Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling jonge agrariërs[Regeling vervallen per 01-04-2007.]

Geldend van 15-04-2006 t/m 31-03-2007

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 april 2005, nr. TRCJZ/2005/1118, houdende een subsidieregeling voor jonge agrariërs (Subsidieregeling jonge agrariërs)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op titel II, hoofdstuk I, van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PbEG L160);

Gelet op verordening (EG) nr. 817/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (PB L 153);

Gelet op het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling voor Nederland met betrekking tot de programmaperiode 2000–2006, zoals goedgekeurd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij beschikking nr. C (2000) 2751 def. van 28 september 2000, inclusief de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurde wijzigingen van dit programmeringsdocument;

Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-04-2007]

Artikel 1 [Vervallen per 01-04-2007]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • b. landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen – teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande met uitzondering van bosbouw;

  • c. landbouwbedrijf: geheel van productie-eenheden in Nederland bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en daarbijbehorende cultuurgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw;

  • d. economische levensvatbaarheid: de omstandigheid dat een onderneming solvabel, liquide en niet structureel verliesgevend is onderscheidenlijk zal zijn, hetgeen blijkt uit de verklaring, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a;

  • e. kredietinstelling: kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 52, tweede lid, onderdelen a tot en met d van die wet is geregistreerd;

  • f. lening: schriftelijke overeenkomst van geldlening tussen de subsidieaanvrager en een kredietinstelling, met een looptijd van tenminste 3 jaar;

  • g. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • h. verordening 1257/1999: verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PbEG L 160);

  • i. vestiging: stichten van een nieuw landbouwbedrijf of het overnemen van een bestaand landbouwbedrijf, waarbij een natuurlijke persoon, die niet eerder een landbouwbedrijf volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad voor eigen rekening en risico het landbouwbedrijf gaat uitoefenen en:

    • het betreffende landbouwbedrijf in eigendom, pacht of erfpacht verwerft, of

    • met een andere natuurlijke persoon, die niet eerder een landbouwbedrijf volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad, gezamenlijk het betreffende landbouwbedrijf in eigendom, pacht of erfpacht verwerft.

§ 2. De subsidie [Vervallen per 01-04-2007]

Artikel 2 [Vervallen per 01-04-2007]

De minister kan ter stimulering van de duurzame ontwikkeling van de agrarische sector op grond van de volgende bepalingen op aanvraag subsidie verlenen aan agrarische ondernemers voor investeringen in landbouwbedrijven die leiden tot:

  • a. de verlaging van de productiekosten;

  • b. de verbetering en omschakeling van de productie;

  • c. de verhoging van kwaliteit;

  • d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiënische omstandigheden en de normen op het gebied van dierenwelzijn, of

  • e. bevordering van de diversificatie van landbouwactiviteiten.

Artikel 3 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De minister kan per kalenderjaar één of meer aanvraagperioden vaststellen voor subsidieaanvragen op grond van deze regeling.

  • 2 De minister stelt voor iedere aanvraagperiode een subsidieplafond vast voor op grond van deze regeling te verlenen subsidies.

  • 3 De minister maakt besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid bekend in de Staatscourant.

Artikel 4 [Vervallen per 01-04-2007]

De subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan een natuurlijke persoon die op de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 3:

  • a. jonger is dan 40 jaar;

  • b. op een landbouwbedrijf is gevestigd, en waarbij sinds de eerste vestiging niet meer dan drie jaren zijn verstreken, en

  • c. beschikt over voldoende agrarische vakbekwaamheid, blijkend uit een getuigschrift van een erkende landbouwkundige opleiding of van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau of werkervaring van ten minste drie jaren op een landbouwbedrijf.

Artikel 5 [Vervallen per 01-04-2007]

Het landbouwbedrijf waarop de natuurlijke persoon, bedoeld in het artikel 4, is gevestigd, is op de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 3:

Artikel 6 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De subsidiabele kosten komen ten hoogste overeen met het bedrag van een lening die met het oog op de financiering van de in het tweede lid bedoelde kosten is aangegaan, en bedragen nooit meer dan € 100.000,00.

  • 2 Als subsidiabele kosten worden uitsluitend de kosten, exclusief BTW, voor investeringen in bedrijfsmiddelen in aanmerking genomen betreffende:

    • a. de bouw, verwerving, verbetering of inrichting van onroerende goederen, niet zijnde grond;

    • b. de verwerving of verbetering van grond, of

    • c. de aanschaf van nieuwe machines en apparatuur, waarvan de subsidieaanvrager eerste gebruiker is,

    telkens voor zover deze investeringen leiden tot verwezenlijking van een of meer van de in artikel 2 bedoelde doelen.

  • 3 De investeringen die betrekking hebben op de verwerving van grond, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b:

    • a. maken voor ten hoogste 10% deel uit van de totale subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, en

    • b. hebben een rechtstreeks verband met een of meer van de in artikel 2 genoemde doelen.

  • 4 De kosten voor de verwerving van onroerende goederen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, zijn de kosten met inbegrip van de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster.

Artikel 7 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De subsidie bedraagt 20% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 6.

  • 2 De subsidie bedraagt ten hoogste € 20.000,00.

§ 3. Subsidieverlening [Vervallen per 01-04-2007]

Artikel 8 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De aanvraag tot subsidieverlening wordt bij de Dienst Regelingen ingediend, op een daartoe door de Dienst Regelingen ter beschikking gesteld formulier.

  • 2 De aanvraag gaat in elk geval vergezeld van:

    • a. een verklaring van een kredietinstelling dat het landbouwbedrijf economisch levensvatbaar is, en

    • b. bewijsstukken waaruit blijkt op welke datum de aanvrager in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, is gevestigd op het landbouwbedrijf.

Artikel 9 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 Indien bij verlening van alle aanvragen het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3, zou worden overschreden, geschiedt de verlening volgens een rangschikking van de aanvragen, waarbij telkenmale de hoogst gerangschikte aanvraag het eerste voor verlening in aanmerking komt. De rangschikking vindt plaats volgens loting, die geschiedt door een notaris.

  • 2 Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt toewijzing van de aanvragen waarvan het landbouwbedrijf van de aanvrager zijn hoofdvestiging heeft in de provincies, die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld, tot ten hoogste het voor de desbetreffende provincie op grond van het in het openstellingsbesluit vastgestelde additionele subsidieplafond. Verlening van de aanvragen geschiedt volgens een rangschikking van deze aanvragen, waarbij telkenmale de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor toewijzing in aanmerking komt. De rangschikking wordt bepaald door de op grond van het eerste lid uitgevoerde loting.

Artikel 10 [Vervallen per 01-04-2007]

Geen subsidie wordt verstrekt:

  • a. indien de te verstrekken subsidie niet ten minste € 5.000 bedraagt;

  • b. indien de aanvrager meer dan één aanvraag tot subsidieverlening heeft ingediend;

  • c. voor investeringen waarmee een begin van uitvoering is gemaakt – waaronder in elk geval wordt verstaan het aangaan van verplichtingen – alvorens de ontvangst van een aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd;

  • d. indien de lening, bedoeld in artikel 6, eerste lid, is aangegaan alvorens de ontvangst van een aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd;

  • e. indien op grond van deze regeling eerder aan de aanvrager subsidie is uitbetaald of terzake van een eerdere aanvraag op grond van deze regeling nog een beslissing genomen moet worden tot vaststelling van de subsidie;

  • f. indien voor de investeringen waarvoor de aanvrager subsidie heeft aangevraagd eerder door een bestuursorgaan een subsidie is verstrekt;

  • g. indien het eigen vermogen van de aanvrager meer dan 60% bedraagt van de fiscale balanswaarde van het desbetreffende landbouwbedrijf;

  • h. voor de verwerving van onroerende goederen, niet zijnde grond, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, ten behoeve waarvan in de periode 10 jaar voorafgaand aan de datum van de subsidieaanvraag subsidie door een bestuursorgaan is verleend, en

  • i. voor investeringen die gericht zijn op een productieverhoging waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden.

Artikel 11 [Vervallen per 01-04-2007]

De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat:

  • a. de aanvrager ten minste ten bedrage van de investeringen een lening afsluit;

  • b. voor zover de subsidie de verwerving van onroerende goederen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdelen a en b, betreft: de kosten voor de verwerving van de onroerende goederen, exclusief de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster, ten hoogste overeenkomen met een door een beëdigd taxateur vastgestelde vrije verkoopwaarde van de desbetreffende grond en gebouwen, en

  • c. voor zover de subsidie de verwerving van onroerende goederen, niet zijnde grond, betreft, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a: een beëdigd taxateur heeft vastgesteld dat deze gebouwen voldoen aan de nationale voorschriften, hetgeen in ieder geval betekent dat voldaan wordt aan de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet op de ruimtelijke ordening en de Woningwet geldende normen.

§ 4. Verplichtingen van de subsidieaanvrager [Vervallen per 01-04-2007]

Artikel 12 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De subsidieaanvrager voert de investeringen uit overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en de aanvraag tot subsidieverlening waarop deze beschikking betrekking heeft.

  • 2 De aanvrager wiens subsidie in 2005 is verleend, verricht de investeringen voor 1 juli 2006.

  • 3 De aanvrager wiens subsidie in 2006 is verleend, verricht de investeringen voor 25 september 2008.

Artikel 13 [Vervallen per 01-04-2007]

De subsidieaanvrager is verplicht:

  • a. de investering ten minste gedurende de fiscale afschrijvingstermijn ervan, met een maximum van 5 jaar, te rekenen vanaf de datum van de investering:

    • te gebruiken voor het doel waarvoor de investering blijkens de aanvraag tot subsidieverlening is verricht, en

    • niet te vervreemden, zonder dat een vervangingsinvestering met vergelijkbare functionaliteit wordt verricht.

  • b. voor de op grond van deze regeling gesubsidieerde investeringen niet uit hoofde van enige andere voorziening subsidie te ontvangen.

§ 5. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-04-2007]

Artikel 14 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk op 25 september 2008 ingediend bij de Dienst Regelingen op een daartoe door de Dienst Regelingen ter beschikking gesteld formulier.

  • 2 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

    • a. een afschrift van facturen en andere schriftelijke bewijsstukken waaruit kan worden opgemaakt op welk tijdstip verplichtingen met het oog op de investering zijn aangegaan en waaruit blijkt dat de investering is verricht;

    • b. bankafschriften waaruit de betaling van de in onderdeel a bedoelde facturen blijkt;

    • c. de lening, bedoeld in artikel 6, eerste lid;

    • d. voor zover de investering de aankoop van grond of gebouwen betreft: een door een beëdigd taxateur opgesteld taxatierapport, dat op de datum van de investering niet ouder is dan 6 maanden, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan artikel 11, onderdelen b en c.

§ 6. Weigering en intrekking subsidie [Vervallen per 01-04-2007]

Artikel 15 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 Onverminderd het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, besluit de minister in ieder geval tot weigering of intrekking van de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling, indien de aanvrager door ernstige nalatigheid of opzet een onjuiste aanvraag tot subsidieverlening of -vaststelling heeft ingediend.

  • 2 De minister besluit tot weigering of intrekking van de subsidieverlening of de subsidievaststelling, indien de aanvrager naast de aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling op grond van deze regeling:

    • a. in hetzelfde jaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend waarop titel II, hoofdstuk I, van verordening 1257/1999 van toepassing is en deze andere aanvraag door ernstige nalatigheid of opzet onjuist is, of

    • b. in het voorafgaande jaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend waarop titel II, hoofdstuk I, van verordening 1257/1999 van toepassing is en deze andere aanvraag door opzet onjuist is.

§ 7. Slotbepalingen [Vervallen per 01-04-2007]

Artikel 16 [Vervallen per 01-04-2007]

De subsidieontvanger is verplicht een overzichtelijke en deugdelijke administratie te voeren ten aanzien van de investeringen waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft en deze te bewaren gedurende tenminste vijf jaren na datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 17 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 Een subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van het op 16 december 2004 door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden ingediende wijzigingsverzoek Plattelandsontwikkelingsplan Nederland 2004.

  • 2 De beslissing tot verlening van een subsidie kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is ter verkrijging van de in het eerste lid bedoelde goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of wegens het uitblijven ervan.

Artikel 18 [Vervallen per 01-04-2007]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 19 [Vervallen per 01-04-2007]

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling jonge agrariërs.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

De

Minister

van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.P. Veerman