KruimelpadGeldend op 05-08-2009
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordrachten van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408602, van 13 mei 2004, kenmerk DJB/JZ-481048, van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2409926, van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408604, van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408605, van 13 november 2003, kenmerk DJB/JZ-2422233 en van 6 mei 2004, kenmerk DJB/JZ-2481049, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie;
Gelet op artikel 3, eerste en vijfde, achtste en negende lid, artikel 5, tweede lid, onder b, artikel 6, vijfde lid, artikel 13, zevende lid, artikel 38, vijfde lid, en artikel 57, derde lid, de artikelen 69, eerste en tweede lid, 70, tweede lid, 71, eerste lid, onder e, en 112, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg, artikel 9b, tweede en vijfde lid van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, artikel 11a, eerste lid, derde en vierde volzin, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, artikel 238, vijfde lid, van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;
De Raad van State gehoord (adviezen van 24 november 2003, nr. W13.03.0399/III, van 30 augustus 2004, nr. W13.04.0213/III, van 24 november 2004, nr. W13.03.0396/III, van 24 november 2003, nr. W13.03.0398/III, van 24 november 2003, nr. W13.03.0397/III, van 19 december 2003, nr. W13.03.0476/III en van 3 augustus 2004, nr. W13.04.0210/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2004, DJB/JZ-2537954, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de jeugdzorg;
b. indicatiebesluit: een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet;
c. aanvrager: degene die de aanvraag indient voor een indicatiebesluit;
d. jeugdhulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 3;
e. verblijf: verblijf als bedoeld in artikel 4;
f. observatiediagnostiek: observatiediagnostiek als bedoeld in artikel 5;
g. inrichting: een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
h. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
i. advies- en meldpunt kindermishandeling: de stichting bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e, van de wet;
j. advies: advies over de handelingsmogelijkheden bij een vermoeden van kindermishandeling;
k. melding: een melding van kindermishandeling of van een vermoeden daarvan;
l. jeugdreclassering: de stichting bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet;
m. gekwalificeerde gedragswetenschapper: degene die lid is van het Nederlands Instituut voor Psychologen en is opgenomen in het Register Klinisch Psychologen of het register Kinder- en Jeugdpsychologen en beschikt over de Basisaantekening Psychodiagnostiek van dit instituut of degene die lid is van de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen en Onderwijskundigen en geregistreerd is als Orthopedagoog-Generalist dan wel een BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog;
n. voogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet;
o. gezinsvoogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet;
p. jeugdreclasseringswerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet.
aanvrager: degene die de aanvraag indient voor een indicatiebesluit;
advies- en meldpunt kindermishandeling: de stichting bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e, van de wet;
de wet: de Wet op de jeugdzorg;
gekwalificeerde gedragswetenschapper: degene die lid is van het Nederlands Instituut voor Psychologen en is opgenomen in het Register Klinisch Psychologen of het register Kinder- en Jeugdpsychologen en beschikt over de Basisaantekening Psychodiagnostiek van dit instituut of degene die lid is van de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen en Onderwijskundigen en geregistreerd is als Orthopedagoog-Generalist dan wel een BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog;
gezinsvoogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet;
indicatiebesluit: een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet;
inrichting: een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
jeugdbeschermings- en reclasseringstaken: de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet;
jeugdhulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 3;
jeugdreclassering: de stichting bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet;
jeugdreclasseringswerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet.
melding: een melding van kindermishandeling of van een vermoeden daarvan;
observatiediagnostiek: observatiediagnostiek als bedoeld in artikel 5;
verblijf: verblijf als bedoeld in artikel 4;
voogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet;
vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.
De aanspraak op jeugdzorg ingevolge de wet omvat: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.
1.Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een:
a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen;
b. cliënt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden.
2.Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover:
a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of
b. de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is.
1.Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.
2.Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover:
a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders,
b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ of zorg als bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of
c. het verblijf in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen betreft.
3.In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf:
a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat;
b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige.
4.Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.
1.Observatiediagnostiek omvat het onderzoeken van een jeugdige gericht op het verkrijgen van gegevens die een stichting nodig heeft voor het nemen van een indicatiebesluit.
2.Geen aanspraak op observatiediagnostiek bestaat als aannemelijk is dat een jeugdige is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet.
3.Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat slechts indien voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, observatie tijdens verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan noodzakelijk is.
4.Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat voor een termijn van ten hoogste zes weken. De aanspraak kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd.
Als categorie niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen tot wie de aanspraken ingevolge de wet worden uitgebreid, wordt aangemerkt de categorie vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben en die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.
1.Een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, heeft, aanspraak op jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.
2.Deze vreemdeling heeft geen aanspraak op verblijf bij een pleegouder tenzij verblijf bij een pleegouder in het belang van de ontwikkeling van die vreemdeling geboden is. Indien een stichting voor een vreemdeling verblijf bij een pleegouder geboden acht, wordt in het indicatiebesluit aangegeven waarom zij verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder niet aangewezen acht.
Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet worden, voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige en verband houdt met een psychiatrische aandoening, aangewezen:
a. persoonlijke verzorging, begeleiding, verblijf en voortgezet verblijf als bedoeld in de artikelen 4, 6, 9, 10 en 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ;
b. geneeskundige zorg en verblijf als bedoeld in de artikelen 2.4en 2.10 van het Besluit zorgverzekering.
1.Als beroepsgroep als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangewezen de beroepsgroep huisarts.
2.Met een huisarts wordt gelijkgesteld de arts naar wie de huisarts een jeugdige heeft verwezen, alsmede de andere behandelaar van een jeugdige die in verband met een psychische stoornis een aanspraak heeft op grond van die wet waaraan geen indicatiebesluit ten grondslag ligt, omdat artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden.
3.Met een huisarts wordt bovendien gelijkgesteld de arts, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, voor zover het betreft jeugdigen die anders dan met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wet boek in een inrichting zijn geplaatst.
Als psychische stoornis als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangewezen de psychische stoornis, beschreven op as I of as II van het classificatiesysteem Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.
Als ernst als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangegeven het functioneren van een jeugdige op een psychisch niveau dat leidt tot een score van 40 of minder op de Children’s Global Assessment Scale in de Nederlandse vertaling van 1994 dan wel een score van 50 als het betreft een jeugdige waarbij sprake is van een ernstig verminderd functioneren op één van de in de schaal opgenomen terreinen, terwijl redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit verminderde functioneren samenhangt met de psychische stoornis.
Indien artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden, geeft de betrokken huisarts, arts of andere behandelaar, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aan de stichting, die werkzaam is in de provincie waar de betrokken jeugdige duurzaam verblijft, gemotiveerd aan welke psychische stoornis hij vermoedt aanwezig te zijn en op welk psychisch niveau de jeugdige functioneert.
1.Een cliënt heeft, in afwijking van artikel 3, derde lid, van de wet, in situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a, respectievelijk d, van de wet, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een indicatiebesluit heeft genomen.
2.Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van een jeugdige in een inrichting.
Indien de stichting voorziet dat de zorg waarop een cliënt is aangewezen niet tijdig beschikbaar is, kan zij vervangende zorg aanduiden, waarop de cliënt alsdan is aangewezen. Een cliënt heeft aanspraak op de vervangende zorg tot het moment waarop hij zijn aanspraak op de eerst aangewezen zorg tot gelding heeft gebracht, of de met betrekking tot de vervangende zorg genoemde termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van de wet, is verstreken.
Bij regeling van Onze Ministers kan worden geregeld dat een indicatiebesluit inhoudende dat de cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet wordt vastgelegd op een formulier dat overeenkomt met een bij die regeling vast te stellen model.
1.Indien de stichting vaststelt dat een cliënt is aangewezen op jeugdhulp, geeft zij in het indicatiebesluit aan of een cliënt is aangewezen op jeugdhulp:
a. in de thuissituatie of in een accommodatie van een zorgaanbieder;
b. individueel of in groepsverband.
2.Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van de benodigde jeugdhulp, uitgedrukt in een minimum en een maximum aantal contacturen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en maximum bedraagt.
1.Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf, geeft zij in het indicatiebesluit aan of de jeugdige is aangewezen op verblijf bij een pleegouder, dan wel op verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder.
2.Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van het benodigde verblijf, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen waarover de uren worden gespreid.
3.Het aantal dagen waarover de uren worden gespreid wordt uitgedrukt in een minimum en maximum aantal dagen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en het maximum bedraagt.
1.Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op observatiediagnostiek, geeft zij in het indicatiebesluit aan welke vragen met de observatiediagnostiek beantwoord moeten worden.
2.Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van de benodigde observatiediagnostiek, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen per week waarover deze uren worden gespreid.
1.Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in artikel 9, geeft zij in het indicatiebesluit aan op welke van deze vormen de jeugdige is aangewezen.
2.Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 9, onderscheidenlijk 13, tweede lid van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, is artikel 18, onderscheidenlijk 19 van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in artikel 9 of artikel 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, is, in afwijking van het tweede lid, artikel 13 van het Zorgindicatiebesluit van overeenkomstige toepassing.
4.Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 2.4 of verblijf als bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering, is artikel 18, onderscheidenlijk 19 van overeenkomstige toepassing.
Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf in een inrichting geeft zij in het indicatiebesluit aan of sprake moet zijn van verblijf in een beperkt beveiligde of normaal beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
1.De in het indicatiebesluit vast te leggen termijn gedurende welke de aanspraak geldt, bedraagt ten hoogste een jaar na de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet, is aangevangen, tenzij het betreft:
a. verblijf bij een pleegouder van een jeugdige die al langer dan twee jaar bij eenzelfde pleegouder verblijft en voorzien wordt dat van terugkeer naar het gezin van herkomst geen sprake kan zijn;
b. een aanspraak op een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet in verband met een aandoening die maakt dat een jeugdige langer dan twee jaar is aangewezen op eenzelfde vorm van zorg en voorzien wordt dat de jeugdige op deze vorm van zorg aangewezen blijft.
2.De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen wier verblijf tijdelijk is als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder q, van het Vreemdelingenbesluit 2000, ten hoogste een half jaar.
3.De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot vreemdelingen, bedoeld in artikel 7, in overeenstemming met de verwachte duur van het verblijf in Nederland, en ten hoogste een half jaar.
1.Medewerkers die zijn belast met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, voogdijwerkers, gezinsvoogdijwerkers, jeugdreclasseringswerkers en medewerkers die taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling, alsmede medewerkers die belast zijn met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder f tot en met j, van de wet, zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met de stichting of op basis van een detacheringsovereenkomst tussen hun werkgever en de stichting.
2.In afwijking van het eerste lid, kan een medewerker anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst of detacheringsovereenkomst bij de stichting werkzaam zijn:
a. indien hij zodanig gespecialiseerd is dat een arbeidsovereenkomst of een detacheringsovereenkomst een doelmatige werkwijze van de stichting belemmert;
b. ten behoeve van een tijdelijke functievervulling.
3.Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de detacheringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid.
1.De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week telefonisch bereikbaar.
2.De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week beschikbaar voor situaties waarin onmiddellijke uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, of artikel 10, eerste lid, onder a tot en met f, van de wet, geboden is.
De stichting stuurt, onverminderd artikel 51 van de wet, aan de huisarts van de cliënt een afschrift van het indicatiebesluit of het document waarin de zorg, bedoeld in artikel 8, van de wet, is vastgelegd.
1.Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering door de stichting van de aan haar bij de wet opgedragen taken, beschikt de stichting over deskundigheid met betrekking tot:
a. de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van jeugdigen;
b. de beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het onbedreigd opgroeien van jeugdigen kunnen belemmeren;
c. de herkenning van taal- en leerproblemen;
d. de herkenning van somatische aandoeningen;
e. de herkenning van lichamelijke of verstandelijke handicaps;
f. de beoordeling en aanpak van kindermishandeling;
g. de aanpak van jeugdige delinquenten;
h. de juridische aspecten van de haar opgedragen taken.
2.De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg.
3.Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten werkzaam bij de stichting alsmede van de deskundigen, bedoeld in artikel 35.
1.Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, beziet de stichting de problemen van een cliënt en de ernst hiervan. Zij onderzoekt hiertoe de psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel de psychiatrische aandoening van de jeugdige, de problemen van de cliënt, niet zijnde de jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren, en besteedt bovendien aandacht aan de opvoedingssituatie.
2.De stichting betrekt in haar onderzoek tevens factoren die de ontwikkeling van de jeugdige gunstig beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.
Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid en 10, eerste lid, onder a tot en met e, van de wet, vindt een multidisciplinaire beoordeling van de problemen plaats, indien de aard van de problematiek dit vergt.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de werkwijze van de stichting bij de uitvoering van de in de artikelen 5, eerste lid, en 10, eerste lid, van de wet, genoemde taken indien het niveau van de uitvoering door de bureaus jeugdzorg dit vereist.
1.Het indicatiebesluit komt niet tot stand dan nadat over een ontwerp daarvan in ieder geval overleg is gepleegd met de aanvrager en met degene wiens instemming is vereist op grond van artikel 7, van de wet.
2.In een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet neemt de stichting geen indicatiebesluit dan na overleg met het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming.
1.De stichting laat op verzoek van de cliënt de, bij het opstellen van het indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek, door een deskundige interpreteren en van een advies voorzien, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet. Deze deskundige heeft geen arbeidsovereenkomst met de stichting en is niet werkzaam bij de stichting op basis van een detacheringsovereenkomst en is evenmin bij de behandeling of begeleiding of bij onderzoek van de cliënt betrokken geweest.
2.Uiterlijk veertien dagen nadat de deskundige zijn advies schriftelijk ter kennis heeft gebracht aan de cliënt en de stichting, neemt de stichting een indicatiebesluit.
3.Indien het indicatiebesluit afwijkt van het advies van de deskundige, wordt in het besluit de reden van de afwijking vermeld.
Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan één taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden afgestemd.
Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij beëindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden voorzien.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet, dat een rechterlijke beslissing vereist.
1.De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.
2.Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de voogdij geëvalueerd wordt.
3.In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige dan wel anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.
4.Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau, en
b. de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige.
5.Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
6.Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
1.De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een voogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en zijn ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
2.In deze mededeling worden tevens opgenomen:
a. de datum van het eerste contact van de voogdijwerker met de minderjarige en
b. de medewerker van de stichting die de voogdijwerker bij afwezigheid vervangt.
1.De stichting houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van de minderjarige die onder haar voogdij staat, de aan hem bestede zorg en diens vermogen.
2.Het contact tussen de minderjarige en zijn oorspronkelijk milieu wordt bevorderd, tenzij dit contact kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige.
3.De stichting bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact heeft met een persoon buiten de stichting en dat dit contact gecontinueerd wordt.
4.De stichting houdt rekening met het belang dat voor de minderjarige kan zijn gelegen in een overgang van het gezag naar de ouders dan wel, indien het belang van de minderjarige dit eist, naar een pleegouder of een ander die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige.
1.De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.
2.Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de ondertoezichtstelling geëvalueerd wordt.
3.In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.
4.Indien een minderjarige ten minste achttien maanden buiten het ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere termijn waarbij aandacht wordt besteed aan de continuïteit van de verblijfplaats van de minderjarige.
5.Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en
b. de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de minderjarige.
6.Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
7.Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
1.De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een gezinsvoogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd.
2.In deze mededeling worden tevens opgenomen:
a. de datum van het eerste contact van de gezinsvoogdijwerker met de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,
b. de medewerker van de stichting die de gezinsvoogdijwerker bij diens afwezigheid vervangt,
c. informatie over de bevoegdheden van de stichting bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling en
d. de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 259, eerste lid, artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan.
3.De stichting kan, al dan niet op verzoek van de minderjarige, de met het gezag belaste ouder of voogd, een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker aanwijzen.
De stichting beziet bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling regelmatig of een ontheffing van de ouders als bedoeld in artikel 268 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek overwogen moet worden. Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een ontheffing overwogen dient te worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis.
1.De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat zij een taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c of d, van de wet heeft gekregen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.
2.Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd , zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zal worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de wijze waarop de jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geëvalueerd wordt.
3.In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de jeugdige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.
4.Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de jeugdige;
b. de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige.
5.Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
6.Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
1.De stichting wijst binnen vijf dagen nadat zij een taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c of d van de wet heeft gekregen en zij daarvan op de hoogte is gesteld, een jeugdreclasseringswerker aan, en doet hiervan mededeling aan de jeugdige en de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
2.In deze mededeling wordt tevens opgenomen:
a. de datum van het eerste contact van de jeugdige met de jeugdreclasseringswerker dat uiterlijk vijf dagen nadat de stichting de taak als bedoeld in eerste lid heeft gekregen, plaats vindt en
b. de medewerker die de jeugdreclasseringswerker bij afwezigheid vervangt.
1.Onverminderd de aan de raad voor de kinderbescherming toekomende taken en bevoegdheden, voldoet de jeugdreclassering aan verzoeken van de rechter en het openbaar ministerie om advies omtrent een jeugdige die wordt verdacht van een strafbaar feit of die op grond daarvan is veroordeeld.
2.De jeugdreclassering brengt voor zover het de uitvoering betreft van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, geregeld verslag uit aan het openbaar ministerie dat is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden, over de wijze waarop de jeugdige zich houdt aan de voorwaarden door de rechter of het openbaar ministerie opgelegd.
3.Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel nakomt, meldt de jeugdreclassering dit onverwijld aan het openbaar ministerie.
4.De jeugdreclassering zendt de raad voor de kinderbescherming een afschrift van het verslag, bedoeld in het tweede lid en de melding, bedoeld in het derde lid.
1.Onverminderd artikel 60, vierde lid, legt de stichting de wijze van samenwerking van de jeugdreclassering met de politie, de rechter, het openbaar ministerie, de volwassenenreclassering, inrichtingen en de raad voor de kinderbescherming vast in een protocol.
2.In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd:
a. een vermelding van welke functionaris het aanspreekpunt is van de jeugdreclassering voor vragen die casuïstiek overstijgen;
b. een beschrijving van de wijze waarop taken van de jeugdreclassering en die van de in het eerste lid bedoelde instanties worden uitgeoefend voor zover deze samenhangen of gelijktijdig plaatsvinden;
c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de instanties, bedoeld in het eerste lid, over individuele zaken worden geïnformeerd.
1.De stichting legt de wijze waarop de herkenbaarheid en toegankelijkheid van een advies- en meldpunt kindermishandeling binnen het bureau jeugdzorg is georganiseerd, schriftelijk vast.
2.De stichting draagt er zorg voor dat het advies- en meldpunt kindermishandeling is aangesloten op het daartoe bestemde landelijke telefoonnummer.
Onverminderd artikel 27, draagt de stichting er zorg voor dat aan iedere betrokkene bij een advies, melding of onderzoek naar aanleiding van een melding bij het eerste contact informatie wordt verschaft over de procedure met betrekking tot een advies, melding of onderzoek, de verwerking van persoonsgegevens, met inachtneming van de artikelen 43, 53 en 54 van de wet, het recht op inzage in of afschrift van de hem betreffende bescheiden alsmede de wijze van behandeling van klachten. Als betrokkenen worden aangemerkt degene die advies vraagt, degene die een melding doet, degene op wie een melding betrekking heeft en degene die om informatie in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding wordt verzocht.
1.Een advies- en meldpunt kindermishandeling stelt binnen vijf dagen na ontvangst van een melding vast of de melding in onderzoek wordt genomen.
2.Een advies- en meldpunt kindermishandeling oordeelt binnen dertien weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of en zo ja tot welke stappen de melding aanleiding geeft.
3.Onverminderd artikel 32 vindt besluitvorming omtrent een melding plaats door ten minste twee bij de stichting werkzame personen die taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling.
1.In dit artikel wordt onder persoonsgegeven verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens.
2.Een advies- en meldpunt kindermishandeling verstrekt aan degene op de persoonsgegevens betrekking hebben, inlichtingen over de herkomst van de persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding verkrijgt.
3.In afwijking van het tweede lid verstrekt het advies- en meldpunt kindermishandeling geen inlichtingen over de herkomst van persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft verkregen indien:
a. een persoon die in een beroepsmatige, hulpverlenende of pedagogische relatie tot de minderjarige of zijn gezin staat, de persoonsgegevens naar aanleiding van een melding heeft verstrekt en het verstrekken van die inlichtingen:
1°. een bedreiging vormt of kan vormen voor de minderjarige of andere minderjarige leden van het gezin waartoe de minderjarige behoort;
2°. een bedreiging vormt of kan vormen voor die persoon of medewerkers van die persoon;
3°. leidt of kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met het gezin waartoe de minderjarige behoort;
b. het andere personen betreft dan die bedoeld onder a, behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven.
1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. klachtencommissie: klachtencommissie, bedoeld in artikel 68 van de wet, voor zover deze klachten behandelt over een beslissing als bedoeld in artikel 29w, eerste lid, van de wet of over de toepassing van artikel 29t van de wet;
b. klacht: klacht als bedoeld in artikel 29w, eerste lid, van de wet.
c. klager: degene die een klacht als bedoeld in artikel 29w, eerste lid van de wet, indient.
Van de klachtencommissie maken in ieder geval deel uit:
a. een jurist,
b. een gekwalificeerde gedragswetenschapper, alsmede
c. een arts, indien het een klacht betreft tegen een geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld in artikel 29p, derde lid, van de wet, niet zijnde een behandeling van een stoornis van de geestvermogens of een psychiater, indien het een klacht betreft tegen een geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld in artikel 29p, derde lid, van de wet indien het gaat om een behandeling van een stoornis van de geestvermogens.
1.De raad voor de kinderbescherming neemt een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, slechts in onderzoek indien de stichting hem van een dergelijk geval in kennis heeft gesteld.
2.In afwijking van het eerste lid, neemt de raad voor de kinderbescherming een geval als bedoeld in het eerste lid zonder kennisgeving van de stichting in onderzoek, indien:
a. er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige of
b. bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden.
3.Indien een ander dan de stichting de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van een geval waarbij naar diens oordeel, een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, zendt de raad de kennisgeving onverwijld en onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder, door aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, tenzij de kennisgeving betrekking heeft op een geval als bedoeld in het tweede lid, onder a.
1.De raad voor de kinderbescherming doet van het in onderzoek nemen van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen wordt, onverwijld mededeling aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de minderjarige duurzaam verblijft.
2.De raad voor de kinderbescherming informeert de stichting over de resultaten van het onderzoek.
1.De stichting informeert de minderjarige en de met het gezag belaste ouder uiterlijk op het moment dat zij de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van haar oordeel dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden, tenzij dit kennelijk een bedreiging vormt voor de minderjarige.
2.Indien de stichting de minderjarige en de met het gezag belaste ouder niet informeert, wordt in de kennisgeving aan de raad voor de kinderbescherming hiervan de reden vermeld.
1.De stichting en de raad voor de kinderbescherming leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol.
2.In het protocol worden met betrekking tot de artikelen 56 tot en met 59 in ieder geval vastgelegd:
a. de wijze waarop de stichting de kennisgeving van een geval als bedoeld in artikel 56 doet,
b. een beschrijving van de gegevens die de stichting verstrekt bij de kennisgeving op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een beslissing kan nemen of hij het geval in onderzoek neemt,
c. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming zijn beslissing over het in onderzoek nemen van een geval aan de stichting kenbaar maakt,
d. een beschrijving van de werkwijze van de stichting en de raad voor de kinderbescherming voor zover de werkwijze samenhangt of gelijktijdig plaatsvindt en
e. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming de stichting informeert over de resultaten van zijn onderzoek.
3.In het protocol worden met betrekking tot het indicatiebesluit in ieder geval vastgelegd:
a. de procedure die de stichting hanteert bij het nemen van een indicatiebesluit ingeval de raad voor de kinderbescherming voornemens is een machtiging als bedoeld in artikel 261, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te verzoeken en;
b. een beschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een indicatiebesluit in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet, verzoekt.
4.In het protocol wordt met betrekking tot de jeugdreclassering in ieder geval vastgelegd:
a. een omschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, gebruikt en;
b. de wijze van samenwerking in het kader van de taak, bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht.
1.Op een door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 26, 27, 29, eerste lid, onder b en h, en 38 tot en met 45 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de wijze van uitvoering van de taken door de rechtspersoon past bij de aard van het verblijf van de minderjarige en zijn verwachte verblijfsduur.
2.De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, die de voogdij uitoefent over een minderjarige zorgt dat die minderjarige wordt ondergebracht:
a. bij meerderjarige familieleden;
b. in een pleeggezin;
c. in speciale centra voor minderjarigen, of
d. in andere voor minderjarige geschikte tehuizen.
Voorzover mogelijk is de verblijfplaats van de minderjarige dezelfde als die van zijn broers of zussen. Veranderingen in de verblijfplaats van de minderjarige worden tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is onder stichting mede begrepen een rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Het verlenen door de vertrouwenspersoon van ondersteuning in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de door de zorgaanbieder geboden jeugdzorg, bedoeld in artikel 1, onder w, van de wet, is met name gericht op de uitoefening door de cliënt van zijn rechten.
De stichting onderscheidenlijk de zorgaanbieder deelt aan cliënten mee dat een vertrouwenspersoon aan hen op hun verzoek de in artikel 63 bedoelde ondersteuning kan verlenen, wat deze taak inhoudt, en op welke plaats en tijdstippen de vertrouwenspersoon voor cliënten bereikbaar en beschikbaar is.
De vertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot de gebouwen van de stichting en de gebouwen, terreinen en ruimten van de zorgaanbieder waar jeugdigen kunnen verblijven, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is. De vertrouwenspersoon behoeft geen toestemming van derden om met een jeugdige te spreken.
Aan de vertrouwenspersoon worden door de stichting of de zorgaanbieder de faciliteiten verschaft die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft. Daartoe behoren in ieder geval een eigen werkruimte met telefoon en computer en een voorziening waardoor gegevens omtrent cliënten waaraan de vertrouwenspersoon ondersteuning verleent op voor anderen niet toegankelijke wijze kunnen worden bewaard.
Als vorm van zorg waarvoor een bijdrage als bedoeld in de artikelen 69 en 70 van de wet is verschuldigd, wordt aangewezen een tot gelding gebrachte aanspraak op verblijf.
De hoogte van de ouderbijdrage in de kosten van verblijf is:
a. indien het verblijf gedurende het etmaal betreft:
1°. van een jeugdige van 0 tot en met 5 jaar: € 63,78 [Red: per 10 januari 2009 en terugwerkend tot en met 1 januari 2009: € 68,29] per maand;
2°. van een jeugdige van 6 tot en met 11 jaar: € 87,70 [Red: per 10 januari 2009 en terugwerkend tot en met 1 januari 2009: € 93,90] per maand;
3°. van een jeugdige van 12 tot en met 20 jaar: € 111,61 [Red: per 10 januari 2009 en terugwerkend tot en met 1 januari 2009: € 119,50] per maand;
b. indien het verblijf gedurende een deel van een etmaal betreft: de helft van het voor de jeugdige ingevolge in het eerste lid geldende bedrag per maand.
Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in artikel 70, onder a, jaarlijks met ingang van 1 januari opnieuw vastgesteld aan de hand van de consumentenprijsindex.
Het bedrag per maand, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder e, van de wet, wordt vastgesteld op € 226,89.
Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan de verschuldigde ouderbijdrage slechts buiten invordering stellen indien het betreft een bijdrageplichtige die:
a. algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 20, eerste lid, onder a, artikel 21, onder a, of artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand;
b. een verstrekking ontvangt als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en geen ander inkomen heeft;
c. zak- en kleedgeld ontvangt op grond van artikel 41 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden of;
d. rechtens zijn vrijheid is ontnomen en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een penitentiaire inrichting, in een inrichting voor de verpleging van ter beschikking gestelden, in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en geen inkomen heeft.
1.De hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van verblijf gedurende het etmaal van een jeugdige die over een inkomen beschikt of die recht kan doen gelden op een inkomen, wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan het netto-maandinkomen, verminderd met eenvierde van het minimumloon dat geldt voor een vijftienjarige of indien de jeugdige zestien jaar of ouder is, het voor die leeftijd geldende minimumloon.
2.De eigen bijdrage berekend volgens het eerste lid, wordt voor een jeugdige met een netto jaarinkomen uit tegenwoordige arbeid verminderd met een vierde van deze bijdrage. Indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid minder is dan € 635,29 op jaarbasis wordt deze bijdrage verminderd met dat inkomen.
3.Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een uitkering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000, wordt de bijdrage verminderd met:
a. het deel van de uitkering dat volgens de normen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bedoeld is voor boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, en
b. de te betalen premie voor een door of ten behoeve van de jeugdige gesloten zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.
4.De eigen bijdrage is niet hoger dan de kosten van het verblijf.
1.De ouderbijdrage of eigen bijdrage is verschuldigd over elke dag dat het verblijf heeft geduurd. De dag van aankomst wordt daarbij wel en de dag van vertrek wordt daarbij niet meegerekend als dag van verblijf. Wordt het verblijf beëindigd op de dag waarop deze is aangevangen, dan is over deze dag de bijdrage verschuldigd.
2.Indien de bijdrage over een gedeelte van een maand is verschuldigd, bedraagt zij het voor een maand geldende bedrag, gedeeld door dertig en vermenigvuldigd met het aantal dagen dat het verblijf heeft geduurd.
TWK Voor dit hoofdstuk is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
Het hoofdstuk is nieuw toegevoegd.
TWK Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
De paragraaf is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1. uitkering bureau jeugdzorg: de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet;
2. uitkering zorgaanbod: de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder b, van de wet.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
De paragraaf is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. De uitkering bureau jeugdzorg bestaat uit de som van de volgende bedragen:
a. een bedrag voor de uitvoering van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, op basis van het aantal minderjarigen voor wie de stichting deze taken heeft uitgevoerd in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt en de daartoe vastgestelde normbedragen, en
b. een bedrag voor de uitvoering van de overige wettelijke taken, dat overeenkomt met het verschil tussen het bedrag dat de provinciebesturen ontvingen in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt verstrekt en het bedrag bedoeld in artikel 73e, vermeerderd met een door Onze Ministers vast te stellen bedrag, dat is gerelateerd aan de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet, en de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in artikel 5 van de wet.
2. De normbedragen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden per onderscheiden taak vastgesteld bij regeling van Onze Ministers.
3. Het bedrag voor de uitvoering van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, kan worden verminderd, indien het derde lid van artikel 73c van toepassing is.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. Onze Ministers stellen het bedrag voor de uitvoering van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, als volgt vast:
a. de voorlopige vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen, en
b. de definitieve vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het eerste jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen.
2. Het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid, is het gemiddelde van het aantal minderjarigen op de eerste dag van elke kalendermaand met uitsluiting van het aantal minderjarigen voor wie een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, de taak uitoefent, met uitzondering van de taken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet, waarvoor de regeling waarbij het normbedrag of de normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. De uitkering bureau jeugdzorg, kan, in afwijking van de artikelen 73b en 73c, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 73b, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan de uitvoering van de wettelijke taken van het bureau jeugdzorg en de andere activiteiten, genoemd in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet.
2. De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van de artikelen 73b en 73c, worden verminderd, indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door de stichting te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
3. Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling factoren aanwijzen die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de behoefte en regels stellen omtrent de mate waarin de factoren, de vaststelling van de behoefte beïnvloeden.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. De uitkering zorgaanbod bestaat, onverminderd artikel 104, tweede lid, van de wet, uit het bedrag dat het provinciebestuur in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt verstrekt ontving voor jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet, voor de vertrouwenspersoon voor de cliënten van zorgaanbieders, voor experimenten, voor de steunfunctie met betrekking tot die jeugdzorg, voor cliëntenorganisaties en voor het verwerken van gegevens, bedoeld in de artikelen 43 en 44, eerste lid, van de wet.
2. De uitkering zorgaanbod wordt verhoogd met een bedrag uit de in de begroting beschikbaar gestelde gelden voor extra aanbod, volgens bij circulaire van Onze Ministers vast te stellen regels over de verdeling van dit bedrag aan de hand van het aantal jeugdigen in de provincie, het aantal allochtone jeugdigen en het aantal jeugdigen dat behoort tot een eenoudergezin.
3. De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, en onverminderd het tweede lid, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig het eerste en tweede lid, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet.
4. De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, worden verminderd, indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door zorgaanbieders te leveren activiteiten in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
5. Artikel 73d, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. Een uitkering als bedoeld in artikel 73b en artikel 73d wordt verminderd, indien de omvang van de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 73k, zodanig is dat van het provinciebestuur redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij te verlenen subsidies ten laste brengt van die reserve.
2. De uitkeringen, bedoeld in de artikelen 73b en 73d, kunnen worden bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden. Met het oog hierop bepalen Onze Ministers per activiteit welk deel van de uitkeringen, dan wel welk deel van de desbetreffende normbedragen waaruit de uitkering is opgebouwd, in aanmerking zal worden genomen in verband met de ontwikkeling van het prijspeil en welk deel in verband met de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden en welk deel ongevoelig is voor ontwikkeling van beide.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
De paragraaf is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. Een aanvraag van de uitkering bureau jeugdzorg en van de uitkering zorgaanbod voor het eerstvolgende jaar wordt gedaan door de toezending van het ontwerp van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 32, eerste lid, tweede volzin, van de wet.
2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de bij de aanvraag te voegen gegevens en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
Gedeputeerde staten verstrekken ter verantwoording de informatie, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder a, van de wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
De paragraaf is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. Onze Ministers stellen de uitkering bureau jeugdzorg, bedoeld in artikel 73b, eerste lid, voorlopig vast uiterlijk dertien weken na ontvangst van de aanvraag. De definitieve vaststelling van de uitkering vindt plaats uiterlijk dertien weken nadat het provinciebestuur de gegevens, bedoeld in artikel 73c, tweede lid, heeft overgelegd. Het provinciebestuur overlegt de gegevens uiterlijk vóór 1 juni van het uitvoeringsjaar.
2. Onze Ministers stellen de uitkering zorgaanbod, bedoeld in artikel 73e, vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
3. De uitkeringen worden betaald in termijnen, volgens bij regeling van Onze Ministers vast te stellen schema.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
De paragraaf is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
De artikelen 4:49, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
TWK Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
1. Het provinciebestuur vormt een egalisatiereserve jeugdzorg.
2. Het verschil tussen de som van vastgestelde uitkeringen en de vastgestelde subsidies in het jaar waarop de uitkeringen betrekking hebben, komt ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve.
3. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.
4. In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onder c, d, en e, van de Algemene wet bestuursrecht, is het provinciebestuur terzake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de uitkering aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.
5. De egalisatiereserve wordt uitsluitend besteed voor een van de doeleinden waarvoor de uitkeringen zijn verstrekt.
Het artikel is nieuw toegevoegd.
Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, kan de stichting een medewerker van een instelling met een landelijk bereik, die op het moment van inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg als voogdij-instelling op grond van artikel 60, eerste lid, onder a, van de Wet op de jeugdhulpverlening of als gezinsvoogdij-instelling op grond van artikel 60, eerste lid, onder b, van die wet aanvaard was, aanwijzen als voogdij- onderscheidenlijk gezinsvoogdij- of jeugdreclasseringswerker.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Beatrix
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,
C. I. J. M. Ross-van Dorp
De Minister van Justitie ,
J. P. H. Donner
De Minister van Justitie ,
J. P. H. Donner