Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Politie over de periode vanaf 1994 (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)

Geldend op 27-04-2012


  • Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Politie over de periode vanaf 1994 (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
  • De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

    Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

    De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 februari 1998, nr. arc-98.1650/2);

    Besluit:

  • Artikel 2

    Van de ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Binnenlandse Zaken, nr. WVC MMA/Ar-9187 d.d. 26 juli 1984 (gepubliceerd in de Staatscourant 1984 nr.210)) wordt hoofdstuk 1 (Politie) ingetrokken, voor wat betreft archiefbescheiden vanaf 1 april 1994.

  • Artikel 3

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

  • De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

    Den Haag, 17 februari 2005
    De

    Staatssecretaris

    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
    namens deze:
    de

    Algemene Rijksarchivaris

    ,

    M.W. van Boven

    De

    Minister

    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
    namens deze:
    de

    Directeur Communicatie en Informatie

    ,

    E.J. den Hoedt

  • Basisselectiedocument voor het beleidsterrein ‘politie’, 1994–

    Vastgesteld BSD

    Januari 2005

    Lijst van afkortingen

    AB: Arbeidsvoorwaardenbeleid

    amvb: algemene maatregel van bestuur (groot KB)

    BB: Bestuurlijk Beraad Politie

    BBE: bijzondere bijstandseenheid

    BFO: bureau financiële ondersteuning

    BSD: basisselectiedocument

    CGOP: Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken

    CID: criminele inlichtingendienst

    Coreper: ‘Comité des Representants Permanents’ ofwel Comité van Permanente Vertegenwoordigers (per pijler van de Europese Unie)

    DCRI: Divisie Centrale Recherche Informatie

    DGVP: Dienst geneeskundige verzorging politie

    EEG: Europese Economische Gemeenschap

    EU: Europese Unie

    GOP: Georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken

    GSB: grote-stedenbeleid

    GVP: geneeskundige verzorging politie

    JBZ-Raad: Raad van Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken (van de derde pijler van de Europese Unie)

    K.4-comité: Coördinatiecomité van hoge ambtenaren ingevolge art. K.4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

    KB: koninklijk besluit

    ME: Mobiele eenheid

    NPA: Nederlandse Politie Academie

    NS: N.V. Nederlandse Spoorwegen

    OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

    OM: Openbaar Ministerie

    OOV: Openbare Orde en Veiligheid

    PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

    plv.: plaatsvervangend

    PO&I: Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening

    RAD: Rijksarchiefdienst

    RIO: rapport over institutioneel onderzoek

    RIT: rampenidentificatieteam

    RLD: Rijksluchtvaartdienst

    Stb.: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

    Stcrt.: Nederlandse Staatscourant

    TK: Tweede Kamer (kamerstukaanduiding, gevolgd door het vergaderjaar, het kamerstuknummer en het volgnummer binnen het kamerstuk)

    Trb.: Tractatenblad

    Trevi: ‘Terrorism, Radicalism, Extremism and Violence International’ of naar de fonteinen van Trevi tijdens het overleg van de Raad van Ministers in Rome in december 1975

    VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten

    Inleiding

    Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel.

    Voor burgers is het belang van archiefbescheiden gelegen in het streven naar democratische controle (de burger moet de overheid ter verantwoording kunnen roepen), in de mogelijke functie van archiefbescheiden als bewijsmiddel en in het feit dat archiefbescheiden deel uitmaken van het cultureel erfgoed en voor historisch onderzoek van belang zijn.

    Vanuit het bedrijfsvoerings- en verantwoordingsbelang van archiefbescheiden geredeneerd, kan elk archiefstuk vernietigd worden op het moment dat het voor het archiefvormend orgaan niet meer nuttig is. Het historisch belang van bepaalde bescheiden kan echter van blijvende aard zijn. Om dat belang te beschermen schrijft de Archiefwet 1995 aan de Nederlandse overheidsorganen voor dat zij archiefbescheiden slechts mogen vernietigen op grond van een officieel vastgestelde selectielijst. Het Archiefbesluit 1995 geeft uitvoerige regels om de zorgvuldigheid bij de totstandkoming van de lijsten te waarborgen.

    Het Basisselectiedocument (BSD) is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van de overheidsorganisatie.

    Dit basisselectiedocument (BSD) is zo’n officiële selectielijst. Het heeft tot doel voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als zorgdrager aan te geven of neerslag voortvloeiend uit handelingen zoals beschreven in het ‘rapport institutioneel onderzoek’ (RIO): M.J.B. Kavelaars, Handelen met de sterke arm. Deel II. Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein ‘politie’ 1994 (Den Haag 1996) PIVOT-rapport nr. 136, voor blijvende bewaring in aanmerking komt of vernietigd kan worden.

    Het BSD bevat een voorstel voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die het resultaat zijn van handelingen van actoren onder het zorgdragerschap van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op het beleidsterrein ‘Politie’ vanaf 1994. In het BSD wordt de documentaire neerslag van handelingen verdeeld in te bewaren en (op termijn) te vernietigen documentaire neerslag.

    Onder neerslag wordt verstaan: alle gegevens voortvloeiend uit een handeling, onafhankelijk van de drager van die gegevens zoals papier, films, tapes of floppies.

    Het institutioneel onderzoek

    Een basisselectiedocument kan niet los gezien worden van het daaraan ten grondslag liggende rapport institutioneel onderzoek (RIO). In een RIO wordt van een bepaald beleidsterrein de context beschreven samen met de handelingen van de actoren die binnen het beleidsterrein actief zijn. Een actor is een (overheids)orgaan dat verantwoordelijk is voor bepaalde handelingen. Alle handelingen van een bepaalde actor worden in het RIO beschreven in een logische samenhang met de handelingen van de andere actoren binnen het beleidsterrein.

    De context en de logische samenhang bieden de mogelijkheid om tot een zo verantwoord mogelijke selectie van handelingen te komen.

    In een BSD zijn de handelingen primair geordend op actor. Hierdoor staan alle handelingen van een actor op een bepaald beleidsterrein bij elkaar. Voor deze herordening is gekozen om voor organen bruikbare selectiedocumenten te kunnen maken.

    Zorgdrager

    Dit BSD Politie voor de zorgdrager Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties behandelt de periode vanaf 1994.

    Het BSD geldt als de selectielijst zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Archiefwet 1995 (Stb. 276). De procedure tot vaststelling van een BSD is als volgt:

    • a. Het concept-BSD wordt besproken in het zogenaamde driehoeksoverleg. Deelnemers hieraan zijn vertegenwoordigers (deskundigen) van actoren op het beleidsterrein, een vertegenwoordiger namens de zorgdrager in verband met het archiefbeheer en een vertegenwoordiger namens de Rijksarchiefdienst. Tijdens dit overleg wordt rekening gehouden met het administratieve belang, het belang van de recht- en bewijszoekende burger en het historisch belang van de archiefbescheiden met betrekking tot het beleidsterrein.

    • b. Het concept-BSD wordt, te zamen met het verslag van het driehoeksoverleg, ter vaststelling ingediend bij de Minister waaronder Cultuur ressorteert.

    • c. Het concept-BSD ligt gedurende een periode van 8 weken ter inzage.

    • d. De Minister waaronder Cultuur ressorteert hoort de Raad voor Cultuur.

    • e. De Minister waaronder Cultuur ressorteert en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stellen het BSD vast.

    • f. De beschikking tot vaststelling van het BSD wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

    De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties treedt in het kader van dit basisselectiedocument op als zorgdrager voor de volgende actoren:

    • de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • het Georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken (GOP);

    • Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken (CGOP);

    • Adviescommissie grondrechten- en functie-uitoefening politieambtenaren;

    • Landelijke Politie Emancipatiecommissie (LPEC);

    • Raad voor het Binnenlands Bestuur (RBB);

    • Raad voor de gemeentefinancien;

    • Beleidsadviescollege voor de politiële informatievoorziening (Commissie Hermans);

    • Commissie studieverloop allochtonen studenten NPA;

    • Begeleidingscommissie misbruik 06-11.

    Doelstelling van de selectie

    De selectie richt zich op de administratieve neerslag van het handelen van overheidsorganen die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276). De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen archiefbescheiden die in aanmerking komen voor overbrenging (door het orgaan dat deze gegevens beheert) naar het Nationaal Archief en archiefbescheiden die op den duur door de zorgdrager kunnen worden vernietigd.

    De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

    Criteria voor de selectie

    Selecteren is het aanmerken van de neerslag van een handeling voor bewaren of vernietigen.

    Als de neerslag aangewezen wordt ter bewaring, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, voor eeuwig bewaard moet worden. De bewaarplaats waar deze neerslag na het verlopen van de wettelijke overbrengingstermijn van twintig jaar moet worden overgebracht, is het Nationaal Archief. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een B (van bewaren).

    Als de neerslag van een handeling wordt aangewezen ter vernietiging, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, na verloop van de in het BSD vastgestelde termijn kan worden vernietigd. De vernietigingstermijn is een minimum eis: stukken mogen niet eerder dan na het verstrijken van die termijn worden vernietigd door de voor het beheer verantwoordelijke dienst. De duur van de vernietigingstermijn wordt bepaald door de administratieve belangen en de belangen van de burgers, enerzijds ten behoeve van het adequaat uitvoeren van de overheidsadministratie en de verantwoordingsplicht van de overheid en anderzijds voor de recht- en bewijszoekende burger. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een V (van vernietigen).

    Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in dit BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

    Algemene selectiecriteria

    Handelingen die worden gewaardeerd met B (Bewaren)

    Algemeen selectiecriterium

    1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

    2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

    3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

    Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

    4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

    5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

    Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

    6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

    Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

    Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

    Totstandkoming van de selectielijst

    De totstandkoming van de selectielijst is verlopen conform artikel 3, eerste lid van het Archiefbesluit 1995. In december 1996 is het institutioneel onderzoek afgerond.

    Vaststelling BSD

    Op 30 september 1997 is het ontwerp-BSD door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 6 oktober 1997 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

    Op 17 februari 1998 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-98.1650/2), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot het uitstellen van de vaststelling van de ontwerp-selectielijst Politie voor de zorgdrager Minister van Binnenlandse Zaken. De Raad adviseerde namelijk vaststelling van de ontwerp-selectielijst voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit te stellen totdat ook de ontwerp-selectielijst Politie voor de Minister van Justitie beoordeeld kon worden.

    Door de Algemene Rijksarchivaris is in 2005 besloten de selectielijst Politie toch afzonderlijk voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen. De ontwerp-selectielijst heeft (naast tekstuele correcties) de volgende wijzigingen ondergaan:

    • de waardering van de handelingen 5, 8, 14, 29, 60, 113, 119, 120, 126, 130, 136, 140, 145, 150, 159, 165, 189, 190, 204, 230, 250, 264, 265, 267, 274, 280, 299, 305, 313, 315, 332, 360, 361, 366, 368, 388, 390, 396, 397, 398, 401, 406, 407, 411, 413, 415, 416, 443, 449, 451, 452, 455, 461, 664, 679, 683, 711, 720 en 721 is gewijzigd van V in B;

    • de waardering van de handelingen 96, 182, 197, 270, 367, 438, 465, 559, 589 en 664 is gewijzigd van B in V;

    • de waardering van de handelingen 122, 143 en 147 is gewijzigd van V in V, m.u.v. de onderzoeksopdracht en het eindproduct;

    • de handelingen 23 en 600 zijn vervallen.

    Daarop werd het BSD op 17 februari 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (kenmerk C/S/05/358) vastgesteld.

    Gebruiksaanwijzing

    Ieder nummer in deze selectielijst is uniek. Het nummer in dit BSD correspondeert met het handelingsnummer in het RIO.

    De handeling geeft de betreffende handeling van de betreffende actor aan.

    De periode geeft aan van welk jaar tot welk jaar de handeling geldig is.

    Het product geeft aan welke papieren neerslag uit de handeling voortkomt.

    Bewaren/Vernietigen is de kolom die een waardering geeft aan de handeling. B wil zeggen dat krachtens de Archiefwet 1995 de betreffende documenten na afloop van de overbrengingstermijn, conform de normen van goede en geordende staat, naar het Nationaal Archief moeten worden overgebracht. V wil zeggen dat de neerslag na de aangegeven termijn vernietigd kan worden.

    Criterium/termijn geeft aan volgens welk selectiecriterium te bewaren neerslag voor bewaring in aanmerking komt. De termijn geeft aan op welke termijn de neerslag van de betreffende handeling mag worden vernietigd.

    Toelichting geeft extra uitleg in geval dit noodzakelijk mocht zijn.

    Hoofdlijnen van het handelen

    Deze selectielijst behandelt de volgende problemen van de Nederlandse samenleving: criminaliteit en (een dreiging van) een verstoring van openbare orde. De Nederlandse overheid tracht deze problemen te verkleinen, onder meer door te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en hulp te verlenen aan hen die deze behoeven. Zij zet daartoe de politie in, inclusief de Koninklijke marechaussee voor zover belast met een politietaak, of andere onderdelen van de krijgsmacht die bijstand (moeten) verlenen aan de politie. De ondersteunende handelingen van of met betrekking tot deze andere onderdelen van de krijgsmacht dan de Koninklijke Marechaussee kunnen niet gewaardeerd worden zonder de handelingen van de politie in ogenschouw te nemen.

    ‘Handhaving van de rechtsorde’ valt uiteen in handhaving van de openbare orde en strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. ‘Handhaving van de openbare orde’ is ‘de zorg voor de naleving van regels, bij niet naleving waarvan de orde en rust in het openbare leven wordt verstoord (... en) omvat zowel de daadwerkelijke voorkoming en beëindiging van zich concreet voordoende of dreigende verstoringen van de openbare orde als de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving’, bijvoorbeeld door middel van vrijheidsbeperkende maatregelen of inbeslagneming. Ter voorkoming van ordeverstoringen wordt bijvoorbeeld het middel van de surveillance ingezet.

    ‘Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde’ is nogal repressief gericht. Zij omvat ten eerste de daadwerkelijke voorkoming, de opsporing, de beëindiging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van beslissingen van de rechter of het openbaar Ministerie in strafzaken. Ten tweede zou men er ook de justitiële hulpverlening onder kunnen verstaan; de eerste opvang van slachtoffers van delicten (slachtofferhulp).

    Deze twee elementen van de handhaving van de rechtsorde hangen samen. Een inbreuk op de openbare orde kan een strafbaar feit opleveren of met het plegen van strafbare feiten gepaard gaan, en het plegen van strafbare feiten en de opsporing daarvan kan repercussies hebben op de handhaving van de openbare orde.

    Ook het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, hangt samen met de handhaving van de rechtsorde. Omdat de politie de rechtsorde moet handhaven, is zij aanwezig en bereikbaar en vertrouwt de burgerij in het algemeen de politie. De taak om hulp te verlenen verschaft de politie geen bevoegdheden. De politie moet hulp verlenen op basis van vrijwilligheid; wil de burger geholpen worden, dan verleent de politie zo nodig hulp.

    De politie verricht haar taken in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Het ‘bevoegde gezag’ over de politie of over de Koninklijke marechaussee, als zij optreedt ter handhaving van de rechtsorde (of over andere onderdelen van de krijgsmacht die bijstand verlenen aan de politie) is niet ondergebracht bij één orgaan, maar vanwege het machtenscheidingsbeginsel bij twee, bestuur en justitie (‘gezagsdualisme’):

    • de burgemeester van de gemeente waar het politieoptreden plaatsvindt, als de politie of de Koninklijke marechaussee optreedt om de openbare orde te handhaven of om de hulpverleningstaak uit te voeren. Ook over een ander onderdeel van de krijgsmacht dat bijstand verleent aan de politie, is de burgemeester het bevoegde gezag, als dit onderdeel optreedt om de openbare orde te handhaven of om de hulpverleningstaak uit te voeren; of

    • de officier van justitie, als de politie of de Koninklijke marechaussee optreedt om de rechtsorde strafrechtelijk te handhaven of taken verricht ten dienste van justitie. Ook over een ander onderdeel van de krijgsmacht dat bijstand verleent aan de politie, is de officier van justitie het bevoegde gezag, als dit onderdeel optreedt om de rechtsorde strafrechtelijk te handhaven of taken verricht ten dienste van justitie.

      ‘Taken ten dienste van de justitie’ zijn:

      • het uitvoeren van wettelijke voorschriften waarmee de Minister van Justitie is belast;

      • het administratiefrechtelijk afdoen van inbreuken op wettelijke (verkeers)voorschriften, voor zover in die voorschriften het toezicht op de uitvoering van de politietaak is opgedragen aan het openbaar Ministerie;

      • het schriftelijk bekendmaken van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, het vervoeren van rechtens van hun vrijheid beroofde personen, en de dienst bij de gerechten.

    Behalve de splitsing bestuur-justitie, bestaat er een tweede splitsing, die tussen de algemene en de lokale politietaak. In beginsel is de burgemeester politieke verantwoording schuldig aan de gemeenteraad ofwel als het gaat over de handhaving van de openbare orde ofwel als lid van het regionale college over het beheer van de regionale politie. De commissaris van de Koning ziet toe op de gezagsuitoefening van de burgemeester, als de politie optreedt om de openbare orde te handhaven of om de hulpverleningstaak uit te voeren in meer dan één plaats, en ziet toe dat de politie in zijn ambtsgebied haar taak om de openbare orde te handhaven of om de hulpverleningstaak uit te voeren, naar behoren vervult, als de politietaak zich uitstrekt over meer dan één regio. Daartoe geeft hij de burgemeesters aanwijzingen. De Minister van Binnenlandse Zaken ziet toe op de burgemeester en de commissaris van de Koning, als de politie optreedt bij ordeverstoringen die nog ernstiger zijn en die een gevaar vormen voor de staatsveiligheid of die andere zwaarwegende belangen kunnen schaden, of bij gevaar voor zulke ordeverstoringen. Daarbij geeft hij aanwijzingen aan de commissaris van de Koning of aan de burgemeester.

    Dit BSD beslaat de periode vanaf de voordracht tot de Politiewet 1993. Deze wet en bijgaande reorganisatie van de politie heeft de handelingen en actoren en dus de archiefbescheiden op het beleidsterrein dusdanig veranderd, dat een scheiding bij begin 1994 zinvol is geacht.

    De Politiewet 1993 schrijft een integratie van rijks- en gemeentepolitie en een organisatie van de politiekorpsen op regionale schaal (schaalvergroting) voor, en tracht daarmee een oplossing te geven voor de spanningen tussen centralisatie en decentralisatie, en tussen rijkspolitie en plaatselijke politie. Het dualisme in gezag (burgemeester-officier van justitie) en daarmee in beheer (korpsbeheerder-hoofdofficier van justitie) blijft bestaan.

    Met ‘integratie’ wordt ten eerste bedoeld dat er één soort ambtenaren van de Nederlandse politie ontstaat met één uniforme rechtspositie, georganiseerd in 26 politiekorpsen en in de bijzondere ambtenaren van de politie; ten tweede dat ambtenaren die belast zijn met een politietaak, moeten samenwerken.

    Met deze integratie en reorganisatie op grond van de Politiewet 1993 wil de overheid allereerst inspelen op de sterke stijging van de criminaliteit op internationaal, bovenlokaal en lokaal niveau, en op de toenemende mobiliteit van de samenleving, om daarmee de doeltreffendheid van de politie te vergroten. Daarnaast is vergroting van de doelmatigheid van de politie een doelstelling.

    Actoren onder de werking van deze selectielijst

    • de Minister van Binnenlandse Zaken;

    • Georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken (GOP);

    • Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken (CGOP);

    • Adviescommissie grondrechten- en functie-uitoefening politieambtenaren;

    • Landelijke Politie Emancipatiecommissie (LPEC);

    • Raad voor het binnenlands bestuur (RBB);

    • Raad voor de gemeentefinanciën;

    • Beleidsadviescollege voor de politiële informatievoorziening (BPI) (Commissie Hermans);

    • Commissie studieverloop allochtone studenten NPA;

    • Begeleidingscommissie misbruik 06-11.

    Voor alle bovengenoemde actoren is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op deze beleidsterreinen de zorgdrager.

    Voor wat betreft de in de lijst vermelde handelingen zal het selectiedocument de dag na publicatie van de vaststelling van de lijst in de Staatscourant in werking treden. Dit betekent dat de daarvoor geldende overbrengings- of vernietigingstermijn in werking treedt na afsluiting van de betreffende dossiers. Voor handelingen waarbij de waardering V luidde en de achtergrond van die waardering gelegen is in het principe van bewaarniveau kan de vaststelling alleen onder voorbehoud gebeuren: alle V-beslissingen die gekoppeld zijn aan een B-beslissing bij een andere actor gaan pas gelden als het BSD ook voor die bewuste actor is vastgesteld.

    Voor nadere gegevens omtrent de positie van de actoren binnen het beleidsterrein en de gevolgen hiervan voor de door hen te verrichten en verrichtte handelingen, wordt op deze plaats kortelings het PIVOT-rapport nr. 31 ‘Handelen met de sterke arm deel II. Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein ‘politie’1994–’. Deze handelingen corresponderen qua nummering met de handelingen in de selectielijst.

    Totstandkoming van de selectielijst

    De totstandkoming van de selectielijst is verlopen conform artikel 3, eerste lid van het Archiefbesluit 1995. In december 1996 is het institutioneel onderzoek afgerond. In april 1997 is het driehoeksoverleg geopend.

    Aan het driehoeksoverleg namen deel:

    • 1. personen die deskundig zijn t.a.v. de organisatie en taken van de rijksorganen waaronder de neerslag van de in het BSD aangeduide handelingen berusten. Zij staan ‘voor het belang van de bedrijfsvoering’, de bewijsvoering of de verantwoording, en voor het belang van de recht- of bewijszoekende burger.

      Namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties:

      • voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

        het hoofd Stafafdeling Directiebeheer van de Directie Politie, mr. J.P. Boersen

        het hoofd afdeling Bestuurlijk Juridische Zaken, mr. P. Smeets

        voor deze mr. drs. C.R. van Strijen)

        de WOB-functionaris, mr. P.J. Stolk (voor deze mw. mr. drs. A.G. van Dijk)

      • voor het bestuurlijk beraad Politie:

        het hoofd Stafafdeling Directiebeheer van de Directie Politie, mr. J.P. Boersen

      • voor (de commissie voor) het Georganiseerd Overleg in politie-ambtenarenzaken (GOP/CGOP):

        de secretaris, Th.H. Dragt

      • voor de adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening (politie-)ambtenaren:

        de secretaris, Th. H. Dragt

      • voor de Landelijke Politie Emancipatiecommissie (opgeheven per 1/1/1997):

        het hoofd Stafafdeling Directiebeheer van de Directie Politie, mr. J.P. Boersen

      • voor het Beleidsadviescollege voor de politiële informatievoorziening (opgeheven 1994):

        het hoofd stafafdeling Directiebeheer/directie Politie, mr. J.P. Boersen

      • voor de commissie Studieverloop allochtone studenten NPA (opgeheven 1995):

        het hoofd stafafdeling Directiebeheer/directie Politie, mr. J.P. Boersen

      • voor de Begeleidingscommissie misbruik 06-11 (opgeheven 1995):

        het hoofd stafafdeling Directiebeheer/directie Politie, mr. J.P. Boersen

      • voor de Raad voor de gemeentefinanciën (opgeheven per 1/1/1997):

        de gewezen secretaris, drs. W.M.C. van Zaalen, tevens secretaris van de taakopvolger van de Raad, de Raad voor de financiële verhoudingen

      • voor de Raad voor het binnenlands bestuur (opgeheven per 1/1/1997):

        de gewezen secretaris, drs. M.P.H. van Haeften, tevens secretaris van de taakopvolger van de Raad, de Raad voor het openbaar bestuur

    • 2. een persoon die deskundig is t.a.v. het beheer van de nog niet naar de RAD overgebrachte bescheiden van deze rijksorganen. Hij houdt vooral de samenhang met bestanden van andere organen in het oog.

      Namens de Minister van Binnenlandse Zaken:

      • dhr. J. Gaillard, DIV-adviseur;

      • dhr. A. Willemsen, medewerker Stafafdeling Directiebeheer van de Directie Politie;

      • mw. E. van Gent, hoofd DI-sectie directie Politie

    Namens de algemene rijksarchivaris nam de rijksarchivaris PIVOT deel. Deze heeft drs. R.J.B. Hageman, medewerker afdeling Bronverwerving en Toezicht van het Algemeen Rijksarchief, tevens team-begeleider van het projectteam Verkorting Overbrengingstermijn van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aangewezen om namens hem het overleg te voeren.

    Als ‘klankbord’ namens deskundigen op het gebied van de geschiedenis van de strafrechttoepassing traden op prof. dr. S. Faber en mr. drs. C. de Boer.

    Een deel van het driehoeksoverleg heeft schriftelijk plaatsgevonden. Met de betrokkenen van de stafafdeling Directiebeheer van de Directie Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft intensief mondeling overleg plaatsgevonden, evenals met de vertegenwoordiger van de Algemene Rijksarchivaris en de historici.

    Op 12 september 1997 is het driehoeksoverleg afgerond, nadat alle betrokken partijen akkoord waren met de concept-selectielijst. Bij brief van 30 september 1997, kenmerk DMO 97/U 481, is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de betreffende concept-selectielijst aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ter vaststelling aangeboden.

    Het RIO, de concept-selectielijst, het verzoek van de zorgdrager tot vaststelling van de concept-selectielijst en het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg liggen met ingang van 7 oktober 1997 acht weken ter inzage in de bibliotheek van het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, de bibliotheken van de Rijksarchieven in de provincies en de bibliotheek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

    Belangen

    Binnen het driehoeksoverleg werden de betreffende handelingen conform de bepalingen van artikel 2, sub c. en sub d. van het Archiefbesluit 1995, bekeken op hun belang voor:

    • de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen;

    • voor recht- en bewijszoekende burgers;

    • het culturele erfgoed en voor historisch onderzoek.

    De door de Rijksarchiefdienst geformuleerde en door de Staatssecretaris van Cultuur vastgestelde-selectiedoelstelling is bereikt door de eerder in de inleiding van de selectielijst omschreven selectiecriteria toe te passen op de handelingen. Het belang van het historisch onderzoek en het culturele erfgoed is daarbij tot uitdrukking gebracht in het waarderen met een B van de daarvoor in aanmerking komende handelingen. Dit betekent dat de neerslag die uit die handelingen voortvloeit, na de wettelijk voorgeschreven termijn, zal worden overgebracht naar de Rijksarchiefdienst.

    Met alle deelnemers aan het driehoeksoverleg is uitvoerig gesproken over de toepassing van het principe van bewaarniveau. Samen met de ‘materiedeskundigen’ is per handeling met name bekeken of de juiste actor als eerste verantwoordelijke was aangemerkt. Met de vertegenwoordigers van de algemene rijksarchivaris en de historici is vooral gesproken over gevallen waarin het twijfelachtig werd gevonden of de gezichtspunten van alle betrokken actoren wel voldoende tot zijn recht zou komen bij toepassing van het principe van bewaarniveau. In een aantal gevallen, met name waar het gaat om bijdragen aan internationaal overleg, is naar aanleiding van het driehoeksoverleg besloten om niet uit te gaan van één bewaarniveau maar de neerslag bij alle betrokken actoren met B te waarderen.

    Voor het overige is er met de Rijksarchiefdienst weinig discussie geweest over specifieke selectiebeslissingen, omdat de Rijksarchiefdienst zich kon vinden in de beschrijving van de hoofdlijnen van het beleidsterrein. Met de historici bleven op bepaalde punten verschillen van inzicht bestaan.

    Voorts is aandacht besteed aan de belangen van de recht- en bewijszoekende burger. Ten dele worden die belangen afgedekt door de B-waarderingen; ten dele door de termijnen die gekoppeld zijn aan V-waarderingen. Met het oog op deze belangen zijn in de loop van het driehoeksoverleg een aantal vernietigingstermijnen, met name waar het handelingen met betrekking tot individuele gevallen betrof, opgehoogd. De betrokkenheid van de WOB-functionaris in het driehoeksoverleg vormt een extra waarborg voor de belangen van de recht- en bewijszoekende burger.

    Aan het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen is voldoende aandacht besteed. De context in het rapport ‘Handelen met de sterke arm’ en daarin opgesomde handelingen, verschaffen inzicht in de positie van betrokken actoren en hun onderlinge relatie.

    De vertegenwoordigers van de verschillende actoren zijn uitvoerig ingelicht over de consequenties van selectie voor hun bedrijfsvoering en hun verantwoordingsplicht. Met die consequenties voor ogen hebben zij zelf de voorstellen voor vernietigingstermijnen gedaan. De betrokkenheid van de WOB-functionaris vormt een extra waarborg voor het verantwoordingsbelang.

    Intrekking oude vernietigingsgrondslagen

    Bij de inwerkingtreding van dit BSD worden onderstaande categorieën van de volgende vernietigings- en selectielijsten ingetrokken voor wat betreft de archiefbescheiden die sinds 1994 zijn ontvangen of opgemaakt:

    – Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, 26 juli 1984, nr. MMA/Ar-9187 en AZ/AS-CA 8400744, hoofdstuk 1 (Politie).

    Selectielijst

    Deze selectielijst bestaat uit handelingen die geordend zijn naar rijksorgaan in plaats van naar deelterrein en beleidsproces zoals in het RIO. De reden voor de ordening naar rijksorgaan, is dat archieven geordend zijn naar rijksorgaan, en het daadwerkelijke archiefbeheer dus bij de rijksorganen plaatsvindt. Gekozen is voor de huidige naam van de rijksorganen, dus bijvoorbeeld ‘Minister van OCenW’ i.p.v. ‘Minister van WVC’, omdat ook de neerslag van de handelingen van de taakvoorganger zich bij de huidige rijksorganen bevindt.

    Binnen de ordening naar rijksorgaan is zo mogelijk geordend naar de huidige, fysieke archiefvormers, dat wil zeggen de personen of instellingen tussen haakjes achter het rijksorgaan die daadwerkelijk de handeling verricht. Als de fysieke archiefvormer onbekend is, dan zal dit zich moeten uitwijzen tijdens de archiefbewerking of -vorming. Het is zaak om niet alleen in de subparagraaf te kijken met de persoon of instelling tussen haakjes achter het rijksorgaan die daadwerkelijk de handeling verricht, maar ook in de eerste subparagraaf waarin het rijksorgaan niet gespecificeerd is.

    Binnen de ordening naar rijksorgaan of naar degene die daadwerkelijk de handeling verricht, is de numerieke volgorde van het RIO gehandhaafd. De nummers van de handelingen verwijzen naar die in dit RIO. Daarmee vormt dit BSD tegelijkertijd een index per rijksorgaan op het RIO.

    Per handeling worden vermeld:

    • de waardering van de neerslag van die handeling;

    • het nummer van het selectiecriterium of de vernietigingstermijn.

    Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    1.

    Handeling: het voorbereiden en vaststellen van beleidsnota’s inzake de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde

    Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1994–1995 1994, p. J9, L17 en O6

    Waardering: B 1

    2.

    Handeling: het toetsen van beleid van de rijksoverheid, voor zover deze op andere Ministeries tot stand komt, aan de handhaving van de openbare orde

    Waardering: B 2

    3.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan overlegorganen waarvan het secretariaat elders berust vanuit het gezichtspunt van de handhaving van de openbare orde

    Waardering: B 1

    6.

    Handeling: het voordragen tot wetten voor de taak, de organisatie en het beheer van de politie en het gezag waaraan zij ondergeschikt is

    Grondslag: – ± 1965–1969: Voorontwerp herziening Politiewet, april 1969 (‘het blauwe boekje’);

    – 1972: Nota Herziening Politiewet (TK 1971–1972, 10 124);

    – 1976: voorstel om de rijks- en gemeentepolitie samen te smelten tot gewestelijke politie;

    – 1981: TK 1980–1981, 16 812;

    – 1985: ‘De toekomst van het politiebestel’ (TK 1984–1985, 18 874);

    – 1986: TK 1985–1986, 19 535;

    – 1987: Basisregeling Regionale Samenwerking Politie;

    – 1988: wijziging van art. 2 en 37 van de Politiewet [Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden (Stb.) 1957, 244] in Stb. 1988, 576;

    – 1990: ‘Een nieuw politiebestel in de jaren ’90’ (TK 1989–1990, 21 461, nr. 1–2 en 12–13);

    – 1990: TK 1990–1991, 21 874;

    – 1992: Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Bron: TK 1989–1990, 21 461, nr. 2, p. 1–3; TK 1991–1992, 22 562, nr. 3, p. 1–5

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    8.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over de taken die vrijwillige ambtenaren kunnen uitvoeren

    Grondslag: art. 5.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    Toelichting: Zie Handeling: (8) onder de Minister van Justitie.

    14.

    Handeling: het aanwijzen van de andere luchtvaartterreinen dan de luchthaven Schiphol waarop de Koninklijke marechaussee de politietaak moet uitvoeren

    Grondslag: art. 6.1.c van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    29.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s met een ambtsinstructie voor de politie, voor de Koninklijke marechaussee, of voor de buitengewoon opsporingsambtenaren zoals bedoeld in artikel 142.1 van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Grondslag: art. 9.1 en 8.7 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    34.

    Handeling: het al dan niet schriftelijk machtigen tot het meevoeren van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven voor de bewaking en beveiliging van personen en objecten

    Grondslag: art. 8.4 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 275)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    41.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model voor een meldingsrapport inzake geweldgebruik

    Grondslag: art. 17.4 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 275)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    47.

    Handeling: het voordragen tot wetten waarin de gevallen bepaald worden, waarin iemand van zijn vrijheid mag worden beroofd

    Grondslag: art. 15.1 van de Grondwet (Stb. 1987, 458)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    49.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s of het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen met maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen worden onderworpen met het oog op hun insluiting (huishoudelijke fouillering)

    Grondslag: art. 9.4 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    51.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de inrichting van een politiecellencomplex

    Grondslag: art. 15.5 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    55.

    Handeling: het aanwijzen van gegevens die worden geregistreerd over ingeslotenen

    Grondslag: art. 15.6 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    57.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model voor een rapport van een korpsbeheerder over het overlijden of een poging tot zelfdoding van een ingeslotene

    Grondslag: art. 15.7 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    58.

    Handeling: het ontvangen van een rapport van een korpsbeheerder over het overlijden of een poging tot zelfdoding van een ingeslotene

    Grondslag: art. 15.7 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224);

    art. 1 van de Regeling vaststelling model rapport waarbij sterfgevallen en pogingen tot zelfdoding op een politiebureau worden gemeld [Nederlandse Staatscourant (Stcrt.) 1994, 96]

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    59.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de eisen van bekwaamheid waaraan het personeel moet voldoen, dat zorgdraagt voor ingeslotenen, en dat niet bestaat uit ambtenaren van politie

    Grondslag: art. 16.3 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    60.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over de samenwerking van degenen die bevoegd zijn tot opsporing van strafbare feiten ingevolge art. 142 van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14), met de politie

    Grondslag: art. 11.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    62.

    Handeling: het uitvoeren van het Transactiebesluit 1994

    Grondslag: Transactiebesluit 1994

    Periode: 1994–

    Waardering: aantekening van betaling van een geldsom ter voorkoming van strafvervolging opgemaakt door de bevoegde ambtenaar van elke zaak waarin hij een voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging heeft gesteld: V termijn: 1 jaar (Transactiebesluit art. 10)

    aanwijzen door of vanwege de korpschef van ambtenaren die zijn belast met de inning van gelden die anders dan door storting of overschrijving worden betaald: V termijn: 75 jaar

    de met de inning belaste ambtenaren en al degenen die verder bij de uitvoering van de in artikel 12, vierde lid, bedoelde voorschriften zijn betrokken, verstrekken desgevraagd alle inlichtingen hieromtrent aan de hoofdofficier van justitie, alsmede aan de directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau: V termijn 10 jaar

    het vaststellen van de opgave van de verstrekking en het beheer van de betalingsbewijzen, de afrekening en verantwoording van de ontvangen gelden en de in verband daarmee te voeren administratie en de hierop verrichte accountantscontrole: V termijn: 7 jaar

    71.

    Handeling: het vragen aan de Minister van Justitie of aan de procureur-generaal om verlening, beëindiging, verlenging of wijziging van opsporingsbevoegdheid, en aan de procureur-generaal om verlening, intrekking, verlenging of wijziging van een akte van beëdiging

    Grondslag: art. 8.1, 9.1, 35.2.a, 18.2, 18.3 of 23.1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    77.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over de verlening, beëindiging, verlenging of wijziging van opsporingsbevoegdheid, de aanwijzing of de aanvullende opsporingsbevoegdheid van een persoon

    Grondslag: art. 9.2, 12.3 of 14.3 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    80.

    Handeling: het vragen aan de Minister van Justitie om aanwijzing van categorieën of eenheden van meerderjarige personen als buitengewoon opsporingsambtenaren, en aan de procureur-generaal om verlening, intrekking, verlenging of wijziging van een akte van beëdiging

    Grondslag: art. 8.1, 12.1, en 18.2 of 23.1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    84.

    Handeling: het vragen aan de Minister van Justitie om toekenning, beëindiging, verlenging of wijziging van aanvullende opsporingsbevoegdheid aan of van categorieën of eenheden van buitengewoon opsporingsambtenaren, en aan de procureur-generaal om verlening, intrekking, verlenging of wijziging van een akte van beëdiging

    Grondslag: art. 8.1, 14.1, en 18.2 of 23.1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    92.

    Handeling: het al dan niet overleggen van de bewijzen van bekwaamheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar aan de procureur-generaal

    Grondslag: art. 33 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    94.

    Handeling: het verschaffen van alle informatie met betrekking tot de in zijn dienst werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren, die de toezichthouder en de direct toezichthouder wensen

    Grondslag: art. 41.1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    96.

    Handeling: het verstrekken van informatie aan de Minister van Justitie

    Grondslag: art. 41.2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 2 jaar

    112.

    Handeling: het voorbereiden van integraal veiligheidsbeleid

    Bron: TK 1994–1995, 24 225, nrs. 1–2; Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1994–1995 1994, p. J9; Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 31

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    113.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen inzake integraal veiligheidsbeleid

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 31–32

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    115.

    Handeling: het al dan niet verlenen van een bijdrage aan een gemeente die geen GSB (grote-stedenbeleid)-gemeente is, voor het aanstellen van of uitbreiden van het aantal stadswachten

    Grondslag: Stimuleringsregeling toezicht

    Bron: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 31–32

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    117.

    Handeling: het al dan niet inzetten van een projectorganisatie integraal veiligheidsbeleid

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 14; Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8

    Periode: 1995–1998

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    118.

    Handeling: het bevorderen van mobiliteit van ambtenaren tussen de voor integraal veiligheidsbeleid relevante onderdelen van de overheid

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 14 en 36; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8, 38–39

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    119.

    Handeling: het al dan niet sluiten van een convenant met de korpsbeheerders van de regio’s om de bovenregionaal/(inter)nationaal georganiseerde criminaliteit tegen te gaan of te bestrijden

    Grondslag: nota ‘De georganiseerde criminaliteit in Nederland’ (TK 1992–1993, 22 838, nr. 1–2)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    120.

    Handeling: het instellen, wijzigen of opheffen van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 14 (noot 8); onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    121.

    Handeling: het bevorderen van de totstandkoming van provinciale of regionale veiligheidsplatforms

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 14; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    122.

    Handeling: het (laten) verrichten van onderzoek naar onveiligheid en achtergronden daarvan

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 10 en 14; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8, 32–36

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn 10 jaar, m.u.v. onderzoeksopdracht en eindrapporten B 1/2

    123.

    Handeling: het toetsen van beleid van de rijksoverheid, voor zover deze op andere Ministeries tot stand komt, aan het integraal veiligheidsbeleid

    Grondslag: Integrale Veiligheidsrapportage 1993; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8, 38

    Periode: 1994–

    Waardering: B 2

    125.

    Handeling: het vragen en ondersteunen van een gemeente om een stappenplan integrale veiligheid te ontwikkelen

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 10–11; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    126.

    Handeling: het al dan niet sluiten van een convenant met afspraken over veiligheidsvraagstukken met een grote stad

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 14; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    128.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een Ministeriële regeling inzake de ‘jeugdketen’ inclusief een financieel verdeelsysteem voor de GSB-gemeenten

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 13

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    129.

    Handeling: het verlenen of weigeren van een:

    a. uitkering aan een GSB-gemeente voor een actieprogramma ‘jeugd en veiligheid’;

    b. brede doeluitkering jeugdketen (jeugd)

    Grondslag: Ministeriële regeling inzake de ‘jeugdketen’rijksbegrotingen; TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 18; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 12–13

    Periode: a – aan de vier grote steden, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht: 1994–

    – aan de overige vijftien GSB-gemeenten: 1994–

    b. 1998–

    Waardering: V termijn: 7 jaar

    130.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een handreiking aan gemeenten inzake succes- en faalfactoren bij de aanpak van jeugd – vooral allochtone jongeren – en veiligheid

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 13

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    132.

    Handeling: het uitbrengen van een voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer over de maatregelen inzake de jeugdketen

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 11

    Bron: P.M. Monné, 22 september 1995

    Periode: 1994–

    Waardering: B 3

    133.

    Handeling: het voorbereiden van het beleid tegen drugscriminaliteit, in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)

    Grondslag: TK 1994–1995, 24 225, nr. 2, p. 21–22; onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    134.

    Handeling: het toetsen van beleid van de rijksoverheid, voor zover deze op andere Ministeries tot stand komt, aan de risicobeheersing en aan het integraal veiligheidsbeleid m.b.t. de leefomgeving

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8, 20–22, 24–25

    Periode: 1994–

    Waardering: B 2

    135.

    Handeling: het alloceren van gelden voor de stimulering van wijkveiligheidsplannen van de GSB-gemeenten

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 8, 15; actieprogramma’s van de GSB-gemeenten

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    136.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een criminaliteits- en brandveiligheidskeurmerk m.b.t. bedrijventerreinen, winkelcentra en zorginstellingen

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 17

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    137.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een Nationaal Keurmerk Veilig Wonen

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 18, 28

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    138.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van maatregelen en voorzieningen om:

    – woonhuizen te beveiligen via CAI (alarmering);

    – autodiefstal te voorkómen en gestolen auto’s op te sporen

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 19–20

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    139.

    Handeling: het maken van afspraken met het Verbond van Verzekeraars over premie-differentiatie m.b.t. het brand- en inbraakrisico voor particulieren

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 20

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    140.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een handreiking aan provincies inzake de manier waarop zij bij hun beleidsvoering inhoud en vorm kunnen geven aan het integraal veiligheidsbeleid

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 23–24

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    141.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een handreiking aan gemeenten inzake besluitvorming over concrete situaties waarin ontheffing van winkelsluitingstijden overwogen wordt

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 24–25

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    142.

    Handeling: het maken van afspraken met provincies en gemeenten over de inzet om de verkeersveiligheid te optimaliseren bij de inrichting of het onderhoud van het verkeerssysteem

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 28–29

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    143.

    Handeling: het al dan niet verlenen van een opdracht tot het onderzoeken van de reizigersveiligheid, personeelsveiligheid, overwegveiligheid en externe veiligheid, inclusief de sociale aspecten van veiligheid, als gevolg van het vervoerssysteem van de N.V. Nederlandse Spoorwegen (NS)

    Grondslag: onder meer Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 29

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar, m.u.v. onderzoeksopdracht en eindrapport B 1/2

    145.

    Handeling: het al dan niet verlenen van een subsidie aan projecten en aan personeelsuitbreiding ter versterking van de bestuurlijke en politiële samenwerking in grensregio’s t.b.v. de handhaving van de openbare orde en veiligheid

    Grondslag: ter voorbereiding van de uitvoering van het Akkoord van Schengen (Tractatenblad 1985, 102)

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 48; TK 1993–1994, 23 815, nr. 1, p. 8–9

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    147.

    Handeling: het al dan niet verlenen van een opdracht tot het verrichten van onderzoek naar de mogelijkheden voor grensoverschrijdende politiële samenwerking

    Bron: TK 1993–1994, 23 815, nr. 1, p. 9–10

    Waardering: V termijn: 10 jaar, m.u.v. onderzoeksopdracht en eindrapport B 1/2

    148.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het bilateraal overleg met bestuurders in België en Duitsland over de mogelijkheden voor politiële samenwerking in de grensstreken

    Bron: TK 1993–1994, 23 815, nr. 1, p. 10–11

    Waardering: B 1

    149.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in een stuur- of werkgroep onder de Centrale Groep van Schengen

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 49 en 86

    Waardering: B 1

    150.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de Centrale OnderHandelingsgroep (Groep) van Schengen

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 49, 86 en 91 (noot 2)

    Waardering: B 1

    154.

    Handeling: het toetsen van beleid van de EU, voor zover deze in andere Raden van Ministers dan de Raad van Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de derde pijler van de Europese Unie (JBZ-Raad) tot stand komt, aan de handhaving van de rechtsorde

    Periode: 1994–

    Waardering: B 2

    155.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Terrorisme

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27, 84 en 87

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    156.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Politiële samenwerking (operationele en technische aspecten)

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27, 84, 87 en 89

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    157.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Drugs en georganiseerde criminaliteit

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27, 84, 87 en 89

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    158.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de ad hoc-werkgroep Europese Politiedienst (Europol)

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27, 84, 87 en 89

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    159.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de Stuurgroep II, Politiële en Douanesamenwerking

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 26, 84 en 89

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    160.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Uitlevering

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    161.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Internationale georganiseerde criminaliteit

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    162.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de Verhouding strafrecht-communautair recht

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    163.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Intrekken van het rijbewijs

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    164.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Vereenvoudiging en bespoediging betekening en kennisgeving van gerechterlijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    165.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in de werkgroep Bestudering uitbreiding toepassingsgebied Europese Economische Gemeenschap (EEG)-Executieverdrag

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 27

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    167.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in het Coördinatiecomité van hoge ambtenaren ingevolge art. K.4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (K.4-comité)

    Grondslag: art. K.4 van het EU-Verdrag

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 29, 36, 84, 87–88 en 90

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    169.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg in het ‘Comité des Representants Permanents’ ofwel Comité van Permanente Vertegenwoordigers (per pijler van de Europese Unie) (Coreper)

    Bron: De Nederlandse politie en de Europese integratie 1994, p. 26–29, 36, 86 en 90

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    174.

    Handeling: het voorbereiden van het beleid inzake internationale niet-operationele politiesamenwerking met Midden- en Oost-Europa

    Bron: TK 1993–1994, 23 815, nr. 1, p. 5–6

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    175.

    Handeling: het voorbereiden van de beschikbaarstelling van politie-officieren om te worden uitgezonden naar het buitenland in samenwerking met de korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen

    Bron: TK 1993–1994, 23 815, nr. 1, p. 6–8

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    177.

    Handeling: het al dan niet beschikbaarstellen van politie-officieren om te worden uitgezonden naar het buitenland, aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Ontwikkelingssamenwerking

    Bron: TK 1993–1994, 23 815, nr. 1, p. 6–8

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    181.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan een commissaris van de Koning of een burgemeester over het beleid dat deze commissaris of burgemeester moet voeren om de openbare orde te handhaven

    Grondslag: art. 16.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    182.

    Handeling: het verstrekken van inlichtingen aan burgemeesters of commissarissen van de Koning in het geval van (dreigende) ordeverstoringen ten behoeve van het geven van aanwijzingen over het door hen te voeren beleid ter handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 17.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    183.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de verstrekking van inlichtingen door de burgemeesters, de commissarissen van de Koning en de Minister van Binnenlandse Zaken aan elkaar in het geval van (dreigende) ordeverstoringen ten behoeve het geven van aanwijzingen over het door hen te voeren beleid ter handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 17.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    187.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over zijn verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van de bepalingen over het Korps landelijke politiediensten in de praktijk

    Grondslag: art. 71 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 3

    189.

    Handeling: het uitbrengen van verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van de Politiewet 1993 en het nieuwe politiebestel in de praktijk

    Grondslag: debat in de Tweede Kamer over de vaststelling van een nieuwe Politiewet (Politiewet) (22562), 16 en 17 maart 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 3

    190.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over de wijziging van de bijlage van de wet, voor zover het de grenzen van de regio’s en de namen van de daarin voorkomende gemeeenten betreft

    Grondslag: art. 21.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    204.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over zijn besluit over een verschil van mening tussen de procureur-generaal en de commissaris van de Koning over het te nemen besluit over het verschil van mening tussen de hoofdofficier van justitie en de korpsbeheerder over het organisatieontwerp, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan voor het regionale politiekorps

    Grondslag: art. 29.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    212.

    Handeling: als de commissaris van de Koning en de procureur-generaal niet tot overeenstemming komen over het te nemen besluit op dit bezwaar, het beslissen over:

    – het bezwaar van de korpsbeheerder of de hoofdofficier van justitie tegen het organisatieontwerp, de formatie, begroting of jaarrekening, of het beleidsplan voor het regionale politiekorps die door het regionale college is vastgesteld;

    – de bezwaren van een burgemeester of de gemeenteraad tegen een besluit van het regionale college;

    – het bezwaar van één of meer van de betrokken burgemeesters tegen de bepaling van het regionale college over de grenzen van de territoriale onderdelen

    Grondslag: art. 32.2, 34.3 en 35.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    230.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s met de nadere aanduiding van de werkzaamheden van het Korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 38.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    235.

    Handeling: het verstrekken van alle inlichtingen die de Raad voor het Korps landelijke politiediensten nodig heeft voor een goede taakvervulling

    Grondslag: art. 39.5 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    237.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over zijn voordracht tot benoeming of ontslag van de voorzitter, overige leden en adviserende leden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 40.3 en 40.4 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    240.

    Handeling: het benoemen, bevorderen, schorsen of ontslaan van een lid van het secretariaat van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 40.6 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    242.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over het al dan niet goedkeuren van de formatie en het beleidsplan voor het Korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 41.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    247.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over de voordracht tot benoeming, schorsing of ontslag van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 42.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    250.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Justitie over de aanwijzing van de taken die de procureur-generaal met behulp van bijzondere ambtenaren van politie, moet uitvoeren

    Grondslag: art. 43.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    254.

    Handeling: het voorbereiden van de bepaling bij koninklijk besluit (KB) tot welk tijdstip het Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1992, 216) in werking blijft

    Grondslag: art. 70.3 van de Politiewet 1993 (Stb. 725)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    255.

    Handeling: het al dan niet beschikbaarstellen van een (aanvullende) bijdrage aan een regio voor de kosten van de politie

    Grondslag: art. 44.1 of 44.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    257.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over de wijze waarop de Minister van Binnenlandse Zaken (aanvullende) bijdragen beschikbaarstelt aan de regio’s voor de kosten van de politie, en over het (toezicht op het financiële) beheer van de regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 44.3, 45.1 en 45.4 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    259.

    Handeling: het jaarlijks voorlopig vaststellen van het normbedrag per budgetverdeeleenheid, het aantal budgetverdeeleenheden en de algemene bijdrage, die de Minister van Binnenlandse Zaken toekent aan een regio in het volgende kalenderjaar, of het bijstellen van deze voorlopig vastgestelde algemene bijdrage

    Grondslag: art. 2.2 en 2.3 enerzijds of 2.5 en 2.6 anderzijds van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    261.

    Handeling: het al dan niet verlenen van een bijzondere bijdrage aan een regio

    Grondslag: art. 3.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    263.

    Handeling: het verlenen, of weigeren, verminderen of intrekken van een aanvullende bijdrage als bedoeld in art. 44.2 van de Politiewet 1993, aan een regio

    Grondslag: art. 4.1 of 4.5 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    264.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regels over de inhoud en inrichting van het verslag, de reikwijdte van de controle en de inhoud van de verklaring, bedoeld in art. 5.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Grondslag: art. 5.2 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    265.

    Handeling: het jaarlijks definitief vaststellen van de omvang van de rijksbijdragen aan een politieregio over het voorafgaande begrotingsjaar, en het al dan niet terugvorderen van en verleende rijksbijdrage of inzake opschorting van de betaling van één of meer voorschotten aan deze regio

    Grondslag: art. 7.1, 7.2 en 7.3 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    267.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de wijze waarop korpsbeheerders van een regionaal politiekorps:

    – het beleidsplan, de vastgestelde begroting van baten en lasten voor het eerstvolgende kalenderjaar en de daarbij behorende meerjarenraming, alsmede de daarop betrekking hebbende wijzigingen zodra deze zijn vastgesteld, moeten inrichten;

    – deze informatie aan de Minister van Binnenlandse Zaken moeten verstrekken

    Grondslag: art. 8.2 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    269.

    Handeling: het beslissen dat de begroting van het eerstvolgende begrotingsjaar en de wijzigingen van deze begroting van een regionaal politiekorps geen goedkeuring nodig heeft, in overeenstemming met art. 203.1 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96)

    Grondslag: art. 45.4 van de Politiewet 1993; art. 9.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Bron: P.F.W. Rutten, 17 maart 1995

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    270.

    Handeling: het voorafgaand al dan niet goedkeuren van de begroting van een regionaal politiekorps van het eerstvolgende begrotingsjaar en de wijzigingen van deze begroting, en evt. het bepalen dat de korpsbeheerder zijn, door de Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen, besluiten moet toezenden aan deze Minister, in overeenstemming met art. 203.1, 211 en 260 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96)

    Grondslag: art. 45.4 van de Politiewet 1993; art. 9.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Bron: P.F.W. Rutten, 17 maart 1995

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    272.

    Handeling: het al dan niet toestemmen met een korpsbeheerder tot het doen van uitgaven, evt. verbonden aan voorschriften, in overeenstemming met art. 208.1 en evt. 208.4 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96)

    Grondslag: art. 45.4 van de Politiewet 1993; art. 9.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    273.

    Handeling: het bepalen voor welke posten en tot welk bedrag een korpsbeheerder geen toestemming nodig heeft tot het doen van uitgaven, in overeenstemming met art. 208.5 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96)

    Grondslag: art. 45.4 van de Politiewet 1993; art. 9.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    274.

    Handeling: het al dan niet instellen van een rechtsvordering tegenover de leden van het regionale college tot betaling van de gelden waartoe zij ingevolge hun besluit tot aansprakelijkstelling tegenover de politieregio verschuldigd zijn, in overeenstemming met art. 210.3 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96)

    Grondslag: art. 45.4 van de Politiewet 1993; art. 9.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    276.

    Handeling: het al dan niet verlenen van een bijdrage aan een regio voor de kosten van de reorganisatie van de politie onder bepaalde voorwaarden

    Grondslag: art. 11.1 en 11.2 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–1996

    Waardering: V termijn: 2 jaar

    278.

    Handeling: het voorlopig vaststellen van het normbedrag per budgetverdeeleenheid, het aantal budgetverdeeleenheden en de algemene bijdrage, die de Minister van Binnenlandse Zaken toekent aan een regio voor het lopende kalenderjaar

    Grondslag: art. 12.1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 263)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 2 jaar

    280.

    Handeling: het aanwijzen van het gezag over het beheer over een register bij twee of meer politiekorpsen en de Koninklijke marechaussee

    Grondslag: art. 1.f.60 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    292.

    Handeling: het al dan niet toestemmen of het opleggen van de verplichting tot de verstrekking van daartoe omschreven gegevens uit een politieregister

    Grondslag: art. 18.5 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar

    299.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot politieregisters

    Grondslag: aanhef van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414) en art. 1.e, 3, 5.2, 6.3, 7.2, 9.3, 13.1 en 13.4, 14.e, 16.1.c, 17, 18.1–18.4, 19 en 25.1 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    301.

    Handeling: het uitvoeren van art. 6.2–13.6, 13.8–17.4 en 18.4–20.2 van het Besluit politieregisters (Stb. 1991, 56)

    Grondslag: art. 6.2–13.6, 13.8–17.4 en 18.4–20 van het Besluit politieregisters (Stb. 1991, 56)

    Periode: 1994–

    Waardering: gegevens vastgelegd krachtens Besluit politieregisters art. 6.2 en 6.3: V termijn: 2 jaar

    proces-verbaal van vernietiging als bedoeld in art. 8.8 Besluit politieregisters: V termijn: 2 jaar

    vastleggen van verstrekkingen van gegevens uit politieregisters krachtens art. 16–18 Besluit politieregisters: V termijn: 3 jaar

    302.

    Handeling: het al dan niet goedkeuren van een afspraak met politie-autoriteiten in het buitenland over de rechtstreekse verstrekking van gegevens uit een politieregister dat is aangelegd voor de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie of van de burgemeester

    Grondslag: art. 13.7 van het Besluit politieregisters (Stb. 1991, 56)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    304.

    Handeling: het al dan niet verlenen van vrijstelling of ontheffing van de verplichting om van een verstrekking uit een politieregister die rechtstreeks langs geautomatiseerde weg plaatsvindt, langs geautomatiseerde weg aantekening te houden

    Grondslag: art. 17.6 van het Besluit politieregisters (Stb. 1991, 56)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    305.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de verplichting tot het vastleggen van verstrekkingen uit politieregisters die vóór 17 augustus 1991 bestonden of waarvoor vóór deze datum een detail-ontwerp was vastgesteld, die rechtstreeks langs geautomatiseerde weg plaatsvinden

    Grondslag: art. 17.6 en 17.7 van het Besluit politieregisters (Stb. 1991, 56)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    309.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over het beheer van de regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 45.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    312.

    Handeling: het bepalen van de doeleinden van het registreren van gegevens door een regionaal politiekorps, en van de categorieën van gegevens, en het aanwijzen van de personen en instanties aan wie een regionaal politiekorps deze gegevens verstrekt

    Grondslag: art. 2.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    313.

    Handeling: het beoordelen van de taakuitvoering van het BFO in relatie tot het financiële voordeel dat uiteindelijk bij rechterlijke uitspraak wordt ontnomen

    Grondslag: art. 4 van en de Toelichting: op de Regeling Bureaus financiële ondersteuning (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    314.

    Handeling: het bepalen dat in registers die zij kunnen aanwijzen, geen andere dan de gegevens zoals bedoeld in art. 2.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224), geregistreerd worden, en dat door hen aan te wijzen categorieën van gegevens in geen andere dan door hen aan te wijzen registers geregistreerd worden

    Grondslag: art. 2.2 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    315.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de wijze waarop de gegevens zoals bedoeld in art. 2.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224), geregistreerd, verwijderd of verstrekt worden, over de wijze waarop bestanden met die gegevens vergeleken worden, en over de organisatie en de werkzaamheden van de CID’s

    Grondslag: art. 2 en 4 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224); art. 46 en 48 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    332.

    Handeling: het al dan niet aanmerken van een andere organisatorische eenheid dan de CID die belast is met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, als CID

    Grondslag: art. 24 van de CID-regeling 1995 (Stcrt. 74)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    333.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de schrijfwijze, classificatie of codering van gegevens en de samenstelling van de gegevens in de vorm van berichten

    Grondslag: art. 2.4 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    334.

    Handeling: het aanwijzen van telecommunicatievoorzieningen die een regionaal politiekorps kan gebruiken voor het verstrekken van gegevens zoals bedoeld in art. 2.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224) via telecommunicatievoorzieningen

    Grondslag: art. 3.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    335.

    Handeling: het toewijzen van frequenties aan een regionaal politiekorps voor de overdracht van gegevens zoals bedoeld in art. 2.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224) via niet-draadgebonden telecommunicatievoorzieningen

    Grondslag: art. 3.2 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    337.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de wijze waarop de (niet-draadgebonden) telecommunicatievoorzieningen moeten worden gebruikt

    Grondslag: art. 3.3 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    338.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de organisatie van een observatie-eenheid van één of meer regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 5.2 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    339.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de organisatie, de sterkte voor de bijstand en de paraatheid van mobiele eenheden (ME’s) van een regionaal politiekorps

    Grondslag: art. 6.2 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    340.

    Handeling: het uitvoeren van art. 20 en 23 van de Regeling mobiele eenheid (Stcrt. 1994, 64)

    Grondslag: art. 20 en 23 van de Regeling mobiele eenheid (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    341.

    Handeling: het al dan niet toestemmen met een eenheid van één of meer regionale politiekorpsen (aanhoudings- en ondersteuningseenheid) zorg te dragen voor bepaalde werkzaamheden

    Grondslag: art. 8.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    342.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de organisatie van een eenheid van één of meer regionale politiekorpsen, die planmatige aanhoudingen moet verrichten, politie-infiltranten moet bewaken en beveiligen, moet assisteren bij bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden, bij bewaken en beveiligen van objecten, en andere werkzaamheden moet verrichten, waarvoor toestemming is verleend door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie (aanhoudings- en ondersteuningseenheid)

    Grondslag: art. 8.2 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    344.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de organisatie en paraatheid van een bijzondere bijstandseenheid-politie van een regionaal politiekorps

    Grondslag: art. 9.4 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    347.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de organisatie, beschikbaarheid en paraatheid van een rampen-identificatieteam politie

    Grondslag: art. 10.4 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    354.

    Handeling: het aanwijzen van werkzaamheden waarvoor financiële deskundigheid nodig is, waarmee een BFO van één of meer regionale politiekorpsen belast is

    Grondslag: art. 11.1.e van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    355.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de organisatie van een BFO van één of meer regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 11.2 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    356.

    Handeling: het al dan niet toestemmen tot een afwijking van de samenstelling van een BFO

    Grondslag: art. 3.3 van de Regeling Bureaus financiële ondersteuning (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    357.

    Handeling: het aanwijzen van eenheden met ambtenaren van politie van één of meer regionale politiekorpsen, om zorg te dragen voor het waken voor de veiligheid van personen die het bevoegd gezag daartoe heeft aangewezen

    Grondslag: art. 11a van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    358.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van eisen van bekwaamheid aan ambtenaren van politie die belast zijn met werkzaamheden van de politie waarvoor specifieke vaardigheid of kennis vereist is

    Grondslag: art. 12.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Toelichting: Voor wat betreft de produkten:

    art. 9 van de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70), maakt deze Handeling: deel uit van Handeling: (344) onder de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie;

    art. 5 van de Regeling rampenidentificatieteam politie (Stcrt. 1994, 64), maakt deze Handeling: deel uit van Handeling: (347) onder de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie;

    art. 5 van de Organisatieregeling aanhoudings- en ondersteuningseenheid (Stcrt. 1994, 64), maakt deze Handeling: deel uit van Handeling: (342) onder de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie;

    art. 21 en 22 van de Regeling mobiele eenheid (Stcrt. 1994, 64), maakt deze Handeling: deel uit van Handeling: (339) onder Minister van Binnenlandse Zaken en, voor zover voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of voor de vervulling van justitietaken, de Minister van Justitie;

    art. 3.1 en 3.2 van de Regeling Bureaus financiële ondersteuning (Stcrt. 1994, 64), maakt deze Handeling: deel uit van Handeling: (355) onder de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie.

    Voor wat betreft het produkt Regeling voortgezette vuurwapenopleiding politie (Stcrt. 1994, 64):

    Waardering: B 1

    359.

    Handeling: het uitvoeren van de Regeling voortgezette vuurwapenopleiding politie (Stcrt. 1994, 64) en van art. 1 van de Regeling toepassing Regeling voortgezette vuurwapenopleiding politie voor de ambtenaren van politie bij het Korps landelijke politiediensten en de bijzondere ambtenaren van politie (Stcrt. 1994, 64)

    Grondslag: Regeling voortgezette vuurwapenopleiding politie (Stcrt. 1994, 64);

    art. 1 van de Regeling toepassing Regeling voortgezette vuurwapenopleiding politie voor de ambtenaren van politie bij het Korps landelijke politiediensten en de bijzondere ambtenaren van politie (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    360.

    Handeling: het aanwijzen van de vervolgopleiding voor precisieschutter BBE die de ambtenaar van politie die ter beschikking wordt gehouden voor een BBE-politie, moet hebben gehaald

    Grondslag: art. 9.1 van de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    361.

    Handeling: het aanwijzen van de vervolgopleiding die de ambtenaar van politie die deel uitmaakt van een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, moet hebben gehaald

    Grondslag: art. 5.1 van de Organisatieregeling aanhoudings- en ondersteuningseenheid (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    363.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van geschiktheidseisen waaraan een ambtenaar van politie moet voldoen om lid te worden van de ME

    Grondslag: art. 21.1.b van de Regeling mobiele eenheid (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    365.

    Handeling: het aanwijzen van de vervolgopleiding die de ambtenaar van politie die deel uitmaakt van de ME, moet hebben gehaald

    Grondslag: art. 21.3 van de Regeling mobiele eenheid (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    366.

    Handeling: het aanwijzen van de vervolgopleidingen die het hoofd BFO, de tactisch-rechercheurs en de financieel deskundigen moeten hebben gevolgd, om aangesteld te worden bij een BFO

    Grondslag: art. 3.2 van de Regeling Bureaus financiële ondersteuning (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    367.

    Handeling: het bepalen dat ambtenaren van politie die belast zijn met werkzaamheden van de politie waarvoor specifieke vaardigheid of kennis vereist is, moeten voldoen aan eisen van bekwaamheid die de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie hebben vastgesteld

    Grondslag: art. 12.1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    368.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over het politielegitimatiebewijs en over het gebruik van het politielogo

    Grondslag: art. 13 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    371.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de uitrusting van regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 14 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    372.

    Handeling: het al dan niet goedkeuren van het merk en type:

    – handboeien waaruit de uitrusting van de ambtenaar van politie bestaat;

    – explosieven waaruit de uitrusting van de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, bestaat

    Grondslag: art. 2 en 5 van de Uitrustingsregeling politie 1994 (Stcrt. 64);

    art. 1 van de Regeling vaststelling uitrusting ambtenaren van politie bij het Korps landelijke politiediensten en bijzondere ambtenaren van politie (Stcrt. 1995, 21)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    373.

    Handeling: het al dan niet goedkeuren van het merk en type:

    – kogelwerend vest en kogelwerende helm waaruit de uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de ME, een aanhoudings- en ondersteuningseenheid of een BBE, kan bestaan;

    – gasmasker waaruit de uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de ME of een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, bestaat;

    – schild waaruit de uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de ME, bestaat;

    – kogelwerend vest, kogelwerende helm of gasmasker waaruit de uitrusting van de ambtenaar die níet behoort tot de ME, een aanhoudings- en ondersteuningseenheid of een BBE, kan bestaan

    Grondslag: art. 3–4 van de Uitrustingsregeling politie 1994 (Stcrt. 64);

    art. 1 van de Regeling vaststelling uitrusting ambtenaren van politie bij het Korps landelijke politiediensten en bijzondere ambtenaren van politie (Stcrt. 1995, 21)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    374.

    Handeling: het aanwijzen van andere meetmiddelen van de politie dan snelheidscontrolemeters, remvertragingsmeters en wiellastmeters

    Grondslag: art. 1.d van de Regeling meetmiddelen politie (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    376.

    Handeling: het uitvoeren van de Regeling politiespeurhonden (Stcrt. 1994, 64) en van art. 1 van de Regeling politiespeurhonden en politiesurveillancehonden Korps landelijke politiediensten (Stcrt. 1994, 64)

    Grondslag: Regeling politiespeurhonden (Stcrt. 1994, 64);

    art. 1 van de Regeling politiespeurhonden en politiesurveillancehonden Korps landelijke politiediensten (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    377.

    Handeling: het benoemen van een commissie waarvan de leden de politiespeurhond menselijke geur en de (kandidaat)geleider moeten (her)keuren of examineren

    Grondslag: art. 1.e van de Regeling politiespeurhonden (Stcrt. 1994, 64);

    art. 1 van de Regeling politiespeurhonden en politiesurveillancehonden Korps landelijke politiediensten (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    378.

    Handeling: het uitvoeren van de Regeling politiesurveillancehonden (Stcrt. 1994, 64) en van art. 2 van de Regeling politiespeurhonden en politiesurveillancehonden Korps landelijke politiediensten (Stcrt. 1994, 64)

    Grondslag: Regeling politiesurveillancehonden (Stcrt. 1994, 64);

    art. 2 van de Regeling politiespeurhonden en politiesurveillancehonden Korps landelijke politiediensten (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    379.

    Handeling: het aanwijzen van een commissie waarvan de leden de de combinatie van geleider en (politiesurveillance)hond moeten (her)keuren

    Grondslag: art. 1.e van de Regeling politiesurveillancehonden (Stcrt. 1994, 64);

    art. 2 van de Regeling politiespeurhonden en politiesurveillancehonden Korps landelijke politiediensten (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    381.

    Handeling: het sturen op afstand van de omvang, de samenstelling, de werkdruk en de taakuitvoering en andere aspecten die de Minister van Binnenlandse Zaken of de Minister van Justitie van belang achten, van een regionaal politiekorps

    Bron: P.F.W. Rutten, 17 maart 1995; H. Statema, 1 juni 1995

    Grondslag: art. 17.1 en 17.2 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Waardering: B 4

    382.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over;

    – de inrichting van gegevens van een korpsbeheerder van een regionaal politiekorps over de omvang, de samenstelling, de werkdruk en de taakuitvoering van dit politiekorps;

    – de wijze waarop en de frequentie waarmee de korpsbeheerder deze gegevens aan de Minister van Binnenlandse Zaken verstrekt [beleidsinformatiesysteem (BIS)]

    Grondslag: art. 17.3 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    384.

    Handeling: het uitbrengen van verslag aan de Minister van Justitie en aan de korpsbeheerders over de verkregen gegevens van de korpsbeheerders van regionale politiekorpsen over de omvang, de samenstelling, de werkdruk en de taakuitvoering van dit politiekorps, en andere gegevens die de Minister van Binnenlandse Zaken of de Minister van Justitie nodig achtten

    Grondslag: art. 17.4 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 224)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 3

    386.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de maximale formatie van de leiding van de regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 45.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    387.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over de informatieverstrekking van de betrokken korpsbeheerders aan de Minister van Binnenlandse Zaken over het beheer van de regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 45.3 van de Politiewet 1993 [Stb. 1993, 724 (; Stb. 1993, 725)]

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    388.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over het (toezicht op het financiële) beheer van de regionale politiekorpsen (voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of voor de vervulling van taken ten dienste van de justitie)

    Grondslag: art. 45 (en 47.1) van de Politiewet 1993 [Stb. 1993, 724 (; Stb. 1993, 725)]

    Periode: 1994–

    Produkt: Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 264)

    Waardering: B 1

    389.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 264)

    Grondslag: Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen (Stb. 1994, 264)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    390.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over de aanpassing van amvb’s aan de Politiewet 1993 en de Invoeringswet Politiewet 1993

    Grondslag: Politiewet 1993 en de Invoeringswet Politiewet 1993 (Stb. 725)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    392.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de samenwerking tussen regionale politiekorpsen

    Grondslag: art. 46 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    396.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de samenwerking tussen:

    – de regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten;

    – enerzijds de regionale politiekorpsen of het Korps landelijke politiediensten en anderzijds de Koninklijke marechaussee

    Grondslag: art. 48 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    397.

    Handeling: het uitvoeren van de Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 1994, 152)

    Grondslag: Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 1994, 152)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    398.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de bewapening van de politie

    Grondslag: art. 49.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    399.

    Handeling: het uitvoeren van de Bewapeningsregeling politie (Stcrt. 1994, 64)

    Grondslag: Bewapeningsregeling politie (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    401.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de kleding van de politie

    Grondslag: art. 49.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    402.

    Handeling: het uitvoeren van de Kledingregeling voor de politie (Stcrt. 1994, 64)

    Grondslag: Kledingregeling voor de politie (Stcrt. 1994, 64)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    404.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit instelling Commissie voor georganiseerd overleg Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie (Stb. 1992, 319)

    Grondslag: Besluit instelling Commissie voor georganiseerd overleg Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    405.

    Handeling: het voordragen tot wetten over de landelijke werving, de selectie en het onderwijs van politiepersoneel

    Grondslag: – 1985: ‘De toekomst van het politiebestel’ (TK 1984–1985, 18 874);

    – 1991/2: TK 1988–1989, 1989–1990, 1991–1992, 21 013; Eerste Kamer (EK) 1991–1992, 21 013;

    – 1994: TK 1993–1994, 23 446

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    406.

    Handeling: het aanwijzen van een andere categorie van personen dan ambtenaren van politie, waarvoor het LSOP opleidingen moet verzorgen

    Grondslag: art. 67.2 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320; gewijzigd Stb. 1993, 725);

    art. 3.1.a van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    407.

    Handeling: het aanwijzen van een basisopleiding van ambtenaren van politie of andere categorieën van personen

    Grondslag: art. 3.1.a van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1995–

    Waardering: B 5

    411.

    Handeling: het aanwijzen van een vervolgopleiding van ambtenaren van politie of andere categorieën van personen

    Grondslag: art. 66.1.b van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320; gewijzigd Stb. 1993, 725);

    art. 3.1.a van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780);

    art. 49a van de Politiewet 1993 (Stb. 724; gewijzigd Stb. 1994, 780)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    413.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Justitie over de:

    a. bepaling dat het LSOP moet zorgen voor de selectie of de verzorging van een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1.b van de Politiewet (Stb. 1957, 244) van categorieën van personen, of over de duur en eindtermen van deze opleiding;

    b. aanwijzing van een categorie van personen waarvoor de LSOP andere dan de in art. 3.1.a van de LSOP-wet bedoelde opleidingen moet verzorgen, of over de duur en eindtermen van deze opleidingen

    Grondslag: a. art. 68.2 of 75.3 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    b. art. 3.3 of 10.3 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: a. 1994–1995;

    b. 1995–

    Waardering: B 1

    415.

    Handeling: het aanwijzen van een categorie van personen waarvoor de LSOP andere dan de in art. 3.1.a van de LSOP-wet bedoelde opleidingen moet verzorgen

    Grondslag: art. 3.1.b van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1995–

    Waardering: B 5

    416.

    Handeling: het bepalen dat het LSOP moet zorgen voor de selectie of de verzorging van een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1.b van de Politiewet (Stb. 1957, 244) van door de Minister van Justitie of van Binnenlandse Zaken aan te wijzen categorieën van personen

    Grondslag: art. 68.1 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: B 5

    420.

    Handeling: het voordragen tot benoeming of ontslag bij KB van een lid van de bestuursraad van het LSOP

    Grondslag: art. 70.2 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    art. 5.2 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    427.

    Handeling: het voordragen tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van een lid van de directie van het LSOP en van een directeur van een instelling

    Grondslag: art. 74.2 [en 74.3] van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    art. 9.2 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    428.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s waarin bepaald wordt welke andere ambtenaren dan de leden van de directie van het LSOP worden benoemd, geschorst en ontslagen bij KB op voordracht de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 9.2 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1995–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    434.

    Handeling: het uitvoeren van het Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Grondslag: Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    439.

    Handeling: het uitvoeren van het Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Grondslag: Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    440.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Grondslag: Besluit overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    443.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van duur en eindtermen van de opleidingen die bedoeld zijn in:

    a. art. 66.1 van de Politiewet (Stb. 1957, 244);

    b. art. 3.1.a van de LSOP-wet

    Grondslag: a. art. 75.1 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    b. art. 10.1 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    c. Landelijke Regeling Politieonderwijs

    Periode: a. 1994–1995;

    b. 1995–

    Waardering: B 1

    444.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van duur en eindtermen van de opleidingen die bedoeld zijn in:

    a. art. 68.1 van de Politiewet (Stb. 1957, 244);

    b. art. 3.1.b van de LSOP-wet

    Grondslag: a. art. 75.2 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    b. art. 10.2 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: a. 1994–1995;

    b. 1995–

    Waardering: B 1

    448.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regels (ingevolge de LSOP-wet: over hoe en de voorwaarden waaronder de rijksbijdrage wordt verstrekt,) over hoe de begroting en de rekening en verantwoording van het LSOP moeten zijn ingericht en over de termijnen waarbinnen deze moeten worden ingezonden

    Grondslag: a. art. 76.4 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    b. art. 11.4 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: a. 1994–1995;

    b. 1995–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    449.

    Handeling: het overdragen aan de LSOP van het beheer van andere instellingen dan die voor de basisopleidingen van ambtenaren van politie of andere categorieën van personen

    Grondslag: art. 66.4 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320; gewijzigd Stb. 1993, 725)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: B 4

    451.

    Handeling: het al dan niet goedkeuren van de begroting en de rekening en verantwoording van het LSOP

    Grondslag: art. 76.2 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    art. 11.2 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    452.

    Handeling: het zorgdragen voor de inspectie van de opleidingen die het LSOP verzorgt en het geven van aanwijzingen aan de bestuursraad van het LSOP

    Grondslag: art. 75.4, 77 en 79 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    art. 10.4, 12.1 en 12.3 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar, m.u.v. de aanwijzingen aan de bestuursraad B 4

    454.

    Handeling: het zenden van een evaluatie van de landelijke wervingsactiviteiten, de selectie en het onderwijs voor de politie aan de Staten-Generaal

    Grondslag: Artikel IV.II van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    art. 13 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    458.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel (Stb. 1992, 440)

    Grondslag: Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel (Stb. 1992, 440)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    459.

    Handeling: – het afwikkelen van het onderzoek evaluatie reorganisatie politie (IVA);

    – het afwikkelen en onderhouden van het huisstijlhandboek politie;

    – het budgettair afwikkelen van het budget reorganisatie politie en het beheren van het centrale deel van het reorganisatiebudget;

    – het al dan niet goedkeuren van een personeelsplan van een politiekorps

    Grondslag: art. 3 van de Beschikking houdende nadere invulling van het project nazorg reorganisatie politie en opheffing van de landelijke projectorganisatie voor de reorganisatie van de politie (Stcrt. 1994, 130)

    Bron: H.W.J. Helsen, 17 augustus 1995

    Periode: 1994–1995

    Waardering: B 3

    460.

    Handeling: het voorbereiden van de bepaling bij KB tot welk tijdstip het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel (Stb. 1992, 440) in werking blijft

    Grondslag: art. 70.3 van de Politiewet 1993 (Stb. 725)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    467.

    Handeling: het uitvoeren van art. 3 van de Regeling aanstellingseisen politie (Stcrt. 1995, 63)

    Grondslag: art. 3 van de Regeling aanstellingseisen politie (Stcrt. 1995, 63)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    503.

    Handeling: het vragen aan het bestuur van het ABP te beslissen dat een ambtenaar blijvend ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie

    Grondslag: art. 52.2 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    511.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de verstrekking van uniformkleding aan een adspirant, aan een ambtenaar die aangesteld is voor de uitvoering van de politietaak, of aan een ambtenaar die aangesteld is voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie

    Grondslag: art. 56.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    513.

    Handeling: het al dan niet verlenen van ontheffing aan uit de openbare kas bezoldigde ambten van het verbod buiten dienst gekleed te gaan in uniform

    Grondslag: art. 56.4 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    520.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met het bevoegd gezag over een detachering van een ambtenaar zoals bedoeld in art. 62.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214), als deze ambtenaar bij KB is aangesteld

    Grondslag: art. 62.2 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    521.

    Handeling: het vragen van het bevoegd gezag om, of het al dan niet overeenstemmen met het bevoegd gezag over, een detachering van een ambtenaar aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 62.1.a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    565.

    Handeling: het meewerken met de korpsbeheerder van een regionaal politiekorps aan de verlening van eervol ontslag aan een ambtenaar die werkt bij dit politiekorps, op andere gronden dan die in artikel 94 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214) zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen

    Grondslag: art. 95.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    567.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een Ministeriële regeling waarbij een ambtenaar die bij een regionaal politiekorps werkt en die niet bij KB is benoemd, een uitkering wordt toegekend in geval van ontslag ingevolge art. 95.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Grondslag: art. 95.3.c van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    568.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen waarin een leeftijdsgrens wordt verbonden aan een door het bevoegd gezag aangewezen functie, die een ambtenaar die aangesteld is voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, vervult

    Grondslag: art. 88.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    572.

    Handeling: het voorbereiden van het besluit inzake opschorting van het verlenen van eervol ontslag aan een ambtenaar die bij KB is benoemd en die werkt bij een regionaal politiekorps

    Grondslag: art. 88.4 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    573.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen over het besluit inzake opschorting van het verlenen van eervol ontslag aan een ambtenaar die bij KB is benoemd en die werkt bij het Korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 88.4 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    577.

    Handeling: het meewerken met het bevoegd gezag aan de verlening van ontslag als bedoeld in artikel 125e.4 van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530)

    Grondslag: art. 93.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    581.

    Handeling: het voorbereiden van de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling bij KB waarbij een ambtenaar die bij een regionaal politiekorps werkt en die bij KB is benoemd, een uitkering wordt toegekend in geval van ontslag ingevolge art. 95.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Grondslag: art. 95.3.a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    582.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling bij KB waarbij een ambtenaar die bij het Korps landelijke politiediensten werkt of die bijzondere ambtenaar van politie is, en die bij KB is benoemd, een uitkering wordt toegekend in geval van ontslag ingevolge art. 95.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Grondslag: art. 95.3.b van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    585.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen waarin de premie wordt vastgesteld die wordt toegekend aan een ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend ingevolge art. 90 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Grondslag: art. 96 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    592.

    Handeling: het uitvoeren van de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering politie (Stcrt. 1994, 157)

    Grondslag: Regeling bezwarenprocedure functiewaardering politie (Stcrt. 1994, 157)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    609.

    Handeling: het uitvoeren van de Regeling spaarloon politie (Stcrt. 1994, 113) en van de Spaarloonregeling politiepersoneel Justitie (Stcrt. 1994, 111)

    Grondslag: Regeling spaarloon politie (Stcrt. 1994, 113);

    Spaarloonregeling politiepersoneel Justitie (Stcrt. 1994, 111)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    610.

    Handeling: het voorbereiden van het besluit inzake schorsing van de toelating van een vereniging van ambtenaren tot het GOP of inzake het al dan niet toelaten van een andere vereniging van ambtenaren tot dit GOP

    Grondslag: art. 2.2.e of 2.4 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    614.

    Handeling: het al dan niet tenuitvoerbrengen van voorstellen tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren

    Grondslag: art. 3.3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    615.

    Handeling: het al dan niet opdragen van de leiding van het GOP aan een door de Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen ambtenaar, en het aanwijzen van een functionaris die de voorzitter bij het GOP terzijde staat

    Grondslag: art. 4.1 en 4.3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    617.

    Handeling: het uitvoeren van art. 4.4–20 en 22 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Grondslag: art. 4.4–20 en 23 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: V.termijn: 10 jaar

    627.

    Handeling: het uitvoeren van art. 5 van de Reisregeling binnenland politie (Stcrt. 1994, 251)

    Grondslag: art. 5 van de Reisregeling binnenland politie (Stcrt. 1994, 251)

    Periode: 1995–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    629.

    Handeling: het uitvoeren van art. 3 en 13 van het Besluit vergoeding dienstreizen politie (Stb. 1994, 217)

    Grondslag: art. 3 en 13 van het Besluit vergoeding dienstreizen politie (Stb. 1994, 217)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    630.2.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie (Stb. 1994, 218)

    Grondslag: Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie (Stb. 1994, 218)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    632.

    Handeling: het bepalen dat andere ambtenaren of arbeidscontractanten dan die, bedoeld in art. 2.1.a en 2.1.b, als actief dienende deelnemers worden aangemerkt

    Grondslag: art. 2.3 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    634.

    Handeling: het beslissen dat wanneer op grond van het Besluit GVP 1994 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit al dan niet zal worden gehandhaafd

    Grondslag: art. 6.1 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    636.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de toekenning aan of ten behoeve van deelnemers van vergoedingen van in door hen gemaakte ziektekosten

    Grondslag: art. 7.1 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    637.

    Handeling: het uitvoeren van de Regeling geneeskundige verzorging politie 1991 (Stcrt. 62; gewijzigd Stcrt. 1995, 15)

    Grondslag: Regeling geneeskundige verzorging politie 1991 (Stcrt. 62; gewijzigd Stcrt. 1995, 15)

    Periode: 1995–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    640.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van een percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een actief dienende of een gepensioneerde deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging, verhaalt op de deelnemer

    Grondslag: art. 9.1 of 9.2 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    641.

    Handeling: het voorzien in de betaling aan de DGVP van het resterende deel van de bijdrage voor een gepensioneerde deelnemer

    Grondslag: art. 9.2 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    643.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van een percentage van de heffingsGrondslag: dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer bedraagt, en het vaststellen of wijzigen van het bedrag dat als maximum zal gelden, waarboven van de heffingsGrondslag: geen bijdrage zal worden berekend

    Grondslag: art. 9.3 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    644.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de wijze waarop de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer moet worden afgedragen en het verhaal moet plaatsvinden

    Grondslag: art. 9.7 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    646.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP voor zich en ieder van zijn gezinsleden, en van de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag door de deelnemer dient te worden afgedragen

    Grondslag: art. 9.8 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    647.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de manier waarop de DGVP de Minister bijstaat bij de uitvoering van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338) en van de krachtens dit besluit gegeven regels

    Grondslag: art. 10.1 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–1996

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    648.

    Handeling: het benoemen, schorsen of ontslaan van een lid van de Commissie, belast met de algemene leiding en het beheer van de DGVP (Commissie van Beheer van de DGVP), of het aanwijzen van de voorzitter of de secretaris van de commissie uit de leden

    Grondslag: art. 11.2 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    650.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de werkzaamheden van de Commissie van Beheer van de DGVP

    Grondslag: art. 11.5 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    654.

    Handeling: het benoemen, schorsen of ontslaan van:

    – de administrateur of een ambtenaar, belast met de dagelijkse leiding van de DGVP; en

    – een adviseur voor de Commissie van Beheer van de DGVP en voor deze administrateur

    Grondslag: art. 11.4 en 12 van het Besluit GVP 1994 (Stb. 338)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    656.

    Handeling: het aanwijzen van een functie bij de politie als een vertrouwensfunctie als bedoeld in art. 125e.1 van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530)

    Grondslag: art. 50.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    661.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over de rangen van de politie

    Grondslag: art. 51 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn:10 jaar

    671.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Justitie over het geven van aanwijzingen aan een korpsbeheerder van personeel en middelen voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en voor de verrichting van andere taken ten dienste van de justitie

    Grondslag: art. 53.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    674.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan een korpsbeheerder van het beheer

    Grondslag: art. 53.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    676.

    Handeling: het ontvangen van de mededeling van de commissaris van de Koning over zijn besluit op een verzoek van een korpsbeheerder van een regionaal politiekorps om bijstand van andere politiekorpsen voor de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 54.4 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    677.

    Handeling: het al dan niet geven van de opdracht aan de betrokken korpsbeheerders van regionale politiekorpsen om bijstand te verlenen aan een korpsbeheerder van een ander regionaal politiekorps voor de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 54.3 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    679.

    Handeling: het vragen aan de Minister van Justitie om bijstand van het Korps landelijke politiediensten aan een korpsbeheerder van een regionaal politiekorps voor de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 54.3 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    680.

    Handeling: het al dan niet geven van de opdracht aan een commissaris van de Koning of een burgemeester om bijstand te verlenen aan regionale politiekorpsen of onderdelen daarvan voor de handhaving van de openbare orde in het geval van art. 16.2 van de Politiewet 1993

    Grondslag: art. 55 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    683.

    Handeling: het ontvangen van de mededeling van de procureur-generaal over zijn besluit op een verzoek van een korpsbeheerder van een regionaal politiekorps om bijstand van andere politiekorpsen of van de BBE-politie voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie

    Grondslag: art. 56.4 van de Politiewet 1993 of Toelichting: op de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 5

    685.

    Handeling: het toezien op strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, als de Minister van Justitie opdrachten verstrekt heeft aan de betrokken korpsbeheerders van regionale politie-korpsen of aan de algemeen commandant van de BBE-politie om bijstand te verlenen aan een korpsbeheerder van een (ander) regionaal politiekorps voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie

    Grondslag: art. 56.3 van de Politiewet 1993 en art. 140.1 van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14), of art. 6 en de Toelichting: op de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70)

    Bron: F.W.M. van Straelen, 6 oktober 1995

    Periode: 1994–

    Waardering: B 2

    689.

    Handeling: het al dan niet geven van de opdracht aan de betrokken korpsbeheerders van regionale politiekorpsen of aan de algemeen commandant van de BBE-politie om bijstand te verlenen aan het Korps landelijke politiediensten voor de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 57.1 van de Politiewet 1993, of art. 6 en de Toelichting: op de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    693.

    Handeling: het toezien op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, als de Minister van Justitie opdrachten verstrekt heeft aan de betrokken korpsbeheerders van regionale politiekorpsen of aan de algemeen commandant van de BBE-politie om bijstand te verlenen aan het Korps landelijke politiediensten voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie

    Grondslag: art. 57.2 van de Politiewet 1993 en art. 140.1 van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14), of art. 6 en de Toelichting: op de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70)

    Bron: F.W.M. van Straelen, 6 oktober 1995

    Periode: 1994–

    Waardering: B 2

    697.

    Handeling: het bepalen of en, zo ja, hoe de Koninklijke marechaussee bijstand moet verlenen voor de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 58.2 en 58.3 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    704.

    Handeling: het bepalen of en, zo ja, hoe andere onderdelen van de krijgsmacht dan de Koninklijke marechaussee bijstand moeten verlenen voor de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 59.1 en 59.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    Toelichting: Deze Waardering: is conform het Basisselectiedocument Taakveld IV beleidsterrein operatiën: militaire bijstand en steunverlening 1945–1993, Concept, Ministerie van Defensie & Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage, maart 1995, nr. (82) (RIO-nr. 4).

    705.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de wijze waarop andere onderdelen van de krijgsmacht dan de Koninklijke marechaussee bijstand moeten verlenen voor de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 59.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    708.

    Handeling: het instellen, wijzigen of opheffen van een BBE-defensie

    Grondslag: art. 60.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    Toelichting: Deze Waardering: is conform het Basisselectiedocument Taakveld IV beleidsterrein operatiën: militaire bijstand en steunverlening 1945–1993, Concept, Ministerie van Defensie & Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage, maart 1995, (83) (RIO-nr. 9).

    710.

    Handeling: het bepalen op welke wijze de BBE’s-defensie worden ingezet

    Grondslag: art. 60.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 6

    Toelichting: Deze Waardering: is conform het Basisselectiedocument Taakveld IV beleidsterrein operatiën: militaire bijstand en steunverlening 1945–1993, Concept, Ministerie van Defensie & Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage, maart 1995, (83) (RIO-nr. 9).

    711.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de wijze waarop de BBE’s-defensie worden ingezet

    Grondslag: art. 60.2 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    720.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Justitie over de vraag of hij de plannen tot daadwerkelijke eenheidsgewijze inzet van BBE’s, al dan niet goedkeurt

    Grondslag: art. 5.2 van de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    721.

    Handeling: het voordragen tot adviezen van het beleidsteam van de regering aan de Minister van Justitie over het al dan niet goedkeuren van de plannen tot daadwerkelijke eenheidsgewijze inzet van BBE’s

    Grondslag: Toelichting: op de Regeling bijzondere bijstandseenheden (Stcrt. 1994, 70)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    728.

    Handeling: het uitvoeren van de Klachtenregeling Korps landelijk politiediensten (Stcrt. 1994, 88)

    Grondslag: Klachtenregeling Korps landelijk politiediensten (Stcrt. 1994, 88)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    Minister van Binnenlandse Zaken (staatssecretaris) [plaatsvervangend (plv.) directeur-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid (OOV)]

    116.

    Handeling: het coördineren van integraal veiligheidsbeleid

    Grondslag: Projectplan integraal veiligheidsbeleid 1995, p. 6, 8, 35–36, 38, 40

    Bron: P.M. Monné, 22 september 1995

    Periode: 1994–1998

    Waardering: B 1

    Minister van Binnenlandse Zaken [directie Politie/Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening (PO&I)/Arbeidsvoorwaardenbeleid (AB)]

    196.

    Handeling: het voordragen tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van een korpschef van een regionaal politiekorps

    Grondslag: art. 25.1 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    197.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over voordrachten tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van een ambtenaar van politie die deel uitmaakt van de leiding van een regionaal politiekorps

    Grondslag: art. 25.3 van de Politiewet 1993

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    198.

    Handeling: het voordragen tot benoeming, bevordering, schorsing of ontslag bij KB van:

    – de plaatsvervangend korpschef van een regionaal politiekorps;

    – een andere ambtenaar van politie die deel uitmaakt van de leiding van een regionaal politiekorps en die ten minste wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 14 als bedoeld in bijlage I van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Grondslag: art. 1 van het Besluit Kroonbenoemingen politie (Stb. 1994, 675)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    403.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s tot de instelling van een commissie ad hoc voor georganiseerd overleg inzake de rechtstoestand van degenen van wie de aanstelling of arbeidsovereenkomst wijzigt als gevolg van de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van de werving, de selectie en het onderwijs voor de politie

    Grondslag: art. 6.1, 22.1 en 26.1 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1988, 576);

    art. 125.1 en 134.1 van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530);

    art. 3.2 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931, 248); en

    art. 3.1 van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    433.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s voor het personeel van het LSOP over:

    – aanstelling, schorsing en ontslag;

    – het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;

    – bezoldiging en wachtgeld;

    – diensttijden;

    – verlof en vakantie;

    – voorzieningen in verband met ziekte;

    – bescherming bij de arbeid;

    – woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;

    – medezeggenschap;

    – overige rechten en plichten;

    – disciplinaire straffen;

    – de instelling en werkwijze van commissies die moeten beslissen met uitsluiting van administratieve organen;

    – de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren

    Grondslag: art. 6.1.a, 22.1.a en 74.6 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320);

    art. 125.1 van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530)

    Periode: 1994–1995

    Produkt: Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Waardering: B 1

    437.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s voor het personeel van het LSOP over:

    – aanstelling, schorsing en ontslag;

    – het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;

    – bezoldiging en wachtgeld;

    – diensttijden;

    – verlof en vakantie;

    – voorzieningen in verband met ziekte;

    – bescherming bij de arbeid;

    – woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;

    – medezeggenschap;

    – overige rechten en plichten;

    – disciplinaire straffen;

    – de instelling en werkwijze van commissies die moeten beslissen met uitsluiting van administratieve organen;

    – de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren

    Grondslag: art. 74.6 van de Politiewet (Stb. 1957, 244; gewijzigd Stb. 1992, 320) en art. 125 van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530)

    Periode: 1994–1995

    Produkt: – Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323);

    – Besluit overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Waardering: B 1

    438.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over een systeem van functiewaardering en over de behandeling van verzoeken van ambtenaren die bezwaar hebben tegen de uitkomst van de bepaling van aard en niveau van zijn functie, om een waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen

    Grondslag: art. 3.3 en 4.2 van het Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    441.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s met bepalingen die art. 50.1 van de Politiewet 1993 aanvullen, voor ambtenaren die in dienst zijn bij het LSOP

    Grondslag: art. 9.6 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: 1995–

    Waardering: B 1

    Toelichting: Zie Handeling: (462) onder de Minister van Binnenlandse Zaken (directie Politie/PO&I/AB).

    456.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s voor de vrijwillige ambtenaren die aangesteld zijn voor de uitvoering van de politietaak:

    a. de rechtspositie, de beëdiging, de rangen en de bezoldiging;

    b. de tucht;

    c. de eisen van benoembaarheid;

    d. de eisen van bevordering

    Grondslag: art. 6.2 van de Politiewet (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1994–1995

    Waardering: B 1

    462.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s voor de politie (ingevolge de LSOP-wet: en voor de ambtenaren die in dienst zijn bij het LSOP) over:

    – aanstelling, schorsing en ontslag;

    – het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;

    – bezoldiging en wachtgeld;

    – diensttijden;

    – verlof en vakantie;

    – voorzieningen in verband met ziekte;

    – bescherming bij de arbeid;

    – woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;

    – medezeggenschap;

    – overige rechten en plichten;

    – disciplinaire straffen;

    – de instelling en werkwijze van commissies die moeten beslissen met uitsluiting van administratieve organen;

    – de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren

    Grondslag: a. art. 50.1 van de Politiewet 1993; of

    b. art. 9.6 van de LSOP-wet (Stb. 1994, 780)

    Periode: a. 1994–

    b. 1995–

    Waardering: B 1

    465.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van de minimumleeftijd voor de aanstelling als adspirant, als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, of als bijzondere ambtenaar van politie

    Grondslag: art. 7.1.b van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    Toelichting: Deze Handeling: maakt deel uit van Handeling: (466) onder de Minister van Binnenlandse Zaken (directie Politie/PO&I/AB).

    466.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen met eisen waaraan men moet voldoen, wil men worden aangesteld als adspirant, als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, of als bijzondere ambtenaar van politie

    Grondslag: art. 7.1.c en 7.1.d van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    470.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over een veiligheids-onderzoek voor aanstelling in een vertrouwensfunctie ingevolge art. 50.2 Politiewet 1993

    Grondslag: art. 8.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    475.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen ter uitvoering van art. 12 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Grondslag: art. 12.10 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    476.

    Handeling: het bepalen van het aantal extra roostervrije ATV-dagen waarop een ambtenaar aanspraak heeft in elk kalenderjaar

    Grondslag: art. 13 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    479.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over vakantie

    Grondslag: art. 27 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    484.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de inhouding op de bezoldiging van een ambtenaar over de tijd dat hij buitengewoon verlof geniet

    Grondslag: art. 34.2 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    485.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de verlening van buitengewoon verlof

    Grondslag: art. 39.2 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    488.

    Handeling: het adviseren van het bevoegd gezag of met de verlening van buitengewoon verlof aan een ambtenaar het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend

    Grondslag: art. 47.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    491.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de bedrijfsgeneeskundige begeleiding van een ambtenaar door de bedrijfsgeneeskundige dienst

    Grondslag: art. 49.3 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    492.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de onderwerping van een ambtenaar aan een periodiek bedrijfsgeneeskundig onderzoek

    Grondslag: art. 50.2 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    547.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen ter uitvoering van art. 71.1–71.5 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Grondslag: art. 71.6 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    553.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de diensttijd die voor de vaststelling van de ambtsjubilea in aanmerking komt

    Grondslag: art. 75.4 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    559.

    Handeling: het al dan niet opleggen van een straf bedoeld in art. 77.1.a en 77.1.g van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214), aan een ambtenaar die werkt bij een regionaal politiekorps, bij KB is benoemd en die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt

    Grondslag: art. 76.1 en 77.4 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    587.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de ontvangst van maandgeld of salaris door de adspirant die nog geen 25 jaar is, respectievelijk de adspirant die 25 jaar of ouder is

    Grondslag: art. 3 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    589.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over een systeem van functiewaardering voor de bepaling van de salarisschaal

    Grondslag: art. 6.2 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 10 jaar

    591.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de behandeling van het verzoek van een ambtenaar om de waardering van zijn functie te heroverwegen

    Grondslag: art. 7.2 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    594.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de berekeningswijze van de toelage van een ambtenaar

    Grondslag: art. 15.6 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    596.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de toekenning van een toelage aan een ambtenaar op andere gronden dan zeer goede of uitstekende vervulling van de functie, waarneming die op grond van het systeem van functiewaardering zou leiden tot een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, piket, werving of behoud, of tegemoetkoming in de representatiekosten

    Grondslag: art. 21.2 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    598.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de maaltijdvergoeding bij overwerk, als een ambtenaar geen aanspraak heeft op vergoedingen voor maaltijden in verband met een dienstreis

    Grondslag: art. 28 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    602.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de verlening van een tegemoetkoming in de premie voor een ziektekostenverzekering aan een ambtenaar (die gewezen is en jonger dan 65 jaar is,) of zijn nagelaten betrekking(en)

    Grondslag: art. 38 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    607.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen ter uitvoering van het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de gewezen ambtenaar

    Grondslag: art. 43.2 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    608.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van bijzondere Ministeriële regelingen voor gevallen waarin het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215) onvoldoende voorziet

    Grondslag: art. 48 van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    626.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over dienstreizen van de politie binnen Nederland

    Grondslag: art. 4–6 en 8–12 van het Besluit vergoeding dienstreizen politie (Stb. 1994, 217)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    628.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over de vergoeding van verblijfkosten in verband met een dienstreis

    Grondslag: art. 9.1 van het Besluit vergoeding dienstreizen politie (Stb. 1994, 217)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    630.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van verplaatsingskosten voor de politie

    Grondslag: art. 2, 5.2, 7.2, 7.3, 8.3, 9, 10 en 11.7 van het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie (Stb. 1994, 218)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 3 jaar

    664.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s over welke andere ambtenaren van politie dan de korpschefs en aan te wijzen ambtenaren van politie die deel uitmaken van de leiding van regionale politiekorpsen en dan de ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten worden benoemd, bevorderd, geschorst of ontslagen bij KB

    Grondslag: art. 52 van de Politiewet 1993 (Stb. 725)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 4

    665.

    Handeling: het voordragen tot benoeming, bevordering, schorsing of ontslag bij KB van een andere ambtenaar van politie dan de plaatsvervangend korpschef van een regionaal politiekorps of een andere ambtenaar van politie die deel uitmaakt van de leiding van een regionaal politiekorps en die ten minste wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 14 als bedoeld in bijlage I van het Besluit bezoldiging politie (Stb. 1994, 215), en die ten minste wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 15 als bedoeld in deze bijlage

    Grondslag: art. 1 van het Besluit Kroonbenoemingen politie (Stb. 1994, 675)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    667.

    Handeling: het voordragen tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van bevordering, schorsing of ontslag van een ambtenaar die geen deel uitmaakt van de leiding van een regionaal politiekorps

    Grondslag: art. 3.1 van het Besluit Kroonbenoemingen politie (Stb. 1994, 675)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    669.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Justitie over zijn voordracht tot benoeming, bevordering, schorsing of ontslag van een andere ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten dan de korpschef of van een bijzondere ambtenaar van politie

    Grondslag: art. 2 en 3.2 van het Besluit Kroonbenoemingen politie (Stb. 1994, 675)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    Minister van Binnenlandse Zaken (korpsbeheerder van een regionaal politiekorps)

    495.

    Handeling: het vragen aan het bestuur van het ABP om een ambtenaar die bij KB is benoemd en werkt bij een regionaal politiekorps, in aanmerking te brengen voor maatregelen of voorzieningen die in het belang van het herstel van zijn gezondheid zijn of in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid zijn, zoals bedoeld in art. P6, P7 en P8 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (ABP-wet) (Stb. 1966, 6)

    Grondslag: art. 50.6 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    Het bevoegd gezag over het beheer van een politieregister bij twee of meer politiekorpsen, aangewezen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    281.

    Handeling: het treffen van voorzieningen voor de juistheid en de volledigheid van de persoonsgegevens die in een politieregister zijn opgenomen

    Grondslag: art. 4.3 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn:

    285.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een (model)reglement voor een politieregister

    Grondslag: art. 9.1 (of 12.1) van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    289.

    Handeling: het treffen van technische en organisatorische voorzieningen ter beveiliging van een politieregister tegen verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan

    Grondslag: art. 7.2 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn:

    291.

    Handeling: het verstrekken van gegevens of antecedenten uit een politieregister

    Grondslag: art. 14–16 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar

    294.

    Handeling: het al dan niet medelen aan (de wettelijke vertegenwoordiger van) de belanghebbende of, en zo ja welke, gegevens over de betrokkende in enig politieregister zijn opgenomen, waar deze gegevens vandaan komen en aan wie deze zijn verstrekt

    Grondslag: art. 20 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn:

    296.

    Handeling: het al dan niet opnemen, verbeteren, aanvullen of verwijderen van persoonsgegevens in een politieregister

    Grondslag: art. 22.1 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar

    Georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken (GOP)

    616.

    Handeling: het voorbereiden van besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid;

    het leveren van bijdragen aan het overleg met de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken (CGOA) over nieuwe beleidsvoornemens voor politiepersoneelsaangelegenheden

    Grondslag: art. 3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken (CGOP)

    612.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid

    Grondslag: art. 3.1 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    613.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken over voorstellen tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren

    Grondslag: art. 3.3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 5 jaar

    Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening politieambtenaren

    563.

    Handeling: het adviseren van het bevoegd gezag over het straffen van een ambtenaar wegens overtreding van art. 125a.1 van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530)

    Grondslag: art. 80.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    576.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en/of Justitie over hun medewerking aan de verlening van ontslag als bedoeld in artikel 125e.4 van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530)

    Grondslag: art. 93.1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband.

    658.

    Handeling: het adviseren van het bevoegd gezag over de beslissing in bezwaar tegen de bedenkingen die, op grond van een veiligheidsonderzoek, zijn gerezen tegen vervulling van een vertrouwensfunctie bij de politie, door degene die daarin wil worden aangesteld

    Grondslag: art. 8.3 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Stb. 1994, 214)

    Periode: 1994–

    Waardering: V termijn: 75 jaar of 10 jaar na einde dienstverband

    Toelichting: Zie Handeling: (659) onder de Minister van Justitie.

    Landelijke Politie Emancipatiecommissie (LPEC)

    461.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het emancipatiebeleid en de uitvoering van het politie-emancipatiebeleid, en het coördineren van werkzaamheden op het gebied van de emancipatie bij de Nederlandse politie;

    het uitbrengen van verslag aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over haar werkzaamheden en bevindingen;

    het uitbrengen van een rapport aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de taakvervulling van de commissie en met voorstellen voor gewenste veranderingen

    Grondslag: Beschikking van de Minister van Justitie/Politie van 16 januari 1991, nr. 38666/90/POL, en de Minister van Binnenlandse Zaken/Politie van 16 januari 1991, nr. EA90/202/U34

    Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993 1993, p. L22; Jaarverslag 1993/Werkplan 1994 1994, p. 45–47; Politiealmanak-1995 1995, p. F-16/-17

    Periode: 1994–1995

    Waardering: B 1

    Raad voor het binnenlands bestuur (RBB)

    5.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Defensie over voordrachten tot wetten en algemene amvb’s voor de taak, de organisatie en het beheer van de politie en het gezag waaraan zij ondergeschikt is

    Bron: TK 1991–1992, 22 562, nr. 3, p. 24

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    Toelichting: Zie Handeling: (6).

    Raad voor de gemeentefinanciën

    5.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Defensie over voordrachten tot wetten en algemene amvb’s voor de taak, de organisatie en het beheer van de politie en het gezag waaraan zij ondergeschikt is

    Bron: TK 1991–1992, 22 562, nr. 3, p. 24

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    Toelichting: Zie Handeling: (6).

    Beleidsadviescollege voor de politiële informatievoorziening (BPI) (Commissie Hermans)

    310.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie over de politiële informatievoorziening

    Grondslag: Besluit Voorlopig Beleidsadviescollege politiële informatievoorziening (Stb. 1992, 597)

    Periode: 1994

    Waardering: B 1

    Commissie studieverloop allochtone studenten Nederlandse Politie Academie (NPA)

    455.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken over hoe de studieproblemen van allochtone studenten op de NPA op te lossen

    Grondslag: Stcrt. 1995, 9

    Periode: 1995

    Waardering: B 1

    Begeleidingscommissie misbruik 06-11

    311.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken over de bestrijding van het misbruik van 06-11

    Grondslag: Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 1993, nr. EA93/1466, Stcrt. 125

    Periode: 1994–1995

    Waardering: V termijn: 10 jaar