Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling bijzondere opsporingsgelden[Regeling vervallen per 01-04-2006.]

Geldend van 02-04-2005 t/m 31-03-2006

Regeling bijzondere opsporingsgelden

Regeling Bijzondere Opsporingsgelden, houdende regels van de Minister van Justitie inzake het toekennen en beschikbaar stellen van gelden ten behoeve van de financiële beloning van informanten, burgerinfiltranten, burgerpseudokopers, burgerpseudodienstverleners en tipgevers, alsmede voor het toekennen en beschikbaar stellen van toon-, pseudokoop-, opkoop- en andere bijzondere gelden ter ondersteuning van de opsporing.

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 1. Begripsomschrijvingen [Vervallen per 01-04-2006]

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

1. Bureau Operationele Zaken

Het bureau Operationele Zaken (BOZ) van het directoraat-generaal Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie.

2. Aangewezen ambtenaar

Een door het hoofd van het bureau Operationele Zaken aangewezen ambtenaar, die bevoegd is namens hem, binnen de grenzen van het verleende mandaat, voor de uitvoering van deze regeling op te treden.

Van een aanwijzing worden de hoofdofficieren van justitie schriftelijk in kennis gesteld.

3. Betrokken hoofdofficier van justitie

De hoofdofficier van justitie binnen wiens arrondissement het desbetreffende strafrechtelijke onderzoek loopt of heeft gelopen, dan wel binnen wiens arrondissement een geval, waarop deze regeling ziet, zich voordoet of heeft voorgedaan.

4. Informant

De burger, zoals bedoeld in artikel 126v van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de in het informantenregister van de politie ingeschreven burger, die, anders dan als getuige of tipgever, al dan niet op verzoek, aan een opsporingsambtenaar inlichtingen verstrekt over een gepleegd of nog te plegen strafbaar feit.

5. Burgerinfiltrant

De burger, zoals bedoeld in de artikelen 126w en 126x van het Wetboek van Strafvordering.

6. Burgerpseudo-koper en -dienstverlener

De burger, zoals bedoeld in de artikelen 126ij en 126z van het Wetboek van Strafvordering.

7. Tipgeld

1. Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een informant, burgerinfiltrant, burgerpseudokoper of burgerpseudodienstverlener wegens door hem verstrekte inlichtingen of door hem verrichte diensten, die hebben geleid of mede hebben geleid tot de opheldering van een strafbaar feit.

2. Geld dat, zonder dat de verstrekte inlichtingen of de verrichte diensten tot opheldering van een strafbaar feit hebben geleid, op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een informant of een burgerinfiltrant in een geval dat:

  • a. het plegen van een strafbaar feit, op grond van veiligheidsrisico's of andere zwaarwegende belangen in opdracht van het openbaar ministerie door de politie is voorkomen;

  • b. de met betrekking tot een strafbaar feit verstrekte inlichtingen het algemeen belang of een zwaarwegend economisch belang hebben gediend;

  • c. de inlichtingen hebben geleid tot de opsporing van zaken van (nagenoeg) onvervangbare waarde;

  • d. de informant of burgerinfiltrant in opdracht van het openbaar ministerie niet langer in een onderzoek kan worden gebruikt in verband met zijn veiligheid of met het afbreukrisico voor dit onderzoek;

  • e. de informant of burgerinfiltrant, gelet op de duur van het onderzoek waarin hij wordt gebruikt, naar het oordeel van het openbaar ministerie, een incidentele aanmoedigingspremie in de vorm van een voorschot op het naar verwachting toe te kennen tipgeld dient te worden verstrekt;

  • f. op grond van prioriteitstelling door het openbaar ministerie, het tactisch onderzoek naar aanleiding van de verstrekte inlichtingen gedurende langere tijd wordt uitgesteld.

8. Voorschot

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie, bij wijze van voorschot op tipgeld, door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld.

9. Pseudokoop

Hetgeen daaronder wordt verstaan in de artikelen 126 i en q (politiële pseudokoop) en de artikelen 126 ij en z (burgerpseudokoop) van het Wetboek van Strafvordering.

10. Pseudokoopgeld

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een pseudokoop.

11. Tipgever

De burger die, anders dan als informant of burgerinfiltrant, inlichtingen heeft verstrekt die (mede) hebben geleid tot het bekend worden van de dader(s) van een ernstig misdrijf, waarvoor door de betrokken hoofdofficier van justitie in het belang van het onderzoek, met voorafgaande machtiging van de Minister van Justitie en met inachtneming van de in artikel 4 van deze regeling gestelde publicatievereisten, een financiële beloning in het vooruitzicht is gesteld.

12. Beloning

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een tipgever.

13. Opkopen

Het met toestemming van de betrokken hoofdofficier van justitie, zonder strafvorderlijk oogmerk, kopen van een voor het leven of de gezondheid van personen bijzonder gevaarlijk goed, waarvan het ongecontroleerd bezit bovendien in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

14. Opkoopgeld

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor het opkopen van een goed.

15. Toongeld

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie voor bepaalde duur ter beschikking wordt gesteld om een infiltrant van de politie in staat te stellen blijk te geven van zijn belangstelling en kredietwaardigheid voor de aankoop van criminele goederen.

16. Onkosten- en uurvergoedingen

De geldelijke vergoeding aan een informant of burgerinfiltrant ter goedmaking van of tegemoetkoming in de met machtiging van het Openbaar Ministerie en op verzoek van de politie met betrekking tot het inwinnen van criminele inlichtingen gemaakte onkosten of gewerkte uren.

17. Schadevergoeding

De geldelijke vergoeding aan de burger die, in een geval waarop de Regeling bijzondere opsporingsgelden ziet, bijstand heeft verleend aan de politie, ter goedmaking van of tegemoetkoming in geleden materiële schade met betrekking tot de normale lijfsgoederen, alsmede met betrekking tot een voertuig of een ander privé-eigendom, dat op verzoek van de politie en met machtiging van het openbaar ministerie met betrekking tot de bijstandsverlening is gebruikt.

Artikel 2. Soorten toe te kennen gelden [Vervallen per 01-04-2006]

1. Op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie kan de Minister van Justitie op grond van deze regeling de volgende gelden toekennen:

  • a. (een voorschot op) tipgeld

  • b. een beloning

  • c. pseudokoopgeld

  • d. opkoopgeld

  • e. toongeld

2. Onkosten-, uur- en schadevergoedingen

a. Onkosten- en uurvergoedingen, als bedoeld in artikel 1, zestiende lid en schadevergoedingen, als bedoeld in artikel 1, zeventiende lid, worden in beginsel uit de financiële middelen van het betrokken regiokorps betaald.

b. In bijzondere gevallen kan de Minister van Justitie, op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie, besluiten een onkosten-, uur- of schadevergoeding toe te kennen.

3. Niet geregelde gevallen

In het belang van de opsporing van een ernstig misdrijf of de voorkoming daarvan, zomede indien andere zwaarwichtige redenen in het kader van de opsporing daartoe aanleiding geven, kan de Minister van Justitie onder nader te stellen voorwaarden, op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie, ook in andere gevallen dan genoemd in het eerste en tweede lid, bijzondere gelden toekennen.

Artikel 3. Vijfhonderdgulden-grens (€ 225) [Vervallen per 01-04-2006]

Deze regeling vindt uitsluitend toepassing in gevallen waarin de toekenning een bedrag van vijfhonderd gulden (€ 225) of meer bedraagt.

Artikel 4. Geen tipgeld of beloning [Vervallen per 01-04-2006]

Onverminderd de overige voorwaarden die in deze regeling aan de toekenning of beschikbaarstelling zijn gesteld, wordt geen tipgeld c.q een beloning toegekend of beschikbaar gesteld indien:

  • 1. blijkt dat de persoon die de inlichtingen heeft verstrekt als (mede)verdachte in het desbetreffende opsporingsonderzoek kan worden aangemerkt.

    (De politie doet in alle gevallen onderzoek naar de eventuele betrokkenheid van de informatieverstrekker bij het strafbare feit waarover de informatie werd verstrekt);

  • 2. drie of meer jaren zijn verstreken nadat de verstrekte inlichtingen voor tactisch gebruik beschikbaar zijn gesteld dan wel nadat de diensten zijn verricht.

    Bij langlopende onderzoeken kan op deze termijn een uitzondering worden gemaakt op gemotiveerd verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie;

  • 3. een met machtiging van de Minister van Justitie uitgeloofde beloning niet is aangekondigd door middel van een raambiljet van de betrokken hoofdofficier van justitie, vervaardigd en landelijk verspreid door het Korps landelijke politiediensten.

    In bijzondere gevallen kan de aankondiging, met voorafgaande toestemming van de behandelend ambtenaar van het bureau Operationele Zaken, in plaats van het gebruik van een raambiljet, geschieden in een landelijk of regionaal televisieprogramma van een zendgemachtigde waarmee het Openbaar Ministerie een samenwerkingscontract voor de opsporingsberichtgeving heeft gesloten.

Artikel 5. Financiële beloning door derden [Vervallen per 01-04-2006]

1. In het geval een derde een financiële beloning ten behoeve van een informant in het vooruitzicht heeft gesteld of aan het betreffende politiekorps heeft uitbetaald, wordt in beginsel door de Minister van Justitie geen tipgeld meer beschikbaar gesteld.

2. In het geval de door een derde ten behoeve van een informant in het vooruitzicht gestelde of betaalde financiële beloning meer dan vijfhonderd gulden (€ 225) lager ligt dan de financiële beloning die in het concrete geval door de Minister van Justitie zou zijn toegekend, kan een informant, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, ter aanvulling tot het gebruikelijke bedrag, tipgeld worden toegekend.

3. Door een derde aan een politiekorps in het vooruitzicht gestelde financiële beloningen voor informanten en daartoe afgegeven garantstellingen, alsmede de door een derde in dat kader aan een politiekorps gedane betalingen, worden door de politie van het betrokken korps, onverwijld gemeld aan de Nationale Criminele Inlichtingeneenheid (NCIE) van het Korps landelijke politiediensten (KLPD).

4. De korpsbeheerder verstrekt jaarlijks, uiterlijk in de maand februari, een schriftelijke opgave aan de NCIE van alle in het voorafgaande kalenderjaar aan het betreffende korps door derden betaalde of in het vooruitzicht gestelde financiële beloningen ten behoeve van informanten. In voorkomende gevallen wordt daarbij vermeld aan welke informanten (ICS-codes) de politie het geld heeft uitbetaald.

Artikel 6. Aanvragen en verplicht gebruik modelformulieren [Vervallen per 01-04-2006]

1. Aanvragen voor de toekenning en beschikbaarstelling van de gelden, genoemd in artikel 2, eerste lid, geschieden uitsluitend overeenkomstig de procedure en met gebruikmaking van de in de bijlagen opgenomen modelformulieren, zoals voor het betreffende geval in § 4 van deze regeling is voorgeschreven.

Afwijkende aanvragen worden niet in behandeling genomen.

2. Aanvragen voor gelden, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, geschieden schriftelijk, door tussenkomst van de betrokken hoofdofficier van justitie.

Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van de bijzondere omstandigheden van het geval. Het dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken.

3. Indien spoed is geboden in een geval, zoals omschreven in artikel 2, derde lid, is artikel 14 van deze van overeenkomstige toepassing.

4. Behoudens een geval, zoals bedoeld in het vijfde lid, dient een aanvraag voor de toekenning van tipgeld gelijktijdig voor alle informanten te geschieden vanuit het politiekorps, waaraan de inlichtingen zijn verstrekt en voor operationeel gebruik zijn aangewend.

5. In geval van een eenmalige informatieverstrekking aan een ander politiekorps over het illegaal voorhanden hebben van een schietwapen, het illegaal houden van een hennepkwekerij of een ander eenvoudig en opzichzelfstaand feit, kan een aanvraag voor de toekenning van tipgeld vanuit het verstrekkende politiekorps worden gedaan.

Bij het politierapport voor de aanvraag van tipgeld, zoals bedoeld in de bijlage 2 bij deze regeling, wordt alsdan een proces-verbaal gevoegd van het politiekorps dat de inlichtingen operationeel heeft gebruikt. Dit proces-verbaal vermeldt de (strafvorderlijke) resultaten waartoe de verstrekte inlichtingen hebben geleid.

§ 2. De rol van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 7. Centrale registratie [Vervallen per 01-04-2006]

1. Het KLPD registreert in een doorlopend register alle zaken waarbij het in het kader van de uitvoering van deze regeling betrokken is geweest.

Advisering en uitvoering

2. Het KLPD draagt zorg voor de advisering of uitvoering zoals omschreven in onderstaande aangelegenheden:

a. tipgeld

In tipgeldzaken (en eventuele voorschotten daarop), heeft de Nationale Criminele Inlichtingen Eenheid (NCIE) van het KLPD een adviserende taak met betrekking tot de toekenning en de hoogte van het bedrag. De Nationale Criminele Inlichtingeneenheid (NCIE) is intermediair tussen de (regionale) politiekorpsen en het bureau Operationele Zaken van Ministerie van Justitie. De tussenkomst van de NCIE is in deze zaken verplicht.

b. beloning

Met betrekking tot de door de hoofdofficieren van justitie uitgeloofde beloningen draagt het KLPD zorg voor de vervaardiging en landelijke verspreiding van de raambiljetten.

c. toongeld

Het KLPD draagt, op verzoek van de aangewezen ambtenaar van het Bureau Operationele Zaken van het Ministerie van Justitie, zorg dat het toongeld in een concrete zaak ter beschikking komt van het betrokken politie-onderdeel.

d. pseudokoop

Het KLPD geeft desgevraagd advies aan het bureau Operationele Zaken van het Ministerie van Justitie en de betrokken hoofdofficier van justitie over de praktische uitvoering van een pseudokoop en over de hoogte van het in een concreet geval gebruikelijke bedrag voor de pseudokoop.

Het KLPD coördineert de pseudokoopzaken bij de uitvoering waarvan het is betrokken.

e. losgeld

Indien de Minister van Justitie onder toepassing van artikel 2, derde lid van deze regeling inzake een gijzeling of ontvoering losgeld beschikbaar stelt, draagt het KLPD zorg dat dit geld bij de door het hoofd van het bureau Operationele Zaken aangewezen bank wordt opgehaald. Het KLPD draagt zorg dat dit geld ter vastlegging van de nummers van de bankbiljetten wordt gefotografeerd/gefilmd en dat het geld, in overleg met de betrokken hoofdofficier van justitie, wordt geprepareerd en verpakt. Het geld wordt door ten minste twee opsporingsambtenaren van het KLPD naar de door de hoofdofficier van justitie aangegeven plaats gebracht. Ter plaatse stelt het KLPD het geld in handen van de door de hoofdofficier van justitie aangewezen autoriteit.

Indien de hoofdofficier van justitie dit verzoekt, wordt het losgeld door het KLPD ‘neergelegd’.

De hoofdofficier van justitie draagt zorg dat het KLPD na overdracht c.q. neerlegging van het geld onverwijld een door hem ondertekend ontvangstbewijs wordt verstrekt.

Het in dit artikellid bepaalde geldt, mutatis mutandis, ook voor andere zaken, zoals grote afpersingszaken, waarin de Minister van Justitie op grond van artikel 2, derde lid van de regeling heeft besloten geld beschikbaar te stellen.

f. jaaroverzicht

Jaarlijks, in de maand februari, zendt de korpschef van het KLPD aan de Minister van Justitie en ter kennisneming aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal, door tussenkomst van de directeur-generaal Rechtshandhaving, een overzicht van de zaken waarin in het voorafgaande kalenderjaar tipgeld is toegekend.

Dit overzicht bevat, uitgesplitst per regionaal politiekorps en het KLPD:

  • 1. het totaal aantal zaken per delictsoort;

  • 2. het gemiddeld uitbetaalde bedrag per delictsoort;

  • 3. het totale bedrag aan tipgeld dat is toegekend;

  • 4. de door derden, al dan niet met een afgegeven garantstelling, in het vooruitzicht gestelde of uitbetaalde financiële beloningen ten behoeve van informanten.

Het jaaroverzicht bevat voorts het aantal en de soort zaken (met vermelding van de bedragen), waarin het KLPD bij de uitvoering van toongeld-, pseudokoop-, belonings-, losgeld- en dergelijke uit artikel 2, derde lid van deze regeling voortvloeiende zaken een adviserende of ondersteunende/uitvoerende rol heeft gespeeld.

In het jaaroverzicht worden geen gegevens vermeld die herleidbaar zijn tot concrete zaken of personen.

§ 3. Bepaling hoogte tipgeldbedrag en beloning [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 8 [Vervallen per 01-04-2006]

1. tipgeld

a. Ter bepaling van de hoogte van het toe te kennen tipgeld vindt zoveel mogelijk vergelijking plaats van het concrete geval met soortgelijke gevallen waarin tipgeld is betaald. Hiertoe wordt de centrale registratie van tipgeldzaken van de Nationale Criminele Inlichtingeneenheid (NCIE) bij het KLPD geraadpleegd.

b. Onverminderd het onder a bepaalde, worden de wegingsfactoren gehanteerd, die zijn opgenomen in de bijlage 1 bij deze regeling.

2. beloning

a. De hoogte van de beloning bedraagt ten minste tienduizend (€ 4.500) en ten hoogste vijftigduizend gulden (€ 22.500).

In bijzondere gevallen kan worden besloten een hoger bedrag dan vijftigduizend gulden (€ 22.500) toe te kennen.

b. De hoogte van de beloning in een concreet geval is gerelateerd aan de ernst van het gepleegde misdrijf en de mate waarin met dit misdrijf een inbreuk op de (lokale) rechtsorde is gemaakt.

§ 4. Aanvraagprocedures [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 9. Tipgeld [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien de politie het wenselijk acht dat tipgeld wordt toegekend, treedt de politie, met toestemming van de betrokken officier van justitie, voor het inwinnen van advies over de hoogte van het tipgeldbedrag en in voorkomend geval over de toepasselijkheid van de tipgeld in overleg met de betrokken ambtenaar bij de Nationale Criminele Inlichtingeneenheid (NCIE) van het KLPD, die aan de zaak een uniek zaaksnummer toekent (NCIE-nummer).

2. Naar aanleiding van het in het eerste lid bedoelde overleg bespreekt de ambtenaar van de NCIE de zaak telefonisch met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en adviseert hem over de toekenning en de hoogte van het tipgeldbedrag.

3. De aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken neemt een beslissing ten aanzien van de toekenning en deelt, bij een positieve beslissing, de hoogte van het tipgeldbedrag mee aan de ambtenaar van de NCIE.

4. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze de zaak ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de politie, door tussenkomst van de NCIE, op de hoogte van de genomen beslissing.

5. Bij een positieve beslissing dient de politie ter verdere afhandeling van de zaak bij de betrokken officier van justitie een rapport in, overeenkomstig het model dat als bijlage 2 bij deze regeling is opgenomen.

De officier van justitie, die het rapport voor akkoord heeft ondertekend, geleidt dit door naar de betrokken hoofdofficier van justitie.

6. De hoofdofficier van justitie verzoekt vervolgens bij brief, overeenkomstig het model van bijlage 2a bij deze regeling, waarbij het in het vijfde lid bedoelde politierapport is gevoegd, om de beschikbaarstelling van het toegezegde tipgeld. Deze brief dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken, die vervolgens voor de betaalbaarstelling van het tipgeld zorgdraagt.

7. Onverminderd het bepaalde in artikel 15 van deze regeling (algemene terugstortingsverplichting), doet de hoofdofficier van justitie tipgeld dat namens de Minister van Justitie beschikbaar is gesteld, in ieder geval terugstorten indien dit zes maanden na ontvangst door de politie niet of niet geheel is uitgekeerd.

8. Het in de leden 1 tot en met 7 van dit artikel bepaalde is, mutatis mutandis, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een voorschot op tipgeld.

Artikel 10. Beloning [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien het wenselijk wordt geacht dat in een opsporingsonderzoek een beloning wordt uitgeloofd, neemt de officier van justitie, na instemming van de hoofdofficier van justitie, telefonisch contact op met een aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken, licht de zaak toe en verzoekt om beschikbaarstelling van een beloning.

3. Indien de aangewezen ambtenaar het beschikbaarstellen van een beloning toezegt, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van de beloning mee aan de officier van justitie.

4. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze dit ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk telefonisch op de hoogte van de genomen beslissing.

5. Bij een positieve beslissing over de toekenning van een beloning informeert de officier van justitie de politie over de inhoud van de toezegging en verzoekt hem telefonisch contact op te nemen met het KLPD, dat zorgdraagt voor de vervaardiging en landelijke verspreiding van het raambiljet.

6. De mondelinge toezegging dient in een schriftelijke machtiging te worden vastgelegd. Hiertoe dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, uiterlijk vier weken na de mondelinge toezegging, een verzoek in overeenkomstig het model dat als bijlage 3 bij deze regeling is opgenomen. Dit verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken, ter attentie van de behandelend ambtenaar.

Deze laatste draagt zorg voor toezending van de machtiging aan de hoofdofficier van justitie.

7. Indien de hoofdofficier van justitie een beroep wenst te doen op de machtiging, verzoekt hij de Minister van Justitie het toegezegde beloningsgeld geheel of ten dele beschikbaar te stellen. Dit verzoek dient schriftelijk, overeenkomstig het model dat als bijlage 4a bij deze regeling is opgenomen, te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken.

Bij het verzoek van de hoofdofficier van justitie wordt het advies gevoegd van de officier van justitie, overeenkomstig het model dat als bijlage 4 bij deze regeling is opgenomen.

Het hoofd van het bureau Operationele Zaken draagt zorg dat het geld voor de beloning betaalbaar wordt gesteld.

Artikel 11. Toongeld [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien het Openbaar Ministerie ermee heeft ingestemd dat de politie in een opsporingsonderzoek een toongeldactie uitvoert, dient de politie een verzoek in voor de beschikbaarstelling van het gewenste bedrag aan toongeld bij de betrokken officier van justitie. Dit verzoek geschiedt schriftelijk overeenkomstig het model, dat als bijlage 5 bij deze regeling is opgenomen.

2. De officier van justitie neemt over het in het eerste lid bedoelde verzoek telefonisch contact op met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en licht het verzoek toe.

3. Indien de aangewezen ambtenaar het beschikbaarstellen van toongeld toezegt, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van het toongeldbedrag mee aan de officier van justitie.

4. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze dit ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk telefonisch op de hoogte van de genomen beslissing.

5. Bij een positieve beslissing dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een schriftelijk verzoek in voor de beschikbaarstelling van het toegezegde toongeld, overeenkomstig het model dat als bijlage 5a bij deze regeling is opgenomen. Dit verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken. Deze laatste draagt zorg dat het geld, door tussenkomst van het KLPD, ter beschikking komt van het betrokken politie-onderdeel.

6. In verband met de rentekosten doet de betrokken hoofdofficier van justitie het toongeld, zodra het onderzoek dit toelaat, door de politie terugbrengen naar het bankfiliaal waar het is opgehaald.

Artikel 12. Pseudokoopgeld [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien het Openbaar Ministerie ermee heeft ingestemd dat de politie in een opsporingsonderzoek een pseudokoop doet, dient de politie een verzoek in voor de beschikbaarstelling van het gewenste bedrag aan pseudokoopgeld bij de betrokken officier van justitie. Dit verzoek geschiedt schriftelijk overeenkomstig het model, dat als bijlage 6 bij deze regeling is opgenomen.

2. De officier van justitie overlegt met de politie of de pseudokoop uit de financiële middelen van de politie kan worden betaald of dat een beroep moet worden gedaan op het daartoe bestemde budget van het Ministerie van Justitie.

3. Indien een beroep moet worden gedaan op het budget van het Ministerie van Justitie neemt de officier van justitie daarover telefonisch contact op met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en licht het verzoek toe.

4. Indien de aangewezen ambtenaar het beschikbaarstellen van pseudokoopgeld toezegt, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van het bedrag voor de pseudokoop mee aan de officier van justitie.

5. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze dit ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie telefonisch op de hoogte van de genomen beslissing.

6. Bij een positieve beslissing dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een schriftelijk verzoek in voor de beschikbaarstelling van het pseudokoopgeld, overeenkomstig het model dat als bijlage 6a bij deze regeling is opgenomen. Dit verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken. Deze laatste draagt zorg dat het geld betaalbaar wordt gesteld.

7. Na de pseudokoop legt de politie aan de officier van justitie zo spoedig mogelijk schriftelijke verantwoording af van het bestede geld, door middel van een gedetailleerde specificatie van de gekochte goederen. Deze schriftelijke verantwoording dient, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, te worden gezonden aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken.

Artikel 13. Opkoopgeld [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien het Openbaar Ministerie ermee heeft ingestemd dat de politie een bepaalde zaak opkoopt, dient de politie een verzoek in bij de betrokken officier van justitie voor de beschikbaarstelling van het opkoopgeld. Dit verzoek geschiedt schriftelijk, overeenkomstig het model dat als bijlage 7 bij deze regeling is opgenomen.

2. De officier van justitie neemt over het in het eerste lid bedoelde verzoek telefonisch contact op met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en licht het verzoek toe.

3. In het geval dat de aangewezen ambtenaar het beschikbaarstellen van opkoopgeld toezegt, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van het bedrag voor de opkoop mee aan de officier van justitie.

4. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze dit ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk op de hoogte van de genomen beslissing.

5. Bij een positieve beslissing dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een schriftelijk verzoek in voor de beschikbaarstelling van het opkoopgeld, overeenkomstig het model dat als bijlage 7a bij deze regeling is opgenomen. Dit verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken. Deze laatste draagt zorg dat het geld betaalbaar wordt gesteld.

6. Na de opkoop legt de politie aan de officier van justitie zo spoedig mogelijk schriftelijke verantwoording af van het bestede geld, door middel van een gedetailleerde specificatie van de gekochte goederen. Deze schriftelijke verantwoording dient, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, te worden gezonden aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken.

Artikel 14. Spoedprocedure [Vervallen per 01-04-2006]

1. In spoedeisende gevallen kan van de aanvraagprocedures inzake de verkrijging van toon-, pseudokoop- en opkoopgeld, alsmede van de procedure in artikel 6, tweede lid van deze regeling, worden afgeweken.

2. De betrokken officier van justitie kan alsdan, met toestemming van de hoofdofficier van justitie, telefonisch contact opnemen met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en onder toelichting van de zaak de toekenning en beschikbaarstelling van het geld verzoeken.

3. In het geval dat de aangewezen ambtenaar het gevraagde geld toezegt, deelt hij tevens zijn beslissing over de hoogte van het beschikbaar te stellen bedrag mee aan de officier van justitie.

4. Onmiddellijk aansluitend aan het in het tweede lid bedoelde telefonische contact, zendt de officier van justitie een faxbericht, overeenkomstig het model dat als bijlage 8 bij deze regeling is opgenomen, aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken, ter attentie van de behandelend ambtenaar.

5. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze dit ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk op de hoogte van de genomen beslissing.

6. Bij een positieve beslissing worden vervolgens, voor de verdere afhandeling van de zaak, met referte aan het in het vierde lid bedoelde faxbericht, de voorgeschreven, geheel ingevulde modelformulieren of het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede lid van deze regeling, door tussenkomst van de betrokken hoofdofficier van justitie, zo spoedig mogelijk naar het hoofd van het bureau Operationele Zaken gezonden, ter attentie van de behandelend ambtenaar.

§ 5. Bijzondere bepalingen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 15. Terugstortingsverplichting [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien een (gedeelte van een) geldbedrag niet (meer) kan of zal worden aangewend voor het doel waarvoor het door de Minister van Justitie op grond van deze regeling beschikbaar is gesteld, doet de betrokken hoofdofficier van justitie het (resterende) bedrag zo spoedig mogelijk terugstorten op rekeningnummer 220032, ten name van de Algemene Leiding van het Ministerie van Justitie, onder vermelding van het kenmerk waaronder en het jaar waarin de storting van het geld door het Ministerie van Justitie heeft plaatsgevonden.

2. Indien in strijd met de algemene terugstortingsverplichting van het eerste lid, alsmede met een specifieke terugstortingsverplichting of een financiële verantwoordingsverplichting overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4 van deze regeling, geen terugstorting van niet besteed geld of geen verantwoording van besteed geld heeft plaatsgevonden, kan worden besloten een nieuwe aanvraag op grond van deze regeling niet in behandeling te nemen.

Rentekosten, die zijn ontstaan door het niet tijdig voldoen aan een terugstortingsverplichting, worden in rekening gebracht bij de betrokken hoofdofficier van justitie.

Artikel 16. Tipgeld in buitenlandse opsporingsonderzoeken [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien in het kader van internationale samenwerking door een Nederlands politiekorps een in Nederland ingeschreven informant ten behoeve van een geheel buitenlands opsporingsonderzoek dient te worden gerund, maakt de betrokken officier van justitie vooraf met de verzoekende buitenlandse autoriteit schriftelijke afspraken over de betaling van tipgeld.

2. In een geval, zoals bedoeld in het eerste lid, waarin de buitenlandse autoriteit schriftelijk heeft verklaard dat de informant geen tipgeld zal worden betaald, kan de Minister van Justitie, op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie, besluiten tipgeld toe te kennen en beschikbaar te stellen.

3. Bij een verzoek om tipgeld, zo als bedoeld in het tweede lid, wordt een schriftelijk rapport van de buitenlandse autoriteit gevoegd, waarin de personalia van de persoon waarover de informant inlichtingen heeft verstrekt, de aard van het gepleegde strafbare feit en het belang van de verstrekte inlichtingen voor het buitenlandse opsporingsonderzoek, worden vermeld. Wordt het in dit lid bedoelde rapport niet binnen redelijke termijn door de buitenlandse autoriteit beschikbaar gesteld, dan kan worden volstaan met een Nederlands proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend door de betrokken officier van justitie, inhoudende een weergave van de uit het buitenland terzake ontvangen opsporingsresultaten.

4. Indien met toepassing van het tweede lid tipgeld wordt aangevraagd, dienen, benevens het bepaalde in het derde lid, de hier te lande geldende regels en de in het concrete geval gebruikelijke hoogte van het toe te kennen tipgeld in acht te worden genomen.

Artikel 17. Eén rekeningnummer en één beheerder [Vervallen per 01-04-2006]

1. Girale betalingen door het Ministerie van Justitie in het kader van deze regeling worden uitsluitend gedaan op één door het (regionale) politiekorps schriftelijk opgegeven rekeningnummer en aan één opgegeven beheerder.

2. Bij de girale betaling van tipgeld vermeldt het Ministerie van Justitie geen ander zaakskenmerk dan het door de NCIE aan de zaak toegekende NCIE-nummer.

Artikel 18. Koninklijke marechaussee en Rijksrecherche [Vervallen per 01-04-2006]

De bepalingen van deze regeling zijn, mutatis mutandis, van overeenkomstige toepassing op de onderdelen van het wapen der Koninklijke marechaussee die door het bevoegde gezag zijn aangewezen om een reguliere politietaak te vervullen en op de Rijksrecherche.

Artikel 19. Bezwaar tegen een beslissing [Vervallen per 01-04-2006]

1. Indien een afwijzende beslissing is genomen op een verzoek, gedaan op grond van deze regeling, kan de betrokken hoofdofficier van justitie de Minister van Justitie, door tussenkomst van het hoofd van het bureau Operationele Zaken, verzoeken een nieuwe beslissing te nemen.

2. Een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, is schriftelijk en bevat de gronden waarop de bezwaren tegen de beslissing rusten.

3. De Minister van Justitie deelt binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek, door tussenkomst van het hoofd van het bureau Operationele Zaken, zijn gemotiveerde beslissing aan verzoeker mee.

4. In een spoedeisend geval kan de hoofdofficier van justitie de Minister van Justitie, door tussenkomst van het hoofd van het bureau Operationele Zaken of een aangewezen ambtenaar, telefonisch verzoeken een nieuwe beslissing te nemen. Onmiddellijk aansluitend aan dit telefoongesprek zendt de hoofdofficier van justitie een faxbericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken met een samenvatting van hetgeen in het telefoongesprek door hem tegen de genomen beslissing naar voren is gebracht.

§ 6. Citeertitel [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 20 [Vervallen per 01-04-2006]

Deze circulaire, die zal worden gepubliceerd in de Staatscourant, vervangt de Regeling bijzondere opsporingsgelden van 2 april 2001 en kan worden aangehaald als ‘Regeling bijzondere opsporingsgelden’.

Den Haag, 29 maart 2005

De

Minister

van Justitie,

J.P.H. Donner

Bijlage 1 [Vervallen per 01-04-2006]

Wegingsfactoren vaststelling hoogte tipgeldbedragen
In een concreet geval kunnen één of meer van de onderstaande wegingsfactoren aanleiding vormen het tipgeldbedrag enigermate te verhogen 1. Het risico voor de informant

Iedere informant loopt risico. Dit vloeit voort uit het verstrekken van inlichtingen aan de politie over de criminele activiteiten van een ander. In sommige gevallen kan echter de reële inschatting worden gemaakt dat de informant een verhoogd risico loopt.

2. De organisatiegraad van de criminele groepering en het kaliber van de aangehouden verdachten

Het gaat hierbij om informatie die heeft geleid tot het aan het licht brengen van een georganiseerde groepering en de zwaarte van de rol die de verdachten daarin hebben gespeeld.

3. De schade, die door de aanhouding van de verdachte(n) wordt toegebracht aan de criminele organisatie

Hierbij gaat het om de gevolgen van de aanhoudingen voor de werkzaamheid van de criminele organisatie.

4. Het maatschappelijk belang van de zaak

Hierbij wordt de vraag gesteld omtrent de maatschappelijke impact van de opheldering van het misdrijf, de aanhouding van de verdachte(n) en de inbeslagneming van goederen.

5. De lokale omstandigheden t.a.v. de criminaliteit

In samenhang met punt 4 kunnen lokale omstandigheden van invloed zijn op de hoogte van het tipgeld. In bepaalde delen van Nederland kunnen de criminaliteitscijfers, al dan niet tijdelijk, beduidend hoger liggen dan elders.

6. Kostenbesparing politie

Dit aspect betreft de kostenbesparing voor de politie i.v.m. de bekorting van een (reeds lopend) opsporingsonderzoek door de verstrekte inlichtingen.

7. De betrouwbaarheid van de informant en van de informatie

Hierbij gaat het om de gebleken ‘zakelijke’ betrouwbaarheid van de informant en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie in de voorgaande zaken.

8. Het aantal verdachten

Het gaat hierbij om het aantal aangehouden verdachten, alsmede de verdachten die nog niet zijn aangehouden maar waarvan de identiteit is komen vast te staan.

9. Het aantal informanten

Het betreft hier het aantal informanten dat in een opsporingsonderzoek inlichtingen heeft verstrekt om het voor tipgeld in aanmerking komende (strafvorderlijke) eindresultaat te bereiken.

N.B. Bovenstaande wegingsfactoren dienen, voor zover van toepassing, in het rapport voor de tipgeldaanvraag van de politie met een korte toelichting tot uitdrukking te worden gebracht.

Bijlage 2 [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150969.png
Bijlage 150970.png

Bijlage 2a [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150971.png

Bijlage 3 [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150972.png

Bijlage 4 [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150973.png

Bijlage 4a [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150974.png

Bijlage 5 [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150975.png

Bijlage 5a [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150976.png

Bijlage 6 [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150977.png

Bijlage 6a [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150978.png

Bijlage 7 [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150979.png

Bijlage 7a [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150980.png

Bijlage 8 [Vervallen per 01-04-2006]

Bijlage 150981.png