Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren [...] 1945-1998: neerslag handelingen Wageningen Universiteit

Geldend van 02-06-2005 t/m heden

Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren over de periode 1945-1998: neerslag handelingen Wageningen Universiteit

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 maart 2005, nr. arc-2005.02052/2);

Besluit:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 3 mei 2005

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

Algemene Rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

Basisselectiedocument

Gezondheid en welzijn van dieren 1945–1998

Universiteit Utrecht en Wageningen Universiteit Oktober 2004

Inleiding

Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel.

Voor burgers is het belang van archiefbescheiden gelegen in het streven naar democratische controle (de burger moet de overheid ter verantwoording kunnen roepen), in de mogelijke functie van archiefbescheiden als bewijsmiddel en in het feit dat archiefbescheiden deel uitmaken van het cultureel erfgoed en voor historisch onderzoek van belang zijn.

Vanuit het bedrijfsvoerings- en verantwoordingsbelang van archiefbescheiden geredeneerd, kan elk archiefstuk vernietigd worden op het moment dat het voor het archiefvormend orgaan niet meer nuttig is. Het historisch belang van bepaalde bescheiden kan echter van blijvende aard zijn. Om dat belang te beschermen schrijft de Archiefwet 1995 aan de Nederlandse overheidsorganen voor dat zij archiefbescheiden slechts mogen vernietigen op grond van een officieel vastgestelde selectielijst. Het Archiefbesluit 1995 geeft uitvoerige regels om de zorgvuldigheid bij de totstandkoming van de lijsten te waarborgen.

Dit basisselectiedocument (BSD) is een officiële selectielijst. Het heeft tot doel voor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als zorgdrager aan te geven of neerslag voortvloeiend uit handelingen zoals beschreven in het ‘rapport institutioneel onderzoek’ (RIO) Gezondheid en Welzijn van Dieren voor blijvende bewaring in aanmerking komt of vernietigd kan worden.

Onder neerslag wordt verstaan: alle gegevens voortvloeiend uit een handeling, onafhankelijk van de drager van die gegevens zoals papier, films, tapes of floppy’s, etc.

Het institutioneel onderzoek

Een basisselectiedocument kan niet los gezien worden van het daaraan ten grondslag liggende rapport institutioneel onderzoek (RIO). In een RIO wordt van een bepaald beleidsterrein de context beschreven samen met de handelingen van de actoren die binnen het beleidsterrein actief zijn. Een actor is een (overheids)orgaan dat verantwoordelijk is voor bepaalde handelingen. Alle handelingen van een bepaalde actor worden in het RIO beschreven in een logische samenhang met de handelingen van de andere actoren binnen het beleidsterrein.

De context en de logische samenhang bieden de mogelijkheid om tot een zo verantwoord mogelijke selectie van handelingen te komen.

In een BSD zijn de handelingen primair geordend op actor. Hierdoor staan alle handelingen van een actor op een bepaald beleidsterrein bij elkaar. Voor deze herordening is gekozen om voor organen bruikbare selectiedocumenten te kunnen maken.

Zorgdrager

Dit BSD Gezondheid en welzijn van dieren behandelt de periode 1945–1998.

Het BSD geldt als de selectielijst zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Archiefwet 1995 (Stb. 276). De procedure tot vaststelling van een BSD is als volgt:

  • a. Het concept-BSD wordt besproken in het zogenaamde driehoeksoverleg. Deelnemers hieraan zijn vertegenwoordigers (deskundigen) van actoren op het beleidsterrein, een vertegenwoordiger namens de zorgdrager in verband met het archiefbeheer en een vertegenwoordiger namens de Rijksarchiefdienst. Tijdens dit overleg wordt rekening gehouden met het administratieve belang, het belang van de recht- en bewijszoekende burger en het historisch belang van de archiefbescheiden met betrekking tot het beleidsterrein.

  • b. Het concept-BSD wordt, tezamen met het verslag van het driehoeksoverleg, ter vaststelling ingediend bij de minister waaronder Cultuur ressorteert.

  • c. Het concept-BSD ligt gedurende een periode van 8 weken ter inzage.

  • d. De minister waaronder Cultuur ressorteert hoort de Raad voor Cultuur.

  • e. De minister waaronder Cultuur ressorteert en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stellen het BSD vast.

  • f. De beschikking tot vaststelling van het BSD wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

De Universiteit Utrecht treedt in het kader van dit BSD op als zorgdrager voor de volgende actoren:

  • College van Bestuur;

  • Faculteitsbestuur.

De Wageningen Universiteit treedt in het kader van dit BSD op als zorgdrager voor de volgende actoren:

– Bestuur van een universiteit.

Universiteiten zijn zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s). Het BSD heeft zowel betrekking op openbare universiteiten. De openbare universiteiten zijn publiekrechtelijke ZBO’s. Zij vallen volledig onder de werking van Archiefwet. De kern van het begrip ‘openbaar gezag’ is dat men eenzijdig wijzigingen kan aanbrengen in de rechtspositie van natuurlijke personen of rechtspersonen.

Bij alle in het BSD opgenomen handelingen is er sprake van uitoefening van openbaar gezag.

Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de administratieve neerslag van het handelen van overheidsorganen die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276). De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen archiefbescheiden die in aanmerking komen voor overbrenging (door het orgaan dat deze gegevens beheert) naar het Algemeen Rijksarchief en archiefbescheiden die op den duur door de zorgdrager kunnen worden vernietigd. Dit basisselectiedocument is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/PIVOT: het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen. Deze doelstelling is verwoord door de toenmalige minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) bij de behandeling van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer. Door het Convent van Rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald als het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring.

Criteria voor de selectie

Selecteren is het aanmerken van de neerslag van een handeling voor bewaren of vernietigen.

Als de neerslag aangewezen wordt ter bewaring, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, voor eeuwig bewaard moet worden. De bewaarplaats waar deze neerslag na het verlopen van de wettelijke overbrengingstermijn van twintig jaar moet worden overgebracht, is het Algemeen Rijksarchief. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een B (van Bewaren).

Als de neerslag van een handeling wordt aangewezen ter vernietiging, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, na verloop van de in het BSD vastgestelde termijn kan worden vernietigd. De vernietigingstermijn is een minimum eis: stukken mogen niet eerder dan na het verstrijken van die termijn worden vernietigd door de voor het beheer verantwoordelijke dienst. De duur van de vernietigingstermijn wordt bepaald door de administratieve belangen en de belangen van de burgers, enerzijds ten behoeve van het adequaat uitvoeren van de overheidsadministratie en de verantwoordingsplicht van de overheid en anderzijds voor de recht- en bewijszoekende burger. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een V (van vernietigen).

Het aanwijzen van handelingen waarvan de neerslag bewaard moet blijven gebeurt op grond van criteria die tot stand zijn gekomen in overleg tussen zorgdrager en Rijksarchiefdienst.

De gehanteerde algemene selectiecriteria zijn:

Handelingen die worden gewaardeerd met B (Bewaren)

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd. Bewerkingsplannen, aan de hand waarvan de daadwerkelijke selectie van archieven plaatsvindt, dienen te voorzien in procedures daarvoor.

Vaststelling BSD

Op 1 november 2004 is het ontwerp-BSD door de betrokken zorgdrager aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 december 2004 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 22 maart 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02052/2), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 3 mei 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Universiteit Utrecht [C/S&A/05/941] en de Wageningen Universiteit [C/S&A/05/942] vastgesteld.

Leeswijzer

Handelingenblokken

De handelingen zijn verwerkt in uniek genummerde gegevensblokken die als volgt zijn opgebouwd:

Handeling: een complex van activiteiten, dat verricht wordt door één of meer actoren en dat veelal een product naar de omgeving oplevert.

Periode: dit geeft de jaren weer waarin de handeling werd verricht.

Grondslag/Bron: dit is de (wettelijke) basis van de handeling. De aanduiding bron wordt gebruikt indien een handeling geen duidelijke wettelijke basis heeft, maar de handeling is geformuleerd op basis van interviews, literatuur of andere bronnen.

Product: dit is de weergave van het juridisch-bestuurlijk niveau van het eindproduct van de handeling. Indien niet duidelijk is in welke soort documentaire neerslag een handeling heeft geresulteerd of als uit de beschrijving van de handeling al duidelijk is welk product de handeling oplevert, ontbreekt dit item.

Opmerkingen: dit geeft eventuele bijzonderheden over bovengenoemde items weer.

Waardering: dit geeft aan of de neerslag bewaard moet worden of dat het op termijn vernietigd kan worden.

Vernietigingstermijnen

De toepassing van de vernietigingstermijnen is als volgt:

  • a. een dossier wordt afgesloten (bijv. op 30 januari 1999);

  • b. de bijbehorende vernietigingstermijn wordt hierbij opgeteld (bijv. 10 jaar);

  • c. het dossier wordt bewaard tot en met 31 december 2009 (1999 + 10);

  • d. de betrokken directeur wordt in de loop van dat jaar (in dit voorbeeld 2009) op de hoogte gesteld van de voorgenomen vernietiging van dit dossier;

  • e. het dossier wordt vernietigd per 2 januari 2010, tenzij de betrokken directeur zwaarwichtige redenen heeft voor uitstel van vernietiging (administratief of juridisch belang).

Actoren

Een uitgangspunt van PIVOT ten aanzien van een institutioneel onderzoek is dat dit zich niet beperkt tot een beschrijving van het handelen van een afzonderlijke instelling, maar dat de beschrijving zich uitstrekt over het handelen van de verschillende actoren van de rijksoverheid die op een bepaald beleidsterrein een rol spelen. Dit betekent dus dat niet alleen de actoren die onder de minister van Binnenlandse Zaken vallen worden meegenomen in dit onderzoek, maar ook die actoren die daarbuiten vallen en wel tot de rijksoverheid behoren.

Het beleidsterrein 1945–1998

Gezondheid en welzijn van Dieren heeft als doel het beschermen van de gezondheid en het welzijn van dieren die afhankelijk zijn van de mens. Het beleidsterrein omvat de bemoeienis van de rijksoverheid met de individuele dieren vanuit hun eigen waarde en vanuit de waarde voor de mens. Ook proefdieren vallen onder dit beleidsterrein. De bemoeienis met proefdieren is vooral ingegeven door de zorg voor het welzijn van proefdieren.

Het handelen van de overheid op het beleidsterrein richt op de bescherming van soorten dieren en individuele dieren tegen handelingen en situaties die het welzijn, de gezondheid of het voortbestaan bedreigen, kan vanuit verschillende invalshoeken gevoerd worden: natuurbescherming, dierenbescherming en diergezondheid.

De Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde (21 maart 1990, Stb. 214, gewijzigd 23 augustus 1992) bepaalt dat De Raad voor dierenaangelegenheden is ingesteld bij de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 1992 en kwam in de plaats van de Raad van Veterinaire Aangelegenheden.

De Raad is een advies- en overlegorgaan op het gebied van de gezondheid en welzijn van dieren. Daaronder zijn ook biotechnologische toepassingen bij dieren begrepen. Tot 1 januari 1997 moest de Raad in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over ieder ontwerp van een amvb op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Met het van kracht worden van de Herzieningswet Adviesstelsels is per 1 januari 1997 de adviestaak komen te vervallen en is de Raad alleen nog een overlegorgaan.

De leden van de Raad worden benoemd door de minister van LNV op voordracht van verschillende organisaties: waaronder de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit van Utrecht en de Universiteit van Wageningen gezamenlijk.

De Raad heeft drie afdelingen: de afdeling Gezondheidsvraagstukken, de afdeling Welzijnsvraagstukken en de afdeling Biotechnologische vraagstukken. In elke afdeling nemen ook vertegenwoordigers van andere organisaties dan raadsleden deel aan de werkzaamheden. Deze vertegenwoordigers worden geacht specifieke deskundigheid in te brengen. De afdelingen bereiden de adviezen van de Raad aan de minister voor.

Internationaal neemt de Raad deel aan een informeel Europees samenwerkingsverband van door de overheid ingestelde adviesorganen op het gebied van gezondheid en welzijn van dieren

De Raad is een niet-ambtelijke overlegorgaan. De Raad formuleerde in 1994 zijn missie als volgt: De Raad is een overleg- en adviesorgaan dat de betrokken Ministers adviseert over het beleid op het gebied van de gezondheid, het welzijn en de biotechnologie bij dieren. Tevens overleggen de betrokken groeperingen in de Raad over oplossingen voor gerezen problemen. De Raad streeft naar breed gedragen standpunten. Bij de vaststelling van zijn standpunten maakt de Raad een afweging tussen alle relevante aspecten. Naast de gezondheid en het welzijn van dieren behoren hiertoe in ieder geval ook ethische en economische aspecten. Waar relevant kunnen ook andere aspecten, zoals milieu- en kwaliteitsaspecten en sociale en culturele factoren, bij de afweging worden betrokken.

Er zijn in ons land door de overheid wettelijk erkende en gefinancierde universiteiten, waaronder de Universiteit Utrecht en Wageningen Universiteit.

Bij deze universiteiten zijn de volgende actoren actief (geweest) op het beleidsterrein gezondheid en welzijn van dieren in de periode 1945–1998:

  • College van Bestuur;

  • Faculteitsbestuur.

Selectielijst

333

Actor: Faculteitsbestuur van de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht

Handeling: Het adviseren van de minister over de toelating in Nederland van personen en groepen personen met een buitenlandse bevoegdheid tot de uitoefening van de diergeneeskunde

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, art. 3.4

Product: Advies

Waardering: Vernietigen na 2 jaar

656

Actor: College van Bestuur Universiteit Wageningen, samen met het Faculteitsbestuur van de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht

Handeling: Het voordragen voor benoeming van leden en plaatsvervangend leden van de Raad voor dierenaangelegenheden

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit Raad voor dierenaangelegenheden (10 december 1992, Stb. 1993, 6)

Product: Voordracht

Waardering: Vernietigen na 2 jaar