gruijters had tot doel de gemeentelijke bouwplannen te beoordelen op het realiseren van goede en goedkope woningen. Het toekennen van het predicaat ‘goed en goedkoop’ resulteerde in een subsidie. Doordat plannen voor stadsvernieuwing, groeikernen en groeisteden rekening hielden met de beschikbaarheid van goede huurwoningen werd deze regeling overbodig

Waardering: B 1

83

Actor: Staatscommissie Kleijn

Handeling: Het adviseren bij de voorbereiding van wettelijke regelingen met betrekking tot architectenbescherming

Periode: 1980–1987

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

228

Actor: Commissie Verdeling Rijkssteun Woningbouw

Handeling: Het adviseren van de minister aan de hand van adviezen van de provinciale Adviescommissies voor de Verdeling van Rijkssteun Woningbouw of Provinciale Commissie voor de Volkshuisvesting

Periode: 1980–1988

Grondslag: Stcrt. 1980, 22

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

229

Actor: Commissie Verdeling Rijkssteun Woningbouw

Handeling: Het instellen van werkgroepen

Periode: 1980–1988

Grondslag: Stcrt. 1980, 22

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 4

277

Actor: Adviescommissie PREGO

Handeling: Het adviseren van de minister bij subsidie-aanvragen

Periode: 1982–1989

Grondslag: Regeling Project Rationeel Enegiegebruik in de Gebouwde Omgeving: (PREGO), art. 6, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

590

Actor: Commissie voor toelating van architecten; Commissie voor toelating van stedebouwkundigen; Commissie voor toelating van landschaps- en tuinarchitecten; Commissie voor toelating van interieurarchitecten

Handeling: Het op verzoek uitreiken van een aanwijzing tot inschrijving in het architectenregister

Periode: 1987–1989

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 30

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar

222

Actor: Centrale Overleggroep Huisvesting Gehandicapten

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting inzake subsidiebeleid aan gehandicapten

Periode: 1990–1994

Grondslag:

Bron: Instellingsbeschikking 1990

Product:

Opmerking: De commissie moest antwoord geven op de problemen met betrekking tot grote stijgingen van de uitkeringspost in de begroting voor 1991 en daarna. Deze waren deels het gevolg van achterstanden bij de afhandeling van subsidie-aanvragen door de gemeenten. Deze groep was een overlegorgaan tussen het Ministerie van Sociale Zaken, Gemeentelijke Maatschappelijke Diensten, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en VROM inzake de verdeling tussen woningaanpassingen en voorzieningen van gehandicapten. Het overleg ter uitvoering van de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten is opgenomen in de Wet voorzieningen gehandicapten van 1994 en daarmee is de taak van het overleg vervallen

Waardering: B 1

23. Handelingen van organisaties op het gebied van de volkshuisvesting

23.1. Stichting Duurzaam Bouwen

66

Actor: Stichting Duurzaam Bouwen

Handeling: Het adviseren van de minister bij de opstelling van wijzigingen in het Bouwbesluit en van nadere bouwvoorschriften

Periode: 1992–1995

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

244

Actor: Stichting Duurzaam Bouwen

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting bij de uitkering van subsidies inzake duurzame verbeteringen aan woningen en andere vormen van duurzaam bouwen

Periode: 1992–1995

Grondslag:

Bron: Plan van aanpak

Product:

Opmerking: Voorbeelden zijn: isolatie, vervanging van loden waterleidingen, e.d. Een deel van de subsidieregelingen wordt ook opgesteld in het kader van het milieubeheer

Waardering: V, 5 jaar

282

Actor: Stichting Duurzaam Bouwen

Handeling: Het adviseren van de minister bij de opstelling van subsidieregelingen inzake door de plannen van aanpak aanbevolen verbeteringen aan woningen en andere vormen van duurzaam bouwen

Periode: 1992–1995

Grondslag:

Bron: Plan van aanpak Duurzaam Bouwen

Product: Isolatie, vervanging van loden waterleidingen, e.d.

Opmerking: Een deel van de subsidieregelingen wordt ook opgesteld in het kader van het milieubeheer. De uitvoering van deze regelingen geschiedt door de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in het kader van budgetsubsidies aan de gemeentes voor de volkshuisvesting in het kader van subsidieregelingen aan de gemeentes in verband met het milieubeheer (BUGM, VOGM, zie daarover de PIVOT-rapportage inzake milieubeheer) de SEV en de door subsidieregels ondersteunde gemeente, op aanvrage van belanghebbende

Waardering: B 5

23.2. Stichting Ratiobouw

537

Actor: Stichting Ratiobouw

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting inzake de standaardisatie en normalisatie van bouwtechnische voorschriften en bouwmateriaal

Periode: 1945–1965

Grondslag: Wederopbouwwet, 171, art. 20, lid 2

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting in goud

Product: Standaard-plattegronden van eensgezinsrijen of étagewoningen; Lijsten van bouwmaterialen en bouwsystemen; Standaad referentiebestekken en ontwerpen van referentiewoningen; Keuzeplannen voor woningtypen; Eco-quantum

Opmerking: Het (laten) verrichten van onderzoek naar bouwsystemen en bouwmethoden maakt deel uit van deze handeling.. De resultaten kunnen leiden tot normen voor te subsidieren woningen, normen voor de bouw, vastgelegd door het NNI en gegevens voor Voorschriften en Wenken

Waardering: B 3

388

Actor: Stichting Ratiobouw

Handeling: Het adviseren van de minister inzake van de gemeentelijke bouwverordeningen afwijkende bouwsystemen

Periode: 1945–1965

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 20, lid 2

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting in goud, 171

Product:

Opmerking: Positieve adviezen leidde tot goedkeuring van verzoeken van bouworganisaties om af te wijken van gemeentelijke bouwverordeningen

Waardering: B 1

550

Actor: Stichting Ratiobouw

Handeling: Het adviseren van de minister inzake extra subsidies voor arbeidsbesparende bouwtechnische procédés door de aanvragende gemeenten

Periode: 1945–1965

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 20, lid 2

Bron: De Vreeze, Woningbouw: inspiratie en ambities p. 258

Product:

Opmerking: Ratiobouw berekende welke arbeid er kon worden bespaard door de invoering van de aangegeven bouwmethoden

Waardering: B 1

23.3. Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

157

Actor: Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het adviseren inzake de opstelling van normen voor bijzondere categorieën gebouwen

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking: Bureau Documentatie Bouwwezen was actief van 1945–1950. Het Bouwcentrum nam deze taak over. om aan de hand van verzamelde gegevens over bestaande gebouwen tot normen te komen over de bouw- en exploitatiekosten. Deze normen vormen ook uitgangspunt voor adviezen aan particulieren

De naam van het Bouwcentrum is gewijzigd in PRC Project Coördinatie Rationalisatie Bouwcentrum. De organisatie adviseert ondernemingen, overheden en instellingen op het gebied van bouw, huisvesting, ruimtelijke ontwikkeling, infrastructuur, vastgoed en duurzame ontwikkeling. De organisatie is in 2004 door adviesbureau Arcadis overgenomen, echter zonder dat van taakwijziging van het PRC (Projecten Rationalisatie en Coördinatie) sprake is

Waardering: B 1

167

Actor: Studie- en beoordelingsraad ziekenhuiswezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het beoordelen van aanvragen van bouwers van ziekenhuizen om subsidie of om toelating

Periode: 1945–

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 17, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: De Studie- en beoordelingsraad ziekenhuiswezen functioneerde van 1945 tot 1950

De taak werd overgenomen door het Bouwcentrum

Waardering: V, 6 jaar

218

Actor: Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het adviseren van overheidsinstellingen inzake door hen te bekostigen bouwwerken

Periode: 1945–

Grondslag: Beschikking risico-berekening 1948, art. 5

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft gebouwen die buiten het budget van de rijksoverheid vallen, maar waaraan de risico-berekening van het bureau als voorwaarde is gesteld

Waardering: V, 10 jaar

219

Actor: Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het opzetten van rekensystemen voor de risicoberekeningen van aangenomen werken

Periode: 1945–

Grondslag:

Bron: Archief Bouwcentrum

Product: Prijsindexen voor de bouw; documentatiesystemen voor risicoberekening

Opmerking: Deze risicoberekeningen kunnen worden toegepast voor de uitvoering van subsidieregelingen voor de bekostiging van woningbouw en andere gebouwen en voor de toelating van bouwplannen voor bijzondere gebouwen

Waardering: V, 5 jaar na verval/wijziging systeem

537

Actor: Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting inzake de standaardisatie en normalisatie van bouwtechnische voorschriften en bouwmateriaal

Periode: 1945–

Grondslag: Wederopbouwwet, 171, art. 20, lid 2

Bron: J. v.d. Schaar, Volkshuisvesting in goud

Product: Standaard-plattegronden van eensgezinsrijen of étagewoningen; Lijsten van bouwmaterialen en bouwsystemen; Standaad referentiebestekken en ontwerpen van referentiewoningen; Keuzeplannen voor woningtypen; Eco-quantum

Opmerking: Het (laten) verrichten van onderzoek naar bouwsystemen en bouwmethoden maakt deel uit van deze handeling. De resultaten kunnen leiden tot normen voor te subsidieren woningen, normen voor de bouw, vastgelegd door het NNI

gegevens voor Voorschriften en Wenken

Waardering: B 3

538

Actor: Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het opstellen van modellen voor de berekening van kosten voor de bouw, het onderhoud en de exploitatie van bepaalde categorieën gebouwen

Periode: 1945–

Grondslag: Archief Bouwcentrum

Bron:

Product: Richtlijnen voor de bouw van ziekenhuizen Richtlijnen voor de bouw van recreatiecentra. Richtlijnen voor de bouw van bejaardenoorden

Opmerking: Deze modellen komen tot stand door middel van onderzoek naar bestaande gebouwen als gevolg van enquetes. Dergelijke onderzoeken leiden tot de inzameling van bouwtekeningen en/of modellen die als documentatie bewaard blijven

Waardering: V, 20 jaar

551

Actor: Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het vaststellen van risico’s voor aangenomen gebouwencomplexen, waarvoor een subsidie of verzoek om toelating is aangevraagd

Periode: 1945–

Grondslag: Beschikking risico-berekening 1948, art. 5

Bron:

Product: Berekende correctiefactor of risico-index

Opmerking:

Waardering: V, 20 jaar

552

Actor: Bureau Documentatie Bouwwezen; PRC Bouwcentrum

Handeling: Het periodiek vaststellen van indexcijfers voor de bouwkosten voor gebouwen en gebouwencomplexen

Periode: 1945–

Grondslag: Beschikking risico-berekening 1948, art. 5

Bron:

Product: Lijst van bouwmaterialen en bouwsystemen

Opmerking: Hierbij is inbegrepen het opstellen van documentatie, het vaststellen van methodiek en het geven van richtlijnen voor onderzoek. Deze werkzaamheid, aanvankelijk uitgevoerd in opdracht van het rijk, wordt in toenemende mate ook verricht als dienst voor particulieren, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot verzelfstandiging van het bureau en integratie van dit bureau in het Bouwcentrum

Waardering: V, 10 jaar

23.4. Stuurgroep/Stichting Experimenten Volkshuisvesting. (SEV)

123

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het adviseren van de minister en de bij de woningbouw en volkshuisvesting betrokken marktpartijen inzake vernieuwing in de woningbouw

Periode: 1982–

Grondslag: Beschikking voorschriften beredeneerd verslag van de werkzaamheden en jaarrekening toegelaten instellingen, art. 6a, lid 2 (Stcrt. 1977, 81)

Huisvestingsbesluit, art. 15, lid 3

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 3

Product: Adviezen experimenten volkshuisvesting; Adviezen inzake woningcorporaties, Adviezen subsidieaanvragen voor bijzondere woonvormen; Adviezen aanvragen tot toelating op het gebied van de verdeling van de woonruimte ter afwijking van regels van het Huisvestingsbesluit

Opmerking: De Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) is per 1988 gewijzigd in de Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) en heeft tot taak het bevorderen van vernieuwing in de woningbouw teneinde deze beter te laten aansluiten op de maatschappelijke en marktontwikkelingen. Tevens het bevorderen van de samenwerking tussen bij de woningbouw en volkshuisvesting betrokken marktpartijen, zowel onderling als in relatie tot de overheid

Waardering: B 1

568

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het jaarlijks opstellen van een experimentenprogramma voor de volkshuisvesting

Periode: 1982–

Grondslag: Besluit instelling stuurgroep experimenten volkshuisvesting, art. 5, lid 1, 7

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 3

Product: Jaarwerkplan, Meerjarenprogramma’s SEV

Opmerking:

Waardering: B 5

654

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het werven, selecteren, ondersteunen, begeleiden en evalueren van praktijkexperimenten inzake woningbouw en volkshuisvesting

Periode: 1982–

Grondslag: Besluit instelling stuurgroep experimenten volkshuisvesting, art. 5, lid 1

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 3

Product: Pilotsudies; Project stukken (correspondentie/documentatie)

Opmerking:

Waardering: B 5 (pilotstudies); V, 10 jaar (project stukken (correspondentie/documentatie))

569

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen van de werkzaamheden

Periode: 1982–

Grondslag: Structuurschets Bestuursdienst, p. 45

Bron:

Product: Prestatieverslag

Opmerking:

Waardering: B 3

571

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting. (SEV)

Handeling: Het doen van onderzoek in het kader van het experimentenprogramma

Periode: 1982–

Grondslag:

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 3; Meerjarenprogramma’s SEV

Product: Onderzoeksrapporten

Opmerking:

Waardering: B 5

655

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het doen organiseren van publiciteits- voorlichting- en kennisoverdrachtaciviteiten in het kader van het experimentenprogramma

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 3

Product: Periodieke publicaties in de SEV-reeks; Organisatie congressen

Opmerking:

Waardering: B 5 (publicaties; congresbijdragen)

656

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het voeren van overleg

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 5

Product: Bestuurlijk overleg met de minister; intern overleg

Opmerking:

Waardering: B 1 (overleg met de minister); V, 5 jaar (intern overleg)

657

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het organiseren, wijzigen en uitbreiden van de interne organisatie van de SEV

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 4 lid 6, 7, art. 10, art. 11

Product: Aanwijzing secretaris, penningmeester, interne delegatie, instelling werkgroepen, wijziging statuten

Opmerking:

Waardering: B (wijziging statuten); V, 20 jaar (overige stukken)

662

Actor: Stuurgroep/Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV)

Handeling: Het kopen, vreemden en bezwaren van registergoederen, het aangaan van financiële verbintenissen en het aangaan of verbreken van samenwerking met andere rechtspersonen

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 4 lid10, art. 8 lid 7

Product: Contracten

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging contract

665

Actor: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

Handeling: Het benoemen van secretaris, voorzitter en leden van de Stichting Stuurgroep

Experimenten Volkshuisvesting

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Statuten Stichting SEV (9 juni 1988) art. 4 lid 10, art. 4 lid 1

Product: Beschikking

Opmerking:

Waardering: V, 5 jaar na beëindiging van functie

23.5. Directeur van het Grootboek voor Woningverbetering

248

Actor: Directeur van het Grootboek voor Woningverbetering

Handeling: Het registreren van betalingen, rentebijschrijvingen en uitkeringen van het grootboek

Periode: 1957–1960

Grondslag: Wet Grootboek Woningverbetering, art. 3

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

249

Actor: Directeur van het Grootboek voor Woningverbetering

Handeling: Het invorderen van inschrijvingen in het grootboek aan eigenaars/verhuurders van oudere woningen

Periode: 1957–1960

Grondslag: Wet Grootboek Woningverbetering, art. 6–8

Bron:

Product:

Opmerking: Eigenaars van verhuurde panden, ouder dan 27 september 1940, meten zich aanmelden bij de directeur van het grootboek. Zij worden aangeslagen voor een bepaald bedrag uit de inkomsten van de huur, dat zij jaarlijks dienen over te maken. Bij niet betaling geschiedt een extra aanmaning, zo nodig gevolgd door een dwangbevel

Waardering: V, 6 jaar

250

Actor: Directeur van het Grootboek voor Woningverbetering

Handeling: Het op verzoek al dan niet uitkeren van gelden voor woningverbetering aan verhuurders van oudere woningen

Periode: 1957–1960

Grondslag: Wet Grootboek Woningverbetering, art. 12

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

23.6. Overige organisaties

47

Actor: Centraal Orgaan voor de Volkshuisvesting en Bouwnijverheid

Handeling: Het adviseren van de minister inzake de opstellingen uitvoering van bouwplannen

Periode: 1947–1977

Grondslag:

Bron: Instellingsakte, 1948

Product:

Opmerking: Het orgaan, dat vanaf 1947 informeel werkzaam was, adviseerde via de volgende subcommissies: Subcommissie, belast met de verdeling van het woningcontingent. Subcommissie voor openbare werken. Subcommissie voor toezicht op het bouwplan, met name i.v.m. materiaaltoelevering en arbeidsmarkt

Waardering: B 1

245

Actor: Stichting Bouwkwaliteit (SBK)

Handeling: Het adviseren van de minister over de nationale en internationale bouwregelgeving, kwaliteitsverklaringen voor bouwmateriaal en het erkennen van keuringsinstanties

Periode: 1987–

Grondslag: Circulaire inzake het Bouwbesluit (MG 92-27/Stcrt. 1992, 189)

Bron:

Product:

Opmerking: In de Harmonisatiecommissie Bouw (HCB) van de SBK, waarin het bouwwezen, de rijksoverheid en de Raad voor Accreditatie participeren, worden afspraken gemaakt over een gecoördineerde certificering- en attestatie van bouwprodukten en bouwkwaliteitsregelingen

Waardering: B 5

357

Actor: Stichting Bouwkwaliteit (SBK)

Handeling: Het afgeven van kwaliteitsverklaringen inzake bouwmateriaal

Periode: 1992–

Grondslag:

Bron: Circulaire inzake het Bouwbesluit (MG 92-27/Stcrt. 1992, 189)

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

543

Actor: Research Instituut voor de Woningbouw (RIW)

Handeling: Het doen van onderzoek inzake de ontwikkeling van de volkshuisvesting

Periode: 1969–1985

Grondslag:

Bron:

Product: Rapport Demografische ontwikkelingen en bouwen en wonen. 1984

Opmerking: Een onderzoeksintelling opgericht door prof. H. Primus

Waardering: B 1

553

Actor: Stichting Vorstverletbestrijding Bouwnijverheid

Handeling: Het verlenen van uitkeringen aan aannemers voor voorzieningen tot bestrijding van vorstverlet in de bouwnijverheid

Periode: 1946–1968

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

C. Handelingen van de overige zorgdragers

24. Handelingen van de zorgdrager Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

16

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het aanwijzen van personen die bevoegd zijn de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting bij te wonen

Periode: 1992–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Elk ministerie kan één ambtenaar sturen

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging vertegenwoordiging

17

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het bijwonen van de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439), art. 90, lid 2, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Ook andere ministers kunnen ambtenaren afvaardigen

Waardering: V, 5 jaar

49

Actor: Interdepartementale Stuurgroep Decentralisatie

Handeling: Het mede uitvoeren van proef- en uitvoeringsprojecten inzake decentralisatie, in het bijzonder bij de financiering van volkshuisvesting

Periode: 1980–

Grondslag:

Bron: J. Koffijberg, Tussen sturen en schipperen – decentralisatie van de volkshuisvesting (1997)

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 10 jaar

76

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het geven van nadere voorschriften of richtlijnen

Periode: 1947–1952

Grondslag: Woonruimtewet 1947

Bron:

Product: De uitreiking van woonvergunningen (art. 3), door de gemeente benoemen een commissie van advies in geval van vorderingen. (art. 8, lid 1), schadeloosstelling van eigenaars bij woonruimtevordering en inkwartiering. (art. 17, lid 1)

Opmerking:

Waardering: B 1

105

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het toetsen van aanwijzingen van woningbouwwerkzaamheden die buiten werking van gemeentelijke bouwverordeningen worden gesteld

Periode: 1945–1948

Grondslag: KB Stb. 1945, F 67, art. 20, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking: Tijdens de opstelling van het artikel lag deze bevoegdheid van De Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) van Binnenlandse Zaken als belast met het toezicht op de Woningwet 1901

Waardering: V, 5 jaar

163

Actor: Financiële Commissie Publiekrechtelijke Lichamen

Handeling: Het adviseren van de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer inzake aanvragen tot goedkeuring van wederopbouwplannen

Periode: 1950–1958

Grondslag: Wederopbouwwet, art. 5, lid 1

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

461

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het toetsen van gemeentelijke regels op het gebied van woonvergunningen

Periode: 1947–1952

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 4, lid 4

Bron:

Product:

Opmerking: De gemeente is verplicht onmiddellijk regels hiervoor op te stellen. Dit betreft zowel de regels die onmiddellijk in 1947 zijn opgesteld als naderhand gewijzigde regels

Waardering: V, 20 jaar

466

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het instellen van een commissie van beroep inzake vergoedingen voor gevorderde woonruimte en/of gebouwen

Periode: 1947–1952

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 13, lid 2

Bron:

Product: Beschikking betreffende de Beroepscommissies Woonruimtewet 1947

Opmerking:

Waardering: B 4

477

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het stellen van subsidieregels aan gemeenten voor de kosten van woonruimtevordering en schadeloosstelling

Periode: 1947–1952

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 21

Bron:

Product: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947, 10 september 1947

Opmerking:

Waardering: B 5

478

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor woonruimtevordering en schadeloosstelling

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 7 jaar

479

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor samenwerkingsorganen op het gebied van vrijwillige woningruil

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking: Een voorbeeld is de Stichting Interlocale Woningruilcentrale

Waardering: V, 7 jaar

487

Actor: Minister van Binnenlandse Zaken:

Handeling: Het geven van aanwijzingen inzake vordering van woonruimten voor gerepatrieerden door de inspecteur voor de Volkshuisvesting

Periode: 1950–1953

Grondslag: Wet Huisvesting gerepatrieerden, art. 3

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

25. Handelingen van de zorgdrager Minister van Financiën

16

Actor: Minister van Financiën

Handeling: Het aanwijzen van personen die bevoegd zijn de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting bij te wonen

Periode: 1992–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Elk ministerie kan één ambtenaar sturen

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging vertegenwoordiging

17

Actor: Minister van Financiën

Handeling: Het bijwonen van de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439), art. 90, lid 2, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Ook andere ministers kunnen ambtenaren afvaardigen

Waardering: V, 5 jaar

477

Actor: Minister van Financiën

Handeling: Het stellen van subsidieregels aan gemeenten voor de kosten van woonruimtevordering en schadeloosstelling

Periode: 1947–1952

Grondslag: Woonruimtewet 1947, art. 21

Bron:

Product: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947, 10 september 1947

Opmerking:

Waardering: B 5

478

Actor: Minister van Financiën

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor woonruimtevordering en schadeloosstelling

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 6 jaar

479

Actor: Minister van Financiën

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor samenwerkingsorganen op het gebied van vrijwillige woningruil

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking: Een voorbeeld is de Stichting Interlocale Woningruilcentrale

Waardering: V, 6 jaar

26. Handelingen van de zorgdrager Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

16

Actor: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Handeling: Het aanwijzen van personen die bevoegd zijn de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting bij te wonen

Periode: 1992–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Elk ministerie kan één ambtenaar sturen

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging vertegenwoordiging

17

Actor: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Handeling: Het bijwonen van de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439), art. 90, lid 2, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Ook andere ministers kunnen ambtenaren afvaardigen

Waardering: V, 10 jaar

40

Actor: Staatscommissie Vervanging Armenwet

Handeling: Het formuleren en evalueren van beleidsstandpunten inzake het woonwagenbeleid

Periode: 1947–1952

Grondslag:

Bron: D.A.Th. van Oijen, Je moet hier weg... hier komen mensen wonen. Woonwagenbeleid in Nederland 1890–1990, p. 174–178, 1993

Product:

Opmerking: Dit was een subcommissie voor de bestudering van het woonwagenvraagstuk

Waardering: B 1

41

Actor: Interdepartementale commissie woonwagenbeleid

Handeling: Het formuleren en evalueren van beleidsstandpunten inzake het woonwagenbeleid

Periode: 1974–1977

Grondslag:

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 1

478

Actor: Minister van Maatschappelijk Werk

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor woonruimtevordering en schadeloosstelling

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 7 jaar

479

Actor: Minister van Maatschappelijk Werk

Handeling: Het toekennen van een tegemoetkoming in de uitgaven van gemeentebesturen voor samenwerkingsorganen op het gebied van vrijwillige woningruil

Periode: 1947–1965

Grondslag: Beschikking tot het vaststellen van regelen betreffende de tegemoetkoming uit ’s Rijks middelen in de uitgaven der gemeentebesturen uit hoofde van Hoofdstuk II der Woonruimtewet 1947

Bron:

Product:

Opmerking: Een voorbeeld is de Stichting Interlocale Woningruilcentrale

Waardering: V, 7 jaar

480

Actor: Minister van Maatschappelijk Werk

Handeling: Het vaststellen van subsidieregelingen aan particulieren voor de kosten voor vrijmaking van woonruimten

Periode: 1947–1965

Grondslag: Subsidiebeschikking van 19 november 1957

Bron:

Product:

Opmerking: Het betreft hier voorzieningen in de inrichtingskosten waardoor extra gezinnen woongelegenheid worden geboden of in de kosten voor verhuizing naar een kleinere woning

Waardering: B 5

481

Actor: Minister van Maatschappelijk Werk

Handeling: Het toekennen van subsidies aan particulieren voor de vrijmaking van woonruimten

Periode: 1947–1965

Grondslag: Subsidiebeschikking van 19 november 1957

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: V, 7 jaar

496

Actor: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Handeling: Het adviseren van burgemeester en wethouders inzake het toewijzen van vrijgekomen rijksvoorkeurswoningen

Periode: 1945–

Grondslag: Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, art. 11 (Stcrt. 1988, 253)

Bron:

Product:

Opmerking:

Waardering: B 5

498

Actor: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Handeling: Het voordragen van voorkeursgerechtigden

Periode: 1989–

Grondslag: Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989, Art. 5, lid 2, (Stcrt. 1988, 253)

Bron:

Product:

Opmerking: Gedacht moet worden aan vluchtelingen of etnische minderheidsgroepen

Waardering: B 5

664

Actor: Minister van Maatschappelijk Werk

Handeling: Het geven van nadere voorschriften of richtlijnen inzake de volkshuisvesting

Periode: 1952–1965

Grondslag: Woonruimtewet 1947

Bron:

Product: De uitreiking van woonvergunningen (art. 3); door de gemeente benoemen van een commissie van advies in geval van vorderingen. (art. 8, lid 1); schadeloosstelling van eigenaars bij woonruimtevordering en inkwartiering. (art. 17, lid 1)

Opmerking:

Waardering: B 5

27. Handelingen van de zorgdrager Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

16

Actor: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Handeling: Het aanwijzen van personen die bevoegd zijn de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting bij te wonen

Periode: 1992–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Elk ministerie kan één ambtenaar sturen

Waardering: V, 5 jaar na beeïndiging vertegenwoordiging

17

Actor: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Handeling: Het bijwonen van de vergaderingen van de Raad voor de Volkshuisvesting

Periode: 1946–1996

Grondslag: Woningwet 1965, art. 74; Woningwet 1992 (Stb. 1991, 439), art. 90, lid 2, art. 92b, lid 2

Bron:

Product:

Opmerking: Ook andere ministers kunnen ambtenaren afvaardigen

Waardering: V, 5 jaar

28. Handelingen van de zorgdrager Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

666

Actor: De minster van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

Handeling: Het erkennen van diploma’s voor landschap- en tuinarchitecten

Periode: 1988–

Grondslag: Wet op de architectentitel, art. 9–13

Bron:

Product:

Opmerking: De minister, belast met landbouw en/of cultuurbeleid toetsen diploma’s voor land- en tuinarchitecten resp. interieurarchitecten. De minister belast met volkshuisvesting toetst de diploma’s voor architecten

Waardering: B 5

667

Actor: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

Handeling: Het aanwijzen van instanties en of personen die de minister adviseren over verzoeken om erkenning van diploma’s voor landschap- en tuinarchitecten

Periode: 1988–

Grondslag:

Bron: Interview dhr. mr. J. A. Guerand

Product: Advies

Opmerking: Dit is inclusief het bepalen van organisatorische en financiële kaders

Waardering: B 5

  • ^ [1]

    Overgenomen uit A.W. Faber, Werk in uitvoering..., Delft 1997, p. 1.

  • ^ [2]

    Aangehaald in Koffijberg, Niet zonder slag..., p. 93.