Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling monitoring handel in emissierechten[Regeling vervallen per 01-01-2013.]

Geldend van 01-07-2012 t/m 31-12-2012

Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 december 2004, nr. KVI2004128141, houdende bepalingen met betrekking tot het bepalen en registreren van broeikasgasemissies ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) (Regeling monitoring handel in emissierechten)

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op Richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) en artikel 16.6, derde lid, van de Wet milieubeheer en de artikelen 5, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 7, 8, 9, eerste en tweede, 11, tweede lid, en 12, vierde lid, van het Besluit handel in emissierechten;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 In deze regeling wordt verstaan onder:

    besluit: Besluit handel in emissierechten;

    Besluit 2011/278/EU: Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 130);

    Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

    non-conformiteit: elke handeling of nalatigheid, bedoeld of onbedoeld, in de inrichting die in strijd is met de voorschriften van het monitoringsplan;

    onjuiste opgave: omissie, verkeerde voorstelling of fout in het emissieverslag, met uitzondering van de toelaatbare onzekerheid;

    standaardomstandigheden: omstandigheden met een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,325 Pa ter bepaling van een kubieke meter normaal (Nm3), waarbij het vochtgehalte 0% is;

    subinstallatie: productenbenchmark-, warmtebenchmark-, brandstofbenchmark- of procesemissiesubinstallatie als bedoeld in artikel 6 in verbinding met artikel 3, onderdeel b, c, d of h, van Besluit 2011/278/EU.

Hoofdstuk 2. Broeikasgasemissies [Vervallen per 01-01-2013]

Afdeling 2.1. Inrichtingen [Vervallen per 01-01-2013]

§ 2.1.1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 1a. Toepassingsbereik [Vervallen per 01-01-2013]

Deze afdeling heeft het toepassingsbereik van afdeling 16.2.1 van de wet.

Artikel 2. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    • - activiteitsgegevens: gegevens over het gebruik en verbruik van de bronstromen;

    • - biobrandstof: biomassa bij de verbranding ten behoeve van energieopwekking;

    • - biomassa:

      • 1°. niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal dat afkomstig is van planten, dieren en micro-organismen;

      • 2°. niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal van producten, bijproducten, reststoffen en afvalstoffen afkomstig van landbouw, bosbouw en verwante bedrijfstakken;

      • 3°. niet-gefossiliseerde en biologisch afbreekbare organische fracties van industriële en huishoudelijke afvalstoffen, of gassen en vloeistoffen die zijn gewonnen bij de ontbinding van niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal,

      waarbij onder biomassa in ieder geval de materialen in de bij deze regeling behorende bijlage VII worden verstaan, met uitzondering van turf en fossiele fracties;

    • - biomassafractie: massapercentage brandbaar biomassakoolstof in de totale massa koolstof in een monster;

    • - bron: binnen een inrichting afzonderlijk aanwijsbaar emissiepunt van waaruit CO2-emissies plaatsvinden;

    • - bronstroom: specifiek brandstoftype, specifieke grondstof of specifiek product waarvan het verbruik of de productie aanleiding geeft tot CO2-emissies uit een of meer bronnen, waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen:

      • 1°. de minimis-bronstromen;

      • 2°. kleine bronstromen;

      • 3°. grote bronstromen;

    • - commercieel verhandelbare brandstoffen: brandstoffen met een gespecificeerde samenstelling die regelmatig en vrij worden verhandeld, voor zover de partij in kwestie tussen economisch autonome entiteiten werd verhandeld, met inbegrip van alle commercieel verhandelbare standaardbrandstoffen, aardgas, lichte en zware stookolie, steenkool en petroleumcokes;

    • - commercieel verhandelbare materialen: materialen met een vaste samenstelling die regelmatig en vrij worden verhandeld, voor zover de partij in kwestie tussen economische autonome entiteiten werd verhandeld;

    • - commercieel verhandelbare standaardbrandstoffen: internationaal gestandaardiseerde commercieel verhandelbare brandstoffen, waarvoor het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de gespecificeerde calorische waarde ten hoogste 1% bedraagt;

    • - conservatief: gebaseerd op een nader in het monitoringsplan omschreven reeks aannames die garanderen dat de CO2-emissies niet worden onderschat;

    • - continue meetmethode: reeks handelingen die ten doel heeft de waarde van een grootheid te bepalen door middel van periodieke metingen die meerdere keren per uur plaatsvinden, waarbij hetzij in situ metingen in de schoorsteen, hetzij een extractieprocedure met een nabij de schoorsteen aangebracht meetinstrument worden gebruikt, met uitzondering van methoden die gebaseerd zijn op metingen aan monsters die individueel aan de schoorsteen worden onttrokken;

    • - CO2-eenheid: vaste eenheid binnen de inrichting die een procesemissie of een verbrandingsemisie in de lucht veroorzaakt met inbegrip van de bij die eenheid behorende voorzieningen voor de reiniging van rookgas;

    • - CO2-installatie: broeikasgasinstallatie waarin activiteiten worden verricht die een emissie van CO2 in de lucht veroorzaken en die zijn genoemd in de bij het besluit behorende bijlage I;

    • - de minimis-bronstromen: door degene die de inrichting drijft, geselecteerde kleine bronstromen die:

      • 1°. gezamenlijk een kiloton of minder fossiel CO2 per kalenderjaar uitstoten, of

      • 2°. minder dan 2% vertegenwoordigen van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 van de CO2-installatie vóór aftrek van het overgedragen CO2 tot een totaal maximum van 20 kiloton fossiel CO2 per kalenderjaar,

      waarbij het criterium dat de hoogste absolute emissiewaarde oplevert, bepalend is;

    • - eindmaterialen: producten en bijproducten van een CO2-installatie waarbij in die producten en bijproducten CO2 wordt gebonden;

    • - emissiefactor: factor die is gebaseerd op het koolstofgehalte, uitgedrukt als tCO2/TJ, of overeenkomstig bijlage III.2 onder paragraaf 2.1, onder 1, uitgedrukt als tCO2/t of tCO2/ Nm3 voor verbrandingsemissies en uitgedrukt als tCO2/t of tCO2/ Nm3 voor procesemissies;

    • - energiebalansmethode: methode ter schatting van de hoeveelheid energie die in een CO2-eenheid met verbrandingsemissies als brandstof wordt gebruikt, waarbij deze hoeveelheid wordt berekend als de som van de nuttige warmte en alle relevante energieverliezen door straling en overdracht en via de rookgassen;

    • - inherent CO2: CO2 dat deel uitmaakt van een brandstof;

    • - kalibratie: reeks handelingen waarbij onder gespecificeerde voorwaarden het verband wordt vastgesteld tussen de waarden die worden aangegeven door een meetinstrument of een meetsysteem of de waarden belichaamd in een materiële maatstaf of een referentiemateriaal, en de overeenkomstige waarden, welke een grootheid aanneemt in een referentiestandaard en het meetinstrument of het meetsysteem alsmede de correcties voor dit verband;

    • - kleine bronstromen: door degene die de inrichting drijft, geselecteerde bronstromen die gezamenlijk 5 kiloton of minder fossiel CO2 per kalenderjaar uitstoten of die minder dan 10% van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 van de CO2-installatie vóór aftrek van het overgedragen CO2 vertegenwoordigen tot een totaal maximum van 100 kiloton fossiel CO2 per kalenderjaar, waarbij het criterium dat de hoogste absolute emissiewaarde oplevert, bepalend is;

    • - monitoringsmethodiek: het geheel van de methoden dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om per bron of bronstroom de jaarvracht van de CO2 van een CO2-installatie te bepalen;

    • - niveau: indeling van een specifieke methodiek in een hiërarchisch opgezette reeks van nauwkeurigheden waarmee activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren worden vastgesteld;

    • - onzekerheid: e en op basis van systematische en toevalsfactoren berekend betrouwbaarheidsinterval dat aangeeft binnen welke grenzen ten opzichte van het meetresultaat of het gemiddelde van meerdere meetresultaten de werkelijke waarde van de gemeten grootheid ligt;

    • - oxidatie- of conversiefactor: fractie van de theoretische CO2 die daadwerkelijk wordt geëmitteerd;

    • - partij: hoeveelheid brandstof of materiaal die hetzij in één keer, hetzij continu gedurende een bepaald tijdsverloop wordt verbruikt en gebruikt.

    • - procesemissie: emissie van CO2, niet zijnde een verbrandingsemissie, die optreedt ten gevolge van bedoelde of onbedoelde reacties tussen stoffen, of de transformatie daarvan, waaronder de chemische of elektrolytische reductie van metaalertsen, de thermische ontbinding van stoffen en de vorming van stoffen bedoeld om te worden gebruikt als product of als grondstof;

    • - variabelen: de hoeveelheid van de bronstroom, de calorische onderwaarde, de emissiefactor, het koolstofgehalte, de biomassafractie, de samenstellingsgegevens, de oxidatiefactor en de conversiefactor;

    • - verbrandingsemissie: emissie van CO2 die plaatsvindt bij de exotherme reactie van een brandstof met zuurstof;

    • - zuiver: kwalificatie die aangeeft dat bij toepassing op stoffen het materiaal of de brandstof voor ten minste 97% op massabasis bestaat uit de genoemde stof of het genoemde element, overeenstemmend met de handelsindeling ‘purum’ en bij toepassing op biomassa de totale massa koolstof in het materiaal of de brandstof voor ten minste 97% bestaat uit biomassakoolstof.

  • 2 Voorzover dat niet reeds in het eerste lid is aangegeven, hebben de in het eerste lid gehanteerde begrippen betrekking op CO2 en de emissies van CO2.

§ 2.1.2. Aanvraag vergunning en inhoud monitoringsplan CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 3 . Aanvraag vergunning, wijziging, aanvulling of intrekking [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 De aanvraag wordt schriftelijk bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend.

  • 3 Als onderdeel van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van de aanvraag om intrekking van de vergunning of de aanvraag tot wijziging van een aan de vergunning verbonden voorschrift, wordt een monitoringsplan ingediend, dat voldoet aan de eisen, gesteld in de artikelen 3a en 4.

Artikel 3a. Inhoud monitoringsplan algemeen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, vermeldt de aanvrager in het monitoringsplan voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, in elk geval de volgende gegevens:

    • a. de beoogde houder van de vergunning;

    • b. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;

    • c. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor de inrichting te verlenen;

    • d. de indeling, de activiteiten en de processen in de inrichting, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de CO2-emissies in de lucht die daardoor kunnen worden veroorzaakt;

    • e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de CO2-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;

    • f. een overzicht van de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;

    • g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 17, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 17, derde lid, van toepassing is: een lijst en beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;

    • h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op:

      • 1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 2.1.5;

      • 2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 2.1.6;

    • i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;

    • j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder j, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;

    • k. een aanduiding of een melding is gedaan overeenkomstig artikel 8, tweede lid;

    • l. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.

  • 2 In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens een beschrijving alsmede een schematische weergave van:

    • a. de CO2-installatie die zich in de inrichting bevindt, en de afbakening daarvan binnen de inrichting;

    • b. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de bronstromen binnen de inrichting;

    • c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de CO2-eenheden die zich binnen de inrichting bevinden;

    • d. de herkomst van de bronstromen;

    • e. de verdeling van de bronstromen over de CO2-eenheden binnen de inrichting;

    • f. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden;

    • g. de aansluiting van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden op de CO2-eenheden;

    • h. de locatie, de naam, de identificatie en het identificatienummer van de meetinstrumenten die relevant zijn voor de bepaling van CO2-emissies;

    • i. het afzonderlijke en het totale thermisch vermogen van alle CO2-eenheden met verbrandingsemissies binnen de inrichting;

    • j. de afzonderlijke en de totale productiecapaciteit van alle CO2-eenheden met procesemissies binnen de inrichting.

  • 3 Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en in artikel 3, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.

  • 5 Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 2.1.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 2.1.5, kan voldoen omdat dit technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond in het monitoringsplan. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:

    • a. de reden waarom degene die een inrichting drijft, niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;

    • b. het tijdstip en de wijze waarop degene die een inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, zal voldoen;

    • c. de wijze waarop de jaarvracht van CO2 wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.

Artikel 4. Invulling monitoringsplan voor de CO2-installatie [Vervallen per 01-01-2013]

Onverminderd artikel 3a wordt in het monitoringsplan tevens afzonderlijk voor de CO2-installatie die zich in de inrichting bevindt, vermeld:

  • a. de te monitoren bronstromen of CO2-eenheden binnen de CO2-installatie alsmede de naam, de identificatie en het identificatienummer;

  • b. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de CO2-installatie bevinden;

  • c. het thermisch vermogen van CO2-eenheden met verbrandingsemissies binnen de CO2-installatie;

  • d. de productiecapaciteit van CO2-eenheden met procesemissies binnen de CO2-installatie;

  • e. de klassenbepaling van de CO2-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV;

  • f. indien artikel 4a, derde lid, of artikel 9a, tweede lid, van toepassing is: de geschatte omvang van de CO2-emissies per bronstroom en de geschatte omvang van de CO2-emissies van de CO2-installatie, uitgedrukt in absolute waarden en percentages van de totale emissies;

  • g. de wijze waarop met behulp van berekening of meting de totale CO2-jaarvracht wordt bepaald, alsmede de gehanteerde formules;

  • h. de methode waarmee per bronstroom de CO2-emissies worden berekend met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing van de formule;

  • i. de methode waarmee per bron de CO2-emissies worden gemeten alsmede een onderbouwing van deze methode;

  • j. de wijze waarop de onder g, h en i bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;

  • k. bij berekening van de CO2-emissies: een overzicht van de vereiste, toegepaste en behaalde niveaus, alsmede een onderbouwing van de toegepaste niveaus;

  • l. een beschrijving van de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de CO2-jaarvracht worden gebruikt;

  • m. een beschrijving van de meetsystemen en een specificatie met inbegrip van de typen, het meetprincipe, het meetbereik en de specifieke locatie van de meetinstrumenten, die voor elke te monitoren bronstroom worden gebruikt;

  • n. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: een overzicht van de vereiste, toegepaste en behaalde niveaus alsmede een onderbouwing van de toegepaste niveaus;

  • o. een beschrijving van de systemen en elementen voor continue meting, ten minste bestaande uit de meetpunten, de meetfrequentie, de gebruikte apparatuur, de kalibratieprocedures, de procedures voor gegevensverzameling en opslag van deze gegevens, de procedure voor de bepaling van ontbrekende gegevens, alsmede de methode die wordt gevolgd om de resultaten van de continue metingen te controleren;

  • p. de methode om voor de bemonstering van elke bronstroom de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de emissiefactoren, de oxidatie- en conversiefactor en het biomassagehalte te bepalen;

  • q. de analysemethoden of informatiebronnen om voor elke bronstroom de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de emissiefactoren, de oxidatie- en conversiefactor of de biomassafractie te bepalen;

  • r. de gegevens waaruit blijkt dat de toepasselijke onzekerheidsniveaus voor de variabelen voor elke bronstroom worden nageleefd;

  • s. indien de methode, bedoeld in artikel 12b wordt toegepast: de methode en de onzekerheidsanalyse;

  • t. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem;

  • u. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 13, eerste lid: de onderbouwing van de monitoringsmethodiek van de CO2 die wordt overgedragen.

Artikel 4a. Uitzondering eisen monitoringsplan voor CO2-installaties met een lage CO2-emissie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voor inrichtingen waarbinnen zich een CO2-installatie bevindt met een uitstoot per kalenderjaar van minder dan 25.000 ton fossiel CO2, inclusief de overgedragen CO2, gelden de volgende bepalingen:

    • a. de artikelen 3a, eerste lid, onder g en k, en 4, onder p tot en met t, zijn niet van toepassing;

    • b. artikel 3a, onder i, onder 1°, is niet van toepassing, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, de kalibratiefrequentie en de verwijzing naar kalibratierapporten opneemt in het monitoringsplan;

    • c. degene die de inrichting drijft, mag in afwijking van de artikelen 7 en 15a voor de bepaling van het verbruik van de bronstromen gebruik maken van de geregistreerde facturen overeenkomstig artikel 27 en geschatte voorraadwijzigingen, op voorwaarde dat de facturen beschikbaar zijn;

    • d. degene die de inrichting drijft, mag zich in afwijking van artikel 15a voor de bepaling van de onzekerheid van de activiteitsgegevens baseren op de informatie die door de leverancier van de betrokken meetapparatuur is verstrekt, ongeacht de specifieke gebruiksomstandigheden.

  • 2 Het eerste lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat de jaarvracht gedurende de voorgaande planperiode minder dan 25.000 ton fossiel CO2 bedroeg , inclusief de overgedragen CO2.

  • 3 Het eerste lid is tevens van toepassing indien degene die de inrichting drijft, in gevallen waarin de gegevens over de voorgaande planperiode, bedoeld in het tweede lid:

    • a. niet representatief zijn voor de CO2-jaarvracht in de lopende planperiode of

    • b. niet beschikbaar zijn,

    ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan de hand van een conservatief onderbouwde schatting van de emissies aantoont dat de jaarvracht van de CO2-installatie gedurende de eerstvolgende vijf jaren gemiddeld minder dan 25.000 ton fossiel CO2 per kalenderjaar bedraagt.

Artikel 5. Model monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

  • 2 Van dit model mag uitsluitend worden afgeweken indien de reden daarvoor ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt gemotiveerd.

Artikel 5a. Verzoek tot intrekking vergunning [Vervallen per 01-07-2012]

§ 2.1.3. Monitoringsmethodiek CO2 [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 6. Bepalen van de CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de CO2-jaarvracht van de CO2-installatie per bronstroom met gebruikmaking van de rekenmethode die voor deze CO2-installatie ingevolge de bij deze regeling behorende bijlage II van toepassing is.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag de CO2-jaarvracht van de CO2-installatie per bron worden bepaald door hantering van een continue meetmethode waarbij de CO2-emissies van die bron worden vastgesteld door continue meting van de concentratie van de CO2-emissies in het rookgas en het rookgasdebiet overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XII, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat:

    • a. met deze methode een grotere nauwkeurigheid wordt verkregen dan met de rekenmethode, bedoeld in het eerste lid, en onredelijke kosten kunnen worden vermeden;

    • b. voor de vergelijking tussen deze methode en de rekenmethode, bedoeld in het eerste lid, is uitgegaan van dezelfde combinatie van bronnen en bronstromen van CO2-emissies.

Artikel 6a. Continue meetmethode [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien een continue meetmethode, bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt gehanteerd, past degene die de inrichting drijft, het hoogste niveau als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XII, hoofdstuk XII.1, toe op elke bron waarvan de CO2-emissie met behulp van continue meting wordt bepaald.

  • 2 Indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat het hoogste niveau, bedoeld in het eerste lid, technisch niet haalbaar is of leidt tot onredelijke kosten, mag voor de betrokken bron het eerstvolgende lagere niveau worden aangehouden.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt voor de tweede planperiode, welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, ten minste niveau 2 van de bij deze regeling behorende bijlage XII, hoofdstuk XII.1 toegepast, tenzij dit technisch niet haalbaar is.

Artikel 7. Bepaling activiteitgegevens [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De activiteitsgegevens worden op jaarbasis verstrekt.

  • 2 Indien de hoeveelheid van de bronstroom voor de berekening van de CO2-emissies niet rechtstreeks kan worden bepaald door middel van een rekenmethode als bedoeld in artikel 6, eerste lid, bepaalt degene die een inrichting drijft, de activiteitgegevens via een voorraadbalans overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage III, hoofdstuk III.1.

  • 3 In gevallen waarin ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit de bepaling van de jaarlijkse hoeveelheid van de bronstroom als bedoeld in het tweede lid voor een kalenderjaar technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, mag degene die de inrichting drijft, de eerstvolgende werkdag die redelijkerwijs geëist kan worden, als grensdatum tussen twee opeenvolgende kalenderjaren hanteren, waarbij een onderschatting van de CO2-jaarvracht wordt voorkomen. Een dergelijke afwijking, die kan gelden voor een of meer bronstromen, wordt:

    • a. duidelijk geregistreerd,

    • b. verdisconteerd in een waarde die representatief is voor het kalenderjaar en

    • c. op consistente wijze in aanmerking genomen bij de bepaling van de jaarlijkse hoeveelheid van de bronstroom met betrekking tot het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 8. Bepaling emissiefactoren [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 In afwijking van het eerste lid, houdt degene die de inrichting drijft, in het geval van verbranding van aardgas in de inrichting, voor de bepaling van de CO2-emissiefactor van CO2-installaties van de klassen B en C, voor de tweede planperiode welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, de door de Minister aan het begin van elk kalenderjaar in de Staatscourant te publiceren waarde aan, indien degene die de inrichting drijft, zulks aan de Minister heeft gemeld.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag degene die de inrichting drijft, in het geval van verbranding van aardgas in de inrichting, voor de bepaling van de emissiefactor van CO2-installaties van klasse A voor de periode welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, de door de Minister aan het begin van elk kalenderjaar in de Staatscourant te publiceren waarde aanhouden.

  • 7 Degene die een inrichting drijft, registreert alle informatie betreffende de toegepaste emissiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangsmaterialen en eindmaterialen, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage II.

Artikel 9. Bepaling oxidatie- of conversiefactoren [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de conversiefactor door middel van een rekenmethode die op grond van artikel 6, eerste lid, van toepassing is op die CO2-installatie overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage III, hoofdstuk III.3.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, registreert alle relevante informatie betreffende de toegepaste oxidatie- of conversiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangsmaterialen en eindmaterialen, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage II.

Artikel 9a. Klassenindeling [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voor het bepalen van de klasse van de CO2-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV, wordt voor de aftrek van de overgedragen CO2 de gemiddelde hoeveelheid fossiele CO2-emissies gehanteerd die de inrichting gedurende de voorgaande planperiode jaarlijks heeft veroorzaakt en daarover gerapporteerd in het emissieverslag.

  • 2 Indien de gedurende de voorgaande planperiode veroorzaakte fossiele CO2-emissies niet bekend zijn of de gerapporteerde CO2-jaarvracht in het emissieverslag onjuist blijkt te zijn, maakt degene die de inrichting drijft, voor het bepalen van de klasse van de CO2-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit een conservatief onderbouwde schatting van de jaarlijkse hoeveelheid CO2-emissies voor aftrek van de overgedragen hoeveelheid CO2.

Artikel 10. Te hanteren niveaus [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het hoogste op grond van deze regeling geldende niveau wordt toegepast voor alle variabelen die worden gebruikt om per bronstroom binnen de CO2-installatie van de klassen B of C, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV, de jaarvracht van CO2 te bepalen, overeenkomstig artikel 6, eerste lid, en daarover te rapporteren.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag voor de variabelen binnen een monitoringsmethodiek het eerstvolgende lagere niveau worden toegepast indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan is aangetoond dat de methode van het hoogste niveau voor de betrokken activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren technisch niet haalbaar is of zou leiden tot onredelijke kosten.

  • 3 In afwijking van het eerste lid geldt de eis voor het toepassen van het hoogste niveau niet voor oxidatiefactoren.

  • 4 Onverminderd het eerste en tweede lid geldt voor alle grote bronstromen dat degene die een inrichting drijft, ten minste de in de bij deze regeling behorende bijlage IV opgenomen niveaus aanhoudt om de CO2-jaarvracht vast te stellen, tenzij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan is aangetoond dat dit technisch niet haalbaar is.

Artikel 11. Lagere niveaus voor kleinere bronnen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mogen voor kleine bronstromen lagere niveaus worden toegepast voor de variabelen die worden gebruikt om CO2-emissies uit bronstromen te berekenen.

  • 2 In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mag degene die een inrichting drijft, voor de minimis-bronstromen voor de monitoring gebruik maken van een eigen, niet onder een niveau vallende schattingsmethode, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan een beschrijving is opgenomen van deze methode.

Artikel 11a. Lagere niveaus zuivere biobrandstoffen en materialen [Vervallen per 01-01-2013]

In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mogen voor de hoeveelheid en de calorische onderwaarde van zuivere biobrandstoffen en materialen schattingsmethoden worden toegepast waarvoor geen nauwkeurigheidsniveau is bepaald, tenzij de geschatte CO2-emissies worden gebruikt voor het in mindering brengen van de CO2-emissies die door middel van continue meting als bedoeld in artikel 6, tweede lid, zijn bepaald. Gemengde brandstoffen en materialen die biomassa bevatten, worden gekarakteriseerd overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.4, tenzij de bronstroom als de minimis wordt geselecteerd.

Artikel 12. Tijdelijke niet haalbaarheid van het niveau [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien een aan de de variabelen gekoppeld niveau dat in het monitoringsplan is vermeld, tijdelijk om technische redenen niet haalbaar is, mag degene die een inrichting drijft, het hoogst haalbare lagere niveau toepassen totdat de omstandigheden voor de toepassing van het oorspronkelijke niveau zijn hersteld.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, neemt alle noodzakelijke maatregelen teneinde te verzekeren dat de afwijking zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 12a. Lagere niveaus voor CO2-installaties met een lage CO2-emissie [Vervallen per 01-01-2013]

In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, eerste lid, voldoet, voor bronstromen lagere niveaus toepassen voor de variabelen die worden gebruikt om CO2-emissies uit bronstromen te berekenen.

Artikel 12b. Afwijkende monitoringsmethodiek [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, kan degene die een inrichting drijft, wanneer het technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden om ten minste niveau 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV voor een of meer bronstromen aan te houden, tijdelijk een afwijkende monitoringsmethodiek hanteren op voorwaarde dat:

    • a. deze monitoringsmethodiek voor de gehele CO2-installatie geldt,

    • b. deze monitoringsmethodiek niet wordt toegepast in geval van een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, en

    • c. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat met deze methodiek wordt voldaan aan de bij deze regeling behorende bijlage IVA vermelde drempelwaarden voor de totale onzekerheid met betrekking tot de jaarlijkse CO2-emissies van de CO2-installatie.

  • 2 Ter uitvoering van de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder c, kwalificeert degene die de inrichting drijft, ten minste de onzekerheden ten aanzien van alle variabelen die bij het berekenen van de CO2-jaarvracht worden gebruikt, waarbij rekening wordt gehouden met ISO 5186: 2005 en de gegevens uit het voorgaande kalenderjaar worden gebruikt.

  • 3 Degene die de inrichting drijft, toont jaarlijks aan het bestuur van de emissieautoriteit in het emissieverslag de noodzaak aan van het hanteren van een afwijkende monitoringsmethodiek als bedoeld in het eerste lid. Tevens worden de gegevens, bedoeld in het tweede lid, jaarlijks in het monitoringsplan geactualiseerd.

Artikel 13. Overgedragen CO2 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De CO2 die wordt overgebracht naar een CO2-installatie als bestanddeel van een gemengde brandstof, wordt voor die CO2-installatie meegeteld in de emissiefactor voor die brandstof.

  • 2 In gevallen waarin een deel van het overgedragen CO2 afkomstig is van biomassa, of wanneer binnen een inrichting activiteiten worden verricht die een emissie van CO2 in de lucht veroorzaken, behorende tot een categorie die niet is aangewezen in de bij het besluit behorende bijlage I, brengt degene die een inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit slechts het gedeelte van de massa overgedragen CO2 in mindering dat afkomstig is van fossiele brandstoffen en materialen die voor onder de bij het besluit behorende bijlage I vallende activiteiten zijn gebruikt.

Artikel 14. Biomassa [Vervallen per 01-01-2013]

Het deel van de berekende of gemeten CO2-emissies, afkomstig van biomassa, wordt in mindering gebracht op de totale CO2-emissies van de CO2-installatie door middel van de ingevolge artikel 6, eerste lid, toegepaste rekenmethode.

Artikel 15. Normen voor de meting van CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Metingen van de CO2-emissies worden uitgevoerd overeenkomstig onderstaande normen:

    • a. NEN-ISO 12039 ‘Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van koolmonoxide, kooldioxide en zuurstof – Prestatie-eigenschappen en kalibratie van automatische meetsystemen’, uitgave 1999;

    • b. ISO 10780 ‘Stationary source emissions – Measurement of velocity and volume flowrate of gas streams in ducts’, uitgave 1994;

    • c. NEN-EN 14790 ‘Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de waterdamp in leidingen’, uitgave 2005;

    • d. (ontwerp-)NEN-EN-ISO 21258 ‘Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie van distikstof(mon)oxide – Referentiemethode: Niet-dispersieve infrarood methode’, uitgave 2008.

  • 2 Met de normen, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld normen die worden vastgesteld of aangewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 15a. Beoordeling van de onzekerheid van de meetinstrumenten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de jaarlijkse onzekerheid van het meetinstrument waarmee de hoeveelheid bronstroom wordt gemeten overeenkomstig de norm EN ISO 5168:2005 en de ‘Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement’, ISO/TAG 4.

  • 2 Bij het bepalen van de onzekerheid van het meetinstrument wordt rekening gehouden met de voor dat instrument specifieke onzekerheid en de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert en wordt gebruikt.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft, de voor het meetinstrument specifieke onzekerheid als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XIV hanteren op voorwaarde dat het meetinstrument voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de bij deze regeling behorende bijlage XIV.

  • 4 Indien het meetinstrument niet aan de eisen als bedoeld in het derde lid voldoet, telt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde schatting van het effect dat het niet voldoen aan deze eisen heeft op de onzekerheid van het meetinstrument, op bij de onzekerheid als bedoeld in het derde lid.

  • 5 Indien het meetinstrument niet in de bij deze regeling behorende bijlage XIV wordt genoemd als bedoeld in het derde lid, baseert degene die een inrichting drijft, de jaarlijkse onzekerheid van het meetinstrument en de voor dat instrument specifieke voorwaarden op de gegevens van de leverancier van het meetinstrument.

  • 6 De additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt, wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald door middel van een conservatieve en onderbouwde schatting.

  • 7 In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt indien:

    • a. het meetinstrument is ingebouwd volgens de voorschriften van de meetfabrikant of, indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe,

    • b. het gas, de vloeistof of de vaste stof die door het meetinstrument wordt gemeten, een medium is waarvoor het meetinstrument is ontworpen volgens de voorschriften van de meetfabrikant of indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe en

    • c. de onzekerheid niet nadelig is beïnvloed door andere factoren.

  • 8 In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, voldoet, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt.

  • 9 Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters corrigeert degene die een inrichting drijft, de hoeveelheid gas overeenkomstig bijlage XIII.1.

  • 10 Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters telt degene die een inrichting drijft, de onzekerheden van de drukmeting en de temperatuurmeting als onafhankelijke parameters op bij de onzekerheid van de gasmeter als bedoeld in bijlage XIII.1 indien er sprake is van drukcorrectie en een temperatuurcorrectie aan de hand van drukmetingen en temperatuurmetingen bij de betreffende gasmeter.

  • 11 De onzekerheid van het meetinstrument wordt bepaald door de onzekerheid als bedoeld in het derde en zesde lid en, indien van toepassing, het tiende lid op te tellen overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIII, hoofdstuk XIII.2.

Artikel 15b. Beoordeling van de onzekerheid van het meetsysteem [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de onzekerheid van het meetsysteem waarmee de hoeveelheid bronstroom wordt gemeten, door de onzekerheden van de meetinstrumenten te combineren overeenkomstig de norm ISO 5168:2005 en de ‘Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement’, ISO/TAG 4.

  • 2 Indien degene die de inrichting drijft de onzekerheid van het meetinstrument heeft bepaald als bedoeld in artikel 15a, derde tot en met elfde lid, mag hij in afwijking van het eerste lid de onzekerheid van het meetsysteem waarmee de hoeveelheid bronstroom wordt gemeten, bepalen door de onzekerheden van de meetinstrumenten te combineren overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIII, hoofdstuk XIII.3.

  • 3 Indien er sprake is van een druk- en temperatuurcorrectie aan de hand van één centrale druk- en temperatuurmeting, telt degene die de inrichting drijft, de onzekerheden van de drukmeting en de temperatuurmeting op als afhankelijke parameters bij de onzekerheid van het meetsysteem.

Artikel 15c. Onzekerheid van commercieel verhandelbare brandstoffen en materialen [Vervallen per 01-01-2013]

In afwijking van de artikelen 15a en 15b mag degene die een inrichting drijft, zich voor de bepaling van de jaarlijkse hoeveelheid commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbaar materiaal baseren op overeenkomstig artikel 27 geregistreerde facturen, indien hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de onzekerheidseisen die voor commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbare materialen zijn neergelegd in relevante nationale of internationale normen, voldoen aan de onzekerheidseisen die in de bij deze regeling behorende bijlage II zijn neergelegd voor de hoeveelheid commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbare materiaal.

Artikel 15d. Bepaling van de onzekerheid van een meetinstrument dat gemoeid is met de overschatting van de CO2-emissie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien niet alle CO2-eenheden binnen de inrichting onder de CO2-installatie vallen, mag degene die de inrichting drijft, de CO2-emissies van de CO2-installatie als volgt overschatten:

    • a. de CO2-emissies die niet onder het systeem van handel in broeikasgasemissierechten vallen, worden niet afgetrokken van de totale CO2-emissies of

    • b. de CO2-emissies die samenhangen met het onzekerheidspercentage dat het meetinstrument afwijkt om aan het vereiste niveau voor de bronstroom te voldoen, worden opgeteld bij de CO2-emissies die afkomstig zijn van de CO2-installatie.

  • 2 Onverminderd de artikelen 15a en 15b mag degene die een inrichting drijft, het onzekerheidspercentage waarmee de CO2-emissies van de CO2-installatie worden overschat als bedoeld in het eerste lid, onder b, aftrekken van de daadwerkelijke onzekerheid van het meetinstrument dat wordt gebruikt om de hoeveelheid bronstroom te bepalen.

Artikel 16. Combinatie rekenmethode en meetmethode [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, mag de meting en de berekening voor verschillende bronnen of bronstromen die tot één CO2-installatie behoren, combineren.

  • 2 Indien degene die een inrichting drijft, de meting en berekening combineert overeenkomstig het eerste lid, toont hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan aan dat er geen hiaten en dubbeltellingen ten aanzien van de CO2-emissies optreden.

§ 2.1.4. Meetinstanties CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 17. Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid worden verricht door een meetinstantie die voor deze verrichtingen door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

  • 2 De door een meetinstantie uit te voeren werkzaamheden omvatten in elk geval:

    • a. de bepaling van de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde van de brandstof, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.1;

    • b. de bepaling van emissiefactoren van de procesemissies, conversiefactoren en gegevens over de samenstelling van ingezette materialen en eindmaterialen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.3;

    • c. de bepaling van specifieke oxidatiefactoren en onderliggende gegevens, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.2;

    • d. de bepaling van de biomassafractie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.4;

    • e. de uitvoering van parallelle metingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag voor de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont:

    • a. dat deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

    • b. dat deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldige resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.

  • 4 Indien een meetinstantie wordt ingeschakeld als bedoeld in het derde lid, vindt bij de totstandkoming van het contract tussen degene die een inrichting drijft, en deze meetinstantie een validatie van elke relevante analysemethode plaats alsmede een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten.

  • 5 De validatie van elke relevante analysemethode die door de meetinstantie wordt toegepast, wordt uitgevoerd met een referentiemethode door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd. De validatie omvat een voldoende aantal herhalingen van de analysemethode van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal.

  • 6 De onderlinge vergelijking van de resultaten van de relevante analytische methoden vindt jaarlijks plaats door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd waarbij:

    • a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode ten minste vijfmaal wordt herhaald;

    • b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat: degene die de inrichting drijft:

      • 1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt;

      • 2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.

  • 7 In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, eerste lid, voldoet, voor werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid een meetinstantie inschakelen die niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005 op voorwaarde dat:

    • a. hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat deze meetinstantie over de technische competentie beschikt en in staat is om middels de betrokken analytische procedures technisch geldige resultaten te produceren, en

    • b. deze meetinstantie jaarlijks wordt gevalideerd door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd en zo nodig naar aanleiding hiervan corrigerende maatregelen treft.

  • 8 Voor de bepaling van de gegevens over de samenstelling van gasvormige brandstoffen en materialen mag ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit gebruik worden gemaakt van on-line gaschromatografen en analyses met behulp van gasanalyseapparatuur, welke voldoen aan de eisen van EN ISO 9001:2000.

  • 9 Kalibratiediensten en leveranciers van kalibratiegassen zijn door een accreditatie-instantie geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

  • 10 Indien gebruik wordt gemaakt van een systeem als bedoeld in het achtste lid worden initiële en jaarlijkse herhaalde validaties van dit systeem uitgevoerd door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd, waarbij EN ISO 10723:1995 ‘Natural gas- Performance evaluation for on-line analytical systems’ wordt toegepast.

  • 11 In alle andere gevallen dan bedoeld in het tiende lid vinden in opdracht van degene die een inrichting drijft, een initiële validatie en een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten plaats.

  • 12 De initiële validatie, bedoeld in het elfde lid, vindt plaats voor 31 januari 2008, dan wel als onderdeel van de inbedrijfstelling van een nieuw systeem als bedoeld in het achtste lid. Zij omvat een passend aantal herhalingen van de analyse van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter, brandstof of materiaal, teneinde de herhaalbaarheid van de methode te karakteriseren en de kalibratiecurve van het instrument op te stellen.

  • 13 De onderlinge vergelijking van de resultaten van de analytische methoden, bedoeld in het elfde lid, vindt jaarlijks plaats waarbij:

    • a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode een passend aantal keren wordt herhaald;

    • b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat degene die de inrichting drijft:

      • 1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt, en

      • 2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.

Artikel 17a. Eisen aan meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Een meetinstantie die in opdracht van de houder van de vergunning werkzaamheden als bedoeld in artikel 17 verricht, voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en voert de werkzaamheden uit overeenkomstig het monitoringsplan dat deel uitmaakt van de betrokken vergunning.

  • 2 Het is voor een meetinstantie verboden te handelen in strijd met het eerste lid.

§ 2.1.5. Kwaliteitsborging meetvoorzieningen CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 18. Kwaliteitsborging CO2-metingen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Kwaliteitsborging van de CO2-jaarvracht bepaald met behulp van continue metingen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, geschiedt conform de norm NEN-EN 14181.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van de kwaliteitsborging, bedoeld in het eerste lid, in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

  • 3 Op grond van de resultaten, bedoeld in het tweede lid, beoordeelt degene die een inrichting drijft, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert hij de uitkomst van de beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

  • 4 Ingeval uit de kalibratie en controles blijkt dat de ter bepaling van de jaarvracht geïnstalleerde meet-, monstername- en analyseapparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten niet naar behoren functioneert, neemt degene die een inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 19. Metingen m.b.v. apparatuur [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 In de gevallen waarin geen continue meting, bedoeld in artikel 6, tweede lid, plaatsvindt, draagt degene die een inrichting drijft, er zorg voor dat de ter bepaling van de jaarvracht geïnstalleerde meet-, monstername- of analyseapparatuur en de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten, regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd op grond van meetnormen die, indien beschikbaar, zijn afgeleid van relevante internationale meetnormen.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van voor de kwaliteitsborging benodigde werkzaamheden in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

  • 3 Op grond van de resultaten, bedoeld in het tweede lid, beoordeelt degene die een inrichting drijft, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert hij de uitkomst van de beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

  • 4 Ingeval uit de kalibratie en controles blijkt dat de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, niet naar behoren functioneert, neemt degene die een inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

  • 5 Degene die een inrichting drijft, geeft in het monitoringsplan aan welke onderdelen van een meetinstrument niet kunnen worden gekalibreerd, en stelt alternatieve controleactiviteiten voor.

Artikel 20. Meetvoorzieningen [Vervallen per 01-01-2013]

Bij een CO2-installatie worden de voorzieningen aangebracht die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de voorgeschreven metingen.

Artikel 21. Melding periodieke of parallelmeting [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, meldt het bestuur van de emissieautoriteit ten minste twee weken van tevoren de datum en het tijdstip waarop een parallelle meting zal worden uitgevoerd en de meetinstantie die de meting zal uitvoeren.

  • 2 Indien een periodieke of parallelmeting geen doorgang vindt, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit uiterlijk op de datum waarop deze meting zou worden uitgevoerd, gemeld.

Artikel 22. Melding indien geen gebruik wordt gemaakt van de meetresultaten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt binnen tien werkdagen nadat de resultaten van een parallelle meting bekend zijn geworden, of hij gebruik maakt van die resultaten.

  • 2 Indien degene die de inrichting drijft, geen gebruik maakt van de resultaten van een parallelle meting, meldt hij dit binnen twee weken nadat de resultaten van die meting bekend zijn geworden, onder opgave van redenen aan het bestuur van de emissieautoriteit. Bij deze melding worden bedoelde meetresultaten bijgevoegd.

Artikel 23. Bedrijfsinterne validatieprocedure [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De in het monitoringsplan beschreven bedrijfsinterne validatieprocedure bestaat uit de volgende activiteiten:

    • a. het opstellen en beheer van een jaarplan van bedrijfsinterne validatie;

    • b. het opstellen van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

    • c. de registratie van resultaten van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

    • d. de controle op de wijze waarop bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en de correctieve acties die naar aanleiding daarvan zullen worden genomen.

  • 2 Voor elk van de activiteiten in de bedrijfsinterne validatieprocedure wordt een werkomschrijving opgesteld, bestaande uit een beschrijving van:

    • a. de te valideren meetapparatuur, de berekeningsmethodieken, de uitvoering van vergelijkende metingen en de frequentie daarvan;

    • b. de wijze waarop in detail en stapsgewijs bedrijfsinterne validatie plaatsvindt;

    • c. de wijze waarop, de personen door wie en de plaats waar de resultaten van de bedrijfsinterne validatie worden geregistreerd.

  • 3 Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat de gemeten waarde niet valt binnen de toegestane nauwkeurigheidseisen en de voor de bedrijfsinterne validatie geldende streefwaarden volgens de specifieke rekenmethoden, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage II, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.

§ 2.1.6. Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en organisaties CO2-installaties [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 24. Kwaliteitsborging [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 De in het eerste lid bedoelde procedures hebben in ieder geval betrekking op de interne audit, het documentenbeheer en de registers operationele registraties en kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel 25. Interne audit [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, stelt voor de uitvoering van de interne audit een procedure vast die voldoet aan de vereisten genoemd in het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

  • 2 Per kalenderjaar wordt een auditplan opgesteld waarin de interne audits voor dat kalenderjaar zijn gepland.

  • 3 In het eerste jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid van de wet is verleend wordt een specifieke audit uitgevoerd over de wijze waarop het monitoringsplan in de interne bedrijfsvoering is geïmplementeerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

  • 4 Met ingang van het tweede jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet is verleend wordt over elk onderdeel uit het monitoringsplan om de drie jaar een audit uitgevoerd. Indien wordt aangesloten bij een al bestaand en goed functionerend audit systeem binnen de inrichting, gelden de termijnen waarbinnen in dat systeem een audit wordt uitgevoerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

  • 5 Van het auditplan alsmede de auditrapporten wordt melding gemaakt in het register kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel 26. Documentenbeheer [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, stelt voor het beheer van documenten een procedure vast waarvoor gebruik wordt gemaakt van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, onderhoudt het beheer van alle documenten die zijn vereist in het kader van de handel in broeikasgasemissierechten en voert het beheer van deze documenten overeenkomstig de procedure, bedoeld in het eerste lid, uit.

Artikel 27. Bedrijfsinterne registraties [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, onderhoudt een register operationele registraties en een register kwaliteitsregistraties.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, ziet erop toe dat de registraties, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar zijn waar en wanneer zij voor het verrichten van operationele activiteiten noodzakelijk zijn, en beschikt over een procedure om de verschillende versies van deze registraties te identificeren, over te leggen, te verspreiden en te controleren.

  • 3 De bewaartermijn van de registraties, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een kalenderjaar bedraagt tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar aan het bestuur van de emissieautoriteit is overgelegd.

Artikel 28. Opslag van informatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, documenteert en bewaart de gegevens inzake de monitoring van CO2-emissies uit de CO2-installatie ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar aan het bestuur van de emissieautoriteit is overgelegd.

  • 2 De monitoringsgegevens worden op een zodanige wijze gedocumenteerd en bewaard dat het emissieverslag kan worden geverifieerd overeenkomstig artikel 37, 38 en 39.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, bewaart de onderstaande gegevens ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar aan het bestuur van de emissieautoriteit is overgelegd:

    • a. alle gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning, bedoeld in artikel 16.6, eerste lid, van de wet, aan het bestuur van de emissieautoriteit worden verstrekt, waaronder het monitoringsplan;

    • b. alle gegevens die de juistheid aantonen van de te hanteren monitoringsmethodiek;

    • c. de bescheiden waarin de redenen van alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan worden gegeven;

    • d. alle gegevens inzake de veranderingen en de tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan;

    • e. de activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren die zijn overgelegd in het kader van het nationale toewijzingsbesluit, bedoeld in artikel 16.24 van de wet, ten behoeve van de handelsperiode waarvan het betreffende kalenderjaar deel uitmaakt;

    • f. het emissieverslag;

    • g. gegevens die zijn gebruikt voor het bepalen van de niveaus en de analyse van de onzekerheid van de CO2-emissies uit elke bron of bronstroom;

    • h. alle overige informatie waarvan in het monitoringsplan wordt aangegeven dat deze noodzakelijk is om het emissieverslag te verifiëren.

Artikel 29. Uitbesteding [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien degene die een inrichting drijft, werkzaamheden in het kader van het monitoringsplan wil uitbesteden:

    • a. controleert hij de kwaliteit van deze processen overeenkomstig de artikelen 23 tot en met 28,

    • b. stelt hij passende eisen vast ten aanzien van de te leveren prestaties en methoden en

    • c. toetst hij de kwaliteit van de geleverde resultaten.

  • 2 De maatregelen voor een transparant beheer van de uitbestede werkzaamheden worden in de procedure voor kwaliteitsborging, bedoeld in artikel 24, eerste lid, aangegeven.

§ 2.1.7. Interne bedrijfsorganisatie CO2-installaties [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 30. Verdeling taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Bij de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan zijn belast, bestaat een personele scheiding tussen functies die de uitvoering, onderscheidenlijk de controle op de naleving betreffen.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde functionele scheiding, gezien de grootte van de inrichting in redelijkheid niet kan worden geëist. In dat geval wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond dat de wijze waarop de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn georganiseerd, een deugdelijke uitvoering van het monitoringsplan en een deugdelijke controle op de naleving daarvan, voldoende waarborgt.

§ 2.1.8. Registratie veranderingen in en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 31. Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Alle veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 33, eerste lid, en alle tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, worden opgenomen in het register operationele registraties of het register kwaliteitsregistraties als bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel 32. Veranderingen in het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Alle veranderingen in het monitoringsplan worden in een afzonderlijke paragraaf vermeld.

  • 2 De vermelding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder verwijzing naar de betreffende paragraaf van het monitoringsplan waarbij een omschrijving wordt gegeven.

  • 3 Voor veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 33, eerste lid, wordt aangegeven wanneer ze zijn goedgekeurd.

  • 4 Het monitoringsplan wordt bij wijzigingen voorzien van de datum van de wijziging en een nieuw versienummer.

§ 2.1.9. Melden van veranderingen en tijdelijke afwijkingen monitoringsplan CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 33. Significante veranderingen monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Onder een significante verandering van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 16.13a van de wet wordt verstaan:

    • a. een verandering die het gevolg is van een verandering van de CO2-installatie of de werking daarvan, die significante gevolgen heeft voor de emissie van CO2;

    • b. een verandering van de monitoringsmethodiek.

  • 2 Onder een verandering van de monitoringsmethodiek als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan een verandering:

    • a. van de klassenbepaling van een CO2-installatie;

    • b. van de gebruikte methode om de CO2-jaarvracht te bepalen;

    • c. van de berekening van CO2-emissies;

    • d. in de meting van CO2-emissies;

    • e. in de onzekerheidsbepaling, en

    • f. in de onderbouwing of beschrijving van de monitoringsmethodiek.

  • 4 Een significante verandering als bedoeld in het eerste lid wordt vooraf schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld. Bij de melding wordt een actuele versie van het monitoringsplan overgelegd, waarin de verandering is verwerkt. Bij de melding wordt tevens het tijdstip aangegeven met ingang waarvan beoogd wordt de voorgenomen verandering door te voeren.

Artikel 33a. Tijdelijke afwijkingen monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De houder van de vergunning meldt schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit elke tijdelijke afwijking van het aan de variabelen gekoppelde niveau van nauwkeurigheid dat in het monitoringsplan is vastgelegd onder opgaaf van de redenen voor deze afwijking. De melding wordt gedaan binnen vijf werkdagen na het ontstaan van de tijdelijke afwijking.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de houder van de vergunning iedere maand een overzicht aan het bestuur van de emissieautoriteit verstrekt van de afwijkingen, bedoeld in het eerste lid. Dit overzicht wordt telkens voor de zesde dag van de maand bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend.

  • 3 Indien de oorzaak van de afwijking van technische aard is, wordt bij de melding of in het overzicht gedetailleerde informatie over de voorlopige monitoringsmethodiek verstrekt.

Artikel 33b. Formulier [Vervallen per 01-01-2013]

Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 33 en 33a, wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde standaardformulier.

§ 2.1.9a. Toepassing artikel 16.34a van de wet [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 33c. Aanleveren gegevens [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de Minister voornemens is toepassing te geven aan artikel 16.34a van de wet, levert degene die een inrichting drijft die onder de desbetreffende bedrijfstak of deeltak valt, op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit binnen dertien weken na ontvangst van dit verzoek de benodigde gegevens aan ten behoeve van de berekening van de aantallen broeikasgasemissierechten met het oog op wijziging van het besluit houdende kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten.

  • 2 De gevraagde gegevens gaan vergezeld van een verklaring van een verificateur.

§ 2.1.9b. Wijzigingen broeikasgasinstallatie [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 33d. Het geheel beëindigen werking broeikasgasinstallatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de werking van een broeikasgasinstallatie geheel wordt beëindigd als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van Besluit 2011/278/EU, meldt de houder van de vergunning dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de beëindiging.

  • 2 De melding wordt gedaan binnen zes weken nadat de werking van de broeikasgasinstallatie geheel is beëindigd.

  • 3 Het bestuur van de emissieautoriteit kan op verzoek van de houder van de vergunning de in artikel 22, eerste lid, onderdeel e, van Besluit 2011/278/EU genoemde termijn van zes maanden verlengen, overeenkomstig het bepaalde in voornoemd onderdeel.

Artikel 33e. Het gedeeltelijk beëindigen werking broeikasgasinstallatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de werking van een broeikasgasinstallatie gedeeltelijk wordt beëindigd als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van Besluit 2011/278/EU, meldt de houder van de vergunning dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de gedeeltelijke beëindiging.

  • 2 De melding wordt gedaan voor 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de werking van de broeikasgasinstallatie gedeeltelijk is beëindigd.

Artikel 33f. Hervatten productie broeikasgasinstallatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de productie van de broeikasgasinstallatie na gedeeltelijke beëindiging als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van Besluit 2011/278/EU geheel of gedeeltelijk wordt hervat, meldt de houder van de vergunning dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de productiehervatting.

  • 2 De melding wordt gedaan voor 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de productie is hervat.

Artikel 33g. Vermindering capaciteit broeikasgasinstallatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de capaciteit van de broeikasgasinstallatie aanzienlijk wordt verminderd als bedoeld in artikel 3, onder j, van Besluit 2011/278/EU, meldt de houder van de vergunning dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de productievermindering.

  • 2 De melding wordt gedaan binnen zes weken nadat de gewijzigde capaciteit is vastgesteld.

Artikel 33h. Melding buiten reikwijdte [Vervallen per 01-01-2013]

Indien afdeling 16.2.1 van de wet door een omstandigheid niet meer van toepassing is op de inrichting, meldt de houder van de vergunning dit binnen zes weken schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de datum waarop bedoelde omstandigheid zich heeft voorgedaan.

Artikel 33i. Formulier en verklaring van de verificateur [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 33d tot en met 33h, wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde standaardformulier.

Artikel 33j. Melden wijzigingen periode 1 juli 2011 tot 1 juli 2012 [Vervallen per 01-01-2013]

In afwijking van de termijnen, genoemd in de artikelen 33d, tweede lid, 33e, tweede lid, 33f, tweede lid, en 33g, tweede lid, worden de bedoelde meldingen uiterlijk 15 augustus 2012 gedaan, indien de wijziging zich heeft voorgedaan in de periode die loopt van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012.

§ 2.1.10. Emissieverslag CO2 [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34. Emissieverslag CO2 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage VIII.

  • 2 Het emissieverslag bevat met betrekking tot het kalenderjaar waarop het betrekking heeft:

    • a. de gegevens ter identificatie van de inrichting, en

    • b. de codes voor de rapportagesystemen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IX, waarmee elke activiteit die in de inrichting plaatsvindt, wordt aangeduid.

§ 2.1.11. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34a. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, herstelt alle onjuiste opgaven en non-conformiteiten die een verificateur tijdens de verificatie en in de verklaring, bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, van de wet, aan hem heeft medegedeeld.

  • 2 Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

  • 3 Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

  • 4 Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

§ 2.1.12. Toewijzing aan nieuwkomers [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34b. Toewijzing aan nieuwkomers [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voor de aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in artikel 16.32, eerste lid, van de wet wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde formulier.

  • 2 De bij de aanvraag verstrekte gegevens gaan vergezeld van een verklaring van een verificateur. De artikelen 34bi tot en met 34bl zijn van overeenkomstig toepassing.

  • 3 Degene die een aanvraag om kosteloze toewijzing doet, kan de benodigde gegevens per afzonderlijke broeikasgasinstallatie binnen de inrichting verstrekken.

  • 4 Het derde lid geldt niet voor broeikasgasinstallaties, waarvoor al eerder gegevens zijn aangeleverd ter uitvoering van dit artikel of van artikel 34bd.

  • 5 De Minister beslist binnen vier maanden na ontvangst op een ontvankelijke aanvraag.

§ 2.1.13. Verstrekken en kwaliteitsborging van emissiegegevens ten behoeve van de aanpassing van de hoeveelheid broeikasgasemissierechten voor de hele Unie voor de periode 2013–2020 [Vervallen per 01-07-2012]

Artikel 34ba. Gegevensverstrekking [Vervallen per 01-07-2012]

§ 2.1.14. Verstrekken en kwaliteitsborging van gegevens ten behoeve van de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten voor de periode 2013–2020 [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34bb. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-07-2012]

Artikel 34bc. Toepassingsbereik [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarin zich installaties bevinden waarin een of meer activiteiten worden verricht, die behoren tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, zoals die bijlage is komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel 30, van richtlijn nr. 2009/29/EG, en die in aanmerking komen voor kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten op grond van artikel 11 van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, zoals die richtlijn is komen te luiden ingevolge richtlijn nr. 2009/29/EG.

  • 2 Deze paragraaf is mede van toepassing op inrichtingen als bedoeld in het eerste lid, die niet in aanmerking komen voor kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten, met dien verstande dat op die inrichtingen uitsluitend de artikelen 34bd en 34bf van toepassing zijn.

Artikel 34bd. Gegevensverstrekking [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, verstrekt het bestuur van de emissieautoriteit de door dat bestuur overeenkomstig Besluit 2011/278/EU in het standaardformulier, bedoeld in artikel 34bf, aangewezen gegevens met betrekking tot de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 en, voor zover van toepassing, 2011. De gegevensverstrekking vindt plaats voor de dag die ligt drie maanden na de dag waarop het bestuur van de emissieautoriteit kennisgeving heeft gedaan van het feit dat het standaardformulier op de website van de emissieautoriteit is geplaatst. De kennisgeving, bedoeld in de eerste volzin, wordt gedaan in de Staatscourant en op genoemde website.

  • 2 Als gegevens als bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval worden aangewezen gegevens die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, zoals die bijlage is komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel 30, van richtlijn nr. 2009/29/EG, over:

    • a. de jaarlijkse productie van de betrokken installaties;

    • b. de jaarlijkse hoeveelheid van de door de betrokken installaties geproduceerde warmte;

    • c. het jaarlijkse verbruik van brandstoffen door de betrokken installaties;

    • d. de jaarlijkse procesemissies van de betrokken installaties;

    • e. het jaarlijkse verbruik van elektriciteit door de betrokken installaties.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, kan voor 1 oktober 2011 het bestuur van de emissieautoriteit verzoeken om de gegevens, bedoeld in het eerste lid, per afzonderlijke broeikasgasinstallatie binnen de inrichting te mogen verstrekken. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld formulier.

  • 4 Het bestuur van de emissieautoriteit informeert degene die de inrichting drijft voor 1 november 2011 omtrent het aantal afzonderlijke broeikasgasinstallaties binnen de inrichting, waarvoor bedoelde gegevens kunnen worden verstrekt.

  • 5 Degene die de inrichting drijft, verstrekt het bestuur van de emissieautoriteit voor 1 januari 2012 per afzonderlijke broeikasgasinstallatie als bedoeld in het vierde lid, de in het standaardformulier, bedoeld in het eerste lid, aangewezen gegevens. In afwijking van het standaardformulier worden per broeikasgasinstallatie gegevens verstrekt over de gehele basisperiode van 2005 tot en met 2010, en, voor zover van toepassing, 2011.

Artikel 34be. Overleggen methodologieverslag [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Bij het verstrekken van gegevens op grond van artikel 34bd wordt tevens een methodologieverslag overgelegd waarin verantwoording wordt afgelegd over die gegevens.

  • 2 Het methodologieverslag wordt opgesteld overeenkomstig Besluit 2011/278/EU en de daarbij behorende Europese interpretatiedocumenten, zoals die zijn geplaatst op de website van de emissieautoriteit. Het verslag bevat ten minste:

    • a. de algemene identificatiegegevens van de inrichting;

    • b. een overzicht van de in de inrichting uitgevoerde activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, zoals die bijlage is komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel 30, van richtlijn nr. 2009/29/EG;

    • c. een beschrijving van de systeemgrenzen van de inrichting in een schematische weergave, met inbegrip van een beschrijving van de installatie, de subinstallaties en de verbrandings- of proceseenheden;

    • d. een lijst met subinstallaties en de daarbij behorende gegevens;

    • e. de wijze waarop de in artikel 34bd bedoelde gegevens zijn bepaald;

    • f. de wijze waarop onduidelijkheden en leemtes in de gegevens zijn geïdentificeerd en behandeld.

  • 3 Het methodologieverslag bevat naast het in het tweede lid bepaalde alle overige informatie die het bestuur van de emissieautoriteit nodig heeft om te kunnen beoordelen of degene die de inrichting drijft, op adequate wijze verantwoording heeft afgelegd over de in artikel 34bd bedoelde gegevens en die voor voornoemd bestuur noodzakelijk zijn om voor de betrokken categorie installaties het aantal overeenkomstig artikel 10bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, zoals die richtlijn is komen te luiden ingevolge richtlijn nr. 2009/29/EG, kosteloos toe te wijzen broeikasgasemissierechten te kunnen berekenen.

Artikel 34bf. Standaardformulier [Vervallen per 01-01-2013]

De in artikel 34bd bedoelde gegevens worden verstrekt en het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag wordt opgesteld en overgelegd op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze en met gebruikmaking van een door dat bestuur op de website van de emissieautoriteit geplaatst standaardformulier.

Artikel 34bg. Algemene eisen inzake monitoring [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de in artikel 34bd bedoelde gegevens overeenkomstig Besluit 2011/278/EU.

  • 2 Indien zich binnen de inrichting installaties bevinden waarop afdeling 16.2.1 van de wet van toepassing is en indien op de inrichting op grond van Besluit 2011/278/EU een warmtebenchmark, een brandstofbenchmark of een aan procesemissies gerelateerde benchmark van toepassing is, bepaalt degene die de inrichting drijft, het jaarlijkse verbruik van brandstoffen, bedoeld in artikel 34bd, tweede lid, onder c, en de daarbij behorende parameters onderscheidenlijk de procesemissies, bedoeld in artikel 34bd, tweede lid, onder d, en de daarbij behorende parameters voor zover mogelijk overeenkomstig de op de inrichting van toepassing zijnde eisen van deze regeling.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, neemt bij het bepalen van de in artikel 34bd bedoelde gegevens alle subinstallaties in acht alsmede alle voor de van toepassing zijnde benchmark relevante producten, warmtestromen, brandstofstromen, materiaalstromen en bronnen die samenhangen met de activiteiten, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, zoals die bijlage is komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel 30, van richtlijn nr. 2009/29/EG.

  • 4 Degene die een inrichting drijft, zorgt ervoor dat dubbeltelling van subinstallaties, producten, warmtestromen, brandstofstromen, materiaalstromen en bronnen als bedoeld in het derde lid wordt voorkomen.

  • 5 Degene die een inrichting drijft, zorgt ervoor dat de in artikel 34bd bedoelde gegevens consistent zijn over de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 en, voor zover van toepassing, 2011. Degene die de inrichting drijft, maakt daartoe zoveel mogelijk gebruik van dezelfde monitoringsmethodieken en gegevensbestanden.

  • 6 Degene die een inrichting drijft, verzamelt, registreert, analyseert en documenteert de in artikel 34bd bedoelde gegevens.

  • 7 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de in artikel 34bd bedoelde gegevens met de hoogst mogelijke graad van nauwkeurigheid waarbij bronnen van onzekerheid zoveel mogelijk worden beperkt.

Artikel 34bh. Ontbreken van gegevens [Vervallen per 01-01-2013]

Indien met betrekking tot de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 of, voor zover van toepassing, 2011 geen gegevens als bedoeld in artikel 34bd beschikbaar zijn of indien deze gegevens niet volledig of onduidelijk zijn, worden deze gegevens door degene die de inrichting drijft, overeenkomstig Besluit 2011/278/EU op een zodanige wijze geschat dat deze schatting niet leidt tot een te hoge kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten. De wijze waarop tot de schatting is gekomen, wordt opgenomen in het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag.

Artikel 34bi. Verklaring verificateur [Vervallen per 01-01-2013]

De in artikel 34bd bedoelde gegevens en het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag gaan vergezeld van een verklaring van een verificateur, waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde beoordeling overeenkomstig artikel 34bj.

Artikel 34bj. Verificatiewerkzaamheden [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De verificateur handelt overeenkomstig Besluit 2011/278/EU en de daarbij behorende Europese interpretatiedocumenten, zoals die zijn geplaatst op de website van de emissieautoriteit, bij:

    • a. het uitvoeren van de verificatiewerkzaamheden die nodig zijn om een verklaring als bedoeld in artikel 34bi te kunnen afgeven;

    • b. de constatering van onjuiste opgaven in de in artikel 34bd bedoelde gegevens of het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag alsmede de constatering van het feit dat de in artikel 34bd bedoelde gegevens of het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde eisen;

    • c. het mededelen van de onder b bedoelde constateringen aan degene die de inrichting drijft;

    • d. het beoordelen van de materialiteit van de onder b bedoelde constateringen;

    • e. het opstellen van een verklaring als bedoeld in artikel 34bi;

    • f. het doen van een verzoek als bedoeld in het derde lid.

  • 2 De verificateur beoordeelt of de in artikel 34bd bedoelde gegevens en het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag geen onjuiste opgaven bevatten en niet in strijd zijn met de eisen die zijn gesteld in deze paragraaf.

  • 3 De verificateur verzoekt degene die de inrichting drijft, binnen een door hem te bepalen termijn eventueel ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken, afwijkingen in de in artikel 34bd bedoelde gegevens of het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag te verklaren of, indien noodzakelijk, berekeningen te herzien dan wel de gerapporteerde gegevens bij te stellen, alvorens hij een verklaring als bedoeld in artikel 34bi afgeeft.

  • 4 Indien de in artikel 34bd bedoelde gegevens of het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag in individuele of geaggregeerde vorm materieel onjuiste opgaven bevatten of in materiële zin niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde eisen, geeft de verificateur geen verklaring als bedoeld in artikel 34bi af.

  • 5 De verificateur kan afzien van het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 34bi over de in artikel 34bd bedoelde gegevens en het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag, indien hij wegens opgelegde restricties of door andere omstandigheden niet al het noodzakelijke bewijsmateriaal heeft kunnen verkrijgen dat nodig is om een dergelijke verklaring af te geven.

Artikel 34bk. Verplichtingen van de inrichting met betrekking tot verificatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die de inrichting drijft, stelt de in artikel 34bd bedoelde gegevens, het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag alsmede andere voor de verificatie relevante informatie ter beschikking aan de verificateur.

  • 2 Degene die de inrichting drijft, herstelt, voor zover mogelijk, de in artikel 34bj, eerste lid, onder b, bedoelde onjuiste opgaven alsmede de in artikel 34bj, eerste lid, onder b, bedoelde strijd met de in artikel 34bj, tweede lid, bedoelde eisen.

Artikel 34bl. Eisen aan verificateur [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De verificateur is werkzaam bij een verificatie-instelling die voor een of meer activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten is geaccrediteerd door een accreditatie-instantie volgens de richtsnoeren van de Europese Samenwerking voor Accreditatie inzake de erkenning van verificateurs onder genoemde richtlijn.

  • 2 Een verificateur mag niet de in artikel 34bd bedoelde gegevens en het in artikel 34be bedoelde methodologieverslag verifiëren van een inrichting waarin activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten worden verricht waarvoor hij niet door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd als bedoeld in het eerste lid. De eerste volzin is niet van toepassing voor de activiteiten die met ingang van 1 januari 2013 zullen behoren tot een categorie die in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, zoals die bijlage is komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel 30, van richtlijn nr. 2009/29/EG, is opgenomen.

  • 3 De verificateur houdt een interne verificatiedocumentatie bij die voldoende informatie bevat om daarop de verificatieverklaring, bedoeld in artikel 34bi, te baseren.

  • 4 De verificateur voldoet aan de eisen die in Besluit 2011/278/EU en de daarbij behorende Europese interpretatiedocumenten, zoals die zijn geplaatst op de website van de emissieautoriteit, aan verificateurs zijn gesteld.

Afdeling 2.2. Luchtvaartactiviteiten [Vervallen per 01-01-2013]

§ 2.2.1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34c. Toepassingsbereik [Vervallen per 01-01-2013]

Deze afdeling heeft het toepassingsbereik van afdeling 16.2.2 van de wet.

Artikel 34d. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    • afstand: orthodromische afstand tussen het luchtvaartterrein van vertrek en het luchtvaartterrein van aankomst, plus een extra vaste component van 95 kilometer;

    • controlerisico: kans op beduidend onjuiste opgaven van een parameter in het emissieverslag die door het controlesysteem niet tijdig worden voorkomen of gedetecteerd en gecorrigeerd;

    • documentatie over massa en zwaartepunt: documentatie zoals gespecificeerd in internationale of nationale uitvoeringsbepalingen van de ‘Standards and Recommendation Practices (SARPs)’ die zijn opgenomen in bijlage 6 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), en zoals uitgewerkt in bijlage III, onderdeel J, bij verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373) zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 859/2008 (PbEU L 254), of gelijkwaardige internationale regelgeving;

    • emissiebron: individueel luchtvaartuig;

    • emissiefactor: factor die is gebaseerd op het koolstofgehalte;

    • Eurocontrol-organisatie: de organisatie, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

    • intrinsiek risico kans op beduidend onjuiste opgaven van een parameter in het emissieverslag, in de veronderstelling dat er terzake geen controle wordt uitgeoefend;

    • luchtvaartterrein van aankomst: luchtvaartterrein waar een vlucht als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten eindigt;

    • luchtvaartterrein van vertrek: luchtvaartterrein waar een vlucht als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten aanvangt;

    • luchtvaartterreincombinatie: combinatie van een luchtvaartterrein van vertrek en een luchtvaartterrein van aankomst;

    • monitoringsmethodiek: geheel van de methoden dat door de vliegtuigexploitant wordt gebruikt om per vlucht de CO2-emissies of de tonkilometergegevens te bepalen;

    • niveau: indeling van een specifieke methodiek in een hiërarchisch opgezette reeks van nauwkeurigheden waarmee het brandstofverbruik en de vracht worden vastgesteld;

    • orthodromische afstand: de kortste afstand tussen twee punten op het aardoppervlak, als gemeten over het aardoppervlak, waarvan de benaderde waarde wordt bepaald met behulp van het in artikel 3.7.1.1 van bijlage 15 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) bedoelde systeem, zijnde WGS 84;

    • passagiers: personen die zich tijdens een vlucht aan boord van het luchtvaartuig bevinden, met uitzondering van de bemanningsleden;

    • vracht: vracht als bedoeld in artikel 16.1, eerste lid, van de wet.

  • 2 Artikel 2, eerste lid, is voor wat betreft de begripsbepalingen van biobrandstof, biomassa, biomassafractie, bronstroom, commercieel verhandelbare brandstoffen, commercieel verhandelbare standaardbrandstoffen, conservatief, de minimis-bronstromen, energiebalansmethode, inherent CO2, kalibratie, kleine bronstromen, onzekerheid, verbrandingsemissie en zuiver van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. het begrip ‘bronstroom’ geen betrekking heeft op grondstof en product;

    • b. het begrip ‘partij’ geen betrekking heeft op materiaal;

    • c. in de begripsbepaling van energiebalansmethode de zinsnede ‘in een CO2-eenheid met verbrandingsemissies’ wordt weggelaten;

    • d. de begripsbepaling van commercieel verhandelbare brandstoffen ook betrekking heeft op vliegtuigkerosine (JET A1 of JET A), vliegtuigbenzine van het type JET B en vliegtuigbenzine van het type ‘AvGas’.

§ 2.2.2. Monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34e. Indiening monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Ten minste vier maanden voor het begin van het eerste kalenderjaar waarover ingevolge artikel 16.39f, eerste lid, van de wet een emissieverslag moet worden opgesteld, dient de vliegtuigexploitant bij het bestuur van de emissieautoriteit een ontwerp van een monitoringsplan in.

  • 2 Een vliegtuigexploitant die voornemens is een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, of artikel 16.39n, eerste lid, van de wet in te dienen, dient ten minste vier maanden voor het begin van het kalenderjaar waarover ten behoeve van die aanvraag tonkilometergegevens worden vastgesteld, bij het bestuur van de emissieautoriteit een ontwerp van een plan als bedoeld in artikel 16.39j, derde lid, onder a, van de wet in.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid mag de vliegtuigexploitant, in gevallen als bedoeld in artikel 16.39a, tweede lid, onder b, van de wet, indien op het in het eerste of tweede lid bedoelde tijdstip nog niet overeenkomstig artikel 16.39a, derde lid, van de wet vaststaat dat Nederland ten aanzien van die vliegtuigexploitant de administrerende lidstaat is, het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde ontwerp indienen zo spoedig mogelijk nadat is komen vast te staan dat Nederland ten aanzien van die vliegtuigexploitant de administrerende lidstaat is.

Artikel 34f. Standaardformulier [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van het standaardformulier voor het monitoringsplan zoals aangeduid in de Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen over de bekendmaking van de elektronische standaardformulieren en de bestandsformatspecificaties bedoeld in Beschikking 2007/589/EG met betrekking tot de vereisten voor monitoring en rapportage overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2009, C 261).

Artikel 34g. Inhoud monitoringsplan voor emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Het monitoringsplan bevat in elk geval de volgende gegevens:

  • a. de identificatiegegevens van de vliegtuigexploitant en een beschrijving van de activiteiten, bedoeld in onderdeel 2 van het standaardformulier, bedoeld in artikel 34f, eerste lid, alsmede de contactgegevens van de vliegtuigexploitant en van een binnen de onderneming ter zake verantwoordelijke persoon als bedoeld in onderdeel 3 van dat standaardformulier;

  • b. een vermelding van de versie van het monitoringsplan;

  • c. een initiële lijst van luchtvaartuigtypen in de vloot van de vliegtuigexploitant die op het tijdstip van indiening van het ontwerp van het monitoringsplan in bedrijf zijn alsmede het aantal luchtvaartuigen per type;

  • d. een indicatieve lijst van extra luchtvaartuigtypen die naar verwachting zullen worden gebruikt, zo mogelijk met vermelding van het geraamde aantal luchtvaartuigen per type en de bij ieder luchtvaartuigtype behorende brandstofstromen;

  • e. een beschrijving van de gebruikte procedures en systemen en de verantwoordelijkheden inzake controle van de volledigheid van de lijst van luchtvaartuigen die de vliegtuigexploitant tijdens het kalenderjaar heeft gebruikt en waarvoor hij overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is;

  • f. een beschrijving van de procedures die worden gebruikt ter controle van de volledigheid van de lijst van vluchten die per luchtvaartterreincombinatie plaatsvinden onder de eenduidige ICAO-aanduiding van de vliegtuigexploitant of, indien deze aanduiding niet aanwezig is, onder de registratiemarkering van de luchtvaartuigen die door hem worden geëxploiteerd;

  • g. een beschrijving van de procedures die worden gebruikt om vast te stellen of een vlucht onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten valt;

  • h. een schatting van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 voor vluchten die onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vallen;

  • i. een beschrijving van de methoden voor het bepalen van het brandstofverbruik van de luchtvaartuigen waarvoor de vliegtuigexploitant overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is, omvattende in elk geval:

    • 1°. de gekozen methodiek voor de berekening van het brandstofverbruik, te weten methode A of B als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.2;

    • 2°. een onderbouwing van de aanpak indien niet voor alle luchtvaartuigtypen dezelfde methode wordt toegepast, onder toevoeging van een lijst waarin wordt gespecificeerd welke methode in welke omstandigheden wordt toegepast;

    • 3°. de gegevensbron die wordt gebruikt ter bepaling van de gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, alsmede de methoden voor overdracht, opslag en raadpleging van die gegevens;

    • 4°. procedures voor de meting van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, inclusief de gekozen niveaus, alsmede een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten en, indien van toepassing, de procedures voor registratie, aflezing, overdracht en opslag van de informatie betreffende de metingen;

    • 5°. de onzekerheid van de meetapparatuur die wordt gebruikt om het brandstofverbruik te bepalen en de onderbouwing, bedoeld in artikel 34q;

    • 6°. een procedure die garandeert dat de totale aan de brandstofmetingen verbonden onzekerheid zodanig is dat wordt voldaan aan de eisen van het gekozen niveau, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.3, met verwijzing naar de kalibratiecertificaten van de meetsystemen, nationale wetgeving, clausules in overeenkomsten of door de brandstofleveranciers gehanteerde nauwkeurigheidsnormen;

    • 7°. de methode ter bepaling van de dichtheid van brandstof;

    • 8°. indien de vliegtuigexploitant bij het bepalen van de dichtheid van brandstof gebruik maakt van standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen: een aanduiding van de bron van die tabellen;

    • 9°. de procedures voor de bepaling van de dichtheid van brandstof die bij de bepaling van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks worden toegepast, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten, of, indien meting niet mogelijk is, de gebruikte standaardwaarde en een motivering daarvan;

    • 10°. de procedure die wordt gebruikt om te controleren of de hoeveelheid getankte brandstof zoals vermeld in de door de brandstofleverancier verstrekte informatie overeenstemt met de hoeveelheid getankte brandstof zoals gemeten aan boord van het luchtvaartuig;

    • 11°. een lijst van met bijzondere omstandigheden verband houdende afwijkingen van de van toepassing zijnde monitoringsmethodiek zoals opgenomen in de onderdelen 1° tot en met 8° voor specifieke luchtvaartterreinen of typen luchtvaartterreinen;

  • j. de emissiefactoren voor ieder brandstoftype, of, in het geval van alternatieve brandstoffen, de methodiek ter bepaling van de emissiefactoren, inclusief de aanpak inzake bemonstering en analysemethoden, en een beschrijving van de gebruikte meetinstanties en hun accreditatie of hun kwaliteitsborgingsprocedures als bedoeld in artikel 34s;

  • k. een beschrijving van de methode waarmee ontbrekende gegevens worden vastgesteld, bedoeld in artikel 34r;

  • l. een beschrijving van de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34u, en de controleactiviteiten, bedoeld in artikel 34x en de artikelen 34z tot en met 34af, met inbegrip van een verwijzing naar de procedures voor het vaststellen van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34v, en een beschrijving van de procedures voor controleactiviteiten als bedoeld in artikel 34y;

  • m. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieubeheerssysteem.

Artikel 34h. Identificatie vliegtuigexploitant [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De identificatie, bedoeld in artikel 34g, onder a, geschiedt op basis van:

    • a. de unieke ICAO-aanduiding van de vliegtuigexploitant zoals vermeld in vak 7 van het vluchtplan die door de luchtverkeersleiding als roepnaam wordt gebruikt, of

    • b. bij het ontbreken van een unieke ICAO-aanduiding als bedoeld onder a: de registratiemarkering van het door de vliegtuigexploitant geëxploiteerde luchtvaartuig zoals vermeld in vak 7 van het vluchtplan.

  • 2 Indien de identiteit van de vliegtuigexploitant niet bekend is, wordt de eigenaar van het luchtvaartuig beschouwd als de vliegtuigexploitant, tenzij de eigenaar ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont welke andere persoon de vliegtuigexploitant was.

Artikel 34i. Inhoud monitoringsplan voor kleine emittenten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien een vliegtuigexploitant die geen commerciële luchtvervoersonderneming is als bedoeld in artikel 1 van de Regeling interpretatie luchtvaartactiviteiten handel in emissierechten, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat hij gedurende drie opeenvolgende periodes van vier maanden minder dan 243 vluchten per periode uitvoert of dat hij vluchten met een totale CO2-emissie van minder dan 10.000 ton per jaar uitvoert, vermeldt hij in elk geval de volgende gegevens in het monitoringsplan:

    • a. de in artikel 34g bedoelde gegevens, met uitzondering van de gegevens, bedoeld onder i;

    • b. een bewijs dat aan een van beide of beide in de aanhef vermelde voorwaarden is voldaan;

    • c. de bevestiging dat een instrument als bedoeld in artikel 34l, derde lid, wordt gebruikt, alsmede een specificatie van het instrument en een beschrijving daarvan.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de betrokken exploitant geen gebruik maakt van de vereenvoudigde monitoringsprocedure voor het bepalen van het brandstofverbruik, bedoeld in artikel 34l, derde lid.

Artikel 34j. Inhoud monitoringsplan voor tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant vermeldt in het plan, bedoeld in artikel 16.39j, derde lid, onder a, van de wet, in elk geval de volgende gegevens:

    • a. de in artikel 34g bedoelde gegevens, met uitzondering van de gegevens, bedoeld onder h, i en k;

    • b. een beschrijving van de methoden ter bepaling van de tonkilometergegevens per vlucht, met inbegrip van:

      • 1°. de procedures, verantwoordelijkheden, methoden, gegevensbronnen en berekeningsformules voor de bepaling en de registratie van de afstand per luchtvaartterreincombinatie;

      • 2°. een bevestiging dat de lengte- en breedteligging van luchtvaartterreinen wordt ontleend aan gegevens over de ligging van luchtvaartterreinen die op grond van bijlage 15 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) in ‘Aeronauticals Publications’ worden gepubliceerd dan wel een bron die dergelijke gegevens gebruikt;

      • 3°. de procedures voor het bepalen van informatie over de ligging van luchtvaartterreinen;

      • 4°. een aanduiding of niveau 1 dan wel niveau 2 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XIX, hoofdstuk XIX.3, wordt gebruikt bij het vaststellen van de massa van passagiers en hun ingecheckte bagage, waarbij wordt gevoegd een beschrijving van de procedure ter bepaling van de massa van passagiers indien niveau 2 wordt gebruikt;

      • 5°. een aanduiding of de vliegtuigexploitant verplicht is documentatie over massa en zwaartepunt bij te houden voor de vluchten waarvoor hij verantwoordelijk is overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIX, hoofdstuk XIX.1;

      • 6°. een beschrijving van de alternatieve methode die wordt gebruikt voor de bepaling van massa van vracht en post als de vliegtuigexploitant overeenkomstig internationale regelgeving niet verplicht is documentatie over massa en zwaartepunt te hanteren;

      • 7°. een bevestiging dat het servicegewicht en het leeggewicht van alle pallets en containers die geen deel uitmaken van de vracht niet worden meegenomen in de berekening van tonkilometergegevens;

      • 8°. een beschrijving van de procedures ter bepaling van de massa van vracht en post;

      • 9°. een beschrijving van de meetinstrumenten die voor de bepaling van de massa van passagiers, vracht en post worden gebruikt.

§ 2.2.3. Monitoringsmethodiek broeikasgasemissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34k. Bepaling CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

De vliegtuigexploitant bepaalt per vlucht de CO2-emissies van het luchtvaartuig overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII.

Artikel 34l. Bepaling brandstofverbruik [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant bepaalt per vlucht en per bronstroom het brandstofverbruik overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2.

  • 2 Bij de bepaling van het brandstofverbruik wordt tevens de brandstof betrokken die wordt verbruikt door het hulpaggregaat.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag een vliegtuigexploitant die geen commerciële luchtvervoersonderneming is als bedoeld in artikel 1 van de Regeling interpretatie luchtvaartactiviteiten handel in emissierechten en die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat hij gedurende drie opeenvolgende periodes van vier maanden minder dan 243 vluchten per periode uitvoert of dat hij vluchten met een totale CO2-emissie van minder dan 10.000 ton per jaar uitvoert, het brandstofverbruik schatten met behulp van:

    • a. instrumenten die door de Eurocontrol-organisatie worden gebruikt, of

    • b. instrumenten die door een andere bevoegde organisatie worden gebruikt, mits deze instrumenten alle relevante luchtverkeersinformatie, zoals die waarover de Eurocontrol-organisatie beschikt, kunnen verwerken,

    mits deze instrumenten en de toepassing van de correctiefactoren ter compensatie van onnauwkeurigheden in de modellen zijn goedgekeurd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 34m. Bepaling emissiefactor [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant past voor vliegtuigkerosine van het type JET A1 of JET A, vliegtuigbenzine van het type JET B en vliegtuigbenzine van het type ‘AvGas’ de standaardemissiefactor toe die voor die brandstof is gespecificeerd in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.3.

  • 2 De vliegtuigexploitant bepaalt voor brandstoffen die niet onder het eerste lid vallen, de emissiefactor overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.4.

  • 3 Indien de brandstof als bedoeld in het tweede lid een de minimis-bronstroom is, mag de vliegtuigexploitant een in het monitoringsplan neergelegde schattingsmethode gebruiken om de emissiefactor te bepalen.

  • 4 In afwijking van het tweede lid mag de vliegtuigexploitant de voor de brandstoffen specifieke IPCC-referentiewaarde voor de emissiefactor toepassen als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage VI.

  • 5 In afwijking van het tweede lid mag de vliegtuigexploitant de emissiefactor voor commercieel verhandelbare brandstoffen afleiden van overeenkomstig artikel 34ae geregistreerde facturen van de brandstofleverancier indien hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de afgeleide emissiefactoren zijn gebaseerd op aanvaarde internationale normen.

Artikel 34n. Bepaling calorische onderwaarde en koolstofgehalte [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de vliegtuigexploitant gebruik maakt van brandstoffen die niet onder artikel 34m, eerste lid, vallen, bepaalt de vliegtuigexploitant de calorische onderwaarde en het koolstofgehalte van deze brandstoffen overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.4.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde brandstof een de minimis-bronstroom is, mag de vliegtuigexploitant een in het monitoringsplan neergelegde schattingsmethode gebruiken om de calorische onderwaarde te bepalen.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag de vliegtuigexploitant de voor de brandstoffen specifieke IPCC-referentiewaarde voor de calorische onderwaarde toepassen als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage VI.

  • 4 In afwijking van het eerste lid mag de vliegtuigexploitant de calorische onderwaarde en het koolstofgehalte voor commercieel verhandelbare brandstoffen afleiden van overeenkomstig artikel 34ae geregistreerde facturen van de brandstofleverancier indien hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de afgeleide calorische onderwaarde en het koolstofgehalte zijn gebaseerd op aanvaarde internationale normen.

Artikel 34o. Bepaling biomassafractie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de vliegtuigexploitant gebruik maakt van gemengde brandstoffen die biomassa bevatten, wordt de biomassafractie bepaald overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.4.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde brandstof een de minimis-bronstroom is, mag de vliegtuigexploitant een in het monitoringsplan neergelegde schattingsmethode gebruiken om de biomassafractie te bepalen.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag de vliegtuigexploitant het biomassagehalte voor commercieel verhandelbare brandstoffen afleiden van overeenkomstig artikel 34ae geregistreerde facturen van de brandstofleverancier indien hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de biomassafractie is gebaseerd op aanvaarde internationale normen.

Artikel 34p. Bepaling hoeveelheid zuivere biomassa [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 In afwijking van artikel 34o, eerste lid, mag de vliegtuigexploitant voor de bepaling van de hoeveelheid zuivere biomassa ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit een energiebalansmethode of een schattingsmethode toepassen.

  • 2 In afwijking van artikel 34o, eerste lid, mag de vliegtuigexploitant ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit voor de bepaling van CO2-emissies uit fossiel materiaal dat als onzuiverheid voorkomt in als zuivere biomassa aangemerkte brandstoffen een schattingsmethode toepassen.

  • 3 De in het eerste en tweede bedoelde CO2-emissies worden in het emissieverslag gerapporteerd onder de biomassabronstroom.

Artikel 34q. Beoordeling onzekerheid bij bepaling CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Bij de bepaling van de CO2-emissies, bedoeld in artikel 34k, identificeert en onderbouwt de vliegtuigexploitant de belangrijkste bronnen van onzekerheid en de daarbij behorende onzekerheidsniveaus.

  • 2 De vliegtuigexploitant hoeft de geïdentificeerde onzekerheidsniveaus met betrekking tot de bepaling van het brandstofverbruik niet te onderbouwen indien de hoeveelheid getankte brandstof uitsluitend is bepaald op basis van de gefactureerde hoeveelheid brandstof of andere passende door de brandstofleverancier verstrekte informatie.

  • 3 Indien systemen aan boord van het luchtvaartuig worden gebruikt om de hoeveelheid getankte brandstof te bepalen, onderbouwt de vliegtuigexploitant de onzekerheid van de brandstofmetingen door gebruik te maken van kalibratiecertificaten.

  • 4 Indien de in het derde lid bedoelde kalibratiecertificaten niet beschikbaar zijn, onderbouwt de vliegtuigexploitant de onzekerheid van de brandstofmetingen door:

    • a. specificaties aan te leveren die door de leveranciers van de meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig zijn verstrekt omtrent de onzekerheid van deze meetsystemen, en

    • b. aan te tonen dat routinematige controles worden uitgeoefend teneinde het goed functioneren van de brandstofmeetsystemen te waarborgen.

  • 5 De vliegtuigexploitant mag de onzekerheid van andere dan in het derde lid bedoelde componenten van de monitoringsmethodiek onderbouwen door gebruik te maken van een conservatieve inschatting van deskundigen waarbij het geschatte aantal vluchten binnen een rapportageperiode in acht wordt genomen.

  • 6 Indien meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig worden gebruikt om de hoeveelheid getankte brandstof te bepalen, voert de vliegtuigexploitant regelmatig controles uit tussen de hoeveelheid getankte brandstof die op de gefactureerde gegevens of andere passende door de brandstofleverancier verstrekte informatie van de brandstofleverancier is aangegeven en de hoeveelheid getankte brandstof die is gemeten door meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig.

  • 7 Wanneer bij controles als bedoeld in het zesde lid afwijkingen tussen gemeten en gefactureerde of andere passende door brandstofleverancier verstrekte informatie over hoeveelheden worden geconstateerd door de vliegtuigexploitant en deze afwijkingen het toegestane maximum dat is aangegeven in de daarvoor bestemde procedure van artikel 34v overschrijdt, neemt de vliegtuigexploitant corrigerende maatregelen als bedoeld in artikel 34ac.

Artikel 34r. Ontbrekende gegevens [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien het bestuur van de emissieautoriteit, de vliegtuigexploitant of de verificateur ontdekt dat voor een vlucht als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten de voor de bepaling van de CO2-emissies noodzakelijke gegevens of een deel van deze gegevens ontbreken als gevolg van overmacht en indien deze gegevens niet kunnen worden bepaald met behulp van een andere methode die is opgenomen in het monitoringsplan, mag de vliegtuigexploitant deze emissies schatten met behulp van een van de volgende methoden:

    • a. instrumenten die door de Eurocontrol-organisatie worden gebruikt;

    • b. instrumenten die door een andere bevoegde organisatie worden gebruikt, mits deze instrumenten alle relevante luchtverkeersinformatie, zoals die waarover de Eurocontrol-organisatie beschikt, kunnen verwerken,

    mits deze instrumenten en de toepassing van de correctiefactoren ter compensatie van onnauwkeurigheden in de modellen zijn goedgekeurd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

  • 2 Indien de voor de bepaling van de CO2-emissies noodzakelijke gegevens of een deel van deze gegevens ontbreken als gevolg van het uitvallen van meetsystemen of het verlies van primaire gegevens, mag de vliegtuigexploitant de ontbrekende gegevens aanvullen door een conservatieve schattingsmethode van de emissies toe te passen met behulp van:

    • a. de in het eerste lid bedoelde instrumenten, of

    • b. een alternatieve in het monitoringsplan opgenomen methode.

  • 3 De hoeveelheid geschatte CO2-emissies als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt opgenomen in het emissieverslag.

  • 4 De vliegtuigexploitant neemt alle noodzakelijke maatregelen om het ontbreken van gegevens als bedoeld in het eerste en tweede lid te voorkomen, met inbegrip van toereikende controleactiviteiten als bedoeld in artikel 34x.

§ 2.2.4. Meetinstanties bij de bepaling van CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34s. Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid worden verricht door een meetinstantie die voor deze verrichtingen door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

  • 2 De door een meetinstantie uit te voeren werkzaamheden omvatten in elk geval:

    • a. de bepaling van de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.4;

    • b. de bepaling van de samenstellingsgegevens, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.4;

    • c. de bepaling van de biomassafractie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.4.

  • 3 Artikel 17, derde tot en met dertiende lid, is van overeenkomstige toepassing op luchtvaartactiviteiten, met dien verstande dat in afwijking van artikel 17, twaalfde lid, eerste volzin, de initiële validatie plaatsvindt als onderdeel van de inbedrijfstelling van een nieuw systeem als bedoeld in artikel 17, achtste lid.

Artikel 34sa. Eisen aan meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Een meetinstantie die in opdracht van een vliegtuigexploitant werkzaamheden als bedoeld in artikel 34s, tweede lid, verricht, voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en voert de werkzaamheden uit overeenkomstig het monitoringsplan van de betreffende vliegtuigexploitant.

  • 2 Het is voor een meetinstantie verboden te handelen in strijd met het eerste lid.

§ 2.2.5. Monitoringsmethodiek tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34t. Bepaling tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

Een vliegtuigexploitant die voornemens is een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, of artikel 16.39n, eerste lid, van de wet in te dienen, bepaalt de tonkilometergegevens overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIX.

§ 2.2.6. Gegevensverzameling en controleactiviteiten [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34u. Gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Overeenkomstig het bepaalde in deze regeling en het door het bestuur van de emissieautoriteit goedgekeurde monitoringsplan stelt de vliegtuigexploitant gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten vast die betrekking hebben op de monitoring en rapportage van CO2-emissies en voert deze activiteiten uit.

  • 2 Tot de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid, behoren ten minste:

    • a. het uitvoeren van metingen en het controleren en registreren van primaire meetgegevens;

    • b. de monitoring, analyse, registratie, verwerking en berekening van parameters ten behoeve van de rapportage van de CO2-emissies;

    • c. alle operationele activiteiten met betrekking tot het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van deze verslagen naar het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 34v. Procedures voor het vaststellen van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten [Vervallen per 01-01-2013]

De vliegtuigexploitant stelt procedures voor de in artikel 34u, eerste lid, bedoelde gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten op. In deze procedures zijn ten minste de volgende elementen opgenomen:

  • a. in een schematische weergave de opeenvolging en interactie tussen de afzonderlijke gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten waarbij de koppeling tussen de voorgaande en volgende activiteit wordt aangegeven;

  • b. degene die verantwoordelijk is voor elke gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteit;

  • c. de informatiesystemen en andere systemen die zijn gebruikt voor het verwerken en implementeren van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten;

  • d. de wijze waarop de gegevens die verband houden met specifieke gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten manueel in het systeem worden ingevoerd;

  • e. de wijze waarop gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten worden geregistreerd;

  • f. de frequentie waarmee gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten worden uitgevoerd;

  • g. de inherente risico’s van de desbetreffende gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten;

  • h. de controleactiviteiten die overeenkomstig artikel 34x worden toegepast om het inherente risico bij de desbetreffende gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten te beperken.

Artikel 34w. Controlesysteem [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant zet een effectief controlesysteem op dat garandeert dat het emissieverslag geen onjuiste opgaven bevat en in overeenstemming is met het door het bestuur van de emissieautoriteit goedgekeurde monitoringsplan en het bepaalde in deze regeling.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde controlesysteem bestaat uit:

    • a. de beoordeling door de vliegtuigexploitant van het intrinsiek risico en het controlerisico alsmede de kans op onjuiste opgaven in het emissieverslag en non-conformiteiten ten aanzien van het door het bestuur van de emissieautoriteit goedgekeurde monitoringsplan en het bepaalde in deze regeling;

    • b. de controleactiviteiten die de onder a bedoelde risico’s beperken.

  • 3 De vliegtuigexploitant evalueert en verbetert het in het eerste lid bedoelde controlesysteem aan de hand van interne audits van dit systeem en de gerapporteerde gegevens.

Artikel 34x. Controleactiviteiten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant stelt aan de hand van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 34w, tweede lid, onder a, passende controleactiviteiten vast om de intrinsieke risico’s en controlerisico’s te beheersen en te beperken.

  • 2 De vliegtuigexploitant past de controleactiviteiten toe overeenkomstig de in artikel 34w, tweede lid, onder a, bedoelde risicobeoordeling en zorgt ervoor dat deze controleactiviteiten toereikend blijven om de in het eerste lid bedoelde risico’s te beheersen en te beperken.

  • 3 Tot de in het eerste lid bedoelde controleactiviteiten behoren ten minste:

    • a. kwaliteitsborging van de deskundigheid van de personen die met de uitvoering van de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten en het controlesysteem zijn belast overeenkomstig artikel 34af;

    • b. kwaliteitsborging van de gebruikte meetapparatuur en informatietechnologie overeenkomstig artikel 34z;

    • c. interne toetsing en validatie van de gerapporteerde gegevens overeenkomstig artikel 34aa;

    • d. kwaliteitsborging van uitbestede processen overeenkomstig artikel 34ab;

    • e. correcties en bijsturingsmaatregelen overeenkomstig artikel 34ac;

    • f. de registratie en documentatie alsmede het beheer van documentatie overeenkomstig de artikelen 34ad en 34ae.

Artikel 34y. Procedures voor de risicobeoordeling en controleactiviteiten [Vervallen per 01-01-2013]

De vliegtuigexploitant stelt voor de in artikel 34w, tweede lid, onder a, bedoelde risicobeoordeling en de in artikel 34x bedoelde controleactiviteiten procedures vast. In deze procedures zijn ten minste de volgende elementen opgenomen:

  • a. de activiteiten die worden uitgevoerd ten behoeve van de desbetreffende risicobeoordeling en controleactiviteit;

  • b. de wijze waarop de risicobeoordeling en de controleactiviteit worden uitgevoerd;

  • c. de procedures voor het uitvoeren van de desbetreffende risicobeoordeling en controleactiviteit;

  • d. degene die verantwoordelijk is voor de risicobeoordeling en de controleactiviteiten;

  • e. de informatiesystemen die zijn gebruikt voor het uitvoeren van de risicobeoordeling en de controleactiviteiten;

  • f. de wijze waarop de risicobeoordeling en de controleactiviteiten worden geregistreerd;

  • g. de frequentie waarmee of het tijdstip waarop de risicobeoordeling en de controleactiviteiten worden uitgevoerd;

  • h. de controlerisico’s die samenhangen met de controleactiviteiten.

Artikel 34z. Kwaliteitsborging meetapparatuur [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant draagt er zorg voor dat de ter bepaling van de CO2-emissies gebruikte meetapparatuur regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd op grond van meetnormen die, indien beschikbaar, zijn afgeleid van relevante internationale meetnormen.

  • 2 De vliegtuigexploitant registreert de resultaten van de kwaliteitsborging van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden in het register, bedoeld in artikel 34ae.

  • 3 Op grond van de resultaten, bedoeld in het tweede lid, beoordeelt de vliegtuigexploitant de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert hij de uitkomst van deze beoordeling in het register, bedoeld in artikel 34ae.

  • 4 Indien uit de kalibratie en de controles blijkt dat de in het eerste lid bedoelde meetapparatuur niet naar behoren functioneert, neemt de vliegtuigexploitant onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

  • 5 Indien de in het eerste lid bedoelde meetapparatuur niet kan worden gekalibreerd, neemt de vliegtuigexploitant alternatieve controleactiviteiten op in het monitoringsplan.

  • 6 Indien de vliegtuigexploitant gebruik maakt van informatietechnologie, is deze zodanig ontworpen, gedocumenteerd, beproefd, geïmplementeerd, gecontroleerd en onderhouden dat een betrouwbare, nauwkeurige en tijdige verwerking van de gegevens is gewaarborgd.

  • 7 De kwaliteitsborging van het gebruik van informatietechnologie, bedoeld in het zesde lid, omvat ten minste toegangscontrole, back-up- en herstelprocedures, continuïteitsplanning en beveiliging inclusief een correcte toepassing van de berekeningsformules die zijn opgenomen in het monitoringsplan.

Artikel 34aa. Toetsing en controle van gegevens [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant toetst en controleert de gegevens die afkomstig zijn uit de in artikel 34u bedoelde gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde toetsing en controle omvatten ten minste:

    • a. een vergelijking van de gegevens die de vliegtuigexploitant over verschillende kalenderjaren heeft verkregen, en

    • b. een vergelijking van de gegevens van verschillende operationele gegevensverzamelingssystemen.

  • 3 De toetsing en de controle van deze gegevens worden zodanig opgezet dat de criteria voor het afkeuren van de gegevens zoveel mogelijk van tevoren vaststaan. Hiertoe worden de criteria opgenomen in de procedure voor de toetsing en controle van gegevens als bedoeld in artikel 34y.

Artikel 34ab. Kwaliteitsborging van uitbestede processen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien de vliegtuigexploitant een of meer gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 34u of controleactiviteiten als bedoeld in artikel 34x uitbesteedt:

    • a. controleert hij de kwaliteit van de uitbestede activiteiten overeenkomstig het bepaalde in deze regeling,

    • b. stelt hij passende eisen aan de te leveren prestaties en de toe te passen methoden, en

    • c. toetst hij de kwaliteit van de geleverde resultaten.

  • 2 De maatregelen voor een transparant beheer van de uitbestede werkzaamheden worden opgenomen in de procedure, bedoeld in artikel 34y.

Artikel 34ac. Correcties en bijsturingsmaatregelen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien een onderdeel van de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34u, of de controleactiviteiten, bedoeld in artikel 34x, niet naar behoren of niet binnen de grenzen van de in de artikelen 34v en 34y bedoelde procedures functioneert, neemt de vliegtuigexploitant onverwijld passende corrigerende maatregelen en worden de afgekeurde gegevens aangepast.

  • 2 De vliegtuigexploitant beoordeelt de geldigheid van de uitkomsten van de desbetreffende procedurestappen in de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten of controleactiviteiten, traceert de basisoorzaak van het desbetreffende mankement of de desbetreffende fout en neemt passende corrigerende maatregelen.

Artikel 34ad. Documentenbeheer [Vervallen per 01-01-2013]

De vliegtuigexploitant ziet toe op het beheer van alle documenten die zijn vereist in het kader van de uitvoering van de in afdeling 16.2.2 van de wet vervatte regeling en beheert deze documenten overeenkomstig de procedure voor documentenbeheer, bedoeld in artikel 34y.

Artikel 34ae. Register [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant houdt een register bij waarin zijn opgenomen alle gegevens van de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34u, de controleactiviteiten, bedoeld in de artikelen 34w en 34x, de procedures van deze activiteiten, bedoeld in de artikelen 34v en 34y, alsmede de gegevens, bedoeld in artikel 34ah.

  • 2 De vliegtuigexploitant ziet erop toe dat de in het eerste lid bedoelde gegevens beschikbaar zijn waar en wanneer deze voor het verrichten van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten noodzakelijk zijn en beschikt over een procedure om de verschillende versies van deze gegevens te identificeren, over te leggen, te verspreiden en te controleren.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden in het register bewaard voor een periode van tien jaar na het jaar waarover het desbetreffende emissieverslag bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend.

Artikel 34af. Verdeling taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant wijst taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden toe voor alle gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 34u en controleactiviteiten als bedoeld in de artikelen 34w en 34x waarbij onverenigbare taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden op functieniveau worden gescheiden.

  • 2 Tot onverenigbare taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden als bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen personen die met de uitvoering van het monitoringsplan zijn belast en personen die met de controle op de naleving daarvan zijn belast.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de functionele scheiding naar het oordeel van het bestuur van de emissieautoriteit in redelijkheid niet kan worden gevergd. In dat geval wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond dat de wijze waarop de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn georganiseerd, een deugdelijke uitvoering van het monitoringsplan en een deugdelijke controle op de naleving daarvan voldoende waarborgt en dat in alternatieve controles wordt voorzien.

Artikel 34ag. Gegevensverzameling en controleactiviteiten voor tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

De artikelen 34u tot en met 34af zijn van overeenkomstige toepassing op tonkilometergegevens indien een vliegtuigexploitant voornemens is een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, of artikel 16.39n, eerste lid, van de wet in te dienen.

§ 2.2.7. Opslag van informatie [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34ah. Opslag van informatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant documenteert en bewaart de gegevens inzake de monitoring van CO2-emissies en, voor zover van toepassing, tonkilometergegevens ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaar nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend onderscheidenlijk de tonkilometergegevens over dat kalenderjaar aan het bestuur van de emissieautoriteit zijn overgelegd.

  • 2 De monitoringsgegevens worden op een zodanige wijze gedocumenteerd en bewaard dat het emissieverslag en, voor zover van toepassing, de tonkilometergegevens kunnen worden geverifieerd overeenkomstig artikel 16.39g onderscheidenlijk artikel 16.39j, tweede lid, of artikel 16.39n, tweede lid, in verbinding met artikel 16.39j, tweede lid, tweede en derde volzin, van de wet.

  • 3 De vliegtuigexploitant bewaart de onderstaande gegevens voor een periode van tien jaar als bedoeld in het eerste lid:

    • a. het monitoringsplan en, voor zover van toepassing, het plan, bedoeld in artikel 16.39j, derde lid, onder a, van de wet;

    • b. alle gegevens die de juistheid aantonen van de te hanteren monitoringsmethodiek;

    • c. de bescheiden waarin de redenen van alle veranderingen en afwijkingen van het monitoringsplan worden gegeven;

    • d. alle gegevens inzake de veranderingen en afwijkingen van het monitoringsplan;

    • e. het emissieverslag en de overgelegde tonkilometergegevens;

    • f. gegevens die zijn gebruikt voor de analyse van de onzekerheid voor de bepaling van CO2-emissies;

    • g. de lijst van luchtvaartuigen waarvoor de vliegtuigexploitant overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en bijlage XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is;

    • h. de lijst van vluchten waarop elk kalenderjaar betrekking heeft en waarvoor de vliegtuigexploitant overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en bijlage XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is, alsmede de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat die lijst volledig is;

    • i. de gegevens die zijn gebruikt ter bepaling van de lading en de afstand voor de jaren waarover tonkilometergegevens worden gerapporteerd;

    • j. indien van toepassing: documentatie van de werkwijze met betrekking tot ontbrekende gegevens als bedoeld in artikel 34r, alsmede van de gegevens die zijn gebruikt om de daardoor ontstane leemtes op te vullen;

    • k. alle overige informatie die noodzakelijk is om het emissieverslag en, voor zover van toepassing, de tonkilometergegevens te verifiëren.

§ 2.2.8. Wijzigingen van het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34ai. Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan voor emissies en tonkilometers [Vervallen per 01-01-2013]

Alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan en het plan, bedoeld in artikel 16.39j, derde lid, onder a, van de wet, worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 34ae.

Artikel 34aj. Veranderingen in het monitoringsplan voor emissies en tonkilometers [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Alle veranderingen van plannen als bedoeld in artikel 34ai worden tevens overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVIII vermeld in hoofdstuk 1 van het desbetreffende plan.

  • 2 De vermelding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder verwijzing naar het hoofdstuk van het monitoringsplan waarop de verandering betrekking heeft.

  • 3 De vermelding, bedoeld in het eerste lid, omvat een korte beschrijving van de aangebrachte verandering.

  • 4 Bij de vermelding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven of de verandering is gemeld of goedgekeurd overeenkomstig artikel 34al en zo ja, op welke datum die melding onderscheidenlijk goedkeuring heeft plaatsgevonden.

  • 5 Het plan wordt voorzien van de datum van de wijziging en een nieuw versienummer.

Artikel 34ak. Aanpassing monitoringsplan voor emissies [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Het bestuur van de emissieautoriteit ziet erop toe dat vliegtuigexploitanten zich houden aan de in het eerste lid opgenomen verplichtingen.

  • 3 Bij de beoordeling van het monitoringsplan, bedoeld in het eerste lid, toont de vliegtuigexploitant ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan of de in het monitoringsplan opgenomen monitoringsmethodiek kan worden gewijzigd om de kwaliteit van de verstrekte gegevens te verbeteren zonder onredelijk hoge kosten tot gevolg te hebben.

  • 4 De in het monitoringsplan opgenomen monitoringsmethodiek wordt gewijzigd indien de kwaliteit van de verstrekte gegevens overeenkomstig het derde lid kan worden verbeterd. De eerste volzin is niet van toepassing indien de wijziging onredelijk hoge kosten tot gevolg zou hebben.

Artikel 34al. Melding en goedkeuring veranderingen van het monitoringsplan voor emissies [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De vliegtuigexploitant legt een verandering van het monitoringsplan die betrekking heeft op een wijziging van de monitoringsmethodiek vooraf ter goedkeuring voor aan het bestuur van de emissieautoriteit.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wijziging van de monitoringsmethodiek verstaan:

    • a. een verandering van het niveau als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.3;

    • b. een overschrijding van de drempelwaarden, bedoeld in de artikelen 34i, eerste lid, en 34l, derde lid;

    • c. substantiële veranderingen in het gebruikte brandstoftype;

    • d. een verandering van de gebruikte methode om CO2-emissies of tonkilometergegevens te bepalen.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een wijziging van het monitoringsplan die dwingend voortvloeit uit het bepaalde bij of krachtens afdeling 16.2.1 van de wet.

§ 2.2.9. Goedkeuring van het monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34am. Termijn goedkeuring monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

Het bestuur van de emissieautoriteit beslist omtrent goedkeuring van een monitoringsplan als bedoeld in de artikelen 16.39d, 16.39j, vierde lid, en 16.39n, tweede lid, tweede volzin, in verbinding met artikel 16.39j, vierde lid, van de wet binnen vier maanden na de dag waarop het bestuur van de emissieautoriteit het ontwerp van het monitoringsplan heeft ontvangen.

§ 2.2.10. Emissieverslag en aanleveren tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34an. Emissieverslag [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van het standaardformulier voor het emissieverslag zoals aangeduid in de Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen over de bekendmaking van de elektronische standaardformulieren en de bestandsformatspecificaties bedoeld in Beschikking 2007/589/EG met betrekking tot de vereisten voor monitoring en rapportage overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2009, C 261).

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag de vliegtuigexploitant de gegevens in de onderdelen 9b, 9c, 9d en 10 van het in het eerste lid bedoelde standaardformulier in een andere vorm aanleveren op voorwaarde dat een even grote mate van duidelijkheid en toegankelijkheid van de gegevens gewaarborgd is.

Artikel 34ao. Aanleveren tonkilometergegevens [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De tonkilometergegevens worden aangeleverd met gebruikmaking van het standaardformulier voor tonkilometergegevens zoals aangeduid in de Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen over de bekendmaking van de elektronische standaardformulieren en de bestandsformatspecificaties bedoeld in Beschikking 2007/589/EG met betrekking tot de vereisten voor monitoring en rapportage overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2009, C 261).

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag de vliegtuigexploitant de gegevens in de onderdelen 5 en 6 van het in het eerste lid bedoelde standaardformulier in een andere vorm aanleveren op voorwaarde dat een even grote mate van duidelijkheid en toegankelijkheid van de gegevens gewaarborgd is.

§ 2.2.11. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 34ap. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag dan wel de tonkilometergegevens, worden door de vliegtuigexploitant in het totale emissiecijfer van het emissieverslag onderscheidenlijk de overgelegde tonkilometergegevens verwerkt.

  • 3 Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het emissieverslag betrekking heeft en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

  • 4 Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

Hoofdstuk 3. Emissies van stikstofoxiden [Vervallen per 01-01-2013]

§ 3.1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 35. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

ISO-luchtcondities: temperatuur van 288 Kelvin (K), een druk van 101.3 kiloPascal (Pa) en een relatieve vochtigheid van 60 procent;

monitoringsmethodiek: het geheel van methoden, waaronder de klassenindeling, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om de jaarvracht van NOx van een NOx-installatie te bepalen;

monitoringsplan: monitoringsplan voor NOx-emissies;

NOx-meetsysteem: meetsysteem waarmee de NOx-concentratie, genormaliseerd naar normaal omstandigheden en gecorrigeerd voor zuurstof, in de schoorsteen wordt gemeten.

§ 3.2. Monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 36. Inhoud monitoringsplan algemeen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het monitoringsplan bestaat ten minste uit een beschrijving van:

    • a. de gegevens, bedoeld in artikel 3a, onder a tot en met d en f en g;

    • b. de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op:

      • 1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 3.5;

      • 2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 3.6;

    • c. de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen, waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;

    • d. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder e, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;

    • e. indien een meetinstantie wordt gebruikt die niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005: een beschrijving dat de meetinstantie werkt conform deze eisen;

    • f. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.

  • 2 In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens een beschrijving alsmede een schematische weergave van:

    • a. de afbakening van de verzameling NOx-installaties binnen de inrichting;

    • b. de naam, de identificatie en het identificatienummer van elke NOx-installatie die zich in de inrichting bevindt;

    • c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van elke installatie die zich in de inrichting bevindt en die NOx uitstoot;

    • d. indien van toepassing: de naam, de identificatie en het identificatienummer van het cluster NOx-verbrandingsinstallaties, het cluster NOx-procesinstallaties of het cluster NOx-verbrandingsinstallaties en NOx-procesinstallaties;

    • e. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de brandstofstromen binnen de inrichting;

    • f. de verdeling van de brandstofstromen over de NOx-verbrandingsinstallaties;

    • g. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden en die NOx uitstoten;

    • h. de aansluiting van de desbetreffende bronnen op de NOx-installaties;

    • i. het afzonderlijke vermogen van alle verbrandingsinstallaties die NOx uitstoten binnen de inrichting;

    • j. de afzonderlijke productiecapaciteit van alle procesinstallaties die NOx uitstoten binnen de inrichting.

  • 3 In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens afzonderlijk voor elke NOx-installatie die zich in de inrichting bevindt, waarop de aanvraag betrekking heeft:

    • a. de te monitoren brandstofstromen binnen de NOx-installatie alsmede de naam, de identificatie en het identificatienummer, voor zover het tweede lid, onder d, niet van toepassing is.

    • b. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de NOx-installatie bevinden, voor zover het tweede lid, onder f, niet van toepassing is;

    • c. het totale vermogen, uitgedrukt in megawatt thermisch, van de zich in de inrichting bevindende NOx-verbrandingsinstallaties;

    • d. het totale vermogen van alle NOx-verbrandingsinstallaties binnen de inrichting;

    • e. of het vermogen van de NOx-verbrandingsinstallaties, uitgedrukt in megawatt thermisch, technisch is begrensd;

    • f. de afzonderlijke en totale verwachte NOx-jaarvracht van de zich in de inrichting bevindende NOx-installaties;

    • g. de productiecapaciteit, uitgedrukt in tonnen vervaardigd product per kalenderjaar, van de zich in de inrichting bevindende NOx-procesinstallaties.

  • 4 Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van indiening van het monitoringsplan niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 3.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, voldoet omdat dit technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, wordt de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften, onderscheidenlijk worden de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:

    • a. de reden waarom degene die de inrichting drijft, niet aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;

    • b. het tijdstip en de wijze waarop degene die de inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen zal voldoen;

    • c. de wijze waarop de jaarvracht van NOx wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.

Artikel 37. Invulling monitoringsplan inrichting [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Onverminderd artikel 36 wordt in het monitoringsplan voor elke NOx-installatie die zich in de inrichting bevindt, de te hanteren monitoringsmethodiek aangegeven, ten minste bestaande uit:

    • a. de soort NOx-installatie;

    • b. de klasse van de NOx-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X;

    • c. de wijze waarop of de mate waarin de NOx-installatie met wisselende belasting of wisselende brandstof wordt gestookt, alsmede de aard van de bedrijfsvoering;

    • d. de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de jaarvracht van NOx worden gebruikt;

    • e. een schatting van de jaarvracht van NOx met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;

    • f. de methode waarmee per NOx-installatie de jaarvracht van NOx wordt bepaald met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;

    • g. de methode waarmee per NOx-installatie in geval van een NOx-verbrandingsinstallatie het brandstofverbruik, of in geval van een NOx-procesinstallatie de productie wordt bepaald;

    • h. de wijze waarop de totale NOx-jaarvracht wordt bepaald, alsmede de gehanteerde formules;

    • i. de wijze waarop de onder e tot en met g bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;

    • j. de methode waarmee het aantal opgebouwde NOx-emissierechten wordt berekend alsmede de gehanteerde formule;

    • k. de naam, de identificatie, het identificatienummer, het meetbereik en de kalibratiefrequentie van het meetinstrument dat relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;

    • l. een onderbouwing van de onzekerheid en de onzekerheidsbepaling die samenhangen met de meetinstrumenten, die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;

    • m. de gegevens waaruit blijkt dat de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit en artikel 42, derde lid, zijn nageleefd;

    • n. de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 46, zevende en achtste lid;

    • o. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem.

  • 3 In het monitoringsplan wordt aangegeven of de inrichting meer dan 3000 uren per kalenderjaar in bedrijf is.

  • 4 Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NOx-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X ten minste opgenomen:

    • a. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;

    • b. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;

    • c. of de norm NEN-EN 14181 is toegepast op het NOx-meetsysteem;

    • d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld:

      • 1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van NOx en berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;

      • 2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 43 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;

      • 3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;

      • 4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;

      • 5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, indien de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;

      • 6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarop deze waarde wordt vastgesteld, of een kental dat is vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.

  • 5 Indien er sprake is van een geautomatiseerd systeem waarbij de relatie tussen de parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie ingevolge het vierde lid, onderdeel d, onder 4°, niet kan worden vermeld, wordt die relatie ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit op een andere wijze omschreven.

  • 6 De methode, bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, onder 6°, leidt niet tot een onderschatting van de jaarvracht van NOx en kan slechts tijdelijk worden gehanteerd, met een maximum van zes maanden.

  • 7 Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NOx-installatie die behoort tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X ten minste opgenomen:

    • a. een beschrijving van de te hanteren kentallen en de wijze waarop deze worden verkregen;

    • b. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;

    • c. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;

    • d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld:

      • 1°. de omrekeningsfactoren die nodig zijn om tot de berekening van de jaarvracht van NOx en tot de berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;

      • 2°. het te hanteren meetprincipe en de middelingstijd;

      • 3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;

      • 4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;

      • 5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode, als buiten het geldigheidsgebied wordt gewerkt, waarbij wordt aangegeven bij welke omstandigheden de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;

      • 6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt, of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarmee deze waarde wordt vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.

  • 8 De methode, bedoeld in het zevende lid, onderdeel d, onder 6°, leidt niet tot een onderschatting van de jaarvracht van NOx en kan slechts tijdelijk worden gehanteerd, met een maximum van zes maanden.

Artikel 37a. Uitzonderingen eisen monitoringsplan voor inrichtingen met een lage NOx-emissie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Het eerste lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat de jaarvracht gedurende het voorgaande kalenderjaar minder dan 20 ton NOx bedroeg.

  • 3 Het eerste lid is tevens van toepassing indien degene die de inrichting drijft, in gevallen waarin de gegevens over het kalenderjaar als bedoeld in het tweede lid:

    • a. niet representatief zijn voor de NOx-jaarvracht of

    • b. niet beschikbaar zijn,

    ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan de hand van een conservatief onderbouwde schatting van de emissies aantoont dat de jaarvracht van de inrichting gedurende de eerstvolgende vijf kalenderjaren gemiddeld minder dan 20 ton NOx per kalenderjaar zal bedragen.

Artikel 38. Model monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

  • 2 Van het model, bedoeld in het eerste lid, mag uitsluitend worden afgeweken indien de reden daarvoor ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is gemotiveerd.

Artikel 38a. Geen gegevensverstrekking bij vergunningaanvraag [Vervallen per 01-01-2013]

De aanvrager behoeft de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 36 en 37, niet te verstrekken voorzover het bestuur van de emissieautoriteit op zijn verzoek heeft beslist dat de verstrekking van die gegevens voor het nemen van de beslissing op de aanvraag niet nodig is.

Artikel 38b. Verzoek tot intrekking vergunning [Vervallen per 01-07-2012]

§ 3.3. Monitoringsmethodiek NOx [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 39. Bepaling jaarvracht van NOx [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de jaarvracht van NOx van een zich in de inrichting bevindende NOx-installatie op basis van standaardomstandigheden en overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage X.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag de jaarvracht van NOx, veroorzaakt door een NOx-installatie die behoort tot klasse 1, 2 of 3 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, indien die installatie minder dan 500 uur per kalenderjaar in bedrijf is, worden bepaald overeenkomstig de eisen die gelden voor klasse 4.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid mag de jaarvracht van NOx, veroorzaakt door een NOx-verbrandingsinstallatie die behoort tot de klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X met een jaarvracht van minder dan 1 ton NOx, worden vastgesteld op basis van historische emissiegegevens of een onderbouwde schatting van de NOx-emissies.

  • 4 In afwijking van het eerste en tweede lid mag de jaarvracht van NOx, veroorzaakt door een NOx-installatie die per kalenderjaar minder dan zes maanden in de inrichting aanwezig is met een jaarvracht van minder dan twee ton NOx per kalenderjaar, worden vastgesteld op basis van historische gegevens of een onderbouwde schatting van de NOx-emissies.

  • 5 Indien toepassing gegeven wordt aan het derde of vierde lid, worden bij het bepalen van de NOx-jaarvracht de NOx-emissies niet onderschat.

  • 6 In afwijking van het eerste lid mag de jaarvracht van NOx, die wordt veroorzaakt door afwijkende procesomstandigheden van een NOx-verbrandingsinstallatie, worden vastgesteld op basis van historische emissiegegevens of een onderbouwde schatting van de NOx-emissies, mits:

    • a. de NOx-verbrandingsinstallatie behoort tot de klasse 2, 3 of 4, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, en

    • b. de jaarvracht minder dan 1 ton per kalenderjaar bedraagt.

  • 7 In afwijking van het eerste lid mag de jaarvracht van NOx voor een cluster van NOx-verbrandingsinstallaties of een cluster van NOx-procesinstallaties per cluster worden bepaald in het gemeenschappelijke afgaskanaal overeenkomstig de eisen die gelden voor de klasse, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, die volgt uit de gesommeerde thermische vermogens van de betreffende NOx-verbrandingsinstallaties of de gesommeerde jaarvracht van NOx van de betreffende NOx-procesinstallaties.

  • 8 In afwijking van het eerste lid mag de jaarvracht van NOx voor een cluster van NOx-verbrandingsinstallaties en NOx-procesinstallaties gezamenlijk uitsluitend worden bepaald in het gemeenschappelijke afgaskanaal, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat de te hanteren monitoringsmethodiek voldoende aansluit bij de klassenindeling, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X.

  • 9 In afwijking van het eerste lid en in afwijking van de bij deze regeling behorende bijlage X wordt de jaarvracht van NOx voor de zich in de inrichting bevindende fakkels op nul gesteld.

Artikel 40. Bepalingsmethoden NOx-emissies voor NOx-installaties in klasse 1 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De NOx-emissies van een NOx-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, worden overeenkomstig die bijlage bepaald door de continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 42.

  • 2 De concentratie van NOx wordt uitgedrukt in NO2.

  • 3 Continue meting van de concentratie van NOx als bedoeld in het eerste lid is:

    • a. rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas, of

    • b. continue meting van de parameters van de voor de NOx-installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.

  • 4 De vastgestelde uitworpkarakteristiek, bedoeld in het derde lid, onder b, en de keuze van de continu te meten parameters zijn zodanig dat de concentratie in het afgas daarmee ondubbelzinnig kan worden vastgesteld.

Artikel 41. Bepalingsmethoden NOx-emissies voor NOx-installaties in klassen 2, 3 en 4 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De NOx-emissies van een NOx-installatie die behoort tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X worden bepaald met toepassing van één of meerdere kentallen overeenkomstig artikel 44.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan degene die een inrichting drijft, de NOx-emissies bepalen door continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 40.

Artikel 42. Bepaling afgasdebiet [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het afgasdebiet van een NOx-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, wordt bepaald door de continue meting of berekening van het afgasdebiet.

  • 2 De berekening, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI.

  • 3 De onzekerheid van de individuele waarnemingen bij de continue meting of berekening van het afgasdebiet bedraagt ten hoogste 15% van het jaargemiddelde debiet, uitgedrukt als het 95%-betrouwbaar-heidsinterval, tenzij degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit technisch niet haalbaar is.

Artikel 43. Normen voor de meting van NOx-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Metingen van de NOx-emissies worden uitgevoerd volgens onderstaande normen:

    • a. NEN-EN 14792 ‘Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie aan stikstofoxiden (NOx) – Referentiemethode – Chemiluminescentie’, uitgave 2005;

    • b. NEN-EN 14789 ‘Emissies van stationaire bronnen - Bepaling van de volumeconcentratie van zuurstof (O2) - Referentiemethode - Paramagnetisme’, uitgave 2005;

    • c. NEN-EN 14181 ‘Emissies van stationaire bronnen – Kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen’, uitgave 2004;

    • d. NEN-EN 15259 ‘Luchtkwaliteit – Meetmethode emissies van stationaire bronnen – Eisen voor meetvlakken en meetlokaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting’, uitgave 2007.

  • 2 Met de normen, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld normen die worden vastgesteld of aangewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 44. Bepaling van kentallen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Onder kental wordt verstaan een getal dat het gemiddelde is van de deelmetingen van een periodieke meting.

  • 2 Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur.

  • 3 Voor NOx-installaties kan één kental worden bepaald, indien:

    • a. bij de bedrijfsvoering de fluctuaties in de concentratie van NOx, uitgedrukt in mg NOx/ Nm3, minder zijn dan 20% en de fluctuaties in het afgasdebiet, uitgedrukt in Nm3 rookgas/ uur, minder zijn dan 15%, of

    • b. het kental is vastgesteld bij de verbrandings- of procesomstandigheden die leiden tot de hoogste NOx-emissies.

  • 4 Indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, is voldaan, worden meerdere kentallen bepaald, waarbij geldt dat:

    • a. meerdere processituaties worden geïdentificeerd,

    • b. binnen iedere processituatie de fluctuaties in de concentratie van NOx, uitgedrukt in mg NOx/ Nm3, minder zijn dan 20% en de fluctuaties in het afgasdebiet, uitgedrukt in Nm3 rookgas/ uur, minder zijn dan 15%,

    • c. voor iedere processituatie een kental wordt vastgesteld, en

    • d. de frequentie waarmee het voor de procesvoering geldende kental wordt geselecteerd en geregistreerd, minimaal eens per uur bedraagt;

    • e. bij de registratie van de frequentie, bedoeld onder d, wordt vermeld hoe hoog de NOx-emissie in dat uur is.

  • 5 Indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat het technisch niet mogelijk is of tot onredelijk hoge kosten leidt om aan het derde of vierde lid te voldoen, dan wel aan de frequentie waarmee kentallen volgens Bijlage X moeten worden bepaald te voldoen mag hij een afwijkende kentalsystematiek hanteren op voorwaarde dat hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de inschatting van de NOx-emissies hiermee voldoende nauwkeurig is.

  • 6 Indien zich binnen de inrichting identieke NOx-installaties bevinden, mag degene die de inrichting drijft, in afwijking van het vierde lid één kental vaststellen voor één NOx-installatie dat geldt voor alle identieke NOx-installaties.

  • 7 Het zesde lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft:

    • a. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit heeft aangetoond dat zich binnen de inrichting identieke NOx-installaties bevinden;

    • b. ten minste één keer een periodieke meting heeft uitgevoerd op elke NOx-installatie;

    • c. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de NOx-emissies met deze methode met eenzelfde betrouwbaarheid kunnen worden bepaald als met de methode, bedoeld in het derde of vierde lid.

  • 8 De registratietijd, bedoeld in het vierde lid, onder d, kan worden verruimd indien degene die de inrichting drijft, in het monitoringsplan ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat deze verruiming geen systematische afwijkingen van de van NOx-emissies tot gevolg heeft.

  • 9 In afwijking van het derde en vierde lid kan bij batchprocessen per processtap een kental worden vastgesteld of kan een kental worden vastgesteld dat betrekking heeft op alle stappen in het batchproces, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat de inschatting van de NOx-emissies voldoende nauwkeurig is.

  • 10 In afwijking van het tweede lid kan, indien bij batchprocessen een of meer kentallen zijn vastgesteld als bedoeld in het negende lid, het aantal deelmetingen ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit worden beperkt.

  • 11 Voor de NOx-verbrandingsinstallaties gasturbines, gasturbine-installaties en gasmotoren worden de kentallen uitgedrukt in gram/GJ en omgerekend naar ISO-luchtcondities en als zodanig binnen de inrichting gehanteerd.

Artikel 44a. Periode bepaling kental [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien degene die een inrichting drijft, in de loop van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 3 en 4, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen voor dat gehele kalenderjaar.

  • 2 Indien degene die een inrichting drijft, tussen 1 januari en 1 juli van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 2, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen van 1 januari tot 1 juli van het betrokken kalenderjaar.

  • 3

Indien degene die een inrichting drijft, tussen 1 juli en 1 december van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 2, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen van 1 juli tot en met 31 december van het betrokken kalenderjaar.

Artikel 45. Normen bij bepaling van kentallen [Vervallen per 01-01-2013]

De metingen aan een NOx-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, en artikel 48, tweede lid, worden uitgevoerd volgens de normen, bedoeld in artikel 43.

Artikel 46. Bepaling brandstofverbruik [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het brandstofverbruik wordt bepaald op basis van:

    • a. verbruiksmetingen en de stookwaarde, of

    • b. rendements- en productiegegevens, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat het technisch niet haalbaar is om de brandstofhoeveelheid te bepalen volgens de methode, bedoeld onder a.

  • 2 De stookwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt bepaald met een frequentie die is afgestemd op de variaties die kunnen optreden in de brandstofsamenstelling.

  • 3 De bepaling van het brandstofverbruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI. Indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat het onmogelijk is of tot onredelijke hoge kosten leidt om aan het eerste lid te voldoen, mag hiervan worden afgeweken, in welk geval tevens ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat het brandstofverbruik op andere wijze voldoende nauwkeurig wordt bepaald.

  • 4 Indien het brandstofverbruik niet overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI kan worden bepaald als bedoeld in het derde lid, wordt bij de bepaling van het brandstofverbruik het brandstofverbruik niet overschat.

  • 5 Indien zich in de inrichting fakkels bevinden en het brandstofverbruik van de fakkels is inbegrepen in de meting, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt dat brandstofverbruik, vastgesteld op basis van de verbruiksmeting en de stookwaarde of op basis van het thermisch vermogen en het aantal fakkeluren, op het brandstofverbruik van de inrichting in mindering gebracht.

  • 6 De bepaling van de productie vindt plaats overeenkomstig de gangbare meetpraktijk. Ten genoegen van het bestuur van de emissieautorteit wordt aangetoond dat daarmee de productie voldoende nauwkeurig kan worden bepaald. Indien dit niet kan worden aangetoond, wordt een meetpraktijk gehanteerd waarvan ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat de productie daarmee wel voldoende nauwkeurig kan worden bepaald.

  • 7 Bij de bepaling van de productie, bedoeld in het zesde lid, wordt de productie niet overschat.

  • 8 De procesgegevens die relevant zijn voor de bepaling van het aantal NOx-emissierechten, bedoeld in artikel 18 van het besluit, worden ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald overeenkomstig de gangbare meetpraktijk.

  • 9 Voor de bepaling van het brandstofverbruik van de NOx-verbrandingsinstallaties voldoet de hoeveelheid brandstof en de stookwaarde aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.

  • 10 Voor de bepaling van de productie van de NOx-procesinstallatie voldoet de geproduceerde hoeveelheid aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.

§ 3.4. Meetinstanties [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 47. Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Periodieke metingen als bedoeld in artikel 44 en parallelmetingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen als bedoeld in artikel 40 worden uitgevoerd door een meetinstantie die voor deze verrichtingen door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag voor de werkzaamheden een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont:

    • a. dat deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

    • b. dat deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldende resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.

Artikel 47a. Eisen aan meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Een meetinstantie, die in opdracht van de houder van de vergunning werkzaamheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, verricht, voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en voert de werkzaamheden uit overeenkomstig het monitoringsplan dat deel uitmaakt van de betrokken vergunning.

  • 2 Het is voor een meetinstantie verboden te handelen in strijd met het eerste lid.

§ 3.5. Kwaliteitsborging meetvoorzieningen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 48. Kwaliteitsborging NOx-metingen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Kwaliteitsborging van de continue metingen, bedoeld in artikel 40, geschiedt regelmatig en voorafgaand aan het gebruik van het NOx-meetsysteem overeenkomstig de norm, genoemd in artikel 43, eerste lid, onder c, waarbij in afwijking van die norm:

    • a. de geïnstalleerde meetapparatuur om de drie jaar door middel van parallelmetingen wordt gekalibreerd, en

    • b. voor het bepalen van de waarde, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit het bestuur van de emissieautoriteit een andere door hem geschikt geachte methode mag toestaan.

  • 2 Indien bij NOx-installaties die behoren tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X continue wordt gemeten als bedoeld in artikel 40, tweede lid, en de kwaliteit van de continue meting in het geval, bedoeld in artikel 41, tweede lid, niet overeenkomstig de norm NEN-EN 14181 is geborgd, worden de periodieke metingen als drie parallelmetingen uitgevoerd. Deze parallelmetingen zijn evenredig verdeeld over het geldigheidsgebied van de continue metingen.

  • 3 Op basis van de laatst uitgevoerde periodieke meting, bedoeld in het tweede lid, wordt een correctiefactor berekend, waarmee de gemeten NOx-emissies worden gecorrigeerd.

  • 4 Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

  • 5 Degene die de inrichting drijft, beoordeelt op grond van de resultaten, bedoeld in het vierde lid, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert de uitkomst van die beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

  • 6 In geval uit de kalibratie en controles blijkt dat de ter bepaling van de jaarvracht van NOx geïnstalleerde meet-, monstername- en analyseapparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten, bedoeld in het eerste lid, niet naar behoren functioneert, neemt degene die de inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 49. Metingen met behulp van apparatuur [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de ter bepaling van de jaarvracht van NOx geïnstalleerde meet-, monstername- en analyseapparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, kalibreert een brandstofmeter die relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten ten minste één keer per vijf jaar, tenzij hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit technisch niet haalbaar is, tot onredelijk hoge kosten leidt of dat de leverancier het goed functioneren van de brandstofmeter garandeert met een lagere kalibratiefrequentie. In het geval er sprake is van technische onhaalbaarheid of onredelijk hoge kosten, neemt degene die de inrichting drijft zodanige maatregelen, dat zoveel mogelijk hetzelfde effect wordt bereikt als wanneer de meter met de voorgeschreven frequentie zou zijn gekalibreerd, een en ander ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, onderhoudt een brandstofmeter die relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten volgens de instructies van de leverancier of, indien deze niet aanwezig zijn, volgens de voor het toegepaste meetinstrument algemeen geldende instructies.

  • 4 Degene die een inrichting drijft, kalibreert en onderhoudt urentellers en productmeters die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten volgens de gangbare industriële meetpraktijk die voor deze meetinstrumenten geldt.

  • 5 Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

  • 6 Op grond van de resultaten, bedoeld in het tweede lid, beoordeelt degene die de inrichting drijft, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert hij de uitkomst van de beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

  • 7 In geval uit de kalibratie en controles blijkt dat de apparatuur, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, niet naar behoren functioneert, neemt degene die de inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 50. Meetvoorzieningen [Vervallen per 01-01-2013]

Bij een NOx-installatie worden de voorzieningen aangebracht die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de voorgeschreven metingen.

Artikel 51. Melding periodieke of parallelmeting [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, meldt het bestuur van de emissieautoriteit ten minste twee weken van tevoren de datum en het tijdstip waarop een periodieke meting als bedoeld in artikel 44 of een parallelle meting als bedoeld in artikel 48 zal worden uitgevoerd.

  • 2 Indien een periodieke meting of een parallelle meting geen doorgang vindt, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit uiterlijk op de datum waarop die meting zou worden uitgevoerd, gemeld.

Artikel 52. Melding indien geen gebruik van de meetresultaten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt binnen tien werkdagen nadat de resultaten van de periodieke of parallelle meting bekend zijn of hij gebruik maakt van die resultaten.

  • 2 Indien degene die de inrichting drijft, geen gebruik maakt van de resultaten van een periodieke of parallelle meting, meldt hij dit binnen twee weken nadat de resultaten van die meting bekend zijn geworden, onder opgave van redenen aan het bestuur van de emissieautoriteit. Bij deze melding worden bedoelde meetresultaten bijgevoegd.

Artikel 53. Bedrijfsinterne validatieprocedure [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De in het monitoringsplan beschreven bedrijfsinterne validatieprocedure bestaat uit de volgende activiteiten:

    • a. het opstellen en beheer van een jaarplan van bedrijfsinterne validatie;

    • b. het opstellen van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

    • c. de registratie van resultaten van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

    • d. de controle op de wijze waarop bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en de herstelstappen die naar aanleiding daarvan zullen worden gezet.

  • 2 Voor elk van de activiteiten in de bedrijfsinterne validatieprocedure wordt een werkomschrijving opgesteld, bestaande uit:

    • a. een beschrijving van de te valideren meetapparatuur, de berekeningsmethodieken, de uitvoering van vergelijkende metingen en de frequentie daarvan;

    • b. een gedetailleerde en stapsgewijze beschrijving van de wijze waarop bedrijfsinterne validatie plaatsvindt;

    • c. een beschrijving van de wijze waarop, de personen door wie en de plaats waar de resultaten van de bedrijfsinterne validatie worden geregistreerd.

  • 3 Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat de gemeten waarde van de NOx-emissies niet binnen de toegestane nauwkeurigheidseisen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit, blijft, of niet aan de vereiste streefnauwkeurigheid, bedoeld in artikel 42, derde lid, voldoet, wordt dit onverwijld aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.

§ 3.6. Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en organisaties [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 54. Kwaliteitsborging [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 De procedures, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op de interne audit, het documentenbeheer en de registers operationele registraties en kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

Artikel 55. Interne audit [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, stelt voor de uitvoering van de interne audit een procedure vast die voldoet aan de vereisten, genoemd in het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

  • 2 Per kalenderjaar wordt een auditplan opgesteld waarin de interne audits voor dat kalenderjaar zijn gepland.

  • 3 In het eerste jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet is verleend, wordt een specifieke audit uitgevoerd met betrekking tot de wijze waarop het monitoringsplan in de interne bedrijfsvoering is geïmplementeerd en geïntegreerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

  • 4 Met ingang van het tweede jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet is verleend, wordt met betrekking tot elk onderdeel van het monitoringsplan om de drie jaar een audit uitgevoerd. Indien wordt aangesloten bij een al bestaand en goed functionerend auditsysteem binnen de inrichting, gelden in plaats van de in de eerste volzin bedoelde termijn, de termijnen waarbinnen in dat systeem een audit wordt uitgevoerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

  • 5 Van het auditplan alsmede de auditrapporten wordt melding gemaakt in het register kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

Artikel 56. Documentenbeheer [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, stelt voor het beheer van documenten een procedure vast waarvoor gebruik wordt gemaakt van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, onderhoudt het beheer van alle documenten die zijn vereist in het kader van het systeem van handel in NOx-emissierechten en voert het beheer van deze documenten overeenkomstig de procedure, bedoeld in het eerste lid, uit.

Artikel 57. Bedrijfsinterne registraties [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, onderhoudt een register operationele registraties waarin de gegevens met betrekking tot paragraaf 3.5 worden opgeslagen, en een register kwaliteitsregistraties waarin de gegevens met betrekking tot paragraaf 3.6 worden opgeslagen.

  • 2 De bewaartermijn van de registraties, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een kalenderjaar bedraagt tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend.

Artikel 58. Opslag van informatie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, documenteert en bewaart de gegevens inzake de monitoring van de NOx-emissies van de inrichting ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend.

  • 2 De monitoringsgegevens worden op een zodanige wijze gedocumenteerd en bewaard dat het emissieverslag kan worden geverifieerd.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, bewaart de onderstaande gegevens ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend:

    • a. alle gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning, bedoeld in artikel 16.6, eerste lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, van de wet, aan het bestuur van de emissieautoriteit worden verstrekt, waaronder het monitoringsplan;

    • b. alle gegevens die de juistheid aantonen van de te hanteren monitoringsmethodiek;

    • c. de bescheiden waarin de redenen van alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan worden gegeven;

    • d. alle gegevens inzake de veranderingen en de tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan;

    • e. het emissieverslag;

    • f. alle overige informatie die noodzakelijk is om het emissieverslag te kunnen verifiëren.

Artikel 59. Uitbesteding [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Indien degene die een inrichting drijft, werkzaamheden wil uitbesteden en deze uitbesteding effect heeft op de procedures voor kwaliteitsborging, zorgt hij voor een transparant beheer van de werkzaamheden.

  • 2 De maatregelen voor een transparant beheer van de uitbestede werkzaamheden worden in de procedure voor kwaliteitsborging, bedoeld in artikel 54, eerste lid, aangegeven.

§ 3.7. Interne bedrijfsorganisatie [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 60. Verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Bij de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de uitvoering daarvan zijn belast, wordt een personele scheiding aangebracht tussen functies die de uitvoering en de functies die de controle op de naleving betreffen.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde functionele scheiding, gezien de grootte van de inrichting, in redelijkheid niet kan worden geëist. In dat geval wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond dat de wijze waarop de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld een voldoende waarborg is voor een deugdelijke uitvoering van het monitoringsplan en een deugdelijke controle op de uitvoering daarvan.

§ 3.8. Registratie van veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 61. Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Alle veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 63, eerste lid, en alle tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 63a, eerste lid, worden opgenomen in het register overeenkomstig artikel 57, eerste lid.

Artikel 62. Veranderingen van het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 63, eerste lid, worden in een afzonderlijke paragraaf van dat monitoringsplan vermeld.

  • 2 De vermelding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder verwijzing naar de betreffende paragraaf of paragrafen van het monitoringsplan en naar de consequenties van die veranderingen voor de monitoringsmethodiek.

  • 3 Het monitoringsplan wordt bij wijzigingen voorzien van de datum van de wijziging en een nieuw versienummer.

  • 4 Voor veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 63, eerste lid, wordt aangegeven wanneer deze zijn goedgekeurd.

§ 3.9. Melden van veranderingen en tijdelijke afwijkingen monitoringsplan en wijzigingen NOx-installatie [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 63. Significante veranderingen monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Onder een significante verandering van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 16.13a, tweede lid, in verbinding artikel 16.49, tweede lid, van de wet wordt verstaan:

    • a. een of meer veranderingen die een gevolg zijn van veranderingen van de inrichting of de werking daarvan die significante gevolgen hebben voor de emissie van NOx;

    • b. een verandering van de monitoringsmethodiek.

  • 2 Onder een verandering van de monitoringsmethodiek als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan:

    • a. een verandering van de klasse, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X;

    • b. indien artikel 39, tweede lid, van toepassing is: een verandering van de tijd dat een NOx-installatie uit klasse 1, 2 of 3 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X in bedrijf is, waardoor deze tijd 500 uur of meer per kalenderjaar komt te bedragen;

    • c. indien artikel 39, derde lid, van toepassing is: een verandering van de jaarvracht van NOx van een NOx-verbrandingsinstallatie waardoor deze jaarvracht een ton of meer komt te bedragen;

    • d. indien artikel 39, zesde lid, van toepassing is: een verandering als gevolg waarvan er niet langer sprake is van afwijkende procesomstandigheden of een verandering van de jaarvracht van NOx van een NOx-verbrandingsinstallatie waardoor deze jaarvracht een ton of meer komt te bedragen;

    • e. een verandering van de gebruikte methode om de jaarvracht van NOx te bepalen;

    • f. een verandering in de continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 40;

    • g. een verandering in de kentalbepaling;

    • h. een verandering in het geldigheidsgebied van het kental;

    • i. een verandering in de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, het jaarlijkse brandstofverbruik of de jaarlijkse productie, en

    • j. een verandering in de onderbouwing of beschrijving van de monitoringsmethodiek.

  • 4 Een significante verandering als bedoeld in het eerste lid wordt vooraf schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld. Bij de melding wordt een actuele versie van het monitoringsplan overgelegd, waarin de verandering is verwerkt. Bij de melding wordt tevens het tijdstip aangegeven met ingang waarvan beoogd wordt de voorgenomen verandering door te voeren.

Artikel 63a. Tijdelijke afwijkingen monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De houder van de vergunning meldt schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit elke tijdelijke afwijking van de monitoringsmethodiek waarin het monitoringsplan niet voorziet onder opgaaf van de reden voor deze afwijking.

  • 2 Een tijdelijke afwijking als bedoeld in het eerste lid is uitsluitend toegestaan, indien:

    • a. de afwijking maximaal zes maanden duurt,

    • b. de afwijking het gevolg is van een technische storing,

    • c. de gehanteerde afwijkende methodiek niet leidt tot een onderschatting van de emissies, en

    • d. de afwijking het gevolg is van overmacht,

    en de houder van de vergunning alles in het werk stelt om de duur van de tijdelijke afwijking zoveel mogelijk te beperken.

  • 3 Onder tijdelijke afwijking als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een tijdelijke afwijking:

    • a. van de gebruikte methode om de jaarvracht van NOx te bepalen,

    • b. in continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 40,

    • c. van het kental dat op de betrokken processituatie van toepassing is, of

    • d. van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, het jaarlijks brandstofverbruik of de productie.

  • 4 De melding wordt gedaan binnen vijf werkdagen na het ontstaan van de tijdelijke afwijking.

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing indien de houder van de vergunning iedere maand een overzicht aan het bestuur van de emissieautoriteit verstrekt van de afwijkingen, bedoeld in het eerste lid. Dit overzicht wordt telkens voor de zesde dag van die maand bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend.

Artikel 63b. Melding buiten reikwijdte [Vervallen per 01-01-2013]

Indien titel 16.3 van de wet door een omstandigheid niet meer van toepassing is op de inrichting, meldt de houder van de vergunning dit binnen zes weken schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de datum waarop de bedoelde omstandigheid zich heeft voorgedaan.

Artikel 63c. Formulier [Vervallen per 01-01-2013]

Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 63 tot en met 63b, wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde standaardformulier.

§ 3.10. Emissieverslag [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 64. Emissieverslag NOx [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het emissieverslag bevat met betrekking tot het kalenderjaar waarop het betrekking heeft:

    • a. het aantal NOx-emissierechten dat gedurende het kalenderjaar is opgebouwd overeenkomstig artikel 18 van het besluit, inclusief de bijbehorende berekening;

    • b. de gegevens ter identificatie van de inrichting.

  • 2 Het emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage VIII.

§ 3.11. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 64a. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden, en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

  • 3 Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

  • 4 Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

Hoofdstuk 4. Emissies van distikstofoxide [Vervallen per 01-01-2013]

§ 4.1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 65. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

monitoringsmethodiek: het geheel van methoden, dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om de jaarvracht van N2O van een N2O-installatie te bepalen;

N2O-installatie: broeikasgasinstallatie waarin activiteiten worden verricht, die behoren tot een categorie van activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van het besluit.

§ 4.2. Monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 66. Inhoud monitoringsplan algemeen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 In gevallen waarin de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder a, van de wet, vermeldt de aanvrager in het monitoringsplan voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, in elk geval:

    • a. de beoogde houder van de vergunning;

    • b. uittreksel uit het handelsregister;

    • c. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;

    • d. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor de inrichting te verlenen;

    • e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de N2O-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;

    • f. de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;

    • g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 71, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 71, derde lid, van toepassing is: een lijst en een beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;

    • h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op:

      • 1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 4.5;

      • 2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 4.6;

    • i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;

    • j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder h, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;

    • k. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.

  • 2 In het monitoringsplan neemt de aanvrager tevens een beschrijving op alsmede een schematische weergave van:

    • a. de afbakening van de verzameling N2O-installaties binnen de inrichting;

    • b. de naam, identificatie en het identificatienummer van elke N2O-installatie die zich in de inrichting bevindt;

    • c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de materiaalstromen binnen de inrichting;

    • d. de soort N2O-installaties;

    • e. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden en die N2O uitstoten;

    • f. de aansluiting van de desbetreffende bronnen op de N2O-installaties.

  • 3 In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens:

    • a. de capaciteit, uitgedrukt in tonnen vervaardigd product per kalenderjaar, van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie;

    • b. de verwachte N2O-jaarvracht van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie afzonderlijk en alle N2O-installaties tezamen;

    • c. de methode waarmee de totale jaarvracht van N2O van alle N2O-installaties tezamen wordt bepaald.

  • 4 Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en artikel 67, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.

  • 5 Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 4.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 4.5, voldoet omdat het technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:

    • a. de reden waarom degene die de inrichting drijft, niet aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;

    • b. het tijdstip en de wijze waarop degene die de inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen zal voldoen;

    • c. de wijze waarop de jaarvracht van N2O wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.

Artikel 67. Invulling monitoringsplan inrichting [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Onverminderd artikel 66 wordt in het monitoringsplan voor elke N2O-installatie die zich in de inrichting bevindt, de te hanteren monitoringsmethodiek aangegeven, ten minste bestaande uit een beschrijving van:

    • a. de hoeveelheid materiaal die wordt gebruikt bij een maximale capaciteit van de N2O-installatie;

    • b. de methode waarmee de hoeveelheid materiaal die wordt gebruikt in het productieproces wordt bepaald;

    • c. de methode waarmee per N2O-installatie de hoeveelheid geproduceerd salpeterzuur in vracht per uur wordt bepaald, uitgedrukt als HNO3 100%;

    • d. de methode waarmee per N2O-installatie de N2O-concentratie in het afgas, uitgedrukt in mg per Nm3 wordt bepaald;

    • e. de methode waarmee per N2O-installatie het afgas, uitgedrukt in Nm3 per uur, wordt bepaald;

    • f. de wijze waarop of de mate waarin met wisselende belasting in de N2O-installatie wordt geproduceerd, alsmede de aard van de bedrijfsvoering;

    • g. de methode waarmee per N2O-installatie de jaarvracht van N2O wordt bepaald;

    • h. de methode waarop de onder b tot en met g bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;

    • i. de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de jaarvracht van N2O worden gebruikt;

    • j. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten in de N2O-installatie die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem.

  • 2 Onverminderd het eerste lid wordt in het monitoringsplan voor elke N2O-installatie ten minste een beschrijving opgenomen van:

    • a. de van de normale bedrijfsvoering afwijkende procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de N2O-emissies tijdens de afwijkende procesomstandigheden;

    • b. de gegevens waaruit blijkt dat de onzekerheidseis als bedoeld in artikel 69, derde lid, wordt nageleefd;

    • c. de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van N2O en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de productie van salpeterzuur, waarbij in ieder geval worden vermeld:

      • 1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van N2O en berekening van de productie van salpeterzuur te komen;

      • 2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 70 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;

      • 3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;

      • 4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de N2O-emissies en de productie van salpeterzuur;

      • 5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de N2O-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode indien de bepaling van de N2O-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;

      • 6°. in geval het meetinstrument uitvalt of onvoldoende functioneert: de waarde, uitgedrukt in kg/ N2O per uur, die overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVII, hoofdstuk XVII.3, is vastgesteld.

Artikel 68. Model monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

  • 2 Van het model, bedoeld in het eerste lid, mag uitsluitend worden afgeweken indien de reden daarvoor ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt gemotiveerd.

§ 4.3. Monitoringsmethodiek N2O [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 69. Bepaling jaarvracht van N2O [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de jaarvracht van N2O van een zich in de inrichting bevindende N2O-installatie overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVII.

  • 2 De N2O-emissies van een N2O-installatie worden overeenkomstig de bijlage als bedoeld in het eerste lid bepaald door de continue meting van de concentratie van N2O en de concentratie van zuurstof in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet.

  • 3 De waarde van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van de individuele waarnemingen op grond waarvan de uurgemiddelde vracht van N2O wordt bepaald, is kleiner dan 7,5% van de jaargemiddelde uurvracht.

Artikel 70. CEN-normen bij de continue meting van N2O–emissies [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De metingen voor de bepaling van de N2O-emissies, bedoeld in artikel 69, worden uitgevoerd volgens relevante CEN-normen.

  • 2 Indien geen CEN-normen als bedoeld in het eerste lid bestaan, worden ISO-normen gebruikt dan wel andere nationale of internationale normen indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat deze normen waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige kwaliteit worden verstrekt.

  • 3 Een in het eerste lid bedoelde CEN-norm heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

  • 4 De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen, bedoeld in het derde lid, alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

§ 4.4. Meetinstanties [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 71. Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Parallelmetingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen als bedoeld in artikel 69 worden uitgevoerd door een meetinstantie als bedoeld in het tweede lid.

  • 2 Werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid mogen uitsluitend worden verricht door een meetinstantie die voor deze verrichtingen is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

  • 3 In afwijking van het tweede lid mag voor de werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat:

    • a. deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

    • b. deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldende resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.

Artikel 71a. Eisen aan meetinstantie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Een meetinstantie die in opdracht van de houder van de vergunning werkzaamheden als bedoeld in artikel 71, eerste lid, verricht, voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en voert de werkzaamheden uit overeenkomstig het monitoringsplan dat deel uitmaakt van de betrokken vergunning.

  • 2 Het is voor een meetinstantie verboden te handelen in strijd met het eerste lid.

§ 4.5. Kwaliteitsborging meetvoorzieningen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 72. Kwaliteitsborging N2O-metingen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Kwaliteitsborging van de continue metingen van de concentratie van N2O en zuurstof geschiedt overeenkomstig de norm NEN-EN 14181, waarbij in afwijking van deze norm de geïnstalleerde meetapparatuur om de drie jaar door middel van parallelmetingen wordt gekalibreerd.

  • 2 De meetapparatuur die de hoeveelheid luchtstroom meet, wordt jaarlijks gekalibreerd en onderhouden.

Artikel 73. Metingen met behulp van apparatuur [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de ter bepaling van de jaarvracht van N2O geïnstalleerde meet-, monstername- en analyse-apparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd.

  • 2 Degene die een inrichting drijft, geeft in het monitoringplan aan welke onderdelen van een meetinstrument niet kunnen worden gekalibreerd, en stelt alternatieve controleactiviteiten voor.

Artikel 74. Meetvoorzieningen en meldingen [Vervallen per 01-01-2013]

De artikelen 20 tot en met 22 zijn van overeenkomstige toepassing op N2O- emissies en N2O-installaties.

Artikel 75. Bedrijfsinterne validatieprocedure [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat niet wordt voldaan aan NEN-EN 14181 of indien uit de bedrijfsinterne validatie of NEN-EN 14181 blijkt dat een nieuwe kalibratie wordt uitgevoerd, wordt dit onverwijld aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.

§ 4.6. Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en interne organisatie [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 76. Kwaliteitsborging [Vervallen per 01-01-2013]

§ 4.7. Registratie van veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 77. Veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

De artikelen 31 en 32 zijn van overeenkomstige toepassing op N2O-emissies.

§ 4.8. Melden van veranderingen en tijdelijke afwijkingen monitoringsplan N2O-installatie [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 78. Significante veranderingen monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Onder een significante verandering van het monitoringsplan voor een N2O-installatie als bedoeld in artikel 16.13a, tweede lid, van de wet wordt verstaan:

    • a. een of meer veranderingen die een gevolg zijn van veranderingen van de N2O-installatie of de werking daarvan die significante gevolgen hebben voor de emissie van N2O;

    • b. een verandering van de monitoringsmethodiek.

  • 2 Onder een verandering van de monitoringsmethodiek als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan een verandering:

    • a. van de gebruikte methode om de jaarvracht van N2O te bepalen,

    • b. in de continue meting van de concentratie van N2O en de concentratie van zuurstof in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 69,

    • c. in de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van N2O of de jaarlijkse productie van salpeterzuur,

    • d. in de onzekerheidsbepaling, en

    • e. in de onderbouwing of de beschrijving van de monitoringsmethodiek.

  • 4 Een significante verandering als bedoeld in het eerste lid wordt vooraf schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld. Bij de melding wordt een actuele versie van het monitoringsplan overgelegd, waarin de verandering is verwerkt. Bij de melding wordt tevens het tijdstip aangegeven met ingang waarvan beoogd wordt de voorgenomen verandering door te voeren.

Artikel 78a. Tijdelijke afwijkingen monitoringsplan [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De houder van de vergunning meldt schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit elke tijdelijke afwijking van de monitoringsmethodiek waarin het monitoringsplan niet voorziet onder opgaaf van de redenen.

  • 2 Onder tijdelijke afwijking van de monitoringsmethodiek als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. een tijdelijke afwijking van de gebruikte methode om de jaarvracht van N2O te bepalen,

    • b. een tijdelijke afwijking in de continue meting van de concentratie van N2O en de concentratie van zuurstof in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 69,

    • c. een tijdelijke afwijking in de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van N2O of de jaarlijkse productie van salpeterzuur, of

    • d. een verandering in de onzekerheidsbepaling.

  • 3 De melding wordt gedaan binnen vijf werkdagen na het ontstaan van de tijdelijke afwijking.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing indien de houder van de vergunning iedere maand een overzicht aan het bestuur van de emissieautoriteit verstrekt van de afwijkingen, bedoeld in het eerste lid. Dit overzicht wordt telkens voor de zesde dag van die maand bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend.

Artikel 78b. Formulier [Vervallen per 01-01-2013]

Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 78 en 78a, wordt gebruikgemaakt van het ter zake door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde standaardformulier.

§ 4.9. Emissieverslag [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 79. Emissieverslag N2O [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het emissieverslag bevat met betrekking tot het kalenderjaar waarop het betrekking heeft:

    • a. de gegevens ter identificatie van de inrichting, en

    • b. de codes voor de rapportagesystemen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IX, waarmee elke activiteit die in de inrichting plaatsvindt, wordt aangeduid.

  • 2 Als model voor het opstellen van het emissieverslag geldt het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage VIII.

§ 4.10. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 79a. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

  • 3 Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

  • 4 Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 80. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2013]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 81. Titel [Vervallen per 01-01-2013]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling monitoring handel in emissierechten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 14 december 2004

De

Staatssecretaris

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P.L.B.A. van Geel

Bijlage I. bij de Regeling monitoring handel in emissierechten [Vervallen per 01-01-2013]

Het model van het monitoringsplan, bedoeld in de artikelen 5 en 38 van de Regeling monitoring handel in emissierechten

Paragraaf

Titel

 

Inhoudsopgave

 

Niet-technische samenvatting

 

Deel A: Systeeminrichting

1

Algemene bedrijfsgegevens

1.1

Algemene gegevens van de bedrijfslocatie

1.2

Hoofdlijnen van de bedrijfsactiviteiten binnen de bedrijfslocatie

1.3

Identificatie en afbakening van de CO2-installatie, CO2-eenheden, NOx-installaties en bronnen alsmede N2O-installaties en bronnen

   

2

Monitoringsmethodiek

2.1

CO2-monitoringsmethodiek:

– Klassebepaling CO2-installatie

– Gebruikte bepalingsmethode

– Keuze berekenen of meten

– Berekenen CO2-emissies

– Meten CO2-emissies

– Onzekerheidsbepaling

2.2

N2O- monitoringsmethodiek

– Identificatie van de N2O-installaties

– Bepalingsmethode

– Parameters

– N2O-emissies

2.3

NOx-monitoringsmethodiek

– Identificatie en klassenbepaling van de NOx-installaties

– Bepalingsmethode

– Parameters

– NOx-emissies

2.4

Opbouw NOx-emissierechten

2.5

Onderbouwingen en beschrijvingen

   

3

Afwijkingen en wijzigingen in monitoringsplan

3.1

Afwijkingen ten opzichte van de vereiste structuur

3.2

Wijzigingen ten opzichte van de laatst gevalideerde versie van het monitoringsplan

   

Deel B: Operationele procedures

4

Van meten tot rapporteren

4.1

Procedures van meten tot rapporteren

4.2

Werkomschrijvingen van meten tot rapporteren

4.3

Beschrijving van middelen

   

5

Bedrijfsinterne validatie

5.1

Procedures bedrijfsinterne validatie

5.2

Werkomschrijvingen bedrijfsinterne validatie

5.3

Beschrijving van middelen

5.4

Inspecties en onderhoud

   

6

Kwaliteitsborging van bedrijfsinterne organisatie en opslag van informatie

6.1

Interne audits

6.2

Documentenbeheer

6.3

Register van registraties

6.4

Opslag van informatie

6.5

Uitbesteding

   

7

Bedrijfsinterne organisatie

   

8

Lijst met gebruikte afkortingen en definities

Bijlage II. Specifieke eisen voor de monitoring van CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

Deze bijlage behoort bij de artikelen 6, eerste lid, 8, tweede lid, 9, derde lid, en artikel 23, derde lid van de regeling.

Hoofdstuk II.1. Eisen voor CO2-eenheden met verbrandingsemissies en verbrandingsemissies [Vervallen per 01-01-2013]

Dit hoofdstuk is van toepassing op CO2-eenheden met verbrandingsemissies en de monitoring van verbrandingsemissies van andere activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.2.2, 2.2.2.3.1, eerste alinea, derde volzin, paragraaf 3.1, derde alinea, paragraaf 3.2.2.2, paragraaf 4.1, derde alinea, paragraaf 4.2.2.2, paragraaf 5.1, vierde alinea, paragraaf 5.2.2.2, paragraaf 6.1, paragraaf 6.2.2.1 eerste en tweede volzin, paragraaf 7.1, paragraaf 7.2.2.1, eerste en tweede volzin, paragraaf 8.1, paragraaf 8.2.2.1, paragraaf 9.2.2.1, paragraaf 10.1, tweede volzin, paragraaf 10.2.2.1 van deze bijlage.

§ 1.1. Toepassing specifieke eisen [Vervallen per 01-01-2013]

1.1.1. Monitoring van CO2-emissies [Vervallen per 01-01-2013]

De monitoring van CO2-emissies van een verbrandingsproces omvat de CO2-emissies vanuit de verbranding van alle brandstoffen in de CO2-installatie alsmede de CO2-emissies vanuit gasreinigingsprocessen, zoals voor de verwijdering van zwaveldioxide.

Van de monitoring zijn uitgezonderd de CO2-emissies uit verbrandingsmotoren voor vervoersdoeleinden.

1.1.2. Toewijzing en overdragen van CO