Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit beleidsvoornemen subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken (Humanitaire hulp)[Regeling vervallen per 01-01-2006.]

Geldend van 02-03-2005 t/m 31-12-2005

Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 17 februari 2005, nr. DMV/HH-0081/05, tot vaststelling van een beleidsvoornemen voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken (Humanitaire hulp)

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2006]

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 2.9.1 tot en met 2.9.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken in het kader van Humanitaire hulp geldt voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 het als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsvoornemen.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2006]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt.

Dit besluit zal met de daarbij behorende bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze:
de plv. Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

R.G. de Vos

Bijlage – Subsidiebeleidskader Humanitaire Hulp en annexen 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

1. Inleiding [Vervallen per 01-01-2006]

In dit subsidiebeleidskader voor humanitaire hulp wordt het door Nederland te voeren humanitair hulpbeleid vastgelegd en publiek toegankelijk gemaakt. Het subsidiebeleidskader dient als hulpmiddel bij het beoordelen van subsidieaanvragen. De vorm is daarop toegesneden: een handzaam toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen, zowel ten behoeve van de beoordelaar als van de aanvrager.

De indeling van dit beleidskader is als volgt:

In hoofdstuk 1 wordt aangegeven wat de algemene doelstellingen zijn van humanitaire hulp en vervolgens welke strategie Nederland hanteert. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen chronische crises waar Nederland specifiek aandacht aan besteedt en overige crisissituaties en acute crisissituaties. In hoofdstuk 2 worden sectoren, criteria en kanaalkeuze behandeld. In de annexen wordt vervolgens ingegaan op de situatie in een aantal belangrijke crisisgebieden alsmede rondom het thema voedselcrises.

In hoofdstuk 3 komen de overige crisissituaties aan bod. Het beleid van Nederland ten aanzien van humanitaire hulp in dergelijke situaties wordt beschreven, inclusief de criteria die hierbij gehanteerd worden. Het beleid van Nederland voor humanitaire hulp ten aanzien van acute crisissituaties wordt in paragraaf 4 beschreven. In paragraaf 4.4, kanaalkeuze, wordt het beleid van Nederland uitgelegd, zowel voor multilaterale kanalen, bilaterale kanalen, als voor Niet Gouvernementele Organisaties (NGO’s). Vragen als wanneer geniet welk kanaal de voorkeur en aan welke eisen dienen voorstellen te voldoen, worden daar behandeld.

1.1. Mission statement: doelstelling van humanitaire hulp [Vervallen per 01-01-2006]

De hoofddoelstelling van humanitaire hulp is het bijdragen aan de optimale leniging van levensbedreigende menselijke noden onder de meest kwetsbaren, waaronder met name vrouwen en kinderen, als gevolg van (chronische) crisissituaties en/of natuurrampen. In principe kan hulp wereldwijd worden verleend, maar er is bijzondere aandacht voor een aantal specifieke crisisgebieden in ontwikkelingslanden. Daarnaast bestaat er binnen het Stabiliteitsfonds een aparte faciliteit voor humanitair ontmijnen.

Hierbij worden de volgende internationale humanitaire hulpprincipes gehanteerd:

  • humanitaire respons op crises is uitsluitend gemotiveerd door het streven om het menselijk lijden van de meest kwetsbaren in het getroffen gebied te verlichten (het humanitair imperatief);

  • het humanitaire hulpaanbod dient altijd aangepast en afgestemd te zijn op plaatselijke omstandigheden en gebruiken, waar mogelijk ter versterking van de bestaande capaciteit en van de zelfredzaamheid alsmede ter voorkoming van donorafhankelijkheid;

  • humanitaire hulp dient onpartijdig te zijn: hulp wordt niet verstrekt ter bevordering van politieke of andere externe agenda’s en dient te worden verleend zonder onderscheid op basis van bijvoorbeeld ras, religie, politieke overtuiging, sekse, etcetera;

  • humanitaire hulp dient onafhankelijk te functioneren van politieke invloeden (zowel vanuit Nederland als vanuit de getroffen landen);

  • in een conflictsituatie dient soevereiniteit van het desbetreffende land ondergeschikt te zijn aan de noodzaak tot verlening van onbelemmerde en onpartijdige humanitaire hulp, waartoe vrije toegang tot de getroffen bevolking is vereist;

  • humanitaire hulp dient evenredig te zijn aan de behoefte (demand driven) en is niet aanbodgestuurd (supply-driven).

1.2. Strategie van de Nederlandse humanitaire hulp [Vervallen per 01-01-2006]

De strategie van de Nederlandse humanitaire hulp is gericht op versterking en uitbouw van een gemeenschappelijke, gecoördineerde benadering door alle betrokken donoren (VN-instellingen, ICRC en NGO’s) opdat deze niet solistisch en ongecoördineerd in het getroffen gebied opereren. Nauwe (internationale) afstemming draagt bij aan een betere aansluiting tussen de verschillende soorten en fasen van hulp. Richtinggevend voor de Nederlandse inspanningen in chronische crisissituaties is het Consolidated Appeal Process (CAP), dat onder leiding van het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) in gang wordt gezet.

In geval van acute crisissituaties zijn ook de Emergency Appeals van zowel de VN als de ‘International Committee of the Red Cross’ (ICRC), en de ‘International Federation of the Red Cross and Red Crescent Societies’ (IFRC) richtinggevend voor de Nederlandse inspanningen.

1.3. Algemene criteria m.b.t. subsidieaanvragen [Vervallen per 01-01-2006]

Voorstellen dienen ten minste aan onderstaande criteria te voldoen:

  • Activiteiten dienen uiteraard aan de in paragraaf 1.1. genoemde internationale humanitaire hulpprincipes te voldoen en aan de criteria en regelgeving van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken;

  • De activiteiten dienen van beperkte duur te zijn; uit Nederlandse humanitaire hulp fondsen worden geen structurele projecten gefinancierd. In bepaalde gevallen is het mogelijk om voorstellen in te dienen met een looptijd van maximaal 24 maanden (zie hiervoor de annexen). Daar waar sprake is van een langdurige crisis heeft voortzetting van relevante activiteiten prioriteit boven financiering van nieuwe activiteiten;

  • Bij het beoordelen van projectvoorstellen wordt gekeken naar eventuele negatieve effecten van humanitaire hulp (de zogenaamde ‘do no harm’- principes), mede met het oog op de duurzaamheid van de resultaten;

  • Voorstellen bevatten een goede verkenning van de noden en een duidelijk omschreven doelgroep;

  • De duidelijk omschreven activiteiten zijn gekoppeld aan verwachte resultaten, doelen, instrumenten en indicatoren;

  • Er wordt aandacht besteed aan de zogenaamde ‘gap’-problematiek: het is van belang dat waar mogelijk een zo goed mogelijke overgang van acute noodhulp naar rehabilitatie mogelijk wordt gemaakt en dat waar mogelijk aanknopingspunten voor wederopbouw worden geboden, overigens zonder dat dit automatisch Nederlandse financiering voor het vervolgtraject impliceert; in de landen die op de landenlijst voor Thematische Mede Financiering (TMF)-rehabilitatie voorkomen en waar TMF-activiteiten worden uitgevoerd, zal bijzondere aandacht worden geschonken aan de ‘gap-problematiek’;

  • Een exitstrategie dient deel uit te maken van het projectvoorstel;

  • Projectvoorstellen dienen aandacht te geven aan de HIV/AIDS problematiek. Zie hiervoor ook de Guidelines for HIV/AIDS interventions in emergency settings van de Inter-Agency Standing Committee;

  • Een duidelijke en sluitende begroting die gekoppeld is aan de activiteiten maakt deel uit van een projectvoorstel. Uitleg dient te worden gegeven voor elke budgetlijn die niet voor zichzelf spreekt;

  • In het budget kunnen slechts kosten worden opgenomen die direct gerelateerd zijn aan het project. Kosten voor de identificatiemissies ter verkenning van de noden worden niet gefinancierd door het Ministerie;

  • In de loop van 2004 is het stramien voor indiening van voorstellen en rapportages aangepast. Voorstellen hiervoor zijn besproken met de belangrijkste NGO’s op humanitair gebied, en zijn inmiddels gecommuniceerd;

  • Tenslotte wordt bij financiering met ingang van 2006 uitgegaan van co-financiering door tenminste één andere donor danwel van een substantiële eigen bijdrage van de INGO aan het totale project- of programmabudget (in beide gevallen minimaal 20%).

Nederland kan activiteiten van NGO’s financieren als deze NGO’s aan een aantal algemene eisen voldoen. Van belang zijn:

  • de ervaring en track record in het betreffende gebied (de betrouwbaarheid van een hulporganisatie);

  • de bewezen kennis en expertise met de betreffende problematiek (de geschiktheid van een hulporganisatie);

  • de implementatiecapaciteit van de hulporganisatie;

  • een positieve beoordeling van de structuur van de organisatie, de strategie en de financiële capaciteit middels de Checklist Organisational Capacity Assessment (COCA);

  • deelname door de NGO aan het Common Humanitarian Action Plan (CHAP), indien dat er is. Uitzonderingen op dit punt dienen met argumenten te worden onderbouwd.

Daarnaast dienen de beheersmatige kwaliteiten van de hulporganisatie goed te zijn. Criterium voor het beoordelen van een projectvoorstel is de kwaliteit van het voorstel, maar ook de kwaliteit, zorgvuldigheid en tijdigheid van rapportages en evaluaties van de NGO. Nieuwe organisaties worden regelmatig onderzocht op hun beheerscapaciteit. De hulporganisatie dient te voldoen aan de criteria en regelgeving van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Gezien het belang dat Nederland hecht aan de coördinatie van internationale hulpactiviteiten dienen uitvoerende organisaties waar mogelijk actief te participeren in de VN-coördinatiestructuur, alsmede hun activiteiten te coördineren met andere NGO’s.

Nederland financiert zelden direct activiteiten van lokale NGO’s. De constructie van kanalisering van fondsen via internationale NGO’s naar lokale NGO’s draagt bij aan de ontwikkeling van lokale capaciteit en daarmee aan de duurzaamheid van de activiteit. Daarnaast dragen lokale partners bij aan de exit-strategie van humanitaire hulporganisaties en kunnen ze een bijdrage leveren aan het overbruggen van de ‘gap’-problematiek.

Activiteiten op het gebied van ‘disaster preparedness’ worden in principe gefinancierd via multilaterale en/of ‘Rode Kruis’ kanalen.

Inkomensgenererende projecten worden uiterst terughoudend behandeld. Waar inkomensgenererende activiteiten worden gesteund dienen zij, naast de algemene criteria hierboven genoemd, aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • Het projectvoorstel bevat een specificatie van eigendom en beheer van eventuele roulerende fondsen na afloop van het project;

  • De looptijd van het project is maximaal 24 maanden;

  • Het voorstel is gebaseerd op een sobere benadering: lage investeringskosten, relatief kleine leningen met korte terugbetalingsschema’s ten behoeve van ‘vervoerbare’ productiemiddelen (d.w.z. geen zware machines).

Subsidieverlening brengt geenszins met zich mee dat de subsidieverlener verantwoordelijkheid draagt, of daarmee gemoeide risico’s aanvaardt, voor de wijze waarop en de middelen waarmee de subsidieontvanger uitvoering geeft aan de gesubsideerde activiteiten. Dit uitgangspunt brengt onder andere mee dat de subsidie-ontvanger – indien de veiligheidssituatie in haar werkgebied daartoe aanleiding biedt – zelf zorgdraagt voor een adequate risicoafweging en een daarbij passend niveau van beveiliging en verzekering van de personen die door subsidieontvanger met de uitvoering van haar activiteiten zullen worden belast.

2. Nederlandse aandachtsgebieden [Vervallen per 01-01-2006]

2.1. Inleiding [Vervallen per 01-01-2006]

De Nederlandse humanitaire hulp streeft naar een optimale respons op crisissituaties. Hierbij wordt, zoals hierboven benoemd, een onderscheid gemaakt tussen chronische crisissituaties en acute crisissituaties. De Nederlandse humanitaire hulp richt zich met name op een aantal chronische crisissituaties. Het beleid voor deze crisissituaties dat voorheen werd vastgelegd in de zogeheten Crisis BeleidsKaders is nu beknopt beschreven in de annex. De landenkeuze is mede afhankelijk van de volgende overwegingen:

  • aard en stadium van het conflict (en eerdere Nederlandse betrokkenheid);

  • VN-strategie en kwaliteit van het CAP;

  • omvang van de Nederlandse betrokkenheid in relatie tot de inzet van andere donoren;

  • duur van de Nederlandse steun in relatie tot de vooruitzichten op zelfredzaamheid van het desbetreffende land;

  • mogelijkheden voor parallelle inzet van politieke, militaire en andere middelen.

2.2. Sectoren [Vervallen per 01-01-2006]

De sectoren die door Nederlandse humanitaire hulp worden ondersteund in de afzonderlijke chronische crisissituaties staan beschreven in de annex. Voor rehabilitatie activiteiten wordt voorts verwezen naar het Beleidskader Thematische Medefinanciering Rehabilitatie/Wederopbouw, althans voor die landen die in dit kader genoemd worden. Met betrekking tot activiteiten op het gebied van humanitair ontmijnen wordt verwezen naar het Beleidskader Humanitair Ontmijnen (Stabiliteitsfonds).

2.3. Criteria [Vervallen per 01-01-2006]

Naast de algemene criteria genoemd in paragraaf 1.3 moeten activiteiten passen in de prioriteiten die voor crises zijn beschreven in de annex; zij moeten aansluiten bij de humanitaire strategie die hierin uiteengezet wordt. Voor specifieke criteria per conflictgebied wordt dan ook verwezen naar de desbetreffende annex en, waar relevant, naar het thematische kader humanitair ontmijnen.

Als in het land of de regio sprake is van een CAP, worden activiteiten van NGO’s slechts gefinancierd indien de NGO haar activiteiten coördineert met OCHA en actief participeert in het opstellen van het Common Humanitarian Action Plan (CHAP).

2.4. Kanaalkeuze [Vervallen per 01-01-2006]

Zie landenannex.

3. Overige chronische crisissituaties [Vervallen per 01-01-2006]

Aan enkele gebieden die niet in de annex zijn opgenomen, biedt Nederland wel humanitaire hulp. Deze hulp bestaat uit financiering van beperkte operaties, in het algemeen uitgevoerd door partners die beschikken over bewezen expertise, grondige kennis hebben van het desbetreffende land/gebied en beschikken over recente ervaring met het werken in dat land/gebied. De operaties behelzen in beginsel een continuering van lopende activiteiten. Voor humanitaire hulp in deze gebieden geldt eveneens dat als in het land of de regio een CAP is opgezet, activiteiten van NGO’s slechts worden gefinancierd indien de NGO waar mogelijk haar activiteiten coördineert met OCHA en actief participeert in het opstellen van het CHAP.

In de begroting Humanitaire Hulp is een voorziening opgenomen die flexibel kan worden ingezet wanneer zich acute voedselcrises voordoen. Sinds 2002 voltrekken zich dergelijke voedselcrises met name in de Hoorn van Afrika, Zuidelijk Afrika en, in mindere mate in de Sahel. Regionale droogte alsmede de impact van de HIV/AIDS-epidemie, sprinkhanenplagen, toenemende armoede, verslechtering van sociale overheidsvoorzieningen en gebrek aan goed bestuur, hebben een negatieve impact op de voedselsituatie van de bevolking. De wisselwerking tussen bovengenoemde factoren veroorzaakt een voortdurende humanitaire crisis in de Hoorn van Afrika en Zuidelijk Afrika, met honger als duidelijkste gevolg.

Voedselhulp met een spoedeisend karakter wordt in beginsel via multilaterale organisaties gekanaliseerd (met name WFP en UNICEF), al zijn (I)NGO’s niet op voorhand uitgesloten. Daarbij zijn het CAP (Consolidated Appeals Process) en emergency appeals richtinggevend. Het is overigens niet uitgesloten dat ook in deze crises humanitaire hulp met een non-food karakter wordt gefinancierd, afhankelijk van de betreffende Consolidated Appeals. Hetzelfde geldt voor aanzetten tot rehabilitatie (de zogenaamde humanitaire hulp plus), zoals zaaigoed en ‘seeds en tools’.

(I)NGO’s, actief op het gebied van voedselhulp en voedselzekerheidsprogramma’s, kunnen met inachtneming van het voorgaande voor subsidie in aanmerking komen, bijvoorbeeld indien de voorgestelde activiteiten gebieden bestrijken die door VN-organisaties moeilijk kunnen worden bediend. Ook in situaties waarbij VN-organisaties hun activiteiten niet naar tevredenheid kunnen uitvoeren, onder andere als gevolg van politisering van de humanitaire hulp, kan voor het (I)NGO-kanaal worden gekozen.

4. Acute crisissituaties [Vervallen per 01-01-2006]

4.1. Inleiding [Vervallen per 01-01-2006]

De Nederlandse humanitaire hulp richt zich tevens op (onvoorziene) grootschalige acute noodsituaties ten gevolge van natuurrampen, epidemieën of escalerende conflicten. Nederland laat zich hierbij leiden door OCHA, de ‘Emergency Relief Coordinator’, van de VN en/of IFRC/ICRC. Richtinggevend hierbij zijn respectievelijk de volgende factoren:

  • de vraag of het getroffen land een verzoek om internationale steun heeft ingediend (bij uitzondering kunnen ook verzoeken van OCHA en IFRC richtinggevend zijn);

  • de relatieve ernst en omvang van de noodsituatie;

  • de draagkracht van de lokale overheid en lokale organisaties (de eigen lokale capaciteit en mogelijkheden om met lokale middelen te reageren);

  • de bijdragen van andere landen/donoren (o.a. de Europese Unie).

4.2. Sectoren [Vervallen per 01-01-2006]

In acute crisissituaties komen strikte noodhulpactiviteiten in de werkelijke zin van het woord in aanmerking voor Nederlandse financiering, alsmede eerste aanzetten tot rehabilitatie ter ondersteuning van vluchtelingen en ontheemden, waarbij speciale aandacht voor de meest kwetsbaren. Hierbij kunnen activiteiten worden ondersteund in de volgende sectoren:

  • onderdak;

  • voedsel en voedselzekerheid;

  • (reproductieve) gezondheidszorg;

  • water & sanitatie;

  • protectie;

  • terugkeer en hervestiging van vluchtelingen en ontheemden.

4.3. Criteria [Vervallen per 01-01-2006]

Zie paragraaf 1.3.

4.4. Kanaalkeuze bij acute rampen [Vervallen per 01-01-2006]

4.4.1. Multilaterale kanalen [Vervallen per 01-01-2006]

Voor acute crisissituaties geldt dat, gezien het belang dat Nederland hecht aan het coördinatiemandaat van OCHA, de expertise van de diverse VN-organisaties en de belangrijke rol die zij spelen in de uitvoering van de hulp, in veel gevallen een groot deel van de Nederlandse hulp via de VN gekanaliseerd wordt. Daarnaast kan ICRC of IFRC worden gesteund in verband met het bijzondere mandaat op het gebied van humanitair recht en de neutrale rol in geval van acute crisissituaties.

4.4.2. Bilaterale overheidskanalen [Vervallen per 01-01-2006]

Met het oog op de internationale humanitaire hulpprincipes, specifiek het onpartijdigheidsprincipe, en ter voorkoming van substitutie, wordt de Nederlandse humanitaire hulp in principe niet via lokale overheden gekanaliseerd. Alleen in geval van natuurrampen wordt soms gebruik gemaakt van lokale overheidskanalen. Veelal zal een VN Emergency Coordinator samenwerken met de lokale overheidscoördinator van rampenbestrijding.

4.4.3. NGO’s [Vervallen per 01-01-2006]

Zie paragraaf 1.3.

Landenannex Afghanistan 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

Na meer dan 23 jaar gewapende strijd is Afghanistan nog steeds een getraumatiseerd land. De economie en de infrastructuur van het land zijn verwoest, de basisvoorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en veilig drinkwater zijn ontwricht en het land ligt bezaaid met mijnen. De levensomstandigheden zijn hard; eenzijdig voedsel, hoge kinder- en moedersterfte, koude winters en grootschalig gebrek aan adequate huisvesting. De papaverteelt en drugshandel zijn sterk toegenomen. Effectieve capaciteit voor het bestuur van Afghanistan in grote delen van het land ontbreekt. Een van de grootste problemen op dit moment vormt het gebrek aan water (70% van de natuurlijke waterputten in het westen, zuiden en oosten van het land zijn opgedroogd). Het gebrek aan water en watervoorzieningen heeft een impact op de voedselzekerheid en gezondheidszorg in het land.

Sinds de val van de Taliban zijn meer dan 3 mln. vluchtelingen en ontheemden teruggekeerd. In 2005 houdt UNHCR rekening met ongeveer 700.000 terugkeerders, voornamelijk uit Pakistan en Iran. Het terugkeer- en reïntegratieproces zal in 2005, naast het verbeteren van de watervoorziening, een van de grotere humanitaire uitdagingen blijven.

De veiligheidssituatie is het afgelopen jaar niet verbeterd. Verontrustend zijn de aanslagen die plaatsvinden op hulpverleners en op de ‘humanitaire ruimte’ in het algemeen. Vooral het zuiden en zuid-oosten van Afghanistan zijn voor de internationale NGO’s en VN hierdoor grotendeels onbereikbaar gebied geworden.

Humanitaire hulp zal in de komende jaren worden afgebouwd, maar dit zal geleidelijk moeten plaatsvinden.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

In 2005 zal Nederland de overgang van humanitaire hulp naar wederopbouw hulp blijven ondersteunen. Het primaire kanaal voor de Nederlandse structurele hulp blijft het multilaterale Afghanistan Reconstruction Trust Fund (ARTF). Dit fonds geeft eigen verantwoordelijkheid aan de centrale regering en stelt haar in staat om op gecoördineerde wijze invulling te geven aan een coherent wederopbouwbeleid. Naast financiering van de ‘recurrent costs’ zal in 2005 het ARTF steeds meer worden ingezet voor financiering van wederopbouwactiviteiten uit de Afghaanse ontwikkelingsbegroting. Voor de jaren 2004 t/m 2006 heeft Nederland € 75 mln. aan dit fonds toegezegd.

Ten aanzien van humanitaire hulp richt Nederland zich in beginsel op water & sanitatie- en voedselzekerheidsactiviteiten, en op de terugkeer en reïntegratie van vluchtelingen en ontheemden. De noodzaak van herstel van de traditionele irrigatiesystemen, de distributie van zaden en landbouwmaterialen aan boeren en goede begeleiding en reïntegratie zijn essentieel voor de verbetering van de humanitaire situatie en om het wederopbouwproces een kans te geven. De kwaliteit van de VN programma’s, en de bij de VN aanwezige kennis, in combinatie met de opheffing van het ‘UNAMA NGO- fonds’, leiden tot de keuze om de beschikbare gelden via UNHCR, UNICEF en WFP te kanaliseren. Alle drie organisaties werken nauw samen en vullen elkaar aan op het terrein van, water en sanitatie, voedselzekerheid en reïntegratie. Tevens stroken de programma’s met de ontwikkelingsbegroting van de Afghaanse regering.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

Beschikbare fondsen zullen derhalve in beginsel worden ingezet ter ondersteuning van UNHCR, WFP en UNICEF. In uitzonderingsgevallen wordt financiering van humanitaire activiteiten via (I)⁠NGO’s niet uitgesloten. Volledigheidshalve worden hier de specifieke voorwaarden voor financiering van (I)⁠NGO-activiteiten in Afghanistan opgesomd. In principe worden alleen activiteiten gefinancierd van organisaties met aantoonbare expertise in Afghanistan. Nederland zal daarbij willen samenwerken met organisaties die in een van de Nederlandse prioriteitssectoren actief zijn en die in de uitvoering van hun activiteiten ondersteunend zijn aan de wederopbouw van Afghanistan. Activiteiten dienen te passen in de humanitaire en rehabilitatieplannen van de Afghaanse regering. Daarenboven gelden de algemene beleidsuitgangspunten inzake financiering humanitaire hulp zoals uiteengezet in het Subsidiebeleidskader voor humanitaire hulp. Voor ontmijningsactiviteiten wordt verwezen naar het beleidskader humanitair ontmijnen.

Beschikbare Fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

In totaal heeft de afdeling humanitaire hulp in 2005 indicatief een bedrag van € 7 mln. beschikbaar voor Afghanistan. Ongeveer € 975.000 van dit bedrag is gereserveerd voor doorlopende verplichtingen in het kader van NGO projecten en CIMIC activiteiten.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

In lijn met de geleidelijke overgang naar wederopbouw in Afghanistan beoogt Nederland binnen enkele jaren de humanitaire financiële bijdrage aan Afghanistan te kunnen afbouwen. In elk geval zal Nederland gedurende de jaren 2004 t/m 2006 nog ongeveer € 15 mln. aan humanitaire hulp voor Afghanistan ter beschikking stellen, zo is door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking meegedeeld.

Landenannex Angola 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

Angola bevindt zich sinds het beëindigen van een langdurige oorlog op 4 april 2002 in een overgangsfase naar wederopbouw en duurzame ontwikkeling. Met de ondertekening van een Memorandum of Understanding (MoU) in 2002 jaar is een eerste fase van het vredesproces ingezet. Door de toegenomen stabiliteit in Angola is de humanitaire situatie in het algemeen verbeterd. Er bevinden zich evenwel nog vele vluchtelingen in de omringende landen Namibië, DRC en Zambia, waarvan onzeker is of zij willen terugkeren of niet. Delen van het land waaronder de provincie Moxico, een zeer uitgestrekte provincie met een hoge mijndichtheid, waardoor maar enkele gebieden bewoonbaar en bebouwbaar zijn, worden momenteel overbelast met IDP’s uit Zambia en DRC.

Voor vluchtelingen die teruggekeerd zijn, ontbreken in veel gevallen nog de basis sociale voorzieningen: het kunnen voorzien in eigen levensonderhoud door het bewerken en oogsten van een eigen stukje land of ander werk, toegang tot schoon water en sanitatie en gezondheidszorg. Het gebrek aan onderwijsmogelijkheden en de aanwezigheid van landmijnen maakt het wonen in de terugkeergebieden onaantrekkelijk. Toch besluiten veel terugkeerders te blijven in de provincies waar ze na terugkeer aankomen. In Moxico bijvoorbeeld is daardoor de bevolking in het afgelopen jaar verdrievoudigd.

De verwachting is dat niet alle in de buurlanden verblijvende Angolezen zullen terugkeren naar hun thuisland. Eind 2004 is de georganiseerde terugkeer van de 4 miljoen ontheemden en vluchtelingen voor twee derde voltooid. Voor 2005 wordt door UNHCR rekening gehouden met een aantal terugkeerders van nog ca. 50.000.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Angola zit voor wat betreft de humanitaire hulpactiviteiten in 2005 in een transitiefase. Mede gezien het financiële potentieel dat de Angolese regering heeft om zelf haar bevolking te ondersteunen, is Nederland van mening dat afbouw van humanitaire hulp gerechtvaardigd is. Nederland is niet voornemens op grote schaal wederopbouwactiviteiten te financieren. Prioriteit van het Nederlandse noodhulpprogramma in Angola zal in 2005 liggen bij ondersteuning bij terugkeer en verbetering van de levensomstandigheden van IDP’s met accent op de sectoren water en sanitatie, voedselzekerheid en gezondheidszorg (HIV/AIDS).

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen reeds met Nederlandse financiering actief te zijn in de eerdergenoemde sectoren in de Provincies Moxico, Malange en Bie. De keuze voor deze provincies valt te verklaren uit het belang dat Nederland hecht aan hulpverlening aan achtergestelde gebieden waar nauwelijks andere donoren actief zijn. Verder zijn de algemene beleidsuitgangspunten inzake financiering humanitaire hulp van toepassing, zoals deze zijn uiteengezet in het Subsidiebeleidskader voor humanitaire hulp.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

In het kader van de afbouw van humanitaire hulp aan Angola is voor 2005 een bedrag van Euro 2.500.000 gereserveerd. Deze middelen zullen grotendeels via de VN-organisaties (UNHCR, WFP) worden ingezet. De resterende fondsen zullen worden ingezet voor subsidieverlening aan lopende projecten van (I)⁠NGO’s met het oog op een verantwoorde afbouw. Er zullen geen nieuwe projecten worden gefinancierd.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

2005 zal voor Nederland in principe het laatste jaar zijn dat zij in Angola activiteiten op het gebied van humanitaire hulp zal financieren. Voorstellen met een looptijd van meer dan 12 maanden worden niet in behandeling genomen.

Landenannex Irak 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

Op humanitair vlak hebben zich in 2004 geen fundamentele veranderingen voorgedaan. De noden in Irak blijven evenwel nog groot. Er is sprake van armoede, een tekort aan basisvoorzieningen, voedsel, onderwijs en gezondheidszorg. De werkeloosheid is hoog. Door de voortdurende slechte veiligheidssituatie, waarbij ook de veiligheid voor humanitaire hulpverleners niet meer gewaarborgd kon worden, zagen steeds meer humanitaire hulporganisaties zich genoodzaakt hun activiteiten in Irak te staken. De voortdurende onveiligheid heeft tot gevolg gehad dat de VN, ICRC en (I)NGO’s hun internationale staf hebben geminimaliseerd of teruggetrokken naar Cyprus, Amman en elders. Desondanks is het werk waar mogelijk voortgezet met behulp van lokaal personeel. De veiligheidssituatie in Irak verschilt overigens per regio. Het merendeel van de aanslagen wordt gepleegd in het gebied dat bekend staat als de soennitische driehoek (inclusief Mosul). In de Koerdische gebieden in het noorden en het overwegend shi’itische zuiden van Irak is het relatief rustig. Naar aanleiding van de gewelddadigheden in enkele steden van Irak, zoals Fallujah, zijn tijdelijke stromen van ontheemden ontstaan. Het betrof vaak meerdere tienduizenden burgers. Inwoners zijn doorgaans, indien de situatie het toeliet, teruggekeerd naar hun woonplaatsen. UNHCR heeft sinds november 2003 terugkeer vanuit buurlanden, overwegend vanuit Iran en in mindere mate Syrië en Saoedi-Arabië, gefaciliteerd. De organisatie heeft deze activiteit de laatste maanden van 2004 af en toe stopgezet vanwege de verslechterende veiligheidssituatie. Ook vond vrijwillige terugkeer vanuit onder meer Europa plaats, gefaciliteerd door IOM. Ondanks de zorgelijke veiligheidssituatie in Irak, lijkt in 2004 vooruitgang te zijn geboekt op het gebied van economische groei, de instelling van economische wetgeving, de introductie van een nieuwe munt, hogere capaciteit voor olieproductie, wetgeving op het gebied van mensenrechten en gender, verbetering van de gezondheidszorg en onderwijs.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Prioriteit zal worden gelegd bij die sectoren en gebieden waar de noden het hoogst zijn te weten water en sanitatie, IDP’s, gezondheidszorg en voedselvoorziening.

Over de exacte toewijzing van de fondsen kan – vanwege de actuele, ondoorzichtige en onveilige situatie – nog geen besluit worden genomen. Een en ander zal in de praktijk afhankelijk blijken te zijn van welke organisatie in staat/bereid is zinvolle activiteiten uit te voeren.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen aantoonbare en gedegen ervaring te hebben met het werken in Irak. Daarnaast dienen (I)NGO’s ervaring te hebben met het werken met complexe crisissituaties en te beschikken over specifieke kennis van de betreffende sector.

Verder gelden de algemene beleidsuitgangspunten inzake financiering humanitaire hulp zoals uiteengezet in het Subsidiebeleidskader voor humanitaire hulp.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

Op dit moment is het totale indicatieve budget voor Irak Euro 2 miljoen, maar vanwege de onveilige situatie in Irak is nog niet duidelijk via welke uitvoeringskanalen dit bedrag kan worden besteed.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

Naast humanitaire hulp zullen voor Irak geen ODA-middelen voor wederopbouw beschikbaar worden gesteld. Irak heeft een van de grootste oliereserves ter wereld, een relatief goed opgeleide beroepsbevolking en vruchtbare landbouwgronden. Nederland is van zins haar activiteiten op het gebied van humanitaire hulp zo snel als de situatie het toelaat uit te faseren.

Landenannex Noord Kaukasus 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

De Russische deelrepubliek Tsjetsjenië streeft sinds lange tijd naar onafhankelijkheid en lijdt daardoor al vele jaren onder een complex conflict dat destabiliserend werkt op de omliggende deelrepublieken. In 1994 leidde het Tsjetsjeense streven naar onafhankelijkheid tot een tweejarige oorlog waarbij ca 80.000 doden vielen. Na een korte periode van rust laaide het conflict in 1999 opnieuw op, na invallen van Tsjetsjeense krijgsheren in buurrepubliek Dagestan en terroristische aanslagen in Rusland. Het Russische leger tracht sindsdien met geweld het federale gezag te herstellen. De situatie in de regio wordt daardoor nog altijd gekenmerkt door een grote mate van complexiteit en onvoorspelbaarheid.

Tien jaar na het begin van het conflict verkeert de Tsjetsjeense bevolking nog altijd in een kwetsbare positie; ongeveer 250.000 mensen zijn nog altijd ‘displaced’ en zowel het formele sociale zorgstelsel als de informele ondersteunende systemen zijn zwaar overbelast.

Ook bestaan in de gehele regio nog altijd grote problemen op het vlak van huisvesting, water en sanitatie, gezondheidszorg en psychosociale zorg, voedselzekerheid en onderwijs, met name in Tsjetsjenië. Daarnaast bestaat grote behoefte aan rehabilitatie activiteiten.

De moord op President Kadyrov in mei 2004, de grootschalige aanval op de veiligheidsdiensten in Ingoesjetië en het gijzelingsdrama in Beslan in september 2004 tekenen de onveilige situatie. Daarbij blijft permanente persoonbeveiliging voor internationale VN staf een vereiste en zullen organisaties werkzaam in de regio strenge veiligheidsmaatregelen moeten nemen.

Nederland beschouwt het CAP als basis voor humanitaire hulpverlening in de Noordelijke Kaukasus. Het CAP 2005 reflecteert qua humanitaire acties een verschuiving van noodhulp naar meer op herstel gericht hulp, waardoor elementen van herstel en capaciteitsopbouw (met name in de gezondheidszorg- en onderwijssector) aan belang toenemen.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Het Nederlandse noodhulpprogramma in de Noord Kaukasus richt zich met name op de recent naar Tsjetsjenië teruggekeerde ontheemden. Als sectoren voor hulpverlening zijn geïdentificeerd: voedselzekerheid, opvang, distributie van non-food items, water en sanitatie, basisgezondheidszorg waaronder psychosociale zorg, coördinatie en veiligheid en de eerste aanzet tot rehabilitatiewerkzaamheden. Onderwijs is geen prioritaire sector, maar activiteiten met een onderwijscomponent t.b.v. ontheemden zijn niet uitgesloten.

De beschikbare middelen worden grotendeels besteed via VN-organisaties en het ICRC. De resterende fondsen zullen worden ingezet voor subsidieverlening aan (internationale) NGO’s. Voedselzekerheid-, water en sanitatie-, coördinatie en veiligheidsprogramma’s zullen worden gefinancierd via VN kanalen. Steun die via (I)NGO’s wordt verleend zal zich met name richten op hulp aan (teruggekeerde) ontheemden, op het gebied van basisgezondheidszorg, opvang en eerste aanzetten tot rehabilitatiewerkzaamheden en capaciteitsopbouw (HH+) in Tsjetsjenië.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen te beschikken over een gedegen ervaring met werken in de Noord Kaukasus. Bij beoordeling van subsidieaanvragen zal kennis over en ervaring met de complexiteit in Tsjetsjenië een belangrijke rol spelen. (I)NGO’s die voor financiering in aanmerking komen dienen tevens een constructieve rol te spelen in het Common Humanitarian Action Plan (CHAP) dat voorafgaat aan de definitieve formulering van het CAP (mocht deze voor 2006 wederom opgesteld worden). Bij wijze van uitzondering kunnen ook voorstellen van partners, met wie reeds langer met succes wordt samengewerkt in de Noord Kaukasus in overweging worden genomen.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

In 2005 is voor (I)NGO’s een indicatief budget beschikbaar van € 2,2 mln. Echter € 1,4 mln. van het indicatief budget zal ten goede komen aan doorlopende verplichtingen, d.w.z. aan tranche-betalingen of eindbetalingen van subsidies aan (I)NGO’s die vóór 2005 zijn toegekend.

Projecten met een looptijd van maximaal 24 maanden kunnen worden ingediend.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

Op korte termijn wordt geen verandering in de intensiteit van de humanitaire noden in de Noord Kaukasus verwacht. Naar alle waarschijnlijk zal in 2006 geen CAP meer worden gepubliceerd. In de loop van het jaar zal hierover meer bekend worden en zullen conclusies t.a.v. het toekomstig beleid worden getrokken.

Landenannex Oeganda 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

In Oeganda woedt al zo’n 18 jaar een burgeroorlog. Ondanks een zekere mate van succes is het regeringsleger er nog niet in geslaagd het LRA definitief te verslaan; keerzijde van de uitvoering van meerdere ‘Operations Iron Fist’ is dat de strijd in de jaren 2002 en 2003 op Oegandees grondgebied escaleerde en een enorme toename van het aantal ontheemden tot gevolg had. Tussen april 2002 en april 2004 vond een verdrievoudiging van het aantal ontheemden plaats, namelijk van 542.000 naar 1,6 miljoen; Oeganda telt ook nog altijd ruim 200.000 vluchtelingen uit Soedan, de DR Congo en Rwanda.

Gevechtshandelingen hebben meestentijds in de noordelijke districten van Oeganda plaatsgevonden. In het bijzonder in de districten Gulu, Kitgum, Lira en Pader is de bevolking zwaar getroffen. De infrastructuur buiten de grotere districtshoofdsteden is voor een belangrijk deel vernietigd. Scholen zijn gesloten en gezondheidscentra zijn afgebrand; de landbouwproductie is grotendeels tot stilstand gekomen.

Recentelijk is via bemiddelaars contact gelegd tussen de Oegandese overheid en enkele commandanten van de LRA; het is echter nog te vroeg om de kansen op een vreedzame regeling van het conflict te kunnen inschatten.

Nederland behoort samen met de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, de EU, Zweden en Canada tot de grootste donoren op het gebied van humanitaire hulp in Oeganda.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Het Nederlandse noodhulpprogramma bestaat in Oeganda zowel uit acute levensreddende activiteiten als uit programma’s die een wat meer duurzaam effect sorteren met een nadruk op de eerste categorie.

Op hoofdlijnen zullen dezelfde sectoren/thema’s worden ondersteund als in 2004, te weten: voedselhulp, medische noodhulp/basisgezondheidszorg, water en sanitatie alsmede distributie van non-food items.

De humanitaire hulp zal m.n. gericht blijven op de ontheemden in de districten Gulu, Kitgum, Lira en Pader (totaal 1,3 miljoen ontheemden).

Voedselhulp zal alleen via het geëigende VN-kanaal worden gefinancierd.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen te beschikken over een gedegen ervaring met het werken in de complexe context van Noord-Oeganda.

Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen zal derhalve kennis over en ervaring met de complexiteit van het conflict een belangrijke rol spelen. Tevens wordt een voorkeur uitgesproken voor (I)NGO’s die hun projecten/ programma’s in nauwe samenwerking met nationale (ontwikkelings-)NGO’s identificeren en implementeren, waardoor de kans op duurzaamheid aanmerkelijk wordt vergroot. Ook de (mate van) coördinatie en directe samenwerking met andere (I)NGO’s zal bij de beoordeling van projectvoorstellen worden meegewogen.

(I)NGO’s die voor financiering in aanmerking willen komen dienen tevens een constructieve rol te spelen in het Common Humanitarian Action Plan (CHAP) dat voorafgaat aan de definitieve formulering van het Consolidated Appeal Process (CAP). M.i.v. 2006 zullen projectvoorstellen die opgenomen zijn in het CAP Uganda de voorkeur genieten boven voorstellen buiten het CAP.

In principe kunnen alleen projecten met een looptijd tot maximaal 1 jaar worden ingediend (zie Meerjarig perspectief/exit-strategie).

Voor activiteiten op het gebied van basisgezondheidszorg geldt dat er sprake moet zijn van actieve betrokkenheid van de bevolking en dat aandacht besteed moet worden aan de toegang tot gezondheidsfaciliteiten voor de meest kwetsbare groepen.

Hygiënevoorlichting en reproductieve gezondheidszorg moeten deel uitmaken van dergelijke programma’s; eveneens dienen standaard de componenten sexual and gender based violence (SGBV) en HIV/AIDS in de voorstellen zijn opgenomen.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

Voor Oeganda is in 2005 indicatief een budget beschikbaar van € 6 miljoen; hiervan is € 2 miljoen beschikbaar voor (I)NGO’s.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

Op grond van een reeds waargenomen verbetering in de toegang tot IDP- kampen mag verondersteld worden dat de behoeften an de ontheemden nu eerst goed in beeld kunnen worden gebracht. Tegelijkertijd is in wat meer oostelijk gelegen districten vastgesteld dat een wat langduriger verbetering in de veiligheidssituatie een snelle daling van het aantal ontheemden teweegbrengt. Anders dan in Burundi en de DR Congo zijn de overheidsstructuren in Noord-Oeganda redelijk in tact gebleven hetgeen een snellere overgang naar wederopbouw en structurele hulp mogelijk maakt.

Indien de huidige positieve trend zich voortzet, kan in 2006 met de uitfasering van de humanitaire hulp worden begonnen. In overleg met de Nederlandse ambassade zal worden bekeken of en zo ja, in hoeverre, vorm kan worden gegeven aan de overbrugging van humanitaire naar structurele hulp.

Een exit-strategie waarin o.a. beschreven staat in hoeverre in overdracht van een activiteit aan overheidsinstanties dan wel nationale NGO’s voorzien is, dan wel aangegeven wordt in welke mate aansluiting bij meer bestaande structurele hulpactiviteiten mogelijk wordt geacht, dient standaard onderdeel uit te maken van een projectvoorstel.

Landenannex Soedan 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

Soedan heeft vele jaren onder een complexe burgeroorlog geleden, die politiek-economische, religieuze en culturele oorzaken heeft. Ook na het tekenen van de vredesovereenkomst tussen de regering en de SPLM/A blijven noord-zuid spanningen bestaan. Bovendien kent het land vele lokale (al dan niet tribale) conflicten, met Darfur als meest complexe situatie. Het conflict in Darfur heeft geleid tot een van de ergste humanitaire crises ter wereld.

Als gevolg van de jarenlange oorlog in Zuid-Soedan en het recente conflict in Darfur zijn er momenteel 5,5 miljoen IDP’s in Soedan. In het buitenland verblijven 700.000 Soedanese vluchtelingen, waarvan 200.000 in Tsjaad als gevolg van de Darfur-crisis.

De oorlog heeft een zeer negatieve uitwerking gehad op het maatschappelijk leven. In grote delen van het land is nauwelijks sprake van ontwikkeling, waardoor er een groot gebrek is aan basisvoorzieningen. Ook bestaat er voedselschaarste en is er sprake van een ernstig verslechterde gezondheidssituatie van de bevolking.

Hoewel begin 2005 een alomvattend vredesakkoord voor ‘Noord-Zuid’ werd ondertekend, zal dit akkoord op korte termijn niet leiden tot een aanzienlijke verbetering van de humanitaire omstandigheden in grote delen van het land. Daarnaast woekert het conflict in Darfur voort. Bovendien zijn de oogstverwachtingen voor 2005 (mede als gevolg van droogte) slecht.

Samen met de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie is Nederland een van de belangrijkste humanitaire hulpdonoren in Soedan.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Het Nederlandse noodhulpprogramma in Soedan bestaat zowel uit acute levensreddende activiteiten als uit programma’s die een zo duurzaam mogelijk effect genereren. Als relevante sectoren voor hulpverlening zijn geïdentificeerd: voedsel(zekerheid), basisgezondheidszorg, water & sanitatie en protectie. De gelden worden voor ca. 70% gekanaliseerd via VN-organisaties. De resterende fondsen worden gebruikt voor subsidieverlening aan (internationale) NGO’s.

De voor Soedan beschikbare humanitaire hulpfondsen zijn in de loop van 2004 sterk gegroeid. De Darfur-crisis was hiervoor de aanleiding. Toen bleek dat veel donoren hun fondsen ombogen richting Darfur en de noden in andere gemarginaliseerde gebieden te weinig aandacht kregen, zijn door Nederland ook extra fondsen beschikbaar gesteld voor hulp aan de overige delen van Soedan. Soedan was daarmee binnen het Nederlandse humanitaire hulpbudget de grootste ontvanger. Ook in 2005 zal Soedan het grootste ‘landenprogramma’ voor humanitaire hulp blijven.

De steun die via (I)NGO’s wordt verleend zal zich met name richten op de sectoren basisgezondheidszorg, therapeutische voeding en water & sanitatie. Voedselhulp, voedselzekerheidsprojecten en protectie zullen alleen via multilaterale kanalen worden gefinancierd. De steun aan VN-organisaties zal plaatsvinden binnen het ‘2005 Workplan for the Sudan’.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen te beschikken over een gedegen ervaring met het werken in de Soedanese context. Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen zal derhalve de kennis over en de ervaring met de complexiteit van het conflict in Soedan een belangrijke rol spelen. Van (I)NGO’s wordt verwacht dat zij in nauwe samenwerking en coördinatie met de VN-organisaties hun activiteiten uitvoeren. Daarnaast wordt bij financiering in principe uitgegaan van co-financiering door tenminste één andere donor. In principe kunnen voorstellen met een looptijd tot 2 jaar worden ingediend. Er wordt gestreefd naar een regionale spreiding van projecten van (I)NGO’s over geheel Soedan.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

In 2005 is voor Soedan indicatief een budget van € 30 miljoen beschikbaar. Daarvan is voor (I)NGO’s indicatief een budget beschikbaar van € 6,7 miljoen.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

Nu het vredesakkoord tot stand is gekomen, zal de Nederlandse hulp aanzienlijk worden verbreed. Naast financiering van humanitaire hulp zal goed bestuur worden bevorderd. Een van de Nederlandse prioriteiten op het terrein van wederopbouw zal zijn ondersteuning van capaciteitsversterking, zowel van de (voormalige) strijdende partijen als van de civil society.

Humanitaire hulp zal ook in de komende jaren nodig blijven. Bij de inzet van humanitaire hulpfondsen zal evenwel getracht worden zo veel mogelijk aan te sluiten bij activiteiten in het kader van het 2005 Work Plan for the Sudan, de Joint Assessment Mission (JAM) en activiteiten op het gebied van wederopbouw.

Landenannex Somalië 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

Somalië behoort nog altijd tot de onveiligste en minst ontwikkelde landen ter wereld. Hoop bestaat dat met het aantreden van een nieuwe regering op lange termijn verbetering zal optreden in de chronische noodsituatie waarin het land zich nog altijd bevindt. Tot op heden zijn echter nog geen (aanzetten tot) veranderingen in de humanitaire situatie merkbaar. Er is en blijft derhalve grote behoefte aan humanitaire hulp. UN Under-Secretary General for Humanitarian Affairs, Jan Egeland, heeft naar aanleiding van een bezoek aan Somalië eind 2004 de internationale gemeenschap opgeroepen haar humanitaire inspanningen voor Somalië te vergroten.

De gezondheidssituatie en de status van de gezondheidszorg in Somalië zijn slecht. Hoge sterfte onder vrouwen en ernstige ondervoeding van kinderen blijven grote knelpunten. Ook verschillende infectieziekten waaronder TB komen steeds vaker voor. Waterschaarste blijft een groot probleem zowel in de steden als op het platteland. Minder dan 30% van de bevolking heeft toegang tot veilig water. De noden van de ontheemden (370.000) zijn veelomvattend en ernstig, met name in Centraal en Zuid-Somalië.

De vloedgolf (tsunami) als gevolg van een zware aardbeving in Zuid-Oost Azië (december 2004) heeft ook gevolgen voor Somalië gehad. Met name Noord-Oost Somalië werd getroffen, waardoor de bestaansmiddelen van ongeveer 18.000 huishoudens mogelijk werden verwoest.

Na jarenlang een centraal gezag ontbeerd te hebben, is in de tweede helft van 2004 een transitionele federale regering (TFG) onder leiding van president Yusuf gekozen. Het ontbreekt de TFG echter aan middelen om de humanitaire noden te lenigen of een begin te maken met de wederopbouw van het land. De internationale gemeenschap zal de nieuwe regering ruimschoots moeten ondersteunen teneinde nieuwe uitbraken van geweld tegen te gaan. Hiervoor zullen evenwel geen humanitaire fondsen worden aangewend.

Nederland heeft sinds het uitbreken van de burgeroorlog in 1991, evenals vele andere donoren, aanzienlijke bedragen voor noodhulp aan Somalië beschikbaar gesteld. Nederland heeft in het stabielere noorden met name projecten op het gebied van rehabilitatie en capaciteitsopbouw van de lokale autoriteiten ondersteund. In de centrale en zuidelijke delen van het land wordt proportioneel meer acute humanitaire hulp gegeven, voornamelijk voedselhulp en bijdragen aan gezondheidszorg. Een groot deel van de gefinancierde programma’s is gerelateerd aan hongersnood en andere humanitaire behoeften ten gevolge van de ernstige droogte in Somalië.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Uitgangspunt voor het Nederlandse humanitaire hulpbeleid voor Somalië is het streven naar een zo optimaal mogelijke balans tussen acute levensreddende activiteiten en eerste aanzetten tot rehabilitatie. Het zwaartepunt ligt hierbij echter in toenemende mate op acute vormen van noodhulp. Gezien de positie en onmisbare rol van vrouwen bij de zorg voor families in de Somalische samenleving, is hun betrokkenheid bij de identificatie, opzet en uitvoering van programma’s gewenst.

Basisgezondheidszorg, water & sanitatie, voedselhulp (alleen via WFP) en onderdak voor terugkerende ontheemden zijn de sectoren die komend jaar in aanmerking komen voor een Nederlandse subsidie aan Somalië. De gelden worden voor ca. 65% gekanaliseerd via VN-organisaties. Resterende fondsen worden gebruikt voor subsidieverlening aan (I)NGO’s. Voor het bepalen van de bijdragen aan VN-organisaties is het Consolidated Appeal 2005 (CAP) de leidraad.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen te beschikken over gedegen ervaring met werken in Somalië. Bij de beoordeling van subsidieaanvragen zal derhalve de kennis over en de ervaring met de gecompliceerde institutionele en politieke Somalische context een belangrijke rol spelen.

(I)NGO’s die voor financiering in aanmerking komen dienen tevens een constructieve bijdrage te leveren aan het CHAP (Common Humanitarian Action Plan), het voorbereidend proces voor de formulering van het CAP.

In principe kunnen voorstellen met een looptijd van twee jaar worden ingediend.

Voor gezondheidszorgactiviteiten geldt dat sprake moet zijn van actieve betrokkenheid van de bevolking en dat activiteiten waar mogelijk een cost sharing component dienen te bevatten. Bovendien moeten hygiënevoorlichting en reproductieve gezondheidszorg deel uitmaken van de programma’s en tevens dient het programma een HIV/AIDS-component te bevatten.

Ook water- & sanitatieprojecten dienen gepaard te gaan met hygiënevoorlichting. Daarnaast dient er een lokale counterpart aanwezig te zijn die onderhoud, management en exploitatie van de installaties (en daardoor de duurzaamheid) kan en wil garanderen.

Er wordt gestreefd naar een regionale spreiding van projecten van (I)NGO’s over geheel Somalië. Bij financiering van (I)NGO-projecten wordt in principe uitgegaan van co-financiering door tenminste één andere donor.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

In 2005 is voor Somalië indicatief totaal een budget beschikbaar van € 4 miljoen. Daarvan is voor (I)NGO’s indicatief een budget van € 1,8 miljoen beschikbaar.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

Gezien de chronische noodsituatie zal de komende jaren langzaam maar zeker gezocht moeten worden naar mogelijkheden om zoveel mogelijk elementen van capaciteitsopbouw en zelfvoorziening te integreren in humanitaire hulpactiviteiten. Zonder langetermijnplanning is het risico van afnemende betrokkenheid van de Somalische bevolking groot. In het verleden is gebleken dat rehabilitatie-initiatieven op het laagste niveau (grass root level) goed aanslaan en een grote mate van duurzaamheid met zich meedragen. Daarom wordt een bottom-up approach in projectvoorstellen via kennisoverdracht en capaciteitsopbouw gestimuleerd.

In lijn met voorgaande jaren moet een redelijke balans worden gezocht tussen enerzijds de programma’s gericht op rehabilitatie in het noorden en anderzijds de acutere steun voor de centrale en zuidelijke regio’s. Nederland is vooralsnog niet voornemens om substantieel betrokken te raken bij de wederopbouw in Somalië. Dit betekent dat, binnen de mogelijkheden van de lokale context, het zwaartepunt van de humanitaire hulpverlening in toenemende mate op acute noodhulp zal liggen.

Regioannex Grote Meren (Burundi, DR Congo) 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

In Burundi is met uitzondering van de provincie Bujumbura Rural, waar nog regelmatig gevechtshandelingen plaatsvinden tussen enerzijds regeringstroepen en eenheden van de ‘Forces pour la Démocratie’ (FDD) en anderzijds rebellen van de ‘Palipehutu – Forces Nationales de Libération’ (FNL), de veiligheidssituatie gedurende 2004 sterk verbeterd.

Ook in politiek opzicht werd vooruitgang geboekt. Zo werd onder meer met de meeste politieke partijen een akkoord bereikt over de machtsdeling na de verkiezingen; in december werd een referendum gehouden over de nieuwe grondwet. Echter de voor eind oktober jl. voorziene verkiezingen, die het einde van de transitieperiode zouden markeren, zijn uitgesteld tot maart/april 2005. DDR- en SSR-programma’s zijn in 2004 slechts zeer langzaam op gang gekomen.

Het afgelopen decennium is de humanitaire, sociale en economische situatie van Burundi ernstig verslechterd. Er heerst voedselschaarste, basisvoorzieningen (onderwijs, water en sanitatie) zijn in verval geraakt en de gezondheidssituatie van de bevolking is slecht te noemen (de levensverwachting is gedaald van 53,8 jaar in 1992 naar 40,9 jaar in 2001).

Gevechtshandelingen en de daar uit voortvloeiende onveilige situatie in grote delen van het land hebben er toe bijgedragen dat een belangrijk deel van de bevolking in het verleden op drift is geraakt. Positieve ontwikkelingen in 2004 hebben de ‘terugkeer’ van grote aantallen ontheemden (ongeveer 140.000) en vluchtelingen (zo’n 85.000 per september 2004) naar hun oorspronkelijke woonplaatsen mogelijk gemaakt.

De resettlement van nog eens 140.000 ontheemden en de terugkeer van honderdduizenden Burundese vluchtelingen uit Tanzania (per augustus 2004 waren door UNHCR officieel 259.000 vluchtelingen geregistreerd) vormen de belangrijkste uitdagingen voor 2005 en 2006.

Nederland is samen met de EU, Verenigde Staten, Zweden en het Verenigd Koninkrijk één van de belangrijkste humanitaire hulpdonoren in Burundi. De hulp is de afgelopen jaren m.n. gericht geweest op ontheemden en (teruggekeerde) vluchtelingen en geconcentreerd in de sectoren/thema’s voedsel(zekerheid), basisgezondheidszorg, psycho-sociale zorg en de rehabilitatie van de sociaal-economische infrastructuur.

In 2004 is in de DR Congo enige vooruitgang geboekt met het transitieproces. Ondanks de aanwezigheid van een in september jl. nog uitgebreide MONUC-troepenmacht(16.700 manschappen) is de rust in Oost-Congo nog altijd niet teruggekeerd.

Eind mei/begin juni vonden nog ernstige incidenten plaats in en rond de stad Bukavu met als directe consequenties nieuwe vluchtelingenstromen en het tijdelijke vertrek van humanitaire hulpverleners; een ander dieptepunt vormde in augustus de aanval op een Congolees vluchtelingenkamp op Burundees grondgebied, waarbij vrijwel alleen slachtoffers vielen onder de Banyamulenge.Tenslotte zijn recent Rwandese troepen opnieuw de DR Congo binnengevallen.

Jaren van (burger)oorlog hebben m.n. in Oost-Congo diepe sporen nagelaten. Er zijn naar schatting nog altijd zo’n 1,6 miljoen ontheemden en ruim 200.000 vluchtelingen. Naar schatting 75% van de bevolking is ondervoed (FAO, 2004). Op een groot aantal gezondheidsindicatoren scoort de DR Congo zeer slecht.

Vooralsnog valt niet te voorspellen of de voorzichtige positieve ontwikkelingen van 2004 in 2005 een vervolg krijgen. DDR en SSR programma’s zijn nog niet goed van de grond gekomen en betwijfeld mag worden of de voor juni/juli 2005 geplande verkiezingen doorgang kunnen vinden.

Nederland is samen met de EU, de Verenigde Staten, België en het Verenigd Koninkrijk één van de grootste humanitaire hulpdonoren in de DR Congo. De afgelopen jaren is deze hulp vooral gericht geweest op supplementaire en therapeutische voeding aan jonge kinderen, basisgezondheidszorg, medicijnenleverantie alsmede water en sanitatie.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Het Nederlandse noodhulpprogramma bestaat in Burundi en de DR Congo zowel uit acute levensreddende activiteiten als uit programma’s die een meer duurzaam effect sorteren.

In 2005 zullen op hoofdlijnen dezelfde sectoren/thema’s worden ondersteund als in voorgaande jaren. Voor Burundi betreft dit voedsel(zekerheid), de terugkeer en reïntegratie van vluchtelingen en ontheemden, basisgezondheidszorg, psycho-sociale zorg alsmede de rehabilitatie van sociaal-economische infrastructuur; de steun aan Burundese vluchtelingen in Tanzania zal worden voortgezet, tenzij massale terugkeer een andere vorm van ondersteuning wenselijk maakt.

In de DR Congo betreft het voedsel(zekerheid), basisgezondheidszorg alsmede water en sanitatie; de hulp aan Congolese vluchtelingen in Tanzania zal vooralsnog worden voortgezet.

In Burundi zal de Nederlandse humanitaire hulp meer geconcentreerd worden op de provincie Bujumbura Rural en op de aan Tanzania grenzende provincies waar de grootste aantallen vluchtelingen naar teruggekeerd zijn respectievelijk naar terug zullen keren.

In de DR Congo blijven de humanitaire hulpinspanningen gericht op Oost-Congo; hoewel niet uitsluitend zal de hulp meer geconcentreerd worden op de provincies Noord- en Zuid-Kivu, Maniema en het Ituri district (provincie Orientale).

Voedselhulp en voedselzekerheid zullen alleen via de VN-kanalen worden gefinancierd; de ondersteuning van vluchtelingen alsmede de rehabilitatie van sociaal-economische infrastructuur zullen in belangrijke mate via de daartoe geëigende VN-kanalen lopen.

Zowel in Burundi als in de DR Congo zal in 2005 het accent verder verschoven worden van voedselhulp naar seeds and tools programma’s.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen te beschikken over een gedegen ervaring met het werken in de Burundese respectievelijk Oostcongolese context. Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen zal derhalve de kennis over en ervaring met de complexiteit van de conflicten respectievelijk post-conflictsituaties in beide landen een belangrijke rol spelen. Tevens wordt een voorkeur uitgesproken voor (I)NGO’s die hun projecten/programma’s in nauwe samenwerking met nationale (ontwikkelings-) NGO’s identificeren en implementeren, waardoor de kans op duurzaamheid aanmerkelijk wordt vergroot. Ook de (mate van) coördinatie en directe samenwerking met andere (I)NGO’s zal bij de beoordeling van projectvoorstellen worden meegewogen.

(I)NGO’s die voor financiering in aanmerking willen komen dienen tevens een constructieve rol te spelen in het Common Humanitarian Action Plan (CHAP) dat voorafgaat aan de definitieve formulering van het Consolidated Appeal Process (CAP). M.i.v. 2006 zullen projectvoorstellen die opgenomen zijn in respectievelijk het CAP Burundi en het CAP DR Congo de voorkeur genieten boven voorstellen buiten het CAP.

In principe kunnen projecten met een looptijd tot maximaal 2 jaar worden ingediend.

Voor activiteiten op het gebied van basisgezondheidszorg geldt dat er sprake moet zijn van actieve betrokkenheid van de bevolking en dat aandacht besteed moet worden aan de toegang tot gezondheidsfaciliteiten voor de meest kwetsbare groepen.

Hygiënevoorlichting en reproductieve gezondheidszorg moeten deel uitmaken van de programma’s; eveneens dienen standaard de componenten sexual and gender based violence (SGBV) en HIV/AIDS in de voorstellen zijn opgenomen.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

Voor Burundi is in 2005 indicatief een budget beschikbaar van € 6 miljoen; hiervan is € 2,3 miljoen beschikbaar voor (I)NGO’s.

In 2005 is voor Oost-Congo indicatief een budget van € 7,5 miljoen beschikbaar; daarvan is voor (I)NGO’s een bedrag van € 2,5 miljoen beschikbaar.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

Op grond van de eerder beschreven ontwikkelingen wordt ingeschat dat in Oost-Congo zowel in 2005 als in 2006 humanitaire hulp noodzakelijk zal blijven. Deze inschatting is gebaseerd op het gegeven dat ook nu nog lang niet alle gebieden toegankelijk zijn voor hulpverleners, de moeizame voortgang van het transitieproces met als afgeleide onduidelijkheid of medio 2005 daadwerkelijk verkiezingen kunnen worden gehouden en de bij tijd en wijle weer oplaaiende strijd in m.n. het Ituridistrict en de Kivu provincies.

Voor Burundi geldt evenzeer dat verwacht mag worden dat zowel in 2005 als 2006 nog humanitaire hulp noodzakelijk zal zijn. Zelfs indien rekening wordt gehouden met een positief scenario (verkiezingen in april, DDR en SSR op koers) dan nog zal de terugkeer en reïntegratie van vluchtelingen meer tijd vergen. Dit neemt niet weg dat de nadruk bij Burundi meer dan in Oost-Congo zal liggen op duurzamere activiteiten.

Bij de beoordeling van (meerjarige) projectvoorstellen zal dan ook worden meegewogen of beschikbare middelen flexibel kunnen worden ingezet gedurende de looptijd van een project (zowel een verschuiving naar duurzamere activiteiten als de mogelijkheid een terugval naar een conflictsituatie op te vangen zou tot de mogelijkheden moeten horen).

Een exit-strategie waarin o.a. beschreven staat in hoeverre in overdracht van een activiteit aan overheidsinstanties dan wel nationale NGO’s voorzien is, dan wel aangegeven wordt in welke mate aansluiting bij meer bestaande structurele hulpactiviteiten mogelijk wordt geacht, dient standaard onderdeel uit te maken van een projectvoorstel. Niet alleen wordt de eindigheid van noodhulp hiermee nog eens onderstreept, maar ook wordt hiermee voorkomen dat valse verwachtingen worden gewekt in die landen waarmee Nederland geen structurele hulprelatie onderhoudt.

Regioannex West Afrika (Ivoorkust, Liberia, Sierra Leone) 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Humanitaire situatie [Vervallen per 01-01-2006]

De Mano River regio is al sinds 1989 het terrein van een serie conflicten, waarbij het geweld zich over de jaren verplaatste van het ene naar het andere land en in 2002 ook Ivoorkust bereikte. De conflicten worden gekenmerkt door massale bevolkingsverplaatsingen en ernstige, grootschalige mensenrechtenschendingen. Toegang van hulporganisaties tot hulpbehoevenden is veelal een probleem. Grote gebieden zijn langdurig niet of nauwelijks toegankelijk en de regio heeft een lange serie van evacuaties van internationale hulpverleners gekend.

Liberia:

Liberia lijkt in een rustiger vaarwater terecht te zijn gekomen. De situatie blijft echter fragiel, blijkens onlusten in Monrovia eind 2004. Daarnaast kan een mogelijk opnieuw uitbreken van geweld in Ivoorkust of het uitbreken van een conflict in Guinee (in regio Guinee-Forestière) negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkelingen in Liberia. Er zijn aanhoudende humanitaire noden, met name op het terrein van voedselzekerheid, gezondheidszorg en water & sanitatie, mede als gevolg van een groot gebrek aan basisvoorzieningen en extreem zwakke instituties. Een verbetering van deze basisvoorzieningen is noodzakelijk ten einde tegemoet te komen aan de noden van de lokale bevolking en de terugkeer van vluchtelingen naar Liberia te bevorderen. De belangrijkste humanitaire uitdaging voor 2005 is het bieden van hulp aan de 300.000 vluchtelingen uit omringende landen en de 500.000 ontheemden, die terug willen keren naar hun woonplaats. Waar mogelijk zal er gekozen worden voor een regionale aanpak.

Ivoorkust:

Hoewel de rust opnieuw tijdelijk is weergekeerd na de uitbraak van gevechten eind 2004 tussen rebellen en regeringsleger, blijft de situatie gespannen in Ivoorkust. Het is dan ook niet denkbeeldig dat in 2005 het conflict weer zal escaleren met alle negatieve gevolgen van dien. Dit alles heeft ook zijn weerslag op de humanitaire situatie. Vooral in het westen van Ivoorkust zijn de noden groot, met name op het gebied van gezondheidszorg, voedselzekerheid, en water en sanitatie. Er bevinden zich nog circa 500.000 ontheemden en 70.000 vluchtelingen (voornamelijk Liberianen) in Ivoorkust.

Sierra Leone:De inspanningen van de internationale gemeenschap, o.a. de inzet van de VN-vredesmacht UNAMSIL, hebben geresulteerd in een stabiele veiligheidssituatie in Sierra Leone. Deze situatie heeft een positieve weerslag gehad op de uitvoering van wederopbouwactiviteiten (huizen, infrastructuur). Het humanitaire hulp programma voor Sierra Leone is in 2004 afgebouwd.

Prioriteiten Nederland in 2005 [Vervallen per 01-01-2006]

Voedselhulp (z.s.m. uitfaseren), voedselzekerheid, water & sanitatie en basisgezondheidszorg zijn in 2005 de belangrijkste thema’s voor de regio West Afrika. Voedselhulp alsmede ondersteuning van vluchtelingen en ontheemden zal voornamelijk via VN-kanalen worden gefinancierd.

Specifieke voorwaarden voor financiering [Vervallen per 01-01-2006]

(I)NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering dienen te beschikken over een gedegen ervaring in het werken in de West Afrikaanse context. Bij subsidie-aanvragen zal derhalve kennis van en ervaring met de complexiteit van de diverse conflicten een belangrijke rol spelen. (I)NGO’s die voor financiering in aanmerking willen komen dienen tevens waar mogelijk te participeren in het Common Humanitarian Action Plan (CHAP) dat voorafgaat aan de definitieve formulering van het Consolidated Appeal Process in de betreffende landen. In het geval van Liberia is dit voor 2005 niet mogelijk gezien het ontbreken van een CHAP en CAP. Subsidie-aanvragers moeten evenwel aangeven op welke wijze hun voorstellen gecoördineerd zijn met die van andere actoren. In principe kunnen voorstellen met een looptijd tot 2 jaar worden ingediend. Voor activiteiten op het gebied van basisgezondheidszorg geldt dat hygiënevoorlichting en reproductieve gezondheidszorg moeten deel uitmaken van de programma’s; eveneens dienen standaard de componenten sexual and gender based violence (SGBV) en HIV/AIDS in de voorstellen te zijn opgenomen.

Beschikbare fondsen [Vervallen per 01-01-2006]

Voor 2005 is voor Liberia indicatief totaal € 5 miljoen beschikbaar, waarvan voor (I)NGO’s indicatief een budget beschikbaar is van € 2,5 miljoen; voor Ivoorkust is indicatief € 2 miljoen beschikbaar, waarvan € 1 miljoen voor (I)NGO’s.

Meerjarig perspectief/exit-strategie [Vervallen per 01-01-2006]

Met geen van beide landen onderhoudt Nederland een structurele hulprelatie dan wel is Nederland voornemens een structurele hulprelatie te gaan onderhouden. Eén en ander betekent dat de humanitaire hulp in essentie beperkt zal blijven tot noodhulp en bij uitzondering mogelijk een (eerste) begin van rehabilitatie. Een exit-strategie dient derhalve standaard in een projectvoorstel te worden opgenomen waarbij mogelijkheden van overdracht van activiteiten aan lokale structuren dan wel opname van activiteiten in lopende wederopbouw- respectievelijk structurele hulpprogramma’s aandacht dienen te krijgen.