Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang[Regeling vervallen per 01-01-2012.]

Geldend van 26-08-2010 t/m 31-12-2011

Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 november 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/KO/2004/69683, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang (Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 64 en 101 van de Wet kinderopvang;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 1. Definities [Vervallen per 01-01-2012]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: Wet kinderopvang;

  • b. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in artikel 61 van de wet;

  • c. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;

  • d. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, alsmede gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties;

  • e. inspectierapport: het inspectierapport, bedoeld in artikel 63 van de wet;

  • f. college: college van burgemeester en wethouders.

Paragraaf 2. Werkwijze toezichthouder [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 2. Werkzaamheden toezichthouder [Vervallen per 01-01-2012]

De werkzaamheden van de toezichthouder bestaan uit:

  • a. het beoordelen van de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van een gastouderbureau of houder van een voorziening voor gastouderopvang op basis van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, van de Wet kinderopvang gegeven voorschriften en de bij de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang gegeven voorschriften;

  • b. het bij de uitoefening van de onder a bedoelde werkzaamheden voeren van overleg met betrokkenen van het betreffende kindercentrum , gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, met dien verstande dat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de wet ten minste overleg plaatsvindt met de houder of diens vertegenwoordiger, met personeel en met één of meer vertegenwoordigers van de oudercommissie, evenals het voeren van overleg met vertegenwoordigers van de gemeente waar het betreffende kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, tenzij dit naar het oordeel van de toezichthouder in verband met de kwaliteit van de kinderopvang bij het betreffende kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van het betreffende gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, niet noodzakelijk wordt geacht; en

  • c. het rapporteren over de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum respectievelijk over de uitvoering van de werkzaamheden bij een gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang.

Artikel 3. Toetsingskaders [Vervallen per 01-01-2012]

  • 2 Voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang wordt een toetsingskader ingericht, overeenkomstig het model in bijlagen 1, 2, 3 en 4 bij deze regeling.

Artikel 4. Onderzoek voor registratie [Vervallen per 01-01-2012]

  • 1 Voordat de toezichthouder een onderzoek verricht als bedoeld in artikel 3 stelt hij aan de hand van bijlagen 1, 2, 3 en 4, bedoeld in artikel 3, tweede lid, vast of sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang in de zin van de wet en of een aanvraag is gedaan in de zin van de wet voor deze opvang.

  • 2 Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang in de zin van de wet, dan vindt artikel 3, eerste lid, geen toepassing. In dat geval informeert de toezichthouder het college van de gemeente waar de opvang, niet zijnde kinderopvang in de zin van de wet,voorkomt.

  • 3 Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van niet-gemelde kinderopvang in een kindercentrum of niet-gemelde gastouderopvang die door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de toezichthouder het college van burgemeester en wethouders waar de niet-gemelde kinderopvang of de niet-gemelde gastouderopvang voorkomt.

Artikel 5. Onderzoek na aanvangsdatum exploitatie [Vervallen per 01-01-2012]

  • 1 Binnen drie maanden nadat een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie is genomen, vindt een onderzoek als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de wet plaats, behoudens bijzondere omstandigheden.

  • 2 Het eerste lid is tot en met 31 december 2010 niet van toepassing ten aanzien van voorzieningen voor gastouderopvang.

Artikel 6. Nader onderzoek [Vervallen per 01-01-2012]

Onverminderd de artikelen 65 en 66, alsmede hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet verricht de toezichthouder, afhankelijk van de ernst van de in het inspectierapport geconstateerde tekortkomingen, nader onderzoek, indien is gebleken dat de houder van het desbetreffende kindercentrum, gastouderbureau of de desbetreffende voorziening voor gastouderopvang de kwaliteitsverbeteringen niet binnen de in het inspectierapport gestelde termijn heeft gerealiseerd. Artikel 3 is van toepassing.

Artikel 7. Procedure ontwerprapport van regulier en incidenteel onderzoek [Vervallen per 01-01-2012]

  • 2 Binnen twee weken na de ontvangst van het ontwerprapport, bedoeld in het eerste lid, wordt door de GGD-ambtenaar met de houder overleg gevoerd over de inhoud van het ontwerprapport.

  • 3 De houder krijgt twee weken de gelegenheid zijn zienswijze over de inhoud van het ontwerprapport schriftelijk kenbaar te maken.

  • 4 De toezichthouder stelt het inspectierapport binnen twee weken na het tijdstip bedoeld in het tweede of derde lid, vast. De toezichthouder stelt het college daarvan in kennis.

  • 5 Indien ingevolge artikel 62, derde lid, tweede volzin, van de wet geen openbaar inspectierapport wordt opgemaakt, stelt de toezichthouder de houder en het college van de gemeente waar het kindercentrum of gastouderbureau is gevestigd daarvan in kennis.

Artikel 8. Inspectierapport [Vervallen per 01-01-2012]

  • 1 Een inspectierapport bevat:

    • a. de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang waar een onderzoek is uitgevoerd, evenals de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder;

    • b. de soort opvang die is onderzocht;

    • c. de naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;

    • d. de naam en het adres van de vestiging van de GGD waar de ambtenaar die het onderzoek heeft uitgevoerd werkzaam is;

    • e. de aanleiding voor een onderzoek;

    • f. de datum en tijdstip van een onderzoek;

    • g. de wijze waarop een onderzoek aan de hand van een toetsingskader is uitgevoerd; en

    • h. een betekenisvolle beschouwing, waarin onderzoeksresultaten en conclusies congrueren en een onderscheid is aangebracht tussen de naleving van de wettelijke kwaliteitsvoorschriften en de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang.

  • 2 Voorts bevat een inspectierapport zo nodig:

    • a. een opgave van de kwaliteitsvoorschriften waaraan niet of niet in voldoende mate is voldaan, waarbij wordt aangegeven welk voorschrift van de wet of van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang het betreft, met dien verstande dat bij een onderzoek na een aanvraag als bedoeld in artikel 45 van de wet tevens wordt aangegeven welke voorschriften vooralsnog niet kunnen worden beoordeeld;

    • b. ingeval van afwijking van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang tevens de redenen van de houder tot afwijking daarvan;

    • c. een overzicht van gemaakte afspraken;

    • d. de aankondiging van een nader onderzoek; en

    • e. een advies aan het college van de gemeente waar het betreffende kindercentrum, gastouderbureau of de betreffende voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, daaronder mede begrepen voorstellen over mogelijk te treffen maatregelen.

  • 3 Voor dagopvang, buitenschoolse opvang, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus wordt een inspectierapport ingericht, overeenkomstig de bijlagen 5, 6, 7 en 8 bij dit besluit.

  • 4 In de definitieve versie van het inspectierapport, bedoeld in het derde lid, wordt in ieder geval de datum opgenomen waarop het rapport definitief is vastgesteld.

Artikel 8a. Brief gastouders [Vervallen per 01-01-2012]

  • 1 In afwijking van artikel 8 wordt in plaats van bijlage 7 in het kalenderjaar 2010 en het kalenderjaar 2011 voor voorzieningen voor gastouderopvang volstaan met een brief welke in ieder geval bevat:

    • a. naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder van een voorziening voor gastouderopvang;

    • b. soort van opvang die is onderzocht;

    • c. naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;

    • d. naam en adres van de vestiging van de GGD waar de desbetreffende ambtenaar werkzaam is;

    • e. aanleiding van het onderzoek;

    • f. een beknopte weergave van de onderzoeksresultaten; en

    • g. de zienswijze van de houder van een voorziening voor gastouderopvang (indien beschikbaar).

  • 2 Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012.

Artikel 8b. Onderzoek en registratie voorzieningen voor gastouderopvang in de periode 1 juli 2010 tot en met 31 december 2011 [Vervallen per 01-01-2012]

  • 2 Indien de toezichthouder het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend heeft verricht aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel A, en indien werd voldaan aan dat gedeelte van het toetsingskader, verricht de toezichthouder uiterlijk op 31 december 2011 alsnog een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel B, naar een voorziening voor gastouderopvang waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder,

  • 3 Een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel B kan uiterlijk 31 december 2011 eveneens plaatsvinden bij een andere voorziening voor gastouderopvang dan die, bedoeld in het tweede lid, indien sprake is van een ernstig vermoeden dat bij die andere voorziening de exploitatie niet zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, van de wet, dan wel op basis van een steekproef.

  • 4 Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012.

Paragraaf 3. Overgangs- slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 9. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2012]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en geldt voor kalenderjaren die aanvangen op of na 1 januari 2005.

Artikel 10. Citeertitel [Vervallen per 01-01-2012]

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1 tot en met 4 liggen met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage bij de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

's-Gravenhage, 10 november 2004

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A.J. de Geus

Bijlage 1. bij Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (artikel 3, tweede lid) [Vervallen per 01-01-2012]

Toetsingskader dagopvang [Vervallen per 01-01-2012]

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Het toetsingskader dagopvang bevat de domeinindeling en de voorwaarden. Het kader betreft een inhoudelijke uitwerking van de kwaliteitsaspecten, ingedeeld naar domeinen en voorwaarden. Vastgelegd is naar welke kwaliteitsaspecten de toezichthouder kijkt. De verschillende vormen van onderzoek (onderzoek na aanvraag registeropname, periodiek onderzoek, incidenteel onderzoek en nader onderzoek) vinden plaats op basis van dit kader. Aan de hand van dit toetsingskader komt de toezichthouder tot een oordeel over de mate waarin aan de basiskwaliteitseisen van dagopvang wordt voldaan.

De kwaliteitsaspecten die de toezichthouder beoordeelt voor dagopvang zijn ingedeeld naar de volgende domeinen:

  • 0. kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang;

  • 1. ouders;

  • 2. personeel;

  • 3. veiligheid en gezondheid;

  • 4. accommodatie en inrichting;

  • 5. groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio;

  • 6. pedagogisch beleid en praktijk;

  • 7. klachten.

Elk domein kent verschillende voorwaarden; criteria waarop wordt getoetst of wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorschriften uit de Wet kinderopvang, Besluit Registratie Kinderopvang, de Regeling Wet kinderopvang, de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. Voor het domein pedagogische praktijk zijn indicatoren opgenomen waaraan de praktijk wordt getoetst.

Het toetsingskader buitenschoolse opvang is opgesteld door GGD Nederland, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Dit toetsingkader is gewijzigd in november 2009. Het toetsingskader gaat in op 1 januari 2010.

Domeinindeling, voorwaarden en beslisregels [Vervallen per 01-01-2012]

0. Kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

0.1. Kinderopvang in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, eerste lid)

Beleidsregels werkwijze toezichthouder (artikel 4, eerste lid)

Voorwaarden

1 De opvang vindt bedrijfsmatig of anders dan om niet plaats.

2 Gedurende de opvang wordt verzorging en opvoeding geboden.

3 De opvang is gericht op kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

1. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

1.1. Reglement oudercommissie1,2 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

Voorwaarde

1 De houder heeft een reglement oudercommissie vastgesteld.

1.1.1. Inhoud reglement oudercommissie3 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

Voorwaarden

1 Het reglement omvat regels omtrent het aantal leden.

2 Het reglement omvat regels omtrent de wijze van kiezen van de leden.

3 Het reglement omvat regels omtrent de zittingsduur van de leden.

4 Het reglement omvat geen regels omtrent werkwijze van de oudercommissie.

5 De houder wijzigt het reglement na instemming van de oudercommissie.

1.2. Instellen oudercommissie4 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

Voorwaarde

1 De houder heeft een oudercommissie ingesteld.

1.2.1. Voorwaarden oudercommissie5 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

Voorwaarden

1 De houder is geen lid.

2 Het personeel is geen lid.

3 De leden worden gekozen uit en door de ouders.

4 De houder stelt de oudercommissie in de gelegenheid haar eigen werkwijze te bepalen.

1.2.2. Adviesrecht oudercommissie6 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 60 en 60a)

Voorwaarden

1 De houder stelt de oudercommissie in staat haar advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot de genoemde onderwerpen1.

2 De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.

3 Van een gevraagd advies van de oudercommissie wijkt de houder alleen af indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet.

4 De houder geeft de oudercommissie gelegenheid ook ongevraagd te adviseren over de genoemde onderwerpen1.

1 Het gaat hier om de volgende onderwerpen: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; voedingsaangelegenheden van algemene aard; het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid, gezondheid; de openingstijden; het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen; de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; wijziging van de prijs van kinderopvang.

1.3. Informatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 54 en 63, vierde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang 1 (artikel 3, tweede lid)

Voorwaarden

1 De houder informeert de ouders over het te voeren beleid2.

2 De houder informeert de ouders en de kinderen in welke stamgroep het kind verblijft en welke beroepskrachten op welke dag bij welke groep horen 3, 4.

3 De houder legt een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.

4 De informatie is gedetailleerd genoeg om ouders een adequaat beeld van de praktijk te geven.

5 De praktijk sluit aan bij de aan de ouders verstrekte informatie.

1 Normen ontleend aan de beleidsregel gelden als richtlijn. De houder mag daar eventueel van afwijken, mits hij daarvoor een goede reden heeft en ten minste een gelijkwaardig alternatief biedt voor hetgeen de betreffende norm in de beleidsregel beoogt. Is dat het geval dan is de beleidsregel op dat onderdeel niet van toepassing.

2 Het gaat hier om: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie; de groepsgrootte; de opleidingseisen van de beroepskrachten; het beleid met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen; het te voeren beleid inzake veiligheid en gezondheid, waaronder de risico-inventarisatie; het te voeren beleid inzake de te gebruiken voertaal, voor zover geen Nederlands.

3 Deze beroepskrachten zijn tevens aanspreekpunt voor de ouders van het kind.

4 Deze voorwaarde geldt niet voor kinderen die gebruik maken van een flexibel aanbod, dat er uit bestaat dat de dagen waarop deze kinderen komen per week verschillen. Welke kinderen dat zijn moet blijken uit het contract tussen de houder en de ouders van het kind (Beleidsregels kwaliteit kinderopvang, artikel 3, zesde lid).

2. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, derde, vierde en vijfde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10)

Voorwaarden

1 Personen werkzaam bij het kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag1.

2 De verklaring omtrent het gedrag is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het kindercentrum overlegd.

3 De verklaring omtrent het gedrag is bij overleggen niet ouder dan twee maanden.

1 Deze verplichting geldt voor de houder, bestuurder of werknemer, met uitzondering van werknemers die niet op het kindercentrum werkzaam zijn. Het gaat hierbij om alle bestuurders, dus ook om leden van een stichtingsbestuur of van een raad van toezicht. De verplichting tot overleggen van een verklaring omtrent het gedrag geldt ook voor uitzendkrachten werkzaam op een kindercentrum. Conform art. 10, lid 3, dienen zij alleen de eerste keer dat de werkzaamheden op een kindercentrum aanvangen, een verklaring omtrent het gedrag te overleggen. Voor stagiaires die minimaal drie maanden worden ingezet geldt dat zij in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag of datbij aanvang van hun eerste stageperiode een VOG voor hen moet zijn aangevraagd.

2.2. Passende beroepskwalificatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, eerste lid)

Voorwaarde

1 Alle beroepskrachten beschikken over de voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie zoals in de CAO kinderopvang is opgenomen1.

1 Voor personen die vanaf een moment vóór mei 1991 in dienst zijn bij huidige werkgever geldt een overgangsbepaling.

2.3. Voorwaarden en inzet van pedagogisch medewerkers in ontwikkeling (PMIO) [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, tweede lid)

Voorwaarden

1a Alle PMIO’ers beschikken over een diploma op minimaal MBO-3 niveau;

OF

1b Een HAVO of VWO diploma;

OF

1c Een voor de kinderopvang relevant, maar nog niet gelijkgesteld buitenlands diploma én relevante werkervaring.

2 Voor alle PMIO’ers is binnen 2 maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst een persoonlijk ontwikkelplan opgesteld.

3 Alle PMIO’ers worden ingezet conform een actueel persoonlijk ontwikkelplan.

2.4. Gebruik van de voorgeschreven voertaal7 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 55)

Voorwaarde

1a De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt.

OF

1b Er wordt een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in deze specifieke omstandigheid daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode1.

1 Het gaat hier bijvoorbeeld om een kindercentrum voor kinderen van internationale bedrijven of organisaties waar de voertaal bijvoorbeeld Engels is.

3. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Risico-inventarisatie veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid van maximaal een jaar oud1.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid betreffende de actuele situatie.

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

3.1.1. Beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de veiligheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verstikking, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

3 Er is een registratie van ongevallen, waarbij per ongeval de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum van het ongeval en een overzicht van te treffen maatregelen worden vermeld.

3.1.2. Uitvoering beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van het plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

3.2. Risico-inventarisatie gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid van maximaal een jaar oud1.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid betreffende de actuele situatie.

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

3.2.1. Beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de gezondheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

3.2.2. Uitvoering beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

3.3. Protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

Voorwaarde

De houder heeft een protocol kindermishandeling welke voldoet aan de beschreven eisen1.

1 Het protocol hanteert de definitie van kindermishandeling conform de Wet op de Jeugdzorg (2005), welke als volgt luidt: ‘Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.’

In het protocol zijn verantwoordelijkheden per organisatielaag uitgesplitst in taken en bevoegdheden.

Het protocol bevat een stappenplan waarin minimaal de volgende fases aan bod komen: vermoeden, overleg, plan van aanpak, beslissen, handelen, evaluatie en nazorg.

Het stappenplan bevat een tijdslijn vanaf de persoon met een vermoeden van kindermishandeling tot en met de nazorg. Het stappenplan is voorzien van een heldere toelichting, hulpmiddelen voor het doorlopen ervan en aandachtspunten voor de gespreksvoering met verschillende partijen.

Het protocol bevat een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied, uitgesplitst voor de groep van 0–4 jaar en de groep van 4–12 jaar, om kindermishandeling zo vroeg mogelijk te signaleren. De ontwikkelingsgebieden per leeftijdscategorie (0–4 jarigen dan wel 4–12 jarigen) die in de lijst aan bod dienen te komen zijn: psycho-sociale signalen, medische signalen, kenmerken verzorgers/gezin, signalen specifiek voor seksueel misbruik, signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.

Het protocol besteedt aandacht aan de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens. In het protocol dienen de volgende punten met betrekking hierop behandeld te worden: zorgvuldig handelen, inzagerecht ouders/wettelijk vertegenwoordigers, contact met andere instellingen, omgaan met schriftelijke informatie.

Het protocol besteedt aandacht aan de mogelijke situatie dat een beroepskracht de vermoedelijke dader is.

Het protocol bevat praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het Advies&Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

3.3.1. Beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

Voorwaarde

1 De houder draagt er zorg voor dat beroepskrachten op de hoogte zijn van de inhoud van het protocol kindermishandeling.

3.3.2. Uitvoering beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het protocol.

2 De beroepskrachten handelen aantoonbaar naar het protocol kindermishandeling.

4. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Binnenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 5)

Voorwaarden

1 Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste groepsruimte.

2 Er is ten minste 3,5 m2 bruto oppervlakte in de groepsruimte beschikbaar per kind, waaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte.

3 De binnenspeelruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal op te vangen kinderen.

4 De binnenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

4.2. Slaapruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 6)

Voorwaarden

1 Er is een afzonderlijke slaapruimte voor in ieder geval kinderen tot anderhalf jaar.

2 De slaapruimte is afgestemd op het aantal op te vangen kinderen.

4.3. Buitenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 7, eerste lid)

Voorwaarden

1 Er is ten minste 3 m2bruto buitenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind.

2 De buitenspeelruimte is voor kinderen toegankelijk.

3 De buitenspeelruimte is aangrenzend aan het kindercentrum.

4 De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

5. Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

5.1. Opvang in groepen [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, eerste en vierde lid)

Voorwaarden

1 De opvang vindt plaats in stamgroepen1.

2a De stamgroep bestaat uit maximaal 12 kinderen tot 1 jaar.

OF

2b De stamgroep bestaat uit maximaal 16 kinderen van 0 tot 4 jaar waarvan maximaal 8 kinderen tot 1 jaar.

1 Indien het kindercentrum daarvoor kiest, mogen de kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroepruimte verlaten.

5.2. Vaste beroepskrachten en vaste ruimtes [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang 1 (artikel 3, derde en vierde lid)

Voorwaarden

1 Ieder kind heeft maximaal drie vaste beroepskrachten2.

2 Dagelijks is minimaal één van de vaste beroepskrachten werkzaam op de groep van het kind.

3 Ieder kind maakt van maximaal twee stamgroepruimtes3 gebruik gedurende een week.

1 Voorwaarden 1, 2 en 3 gelden niet voor kinderen die gebruik maken van een flexibel aanbod, dat er uit bestaat dat de dagen waarop deze kinderen komen per week verschillen. Welke kinderen dat zijn moet blijken uit het contract tussen de houder en de ouders van het kind.

2 Indien in de groep met drie beroepskrachten tegelijk wordt gewerkt, worden er maximaal vier vaste beroepskrachten toegewezen aan ieder kind.

3 Een stamgroepruimte is de ruimte waar de kinderen van de dagopvang het grootste deel van de dag aanwezig zijn.

5.3. Beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, tweede, derde, zevende en achtste lid)

Voorwaarden

1 De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk gelijktijdig aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste:

– 1 beroepskracht per 4 aanwezige kinderen tot 1 jaar;

– 1 beroepskracht per 5 aanwezige kinderen van 1 tot 2 jaar;

– 1 beroepskracht per 6 aanwezige kinderen van 2 tot 3 jaar;

– 1 beroepskracht per 8 aanwezige kinderen van 3 tot 4 jaar.

Bij kinderen van verschillende leeftijden in één groep wordt het rekenkundig gemiddelde berekend1, 2.

2 Indien conform de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, dan is ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld.

1 Als bij (spel)activiteiten de kinderen de stamgroep verlaten, kan de beroepskracht-kind-ratio op kindercentrumniveau worden vastgesteld volgens dezelfde sleutel. De op de locatie aanwezige beroepskrachten houden zich bezig met taken die direct met de kinderen te maken hebben.

2 Zie Bijlage 1: Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind-ratio bij groepen dagopvang van samengestelde leeftijd en Bijlage 2: Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind-ratio bij samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang.

5.4. Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio bij openingstijden van 10 uur of langer [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, tiende, elfde en twaalfde lid)

Voorwaarden

1 Gedurende de genoemde openingstijden kunnen ten hoogste drie uur per dag, niet aaneengesloten, minder beroepskrachten ingezet worden dan volgens de beroepskracht-kind-ratio vereist is.

2 De drie uur afwijkende inzet betreft uitsluitend de tijd voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze.

3 De afwijking betreft maximaal anderhalf aaneengesloten uren voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze gedurende maximaal twee uur aaneengesloten.

4 Minstens de helft van het aantal vereiste beroepskrachten wordt ingezet wanneer er tijdelijk wordt afgeweken van de beroepskracht-kind-ratio.

5 Indien als gevolg van het afwijken van de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum ingezet wordt, dan is er ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

6. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

6.1. Pedagogisch beleidsplan8 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Voorwaarde

1 De houder heeft een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

6.1.1. Inhoud pedagogisch beleidsplan [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Voorwaarden

1 In het pedagogisch beleidsplan staat in duidelijke en observeerbare termen het volgende beschreven: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.

2 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de werkwijze, de maximale omvang en de leeftijdsopbouw van de stamgroep.

3 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen bij welke (spel)activiteiten kinderen hun stamgroep verlaten.

4 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen1.

1 Het betreft volwassenen die ingezet worden als achterwacht in het geval van calamiteiten.

6.1.2. Pedagogische praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.

2 De beroepskrachten handelen conform het pedagogisch beleidsplan.

6.2. Emotionele veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 De beroepskracht communiceert met de kinderen.

2 De beroepskracht heeft een respectvolle houding naar de kinderen.

3 Er heerst een ontspannen, open sfeer in de groep.

4 De kinderen worden uitgenodigd tot participatie.

5 Kinderen hebben vaste beroepskrachten en bekende leeftijdsgenootjes om zich heen.

6 Er is informatieoverdracht tussen ouders en beroepskracht.

6.3. Persoonlijke competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt en stimuleert individuele kinderen.

2 Er is een goede interactie tussen beroepskracht en individuele kinderen.

3 Kinderen hebben de mogelijkheid om eigen ervaringen op te doen middels spelmateriaal, activiteitenaanbod en inrichting.

4 Er is aandacht voor leermomenten. Hierbij is taal en motorisch spel van jonge kinderen belangrijk.

6.4. Sociale competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in de interactie tussen kinderen onderling.

2 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in het voorkómen en oplossen van conflicten.

3 De kinderen maken deel uit van het groepsgebeuren.

6.5. Overdracht van normen en waarden [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn aanwezig.

2 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn duidelijk.

3 Afspraken, regels en omgangsvormen worden aan de kinderen uitgelegd.

4 Beroepskrachten geven zelf in hun spreken en handelen het goede voorbeeld.

7. Klachten [Vervallen per 01-01-2012]

7.1. Wet klachtrecht cliënten zorgsector [Vervallen per 01-01-2012]

Wet klachtrecht cliënten zorgsector (artikelen 1, 2, 2a en 3c)

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van ouders.

3 De houder ziet erop toe dat de klachtencommissie werkt met een reglement.

4 De houder hanteert de termijn waarbinnen schriftelijk wordt gereageerd naar aanleiding van een oordeel van de klachtencommissie2.

5 De houder leeft geheimhoudingsplicht na.

6 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven3.

7 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

1 Door of namens een cliënt kan bij de klachtencommissie een klacht tegen een zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens de cliënt.

Klachten van cliënten worden behandeld door een klachtencommissie (min. 3 leden, voorzitter klachtencommissie niet in dienst bij de organisatie, persoon waarover geklaagd wordt, mag niet in de commissie zitten).

Binnen een afgesproken termijn moeten klager, degene over wie geklaagd is en houder schriftelijk en met redenen omkleed in kennis worden gesteld van het oordeel (gegrondheid en evt. aanbevelingen). Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden).

Klager en degene over wie geklaagd is worden in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden (schriftelijk of mondeling).

Klager en beklaagde mogen zich laten bijstaan.

2 De houder deelt de klager en de klachtencommissie, binnen een maand na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja, welke. Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden) en wordt er een nieuwe termijn afgesproken.

3 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

7.2. Klachtenregeling oudercommissie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 60a)

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van oudercommissie.

3 De houder zorgt voor naleving van de regeling.

4 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven2.

5 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

1 De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.

2 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2012]

Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind ratio bij groepen dagopvang, op grond van artikel 3, tweede en derde lid, van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

Leeftijd

Beroepskrachten

Maximale aantal

0 tot 1 1 4
1 tot 2 1 5
2 tot 3 1 6
3 tot 4 1 8

0 tot 2

1

4,5

0 tot 3

1

5

0 tot 4

1

5,75

1 tot 3

1

5,5

1 tot 4

1

6,33

2 tot 4

1

7

Bij de berekening van het maximale aantal kinderen in een groep en het minimaal vereiste aantal beroepskrachten, wordt bij groepen, samengesteld uit kinderen van verschillende leeftijden, een vaste volgorde aangehouden. De eerste stap daarbij is dat het maximale aantal kinderen per leeftijdscategorie wordt berekend, bijvoorbeeld maximaal vier baby’s (‘0-jarigen’) per beroepskracht. De tweede stap is vervolgens de berekening van het resterende aantal kinderen en de daarbij behorende maxima. Er wordt naar boven afgerond; bij een rest van 0,5 of hoger wordt naar 1 afgerond. Een rest lager dan 0,5 zal naar beneden worden afgerond.

Bijlage 2 [Vervallen per 01-01-2012]

Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind ratio bij samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang [Vervallen per 01-01-2012]

In het kader van kwaliteit van kinderopvang is een samengestelde groep in de brede leeftijdscategorie van 0–13 jaar geen voorkeursoptie van Convenantpartijen.

Maar in sommige situaties kan de kleinschaligheid een dergelijke groepssamenstelling noodzakelijk maken, waarbij bijvoorbeeld kinderen in de BSO-leeftijd voor een deel van de dag worden samengevoegd met de kinderen in de dagopvang. Met een goede, naar leeftijd gedifferentieerde werkwijze kan er dan nog steeds sprake zijn van kwalitatief verantwoorde kinderopvang. Gecombineerde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang kunnen in pedagogisch opzicht waardevol zijn, bijvoorbeeld wanneer de jongste BSO-kinderen en de oudste dagopvang-kinderen in een samengestelde groep verblijven, en hier in de pedagogische werkwijze nadrukkelijk condities aan worden gesteld.

Bij de uitwerking van de beroepskracht-kind ratio in samengestelde groepen zijn onderstaande uitgangspunten gehanteerd:

  • Voorondersteld wordt dat er sprake is van een gelijkmatige verdeling van de verschillende leeftijden over de groep.

  • Vervolgens is het gemiddelde bepaald zoals opgenomen in Convenant, waarbij het aantal kinderen in relatie tot één pedagogisch medewerker de basis van de berekening vormt.

  • In deze berekening heeft alléén aan het eind van de berekening afronding naar boven plaatsgevonden; het ‘doorrekenen’ gaat uit van onafgeronde getallen.

  • De tabel 0 tot en met 3-jarigen blijft onverkort van toepassing.

Indien met samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang wordt gewerkt, moet in het pedagogisch beleidsplan een duidelijke, naar leeftijd gedifferentieerde, beschrijving gegeven worden van de activiteiten en dagindeling van deze groep.

Leeftijd

Beroepskrachten

Maximale aantal

0 tot 1 1 4
1 tot 2 1 5
2 tot 3 1 6
3 tot 4 1 8
4 tot 13 1 10
4 tot 8 1 10
8 tot 13 1 10
     

0 tot 13

1

6,661

1 tot 13

1

7,252

2 tot 13

1

83

3 tot 13

1

94

1 Waarvan maximaal vier 0 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 0-jarigen.

2 Waarvan maximaal vier 1 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 1-jarigen.

3 Waarvan maximaal vijf 2 tot en met 3-jarigen.

4 Waarvan maximaal zes 3-jarigen

Bij de berekening van het maximale aantal kinderen in een groep en het minimaal vereiste aantal beroepskrachten, wordt bij groepen, samengesteld uit kinderen van verschillende leeftijden, een vaste volgorde aangehouden. De eerste stap daarbij is dat het maximale aantal kinderen per leeftijdscategorie wordt berekend, bijvoorbeeld maximaal vier baby’s (‘0-jarigen’) per beroepskracht. De tweede stap is vervolgens de berekening van het resterende aantal kinderen en de daarbij behorende maxima. Er wordt naar boven afgerond; bij een rest van 0,5 of hoger wordt naar 1 afgerond. Een rest lager dan 0,5 zal naar beneden worden afgerond.

Bijlage 2. bij Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (artikel 3, tweede lid) [Vervallen per 01-01-2012]

Toetsingskader buitenschoolse opvang [Vervallen per 01-01-2012]

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Het toetsingskader buitenschoolse opvang bevat de domeinindeling en de voorwaarden. Het kader betreft een inhoudelijke uitwerking van de kwaliteitsaspecten, ingedeeld naar domeinen en voorwaarden. Vastgelegd is naar welke kwaliteitsaspecten de toezichthouder kijkt. De verschillende vormen van onderzoek (onderzoek na aanvraag registeropname, periodiek onderzoek, incidenteel onderzoek en nader onderzoek) vinden plaats op basis van dit kader. Aan de hand van dit toetsingskader komt de toezichthouder tot een oordeel over de mate waarin aan de basiskwaliteitseisen van buitenschoolse opvang wordt voldaan.

De kwaliteitsaspecten die de toezichthouder beoordeelt voor buitenschoolse opvang zijn ingedeeld naar de volgende domeinen:

  • 0. kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang;

  • 1. ouders;

  • 2. personeel;

  • 3. veiligheid en gezondheid;

  • 4. accommodatie en inrichting;

  • 5. groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio;

  • 6. pedagogisch beleid en praktijk;

  • 7. klachten.

Elk domein kent verschillende voorwaarden; criteria waarop wordt getoetst of wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorschriften uit de Wet kinderopvang, Besluit Registratie Kinderopvang, de Regeling Wet kinderopvang, de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. Voor het domein pedagogische praktijk zijn indicatoren opgenomen waaraan de praktijk wordt getoetst.

Het toetsingskader dagopvang is opgesteld door GGD Nederland, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Dit toetsingkader is gewijzigd in november 2009. Het toetsingskader gaat in op 1 januari 2010.

Domeinindeling, voorwaarden en beslisregels [Vervallen per 01-01-2012]

0. Kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

0.1. Kinderopvang in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, eerste lid)

Beleidsregels werkwijze toezichthouder (artikel 4, eerste lid)

Voorwaarden

1 De opvang vindt bedrijfsmatig of anders dan om niet plaats.

2 Gedurende de opvang wordt verzorging en opvoeding geboden.

3 De opvang is gericht op kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

1. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

1.1. Reglement oudercommissie9,10 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

Voorwaarde

1 De houder heeft een reglement oudercommissie vastgesteld.

1.1.1. Inhoud reglement oudercommissie11 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

Voorwaarden

1 Het reglement omvat regels omtrent het aantal leden.

2 Het reglement omvat regels omtrent de wijze van kiezen van de leden.

3 Het reglement omvat regels omtrent de zittingsduur van de leden.

4 Het reglement omvat geen regels omtrent werkwijze van de oudercommissie.

5 De houder wijzigt het reglement na instemming van de oudercommissie.

1.2. Instellen oudercommissie12 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

Voorwaarde

1 De houder heeft een oudercommissie ingesteld.

1.2.1. Voorwaarden oudercommissie13 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

Voorwaarden

1 De houder is geen lid.

2 Het personeel is geen lid.

3 De leden worden gekozen uit en door de ouders.

4 De houder stelt de oudercommissie in de gelegenheid haar eigen werkwijze te bepalen.

1.2.2. Adviesrecht oudercommissie14 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 60 en 60a)

Voorwaarden

1 De houder stelt de oudercommissie in staat haar advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot de genoemde onderwerpen1.

2 De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.

3 Van een gevraagd advies van de oudercommissie wijkt de houder alleen af indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet.

4 De houder geeft de oudercommissie gelegenheid ook ongevraagd te adviseren over de genoemde onderwerpen1.

1 Het gaat hier om de volgende onderwerpen: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; voedingsaangelegenheden van algemene aard; het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid, gezondheid; de openingstijden; het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen; de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; wijziging van de prijs van kinderopvang.

1.3. Informatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 54 en 63, vierde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang 1 (artikel 3, tweede lid)

Voorwaarden

1 De houder informeert de ouders over het te voeren beleid2.

2 De houder informeert de ouders en de kinderen in welke basisgroep het kind verblijft en welke beroepskrachten op welke dag bij welke groep horen.

3 De houder legt een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.

4 De informatie is gedetailleerd genoeg om ouders een adequaat beeld van de praktijk te geven.

5 De praktijk sluit aan bij de aan de ouders verstrekte informatie.

1 Normen ontleend aan de beleidsregel gelden als richtlijn. De houder mag daar eventueel van afwijken, mits hij daarvoor een goede reden heeft en ten minste een gelijkwaardig alternatief biedt voor hetgeen de betreffende norm in de beleidsregel beoogt. Is dat het geval dan is de beleidsregel op dat onderdeel niet van toepassing.

2 Het gaat hier om: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; het aantal

beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie; de groepsgrootte; de opleidingseisen van de beroepskrachten; het beleid met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen; het te voeren beleid inzake veiligheid en gezondheid, waaronder de risico-inventarisatie; het te voeren beleid inzake de te gebruiken voertaal, voor zover geen Nederlands.

2. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, derde, vierde en vijfde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10)

Voorwaarden

1 Personen werkzaam bij het kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag1.

2 De verklaring omtrent het gedrag is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het kindercentrum overlegd.

3 De verklaring omtrent het gedrag is bij overleggen niet ouder dan twee maanden.

1 Deze verplichting geldt voor de houder, bestuurder of werknemer, met uitzondering van werknemers die niet op het kindercentrum werkzaam zijn. Het gaat hierbij om alle bestuurders, dus ook om leden van een stichtingsbestuur of van een raad van toezicht. De verplichting tot overleggen van een verklaring omtrent het gedrag geldt ook voor uitzendkrachten werkzaam op een kindercentrum. Conform art. 10, lid 3, dienen zij alleen de eerste keer dat de werkzaamheden op een kindercentrum aanvangen, een verklaring omtrent het gedrag te overleggen. Voor stagiaires die minimaal drie maanden worden ingezet geldt dat zij in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag of datbij aanvang van hun eerste stageperiode een VOG voor hen moet zijn aangevraagd.

2.2. Passende beroepskwalificatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, eerste lid)

Voorwaarde

1 Alle beroepskrachten beschikken over de voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie zoals in de CAO kinderopvang is opgenomen1.

1 Voor personen die vanaf een moment vóór mei 1991 in dienst zijn bij huidige werkgever geldt een overgangsbepaling.

2.3. Voorwaarden en inzet van pedagogisch medewerkers in ontwikkeling (PMIO) [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, tweede lid)

Voorwaarden

1a Alle PMIO’ers beschikken over een diploma op minimaal MBO-3 niveau;

OF

1b Een HAVO of VWO diploma;

OF

1c Een voor de kinderopvang relevant, maar nog niet gelijkgesteld buitenlands diploma én relevante werkervaring.

2 Voor alle PMIO’ers is binnen 2 maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst een persoonlijk ontwikkelplan opgesteld.

3 Alle PMIO’ers worden ingezet conform een actueel persoonlijk ontwikkelplan.

2.4. Gebruik van de voorgeschreven voertaal15 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 55)

Voorwaarde

1a De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt.

OF

1b Er wordt een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in deze specifieke omstandigheid daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode1.

1 Het gaat hier bijvoorbeeld om een kindercentrum voor kinderen van internationale bedrijven of organisaties waar de voertaal bijvoorbeeld Engels is.

3. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Risico-inventarisatie veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid van maximaal een jaar oud1.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid betreffende de actuele situatie.

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

3.1.1. Beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de veiligheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verstikking, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

3 Er is een registratie van ongevallen, waarbij per ongeval de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum van het ongeval en een overzicht van te treffen maatregelen worden vermeld.

3.1.2. Uitvoering beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van het plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

3.2. Risico-inventarisatie gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid van maximaal een jaar oud1.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid betreffende de actuele situatie.

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

3.2.1. Beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de gezondheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

3.2.2. Uitvoering beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

3.3. Protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

Voorwaarde

1 De houder heeft een protocol kindermishandeling welke voldoet aan de beschreven eisen1.

1 Het protocol hanteert de definitie van kindermishandeling conform de Wet op de Jeugdzorg (2005), welke als volgt luidt: ‘Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.’

In het protocol zijn verantwoordelijkheden per organisatielaag uitgesplitst in taken en bevoegdheden.

Het protocol bevat een stappenplan waarin minimaal de volgende fases aan bod komen: vermoeden, overleg, plan van aanpak, beslissen, handelen, evaluatie en nazorg.

Het stappenplan bevat een tijdslijn vanaf de persoon met een vermoeden van kindermishandeling tot en met de nazorg. Het stappenplan is voorzien van een heldere toelichting, hulpmiddelen voor het doorlopen ervan en aandachtspunten voor de gespreksvoering met verschillende partijen.

Het protocol bevat een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied, uitgesplitst voor de groep van 0–4 jaar en de groep van 4–12 jaar, om kindermishandeling zo vroeg mogelijk te signaleren. De ontwikkelingsgebieden per leeftijdscategorie ( 0–4 jarigen dan wel 4–12 jarigen) die in de lijst aan bod dienen te komen zijn: psycho-sociale signalen, medische signalen, kenmerken verzorgers/gezin, signalen specifiek voor seksueel misbruik, signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.

Het protocol besteedt aandacht aan de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens. In het protocol dienen de volgende punten met betrekking hierop behandeld te worden: zorgvuldig handelen, inzagerecht ouders/wettelijk vertegenwoordigers, contact met andere instellingen, omgaan met schriftelijke informatie.

Het protocol besteedt aandacht aan de mogelijke situatie dat een beroepskracht de vermoedelijke dader is.

Het protocol bevat praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het Advies&Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

3.3.1. Beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

Voorwaarde

1 De houder draagt er zorg voor dat beroepskrachten op de hoogte zijn van de inhoud van het protocol kindermishandeling.

3.3.2. Uitvoering beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het protocol.

2 De beroepskrachten handelen aantoonbaar naar het protocol kindermishandeling.

4. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Binnenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 5)

Voorwaarden

1 Er is ten minste 3,5 m2 bruto oppervlakte voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes beschikbaar per kind.

2 De binnenspeelruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal op te vangen kinderen.

3 De binnenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

4.2. Buitenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 7, eerste lid)

Voorwaarden

1 Er is ten minste 3 m2 bruto buitenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind.

2 De buitenspeelruimte is voor kinderen toegankelijk.

3 De buitenspeelruimte is vast beschikbaar voor de buitenschoolse opvang.

4 De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

4.3. Aanvullende eisen indien de buitenspeelruimte niet-aangrenzend is [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 7, tweede lid)

Voorwaarden

1 De niet-aangrenzende buitenspeelruimte is in de directe nabijheid van het kindercentrum.

2 De niet-aangrenzende buitenspeelruimte is voor kinderen goed bereikbaar1.

3 De niet-aangrenzende buitenspeelruimte is voor kinderen veilig bereikbaar2.

1 Goed bereikbaar betekent dat de buitenspeelruimte in een kort tijdsbestek lopend te bereiken is zonder dat natuurlijke obstakels zoals rivieren of verkeerstechnische obstakels zoals snelwegen of treinrails de route bemoeilijken.

2 De risico’s van de route van de bso naar de buitenspeelplaats dienen op verantwoorde wijze te zijn vastgelegd in de risico-inventarisatie veiligheid en het plan van aanpak, zodat ook de veiligheid gewaarborgd wordt.

5. Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

5.1. Opvang in groepen [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 4, eerste, tweede, vijfde en zesde lid)

Voorwaarden

1 Ieder kind behoort bij een basisgroep.

2a De basisgroep bestaat uit maximaal twintig kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.

OF

2b De basisgroep bestaat uit maximaal dertig kinderen in de leeftijd van 8 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.

5.2. Beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 4, derde, vierde, en negende lid)

Voorwaarden

De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk gelijktijdig aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste1:

1a – 1 beroepskracht per 10 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 4 jaar2.

– 1 beroepskracht per 10 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 8 jaar2.

OF

1b – 2 beroepskrachten en een extra volwassene per 30 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 8 jaar2.

2 Indien conform de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, dan is ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld.

1 Als bij (spel)activiteiten de kinderen de basisgroep verlaten, kan de beroepskracht-kind-ratio op kindercentrumniveau worden vastgesteld volgens dezelfde sleutel. De op locatie aanwezige beroepskrachten houden zich bezig met taken die direct met de kinderen te maken hebben.

2 Tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.

5.3. Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 4, derde, vierde, en negende lid)

Voorwaarden

1 Bij buitenschoolse opvang gedurende schooldagen1, kunnen ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten ingezet worden dan volgens de beroepskracht-kind-ratio vereist is.

2 Bij buitenschoolse opvang gedurende vrije dagen2, kunnen ten hoogste drie uur per dag minder beroepskrachten ingezet worden dan volgens de beroepskracht-kind-ratio vereist is. Deze inzet betreft de tijd voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze.

3 De afwijking betreft maximaal anderhalf aaneengesloten uren voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze gedurende maximaal twee uur aaneengesloten.

4 Minstens de helft van het aantal vereiste beroepskrachten wordt ingezet wanneer er tijdelijk wordt afgeweken van de beroepskracht-kind-ratio.

5 Indien als gevolg van het afwijken van de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum ingezet wordt, dan is er ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

1 Schooldagen: voor en na de dagelijkse schooltijd op korte en lange dagen.

2 Vrije dagen: volledig schoolvrije dagen en vakantiedagen waarbij het kindercentrum 10 uur of langer per dag geopend is.

6. Pedagogisch beleid en praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

6.1. Pedagogisch beleidsplan16 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Voorwaarde

1 De houder heeft een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

6.1.1. Inhoud pedagogisch beleidsplan [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Voorwaarden

1 In het pedagogisch beleidsplan staat in duidelijke en observeerbare termen het volgende beschreven: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.

2 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de werkwijze, de maximale omvang en de leeftijdsopbouw van de basisgroep.

3 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen bij welke (spel)activiteiten kinderen hun basisgroep verlaten.

4 Bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen besteedt de houder in het pedagogisch beleidsplan aantoonbaar extra aandacht aan de omgang met de basisgroep.

5 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen1.

1 Het betreft volwassenen die ingezet worden als achterwacht in het geval van calamiteiten en de derde volwassene die ingezet wordt bij een groep 8-12 jarigen.

6.1.2. Pedagogische praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.

2 De beroepskrachten handelen conform het pedagogisch beleidsplan.

6.2. Emotionele veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 De beroepskracht communiceert met de kinderen.

2 De beroepskracht heeft een respectvolle houding naar de kinderen.

3 Er heerst een ontspannen, open sfeer in de groep.

4 De kinderen worden uitgenodigd tot participatie.

5 Kinderen hebben vaste beroepskrachten en bekende leeftijdsgenootjes om zich heen.

6 Er is informatieoverdracht tussen ouders en beroepskracht.

6.3. Persoonlijke competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt en stimuleert individuele kinderen.

2 Er is een goede interactie tussen beroepskracht en individuele kinderen.

3 Kinderen hebben de mogelijkheid om eigen ervaringen op te doen middels spelmateriaal, activiteitenaanbod en inrichting.

4 Er is aandacht voor leermomenten. Hierbij is taal en motorisch spel van jonge kinderen belangrijk.

6.4. Sociale competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in de interactie tussen kinderen onderling.

2 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in het voorkómen en oplossen van conflicten.

3 De kinderen maken deel uit van het groepsgebeuren.

6.5. Overdracht van normen en waarden [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

Indicatoren

1 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn aanwezig.

2 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn duidelijk.

3 Afspraken, regels en omgangsvormen worden aan de kinderen uitgelegd.

4 Beroepskrachten geven zelf in hun spreken en handelen het goede voorbeeld.

7. Klachten [Vervallen per 01-01-2012]

7.1. Wet klachtrecht cliënten zorgsector [Vervallen per 01-01-2012]

Wet klachtrecht cliënten zorgsector (artikelen 1, 2, 2a en 3c)

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van ouders.

3 De houder ziet erop toe dat de klachtencommissie werkt met een reglement.

4 De houder hanteert de termijn waarbinnen schriftelijk wordt gereageerd naar aanleiding van een oordeel van de klachtencommissie2.

5 De houder leeft geheimhoudingsplicht na.

6 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven3.

7 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

1 Door of namens een cliënt kan bij de klachtencommissie een klacht tegen een zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens de cliënt.

Klachten van cliënten worden behandeld door een klachtencommissie (min. 3 leden, voorzitter klachtencommissie niet in dienst bij de organisatie, persoon waarover geklaagd wordt, mag niet in de commissie zitten).

Binnen een afgesproken termijn moeten klager, degene over wie geklaagd is en houder schriftelijk en met redenen omkleed in kennis worden gesteld van het oordeel (gegrondheid en evt. aanbevelingen). Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden).

Klager en degene over wie geklaagd is worden in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden (schriftelijk of mondeling).

Klager en beklaagde mogen zich laten bijstaan.

2 De houder deelt de klager en de klachtencommissie, binnen een maand na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja, welke. Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden) en wordt er een nieuwe termijn afgesproken.

3 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

7.2. Klachtenregeling oudercommissie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 60a)

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van oudercommissie.

3 De houder zorgt voor naleving van de regeling.

4 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven2.

5 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

1 De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.

2 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2012]

Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind ratio bij samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang [Vervallen per 01-01-2012]

In het kader van kwaliteit van kinderopvang is een samengestelde groep in de brede leeftijdscategorie van 0–13 jaar geen voorkeursoptie van Convenantpartijen.

Maar in sommige situaties kan de kleinschaligheid een dergelijke groepssamenstelling noodzakelijk maken, waarbij bijvoorbeeld kinderen in de BSO-leeftijd voor een deel van de dag worden samengevoegd met de kinderen in de dagopvang. Met een goede, naar leeftijd gedifferentieerde werkwijze kan er dan nog steeds sprake zijn van kwalitatief verantwoorde kinderopvang. Gecombineerde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang kunnen in pedagogisch opzicht waardevol zijn, bijvoorbeeld wanneer de jongste BSO-kinderen en de oudste dagopvang-kinderen in een samengestelde groep verblijven, en hier in de pedagogische werkwijze nadrukkelijk condities aan worden gesteld.

Bij de uitwerking van de beroepskracht-kind ratio in samengestelde groepen zijn onderstaande uitgangspunten gehanteerd:

  • Voorondersteld wordt dat er sprake is van een gelijkmatige verdeling van de verschillende leeftijden over de groep.

  • Vervolgens is het gemiddelde bepaald zoals opgenomen in Convenant, waarbij het aantal kinderen in relatie tot één pedagogisch medewerker de basis van de berekening vormt.

  • In deze berekening heeft alléén aan het eind van de berekening afronding naar boven plaatsgevonden; het ‘doorrekenen’ gaat uit van onafgeronde getallen.

  • De tabel 0 tot en met 3-jarigen blijft onverkort van toepassing.

Indien met samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang wordt gewerkt, moet in het pedagogisch beleidsplan een duidelijke, naar leeftijd gedifferentieerde, beschrijving gegeven worden van de activiteiten en dagindeling van deze groep.

Leeftijd

Beroeps-krachten

Maximale aantal

0 tot 1 1 4
1 tot 2 1 5
2 tot 3 1 6
3 tot 4 1 8
4 tot 13 1 10
4 tot 8 1 10
8 tot 13 1 10
     

0 tot 13

1

6,661

1 tot 13

1

7,252

2 tot 13

1

83

3 tot 13

1

94

1 Waarvan maximaal vier 0 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 0-jarigen.

2 Waarvan maximaal vier 1 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 1-jarigen.

3 Waarvan maximaal vijf 2 tot en met 3-jarigen.

4 Waarvan maximaal zes 3-jarigen.

Bij de berekening van het maximale aantal kinderen in een groep en het minimaal vereiste aantal beroepskrachten, wordt bij groepen, samengesteld uit kinderen van verschillende leeftijden, een vaste volgorde aangehouden. De eerste stap daarbij is dat het maximale aantal kinderen per leeftijdscategorie wordt berekend, bijvoorbeeld maximaal vier baby’s (‘0-jarigen’) per beroepskracht. De tweede stap is vervolgens de berekening van het resterende aantal kinderen en de daarbij behorende maxima. Er wordt naar boven afgerond; bij een rest van 0,5 of hoger wordt naar 1 afgerond. Een rest lager dan 0,5 zal naar beneden worden afgerond.

Bijlage 3 [Vervallen per 01-01-2012]

Toetsingskader Deel A Gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Het toetsingskader gastouder bevat de domeinindeling en de voorwaarden. Het kader betreft een inhoudelijke uitwerking van de kwaliteitsaspecten, ingedeeld naar domeinen en voorwaarden. Vastgelegd is naar welke kwaliteitsaspecten de toezichthouder kijkt. De verschillende vormen van onderzoek (onderzoek na aanvraag registeropname, periodiek onderzoek, incidenteel onderzoek en nader onderzoek) vinden plaats op basis van dit kader. Aan de hand van dit toetsingskader komt de toezichthouder tot een oordeel over de mate waarin aan de basiskwaliteitseisen van gastouderopvang wordt voldaan.

De kwaliteitsaspecten die de toezichthouder beoordeelt ten aanzien van de gastouder zijn ingedeeld naar de volgende domeinen:

  • 1. gastouderopvang in de zin van de Wet kinderopvang;

  • 2. gastouder;

  • 3. accommodatie en inrichting;

  • 4. pedagogisch beleid;

  • 5. aantal kinderen;

  • 6. veiligheid en gezondheid.

Elk domein kent verschillende voorwaarden; criteria waarop wordt getoetst of wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorschriften uit de Wet kinderopvang, de AMvB deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, Besluit Registratie Kinderopvang, de Regeling Wet kinderopvang, de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector.

Het toetsingskader gastouder bestaat uit 2 delen, A en B.

Het kalenderjaar 2010 is een overgangsjaar. De toetsing van gastouders wordt in 2010, naast een administratief onderzoek van deel A, beperkt tot een één-uurs-bezoek van de GGD-inspecteur op het opvangadres waarbij zoveel mogelijk eisen uit deel B worden getoetst. Voor gastouders geldt dus in 2010 dat zij na een goedgekeurde aanvraag tot registratie niet opnieuw binnen drie maanden worden gecontroleerd, wat in 2011 en verder wel het geval is. Bovenstaande is zowel van toepassing op bestaande gastouders (reeds werkzaam in 2009) als op nieuwe gastouders (start van werkzaamheden in 2010).

Vanaf 2011 geldt dat de items uit deel A zijn opgesteld om te bepalen of de gastouder in het landelijk register opgenomen kan worden. Deze items zijn door middel van een administratief onderzoek te toetsen. Wanneer een gastouder voldoet aan alle items van deel A dan wordt een onderzoek op het opvangadres gepland waarbij vervolgens items uit deel B getoetst zullen worden. Het onderzoek van deel A vindt plaats vóór registratie. Het onderzoek van deel B vindt plaats binnen 3 maanden na registratie en vervolgens jaarlijks. Zowel na het onderzoek van deel A als na het onderzoek van deel B wordt een openbaar inspectierapport gemaakt. Voldoet een gastouder niet aan alle items uit deel A dan wordt geen onderzoek op het opvangadres gepland en wordt aan de gemeente geadviseerd de gastouder niet op te nemen in het landelijk register.

Naast het toetsingskader gastouder bestaat een apart toetsingskader voor het gastouderbureau.

Het toetsingskader gastouder is opgesteld door GGD Nederland, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Dit toetsingskader is opgesteld in oktober 2009.

Domeinindeling, voorwaarden en beslisregels [Vervallen per 01-01-2012]

1. Gastouderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

1.0. Gastouder en handhaving [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (Verzamelwet, wordt in de loop van 2010 vastgesteld)

Voorwaarden

1 Er loopt geen handhaving in het kader van de Wet kinderopvang tegen de gastouder.

2 De gastouder treft maatregelen om recidive van eerder geconstateerde tekortkomingen in de opvangsituatie te voorkomen.

1.1. Gastouderopvang in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 1, 45, tweede en derde lid, 46 tweede lid, 47 en 62)

Voorwaarden

1 De opvang vindt plaats door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

2 De opvang vindt plaats door een gastouder welke niet de ouder van de op te vangen kinderen is noch de partner van de vraagouder.

3 De gastouder exploiteert maximaal één voorziening voor gastouderopvang.

4 De opvang vindt plaats op het woonadres van de gastouder of van één van de vraagouders.

5 De gastouder is niet inwonend bij de vraagouder.

2. Gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56b, derde, vierde en vijfde lid)

Voorwaarden

1 De gastouder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

2 Bij opvang in de woning van de gastouder zijn alle huisgenoten vanaf 18 jaar in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

3 De verklaring omtrent het gedrag is bij aanvraag om opname in het landelijk register niet ouder dan twee maanden.

2.2. Onder toezicht gestelde kinderen [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, lid 1)

Voorwaarden

1 De gastouder heeft geen kinderen die (tijdelijk) onder toezicht staan.

2 De gastouder is niet (tijdelijk) ontheven of ontzet uit het ouderlijke gezag.

2.3. Deskundigheid gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56b, eerste en tweede lid )

AMvB deskundigheidseisen (artikel 2) en daarop gebaseerde ministeriële regeling 1

Voorwaarden

1a De gastouder beschikt over een getuigschrift conform de ministeriële regeling.

OF

1b De gastouder beschikt over een EVC-bewijsstuk waaruit blijkt dat de gastouder voldoet aan alle competenties van de bij ministeriële regeling aangewezen MBO-2 opleiding(en).

2a. De gastouder beschikt over een geregistreerd certificaat Eerste Hulp aan kinderen van het Oranje Kruis.

OF

2b. De gastouder beschikt over een geregistreerd certificaat Spoedeisende Hulpverlening bij Slachtoffers (SEHSO) van NedCert.

1 Welke opleidingen kwalificeren is opgenomen in bijlage 1.

2.4. Kwaliteitseisen gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, lid 1)

Voorwaarden

1 De gastouder is 18 jaar of ouder.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2012]

Getuigschriften van onderstaande opleidingen voldoen:
  • a. Helpende Zorg en Welzijn 2

  • b. Helpende welzijn 2

  • c. Helpende breed 2

  • d. Helpende sociaal agogisch werk 2

  • a. Sociaal Pedagogisch Werker 3 (SPW-3)

  • b. Sociaal Pedagogisch Werker 4 (SPW4)

  • c. Pedagogisch Werker niveau 3

  • d. Pedagogisch Werker 3 Kinderopvang

  • e. Pedagogisch Werker niveau 4

  • f. Pedagogisch Werker 4 Kinderopvang

  • g. Onderwijsassistent

  • h. Onderwijsassistent PO/SO (primair onderwijs/speciaal onderwijs)

  • i. Sociaal-Cultureel Werker (SCW)

  • j. Vakopleiding Leidster kindercentra (conform de WEB)

  • k. Kinderverzorging/Jeugdverzorging (KV/JV)

  • l. Kinderverzorgster (KV)

  • m. Kinderverzorging en Opvoeding

  • n. Kinderbescherming A

  • o. Kinderbescherming B

  • p. Kinderverzorgster van de centraleraad voor de kinderuitzending

  • q. Akte Kleuterleidster A

  • r. Akte Kleuterleidster B

  • s. Akte hoofdleidster kleuteronderwijs

  • t. Verdere Scholing in Dienstverband (VSID) richting kinderdagverblijven

  • a. Leraar basisonderwijs (aan Hogeschool, PABO of IPABO)

  • b. Pedagogiek (HBO-bachelor)

  • c. Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH)

  • d. Culturele en Maatschappelijke vorming (CMV)

  • e. Pedagogische Academie

  • f. Pedagogisch management kinderopvang

  • g. Akte Lager onderwijs zonder hoofdakte (oude kweekschoolopleiding)

  • h. Educatieve therapie (Mikojel)

  • i. Jeugdhulpverlening

EVC-certificaten (alle certificaten waaruit blijkt dat de gastouder voldoet aan alle vereiste competenties) op basis van onderstaande MBO-2 standaarden zijn geldig:
  • 1. Helpende Zorg en Welzijn 2

  • 2. Helpende welzijn 2

  • 3. Helpende breed 2

  • 4. Helpende sociaal agogisch werk 2

Bron: Ministeriële Regeling OCW

Toetsingskader Deel B Gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Het toetsingskader gastouder bevat de domeinindeling en de voorwaarden. Het kader betreft een inhoudelijke uitwerking van de kwaliteitsaspecten, ingedeeld naar domeinen en voorwaarden. Vastgelegd is naar welke kwaliteitsaspecten de toezichthouder kijkt. De verschillende vormen van onderzoek (onderzoek na aanvraag registeropname, periodiek onderzoek, incidenteel onderzoek en nader onderzoek) vinden plaats op basis van dit kader. Aan de hand van dit toetsingskader komt de toezichthouder tot een oordeel over de mate waarin aan de basiskwaliteitseisen van gastouderopvang wordt voldaan.

De kwaliteitsaspecten die de toezichthouder beoordeelt ten aanzien van de gastouder zijn ingedeeld naar de volgende domeinen:

  • 1. gastouderopvang in de zin van de Wet kinderopvang;

  • 2. gastouder;

  • 3. accommodatie en inrichting;

  • 4. pedagogisch beleid;

  • 5. aantal kinderen;

  • 6. veiligheid en gezondheid.

Elk domein kent verschillende voorwaarden; criteria waarop wordt getoetst of wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorschriften uit de Wet kinderopvang, de AMvB deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, Besluit Registratie Kinderopvang, de Regeling Wet kinderopvang, de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector.

Het toetsingskader gastouder bestaat uit 2 delen, A en B.

Het kalenderjaar 2010 is een overgangsjaar. De toetsing van gastouders wordt in 2010, naast een administratief onderzoek van deel A, beperkt tot een één-uurs-bezoek van de GGD-inspecteur op het opvangadres waarbij zoveel mogelijk eisen uit deel B worden getoetst. Voor gastouders geldt dus in 2010 dat zij na een goedgekeurde aanvraag tot registratie niet opnieuw binnen drie maanden worden gecontroleerd, wat in 2011 en verder wel het geval is. Bovenstaande is zowel van toepassing op bestaande gastouders (reeds werkzaam in 2009) als op nieuwe gastouders (start van werkzaamheden in 2010).

Vanaf 2011 geldt dat de items uit deel A zijn opgesteld om te bepalen of de gastouder in het landelijk register opgenomen kan worden. Deze items zijn door middel van een administratief onderzoek te toetsen. Wanneer een gastouder voldoet aan alle items van deel A dan wordt een onderzoek op het opvangadres gepland waarbij vervolgens items uit deel B getoetst zullen worden. Het onderzoek van deel A vindt plaats vóór registratie. Het onderzoek van deel B vindt plaats binnen 3 maanden na registratie en vervolgens jaarlijks. Zowel na het onderzoek van deel A als na het onderzoek van deel B wordt een openbaar inspectierapport gemaakt. Voldoet een gastouder niet aan alle items uit deel A dan wordt geen onderzoek op het opvangadres gepland en wordt aan de gemeente geadviseerd de gastouder niet op te nemen in het landelijk register.

Naast het toetsingskader gastouder bestaat een apart toetsingskader voor het gastouderbureau.

Het toetsingskader gastouder is opgesteld door GGD Nederland, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Dit toetsingskader is opgesteld in oktober 2009.

Domeinindeling, voorwaarden en beslisregels [Vervallen per 01-01-2012]

1. Gastouderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

1.1. Gastouderopvang in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 1, 45, tweede en derde lid, 46 tweede lid, 47 en 62)

Voorwaarden

1 De opvang vindt plaats door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

2 De opvang vindt plaats door een gastouder welke niet de ouder van de op te vangen kinderen is noch de partner van de vraagouder.

3 De gastouder exploiteert maximaal één voorziening voor gastouderopvang.

4 De opvang vindt plaats op het woonadres van de gastouder of van één van de vraagouders.

5 De gastouder is niet inwonend bij de vraagouder.

2. Gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56b, derde, vierde en vijfde lid)

Voorwaarden

1 De gastouder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

2 Bij opvang in de woning van de gastouder zijn alle huisgenoten vanaf 18 jaar in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag.

3 De verklaring omtrent het gedrag is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het gastouderbureau overlegd.

4 De verklaring omtrent het gedrag is bij overleggen niet ouder dan twee maanden.

2.2. Onder toezicht gestelde kinderen [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, lid 1)

Voorwaarden

1 De gastouder heeft geen kinderen die (tijdelijk) onder toezicht staan.

2 De gastouder is niet (tijdelijk) ontheven of ontzet uit het ouderlijke gezag.

2.3. Deskundigheid gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56b, eerste en tweede lid)

Besluit deskundigheidseisen (artikel 2) en daarop gebaseerde ministeriële regeling

Voorwaarde

2a. De gastouder beschikt over een geregistreerd certificaat Eerste Hulp aan kinderen van het Oranje Kruis.

OF

2b. De gastouder beschikt over een geregistreerd certificaat Spoedeisende Hulpverlening bij Slachtoffers (SEHSO) van NedCert.

2.4. Kwaliteitseisen gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang 1 (artikel 15b)

Voorwaarde

1 De gastouder is telefonisch bereikbaar.

1Normen ontleend aan de beleidsregel gelden als richtlijn. De houder mag daar eventueel van afwijken, mits hij daarvoor een goede reden heeft en ten minste een gelijkwaardig alternatief biedt voor hetgeen de betreffende norm in de beleidsregel beoogt. Is dat het geval dan is de beleidsregel op dat onderdeel niet van toepassing.

2.5. Gebruik van de voorgeschreven voertaal17 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 55)

Voorwaarde

1a De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt.

OF

1b Er wordt een andere taal als voertaal gebezigd, daar de herkomst van de kinderen in deze specifieke omstandigheid daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode. 1

1 Het gaat hier om gastouderopvang voor kinderen van buitenlandse expats die tijdelijk in Nederland verblijven, bijvoorbeeld omdat de ouders werken bij een internationaal bedrijf. De voorwaarde is niet bedoeld voor kinderen die in Nederland blijven en opgroeien.

3. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Binnen- en buitenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15c)

Voorwaarden

1 De woning waar gastouderopvang plaats vindt is te allen tijde rookvrij.

2 De woning waar gastouderopvang plaats vindt beschikt over voldoende binnenspeelruimte voor kinderen, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

3 De woning waar gastouderopvang plaats vindt beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden voor kinderen, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

4 De woning waar gastouderopvang plaats vindt dient voorzien te zijn van voldoende en werkende rookmelders.

3.2. Slaapruimte opvangadres [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15c)

Voorwaarden

1 Er is een afzonderlijke slaapruimte voor in ieder geval kinderen tot anderhalf jaar.

2 De slaapruimte is afgestemd op het aantal op te vangen kinderen.

4. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 11 en 15b)

Voorwaarden

1 De gastouder kent de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.

2 De gastouder handelt conform het pedagogisch beleidsplan.

4.2. Pedagogische praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

Voorwaarden

1 De gastouder draagt zorg voor het waarborgen van sociaal emotionele veiligheid.

2 De gastouder biedt de opvangkinderen de mogelijkheid om tot ontwikkeling van persoonlijke competentie te komen.

3 De gastouder biedt de opvangkinderen de mogelijkheid om tot ontwikkeling van sociale competentie te komen.

4 De gastouder draagt zorg voor de overdracht van normen en waarden.

5. Aantal kinderen [Vervallen per 01-01-2012]

5.1. Aantal op te vangen kinderen door gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15d)

Voorwaarden

1 Bij een gastouder worden maximaal twee kinderen van 0 jaar gelijktijdig opgevangen.

2 Bij een gastouder worden maximaal vier kinderen van 0 en 1 jaar gelijktijdig opgevangen.

3a Bij een gastouder worden maximaal vijf kinderen gelijktijdig opgevangen, als de kinderen (op te vangen én eigen kinderen) allemaal jonger zijn dan 4 jaar.

OF

3b Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen gelijktijdig opgevangen, als de op te vangen kinderen in de leeftijd van 0 tot 13 jaar zijn. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.

5.2. Achterwacht [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15b)

Voorwaarden

1 Indien er drie of meer kinderen op het opvangadres aanwezig zijn, dan is ondersteuning van de gastouder door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld.

2 De achterwacht is telefonisch bereikbaar tijdens de opvangtijden.

3 De achterwacht is in geval van calamiteiten binnen 15 minuten op het opvangadres aanwezig.

6. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

6.1. Risico-inventarisatie veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid, en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15e)

Voorwaarden

1 De gastouder heeft op het opvangadres een risico-inventarisatie veiligheid van maximaal een jaar oud. 1

2 De gastouder heeft een risico-inventarisatie veiligheid betreffende de actuele situatie.

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

6.1.1. Beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid, en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid)

Voorwaarden

1 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

2 Er is een registratie van ongevallen, waarbij per ongeval de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum van het ongeval en een overzicht van te treffen maatregelen worden vermeld.

6.1.2. Uitvoering beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15e)

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De gastouder is op de hoogte van de risico’s en handelt conform het plan van aanpak.

4 De gastouder informeert de volwassen huisgenoten over de risico’s en de daarbij behorende maatregelen uit het plan van aanpak.

6.2. Risico-inventarisatie gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15e)

Voorwaarden

1 De gastouder heeft op het opvangadres een risico-inventarisatie gezondheid van maximaal een jaar oud. 1

2 De gastouder heeft een risico-inventarisatie gezondheid betreffende de actuele situatie.

1De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

6.2.1. Beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 56)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid)

Voorwaarde

1 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

6.2.2. Uitvoering beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 56)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid)

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De gastouder is op de hoogte van de risico’s en handelt conform het plan van aanpak.

4 De gastouder informeert de volwassen huisgenoten over de risico’s en de daarbij behorende maatregelen uit het plan van aanpak.

6.3. Protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15a)

Voorwaarde

1 Op het opvangadres is een protocol kindermishandeling van het gastouderbureau aanwezig.

6.3.1. Uitvoering protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15a)

Voorwaarden

1 De gastouder kent de inhoud van het protocol.

2 De gastouder handelt aantoonbaar naar het protocol.

Bijlage 4 [Vervallen per 01-01-2012]

Toetsingskader Deel A Gastouderbureau [Vervallen per 01-01-2012]

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Het toetsingskader gastouderbureau bevat de domeinindeling en de voorwaarden. Het kader betreft een inhoudelijke uitwerking van de kwaliteitsaspecten, ingedeeld naar domeinen en voorwaarden. Vastgelegd is naar welke kwaliteitsaspecten de toezichthouder kijkt. De verschillende vormen van onderzoek (onderzoek na aanvraag registeropname, periodiek onderzoek, incidenteel onderzoek en nader onderzoek) vinden plaats op basis van dit kader. Aan de hand van dit toetsingskader komt de toezichthouder tot een oordeel over de mate waarin aan de basiskwaliteitseisen van gastouderopvang wordt voldaan.

De kwaliteitsaspecten die de toezichthouder beoordeelt ten aanzien van het gastouderbureau zijn ingedeeld naar de volgende domeinen:

  • 1. gastouderbureau in de zin van de Wet kinderopvang;

  • 2. ouders;

  • 3. personeel;

  • 4. pedagogisch beleid;

  • 5. klachten;

  • 6. veiligheid en gezondheid;

  • 7. kwaliteit gastouderbureau.

Elk domein kent verschillende voorwaarden; criteria waarop wordt getoetst of wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorschriften uit de Wet kinderopvang, de AMvB deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, Besluit Registratie Kinderopvang, de Regeling Wet kinderopvang, de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector.

Het toetsingskader gastouderbureau bestaat uit 2 delen, A en B. De items uit deel A zijn opgesteld om te bepalen of het gastouderbureau in het landelijk register opgenomen kan worden. Deze items zijn door middel van een administratief onderzoek te toetsen. Wanneer een gastouderbureau voldoet aan alle items van deel A dan wordt een onderzoek op het gastouderbureau gepland waarbij vervolgens items uit deel B getoetst zullen worden. Het onderzoek van deel A vindt plaats vóór registratie. Het onderzoek van deel B vindt plaats binnen 3 maanden na registratie en vervolgens jaarlijks. Zowel na het onderzoek van deel A als na het onderzoek van deel B wordt een openbaar inspectierapport gemaakt. Voldoet een gastouderbureau niet aan alle items uit deel A dan wordt geen onderzoek op het bureau gepland, wordt aan de gemeente geadviseerd het gastouderbureau niet op te nemen in het landelijk register en kan het gastouderbureau hiermee niet in exploitatie gaan. Het kalenderjaar 2010 is een overgangsjaar. Gastouderbureaus die werkzaam waren/zijn in 2009, krijgen een voorlopige status in het landelijk register en worden in de loop van 2010 gecontroleerd door de GGD. Bij deze inspectie worden zowel deel A als deel B getoetst en bepaalt het onderzoeksresultaat of de voorlopige status kan worden omgezet in een definitieve registratie.

Naast het toetsingskader gastouderbureau bestaat een apart toetsingskader voor de gastouder.

Het toetsingskader gastouderbureau is opgesteld door GGD Nederland, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Dit toetsingskader is gewijzigd in oktober 2009.

Domeinindeling, voorwaarden en beslisregels [Vervallen per 01-01-2012]

1. Gastouderbureau in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

1.0. Gastouderbureau en handhaving [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (Verzamelwet, wordt in de loop van 2010 vastgesteld)

Voorwaarden

1 Er loopt geen handhaving in het kader van de Wet kinderopvang tegen de onderneming(en) van de houder.

2 De houder treft maatregelen om recidive van eerder geconstateerde tekortkomingen in zijn onderneming(en) te voorkomen.

1.1. Gastouderbureau in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 1 en 49, derde lid)

Voorwaarde

1 Het gastouderbureau is een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan gastouders geschiedt.

2. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Informatie voor vraagouders [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56, lid 4)

Regeling Wet kinderopvang

Voorwaarde

1 Het gastouderbureau laat in de schriftelijke overeenkomst met de vraagouder duidelijk zien welk deel van het betaalde bedrag naar het gastouderbureau gaat (uitvoeringskosten) en welk deel van het betaalde bedrag naar de gastouder gaat.

3. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 56, derde lid en 50, derde, vierde en vijfde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang 1 (artikel 13)

Voorwaarden

1 Personen werkzaam bij het gastouderbureau zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.2

2 De verklaring omtrent het gedrag is bij aanvraag om opname in het landelijk register niet ouder dan twee maanden.

1Normen ontleend aan de beleidsregel gelden als richtlijn. De houder mag daar eventueel van afwijken, mits hij daarvoor een goede reden heeft en ten minste een gelijkwaardig alternatief biedt voor hetgeen de betreffende norm in de beleidsregel beoogt. Is dat het geval dan is de beleidsregel op dat onderdeel niet van toepassing.

2 Deze verplichting geldt voor de personen die als houder, bestuurder of bemiddelingsmedewerker werkzaam zijn. Het gaat hierbij om alle bestuurders, dus ook om leden van een stichtingsbestuur. De verplichting tot overleggen van een verklaring omtrent het gedrag geldt ook voor uitzendkrachten, die bemiddelings-werkzaamheden uitvoeren. Conform art. 13 dienen zij alleen de eerste keer dat de werkzaamheden op een gastouderbureau aanvangen een verklaring omtrent het gedrag te overleggen.

3.2. Beroepskwalificatie bemiddelingsmedewerkers [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 13 en 14)

Voorwaarde

1 Alle bemiddelingsmedewerkers werkzaam bij het gastouderbureau beschikken over een relevante pedagogische opleiding op MBO-niveau.

4. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Pedagogisch beleidsplan18 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 11)

Voorwaarde

1 De houder heeft een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

4.1.1. Inhoud pedagogisch beleidsplan [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 11, 15c en 15d)

Voorwaarden

1 In het pedagogisch beleidsplan staat in duidelijke en observeerbare termen het volgende beschreven: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.

2 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de leeftijdsopbouw en aantallen van de kinderen die door een gastouder worden opgevangen.

3 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de eisen die aan het opvangadres worden gesteld.

Toetsingskader Deel B Gastouderbureau [Vervallen per 01-01-2012]

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Het toetsingskader gastouderbureau bevat de domeinindeling en de voorwaarden. Het kader betreft een inhoudelijke uitwerking van de kwaliteitsaspecten, ingedeeld naar domeinen en voorwaarden. Vastgelegd is naar welke kwaliteitsaspecten de toezichthouder kijkt. De verschillende vormen van onderzoek (onderzoek na aanvraag registeropname, periodiek onderzoek, incidenteel onderzoek en nader onderzoek) vinden plaats op basis van dit kader. Aan de hand van dit toetsingskader komt de toezichthouder tot een oordeel over de mate waarin aan de basiskwaliteitseisen van gastouderopvang wordt voldaan.

De kwaliteitsaspecten die de toezichthouder beoordeelt ten aanzien van het gastouderbureau zijn ingedeeld naar de volgende domeinen:

  • 1. gastouderbureau in de zin van de Wet kinderopvang;

  • 2. ouders;

  • 3. personeel;

  • 4. pedagogisch beleid;

  • 5. klachten;

  • 6. veiligheid en gezondheid;

  • 7. kwaliteit gastouderbureau.

Elk domein kent verschillende voorwaarden; criteria waarop wordt getoetst of wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorschriften uit de Wet kinderopvang, de AMvB deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, Besluit Registratie Kinderopvang, de Regeling Wet kinderopvang, de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector.

Het toetsingskader gastouderbureau bestaat uit 2 delen, A en B. De items uit deel A zijn opgesteld om te bepalen of het gastouderbureau in het landelijk register opgenomen kan worden. Deze items zijn door middel van een administratief onderzoek te toetsen. Wanneer een gastouderbureau voldoet aan alle items van deel A dan wordt een onderzoek op het gastouderbureau gepland waarbij vervolgens items uit deel B getoetst zullen worden. Het onderzoek van deel A vindt plaats vóór registratie. Het onderzoek van deel B vindt plaats binnen 3 maanden na registratie en vervolgens jaarlijks. Zowel na het onderzoek van deel A als na het onderzoek van deel B wordt een openbaar inspectierapport gemaakt. Voldoet een gastouderbureau niet aan alle items uit deel A dan wordt geen onderzoek op het bureau gepland, wordt aan de gemeente geadviseerd het gastouderbureau niet op te nemen in het landelijk register en kan het gastouderbureau hiermee niet in exploitatie gaan. Het kalenderjaar 2010 is een overgangsjaar. Gastouderbureaus die werkzaam waren/zijn in 2009, krijgen een voorlopige status in het landelijk register en worden in de loop van 2010 gecontroleerd door de GGD. Bij deze inspectie worden zowel deel A als deel B getoetst en bepaalt het onderzoeksresultaat of de voorlopige status kan worden omgezet in een definitieve registratie.

Naast het toetsingskader gastouderbureau bestaat een apart toetsingskader voor de gastouder.

Het toetsingskader gastouderbureau is opgesteld door GGD Nederland, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Dit toetsingskader is gewijzigd in oktober 2009.

Domeinindeling, voorwaarden en beslisregels [Vervallen per 01-01-2012]

1. Gastouderbureau in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

1.1. Gastouderbureau in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 1 en 49, derde lid)

Voorwaarde

1 Het gastouderbureau is een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan gastouders geschiedt.

1.2. Administratie gastouderbureau [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 1, 50, 52 en 56)

AMvB Deskundigheidseisen (artikel 2) en de daarop gebaseerde ministeriële regeling

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang 1 (artikel 12)

Regeling Wet kinderopvang

Voorwaarden

1 De administratie van het gastouderbureau bevat een contract per vraagouder.

2 De administratie van het gastouderbureau bevat kopieën van de verklaringen omtrent gedrag van de gastouders en volwassen huisgenoten.

3 De administratie van het gastouderbureau bevat kopieën van de getuigschriften en/of EVC-bewijsstukken en certificaten Eerste Hulp aan kinderen van de gastouders.2

4 In de administratie van het gastouderbureau is de betaling van de vraagouders aan het gastouderbureau inzichtelijk.

5 In de administratie van het gastouderbureau is de betaling van het gastouderbureau aan de gastouder inzichtelijk.3

6 De administratie van het gastouderbureau bevat een origineel van de door de gastouder en bemiddelingsmedewerker ondertekende versie van iedere risico-inventarisatie en bijbehorende plan van aanpak.

1Normen ontleend aan de beleidsregel gelden als richtlijn. De houder mag daar eventueel van afwijken, mits hij daarvoor een goede reden heeft en ten minste een gelijkwaardig alternatief biedt voor hetgeen de betreffende norm in de beleidsregel beoogt. Is dat het geval dan is de beleidsregel op dat onderdeel niet van toepassing.

2Waaruit blijkt dat de gastouder voldoet aan de gestelde deskundigheidseisen.

3Ongeacht het oordeel van de GGD over de administratie van het gastouderbureau, behoudt de Belastingdienst zich het recht voor een eigen oordeel over de administratie te vormen conform de Regeling Wet Kinderopvang.

2. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Informatie voor vraagouders [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56, lid 4)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 11 en 13)

Regeling Wet kinderopvang

Voorwaarden

1 Het gastouderbureau laat in de schriftelijke overeenkomst met de vraagouder duidelijk zien welk deel van het betaalde bedrag naar het gastouderbureau gaat (uitvoeringskosten) en welk deel van het betaalde bedrag naar de gastouder gaat.

2 De houder informeert de vraagouders over het te voeren beleid.1

3 Het gastouderbureau draagt zorg voor een goede bereikbaarheid van het gastouderbureau voor de vraagouder en informeert de vraagouders hierover.

4 De informatie is gedetailleerd genoeg om vraagouders een adequaat beeld van de praktijk te geven.

5 De praktijk sluit aan bij de aan de vraagouders verstrekte informatie.

6 De houder legt een afschrift van het inspectierapport op een voor vraagouders, gastouders en personeel toegankelijke plaats.

1Het gaat hier om: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; de hoeveelheid kinderen (inclusief eigen kinderen) in welke leeftijd die per gastouder maximaal worden opgevangen; de wijze van tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang; vooraf informatie over het beleid ten aanzien van veiligheid en gezondheid; het te voeren beleid inzake veiligheid en gezondheid.

2.2. Reglement oudercommissie19 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

Voorwaarde

1 De houder heeft een reglement oudercommissie vastgesteld.

2.2.1. Inhoud reglement oudercommissie20 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

Voorwaarden

1 Het reglement omvat regels omtrent het aantal leden.

2 Het reglement omvat regels omtrent de wijze van kiezen van de leden.

3 Het reglement omvat regels omtrent de zittingsduur van de leden.

4 Het reglement omvat geen regels omtrent werkwijze van de oudercommissie.

5 De houder wijzigt het reglement na instemming van de oudercommissie.

2.3. Instellen oudercommissie21 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

Voorwaarde

1 De houder heeft een oudercommissie ingesteld.

2.3.1. Voorwaarden oudercommissie22 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

Voorwaarden

1 De houder is geen lid.

2 Het personeel is geen lid.

3 De leden worden gekozen uit en door de vraagouders.

4 De houder stelt de oudercommissie in de gelegenheid haar eigen werkwijze te bepalen.

2.3.2. Adviesrecht oudercommissie23 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 60 en 60a)

Voorwaarden

1 De houder stelt de oudercommissie in staat haar advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot de genoemde onderwerpen.1

2 De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.

3 Van een gevraagd advies van de oudercommissie wijkt de houder alleen af indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet.

4 De houder geeft de oudercommissie gelegenheid ook ongevraagd te adviseren over de genoemde onderwerpen.

1Het gaat hier over de volgende onderwerpen: wijze waarop gastouderopvang tot stand wordt gebracht en de begeleiding hiervan, het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; voedingsaangelegenheden van algemene aard; het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid, gezondheid; het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen; de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; wijziging van de prijs van kinderopvang.

3. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 56, derde lid en 50, derde, vierde en vijfde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 13)

Voorwaarden

1 Personen werkzaam bij het gastouderbureau zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.1

2 De verklaring omtrent het gedrag is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het gastouderbureau overlegd.

3 De verklaring omtrent het gedrag is bij overleggen niet ouder dan twee maanden.

1Deze verplichting geldt voor de personen die als houder, bestuurder of bemiddelingsmedewerker werkzaam zijn. Het gaat hierbij om alle bestuurders, dus ook om leden van een stichtingsbestuur. De verplichting tot overleggen van een verklaring omtrent het gedrag geldt ook voor uitzendkrachten, die bemiddelings-werkzaamheden uitvoeren. Conform art. 13 dienen zij alleen de eerste keer dat de werkzaamheden op een gastouderbureau aanvangen een verklaring omtrent het gedrag te overleggen.

3.2. Beroepskwalificatie bemiddelingsmedewerkers [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 13 en 14)

Voorwaarde

1 Alle bemiddelingsmedewerkers werkzaam bij het gastouderbureau beschikken over relevante pedagogische opleiding op MBO-niveau.

3.3. Personeelsformatie per gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang ( artikel 13)

Voorwaarde

1 Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling.1

1 Voorbeelden van taken die onder begeleiding en bemiddeling vallen en die in de vastgestelde 16 uur per gastouder besteed dienen te worden op jaarbasis zijn: eerste contact ouder; werving van ouder; intake van de gastouder; scholing gastouder (o.a. begeleiden); GGD toetsing; de koppeling van gastouder en vraagouder; koppelingsgesprek; evaluatiegesprekken met ouders; vraagbaak voor gastouder; jaarlijks tweemaal bezoek aan gastouder; interne/externe opleiding/training; intern en extern overleg (op het gebied van begeleiding en bemiddeling.)

4. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Pedagogisch beleidsplan24 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 11)

Voorwaarde

1 De houder heeft een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

4.1.1. Inhoud pedagogisch beleidsplan [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 11, 15c en 15d)

Voorwaarden

1 In het pedagogisch beleidsplan staat in duidelijke en observeerbare termen het volgende beschreven: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.

2 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de leeftijdsopbouw en aantallen van de kinderen die door een gastouder worden opgevangen.

3 Het pedagogisch plan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de eisen die aan het opvangadres worden gesteld.

4.1.2. Pedagogische praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 56)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 11)

Voorwaarden

1 De houder informeert de gastouders over de inhoud van het pedagogisch beleidsplan waardoor zij ernaar kunnen handelen.

2 De houder ziet er op toe dat gastouders handelen conform het pedagogisch beleidsplan.

3 De houder begeleidt gastouders, zodat zij handelen conform het pedagogisch beleidsplan.

5. Klachten [Vervallen per 01-01-2012]

5.1. Wet klachtrecht cliënten zorgsector [Vervallen per 01-01-2012]

Wet klachtrecht cliënten zorgsector (artikelen 1, 2, 2a en 3c)

Voorwaarden

1 De regeling voor de behandeling van klachten voorziet erin dat er wordt voldaan aan de beschreven eisen.1

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van vraagouders.

3 Een houder ziet erop toe dat de klachtencommissie werkt met een reglement.

4 De houder hanteert de termijn waarbinnen schriftelijk wordt gereageerd naar aanleiding van een oordeel van de klachtencommissie.2

5 De houder leeft geheimhoudingsplicht na.

6 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin een minimaal aantal zaken wordt aangegeven.3

7 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

1 Door of namens een cliënt kan bij de klachtencommissie een klacht tegen een zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens de cliënt.

Klachten van cliënten worden behandeld door een klachtencommissie (min. 3 leden, voorzitter klachtencommissie niet in dienst bij de organisatie, persoon waarover geklaagd wordt, mag niet in de commissie zitten).

Binnen een afgesproken termijn moeten klager, degene over wie geklaagd is en houder schriftelijk en met redenen omkleed in kennis worden gesteld van het oordeel (gegrondheid en evt. aanbevelingen). Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden).

Klager en degene over wie geklaagd is worden in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden (schriftelijk of mondeling).

Klager en beklaagde mogen zich laten bijstaan.

2 De houder deelt de klager en de klachtencommissie, binnen een maand na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja, welke. Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden) en wordt er een nieuwe termijn afgesproken.

3Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

5.2. Klachtenregeling oudercommissie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 60a)

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid die voldoet aan de beschreven eisen.1

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van oudercommissie.

3 De houder zorgt voor naleving van de regeling.

4 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin een minimaal aantal zaken wordt aangegeven.2

5 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

1 De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.

2 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

6. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

6.1. Risico-inventarisatie veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12)

Voorwaarden

1 De houder draagt er zorg voor dat samen met de gastouder door een bemiddelingsmedewerker van het bureau op het opvangadres in elke voor de op te vangen kinderen toegankelijke ruimte de veiligheidsrisico’s in een risico-inventarisatie vastgelegd worden.

2 De houder draagt zorg voor een inventarisatie van de veiligheidsrisico’s door een bemiddelingsmedewerker van het bureau vóór aanvang van de opvang en daarna jaarlijks voor elke woning waar gastouderopvang plaatsvindt.

3 De houder draagt er zorg voor dat de risico-inventarisatie de veiligheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verstikking, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden beschrijft.

4 De houder draagt er zorg voor dat de gastouder en huisgenoten op de hoogte zijn van de uitkomsten van de risico-inventarisatie veiligheid en het daaruit voortvloeiende plan van aanpak.

5 De houder draagt er zorg voor dat de veiligheidsrisico’s worden gereduceerd door in het plan van aanpak preventieve maatregelen te beschrijven die effectief en adequaat zijn.

6.2. Risico-inventarisatie gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12)

Voorwaarden

1 De houder draagt er zorg voor dat samen met de gastouder door een bemiddelingsmedewerker van het bureau op het opvangadres in elke voor de op te vangen kinderen toegankelijke ruimte de gezondheidsrisico’s in een risico-inventarisatie vastgelegd worden.

2 De houder draagt zorg voor een inventarisatie van de gezondheidsrisico’s door een bemiddelingsmedewerker van het bureau vóór aanvang van de opvang en daarna jaarlijks voor elke woning waar gastouderopvang plaatsvindt.

3 De houder draagt er zorg voor dat de risico-inventarisatie de gezondheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen beschrijft.

4 De houder draagt er zorg voor dat de gastouder en huisgenoten op de hoogte zijn van de uitkomsten van de risico-inventarisatie gezondheid en het daaruit voortvloeiende plan van aanpak.

5 De houder draagt er zorg voor dat de gezondheidsrisico’s worden gereduceerd door in het plan van aanpak preventieve maatregelen te beschrijven die effectief en adequaat zijn.

6.3. Protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15a)

Voorwaarde

1 De houder heeft een protocol kindermishandeling welke voldoet aan de beschreven eisen.1

1Het protocol hanteert de definitie van kindermishandeling conform de Wet op de Jeugdzorg (2005), welke als volgt luidt: ‘Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.’

In het protocol zijn verantwoordelijkheden per organisatielaag uitgesplitst in taken en bevoegdheden.

Het protocol bevat een stappenplan waarin minimaal de volgende fases aan bod komen: vermoeden, overleg, plan van aanpak, beslissen, handelen, evaluatie en nazorg.

Het stappenplan bevat een tijdslijn vanaf de persoon met een vermoeden van kindermishandeling tot en met de nazorg. Het stappenplan is voorzien van een heldere toelichting, hulpmiddelen voor het doorlopen ervan en aandachtspunten voor de gespreksvoering met verschillende partijen.

Het protocol bevat een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied, uitgesplitst voor de groep van 0-4 jaar en de groep van 4-12 jaar, om kindermishandeling zo vroeg mogelijk te signaleren. De ontwikkelingsgebieden per leeftijdscategorie ( 0-4 jarigen dan wel 4-12 jarigen) die in de lijst aan bod dienen te komen zijn: psycho-sociale signalen, medische signalen, kenmerken verzorgers/gezin, signalen specifiek voor seksueel misbruik, signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.

Het protocol besteedt aandacht aan de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens. In het protocol dienen de volgende punten met betrekking hierop behandeld te worden: zorgvuldig handelen, inzagerecht ouders/wettelijk vertegenwoordigers, contact met andere instellingen, omgaan met schriftelijke informatie

Het protocol besteedt aandacht aan de mogelijke situatie dat een persoon werkzaam bij het gastouderbureau, een gastouder of een volwassen huisgenoot van de gastouder de vermoedelijke dader is.

Het protocol bevat praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het Advies&Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

6.3.1. Beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15a)

Voorwaarde

1 De houder draagt er zorg voor dat de gastouder op de hoogte is van de inhoud van het protocol kindermishandeling.

7. Kwaliteit gastouderbureau [Vervallen per 01-01-2012]

7.1. Kwaliteitscriteria [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 1, lid 1 en 56, eerste lid)

AMvB Deskundigheidseisen (artikel 2)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 13, 14 en 15d)

Voorwaarden

1 De houder draagt er zorg voor dat per gastouder beoordeeld wordt hoeveel kinderen bij de betreffende gastouder verantwoord opgevangen kunnen worden.

2 De houder draagt zorg voor een intakegesprek met de gastouder.

3 De houder draagt zorg voor een intakegesprek met de vraagouder.

4 De houder draagt zorg voor een koppelingsgesprek voor elke nieuwe koppeling tussen vraag- en gastouder in de woning waar de opvang plaats vindt.

5 De houder draagt er zorg voor dat ieder opvangadres minstens twee maal per jaar wordt bezocht, waarbij het jaarlijkse voortgangsgesprek met de gastouder een onderdeel is van één van deze bezoeken.

6 De houder evalueert jaarlijks mondeling de gastouderopvang met de vraagouders en legt deze schriftelijk vast.

7 Een ondertekend origineel verslag van het evaluatiegesprek is aanwezig in het dossier op het gastouderbureau en een kopie is verstrekt aan de vraagouder.

Bijlage 5. bij Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (artikel 8, derde lid) [Vervallen per 01-01-2012]

Inspectierapport dagopvang [Vervallen per 01-01-2012]

Toezichthouder: [naam GGD]

Datum inspectiebezoek:

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Waarom toezicht? [Vervallen per 01-01-2012]

De rijksoverheid stelt aan kindercentra kwaliteitseisen op het gebied van ouderinspraak, personeel, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting, groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio, pedagogisch beleid en pedagogische praktijk en klachten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar. De kwaliteit van de eerste jaren van een kind heeft grote invloed op zijn latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk.

Wie is waarvoor verantwoordelijk? [Vervallen per 01-01-2012]

Het kindercentrum is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op die kwaliteit. In opdracht van de gemeente voert de GGD inspecties uit, waarbij zij beoordeelt of kindercentra aan de gestelde eisen voldoen. Zo nodig adviseert de GGD aan de gemeente om maatregelen te nemen.

Waarop is het toezicht gebaseerd? [Vervallen per 01-01-2012]

Om de kwaliteit te kunnen beoordelen heeft de rijksoverheid regels in de Wet kinderopvang en in de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang geformuleerd25 . Om te kunnen beoordelen of aan deze regels wordt voldaan, is een toetsingskader opgesteld. Hierin staan alle zaken waarover de toezichthouder informatie verzamelt én een oordeel geeft. Alle toezichthouders in Nederland werken met dezelfde veldinstrumenten, zoals vragenlijsten, om op een gestructureerde manier informatie te verzamelen tijdens een inspectiebezoek.

Wat is het doel van het inspectierapport? [Vervallen per 01-01-2012]

De bevindingen van het inspectiebezoek staan in dit inspectierapport. Het doel van dit rapport is:

  • 1. Een oordeel geven over het al dan niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Het kan gaan om de eisen die gesteld worden aan kindercentra om in het landelijk register opgenomen te worden dan wel om eisen die aan kindercentra gesteld worden die al in exploitatie zijn.

  • 2. Aan de gemeente rapporteren in hoeverre het kindercentrum aan de kwaliteitseisen voldoet en een advies uitbrengen over eventuele vervolgstappen.

  • 3. De (toekomstige) ouders informeren over de mate waarin het kindercentrum aan de kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector voldoet.

Leeswijzer [Vervallen per 01-01-2012]

Dit rapport geeft een overzicht van alle eisen en geeft hierbij aan wat de toezichthouder heeft geconstateerd en wat zijn beoordeling is. In het ‘Overzicht bevindingen’ staan de bevindingen van de toezichthouder heel kort per inspectie-domein samengevat en in ‘Het inspectie-onderzoek’ staan ze per inspectie-item uitgewerkt. Een toezichthouder oordeelt of er aan de gestelde voorwaarde is voldaan (‘ja’), of dit niet het geval is (‘nee’), of dat hij niet tot een oordeel kon komen (‘niet beoordeeld’). Om de gemeente van de benodigde informatie te voorzien om te kunnen bepalen of en in welke mate gehandhaafd dient te worden geeft de toezichthouder, indien op een domein niet aan alle voorwaarden is voldaan, een beschrijving van de context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is.

Ook bevat het rapport de zienswijze van de houder van het kindercentrum en het advies van de toezichthouder aan de gemeente met betrekking tot de handhaving. Daarnaast bevat het rapport een aantal basisgegevens van het kindercentrum, gemeente en toezichthouder.

Algemene gegevens Kindercentrum [Vervallen per 01-01-2012]

NAW-gegevens kindercentrum

Naam kindercentrum (locatie)

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

Naam contactpersoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 

Kwaliteitssysteem

:

□ Nee □ Ja, namelijk:

 

Lid brancheorganisatie

:

□ Nee □ Ja, namelijk:

 
Opvanggegevens

Type opvang

:

 

Aantal groepen

:

 

Aantal beroepskrachten

:

 

Aantal kindplaatsen

:

 

Openingsdagen/tijden

:

 
NAW-gegevens houder

Naam houder

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

Naam contactpersoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 
Registergegevens kindercentrum

Datum aanvraag registeropname

:

datum

□ n.v.t.

Gegevens aanvraag conform de praktijk

:

□ Nee □ Ja

□ n.v.t.

Datum opname landelijk register

:

datum

□ n.v.t.

Gegevens register conform de praktijk

:

□ Nee □ Ja

□ n.v.t.

Type inspectie

:

Aangekondigd

Niet aangekondigd

Onderzoek na aanvraag registeropname

:

Onderzoek na aanvangsdatum exploitatie

:

Regulier inspectie bezoek

:

Nader onderzoek

(reden nader onderzoek)

:

Incidenteel onderzoek

(reden incidenteel onderzoek)

:

Datum vorig inspectiebezoek

:

 

Overzicht bevindingen toezichthouder per inspectie-domein [Vervallen per 01-01-2012]

0. Kindercentrum in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor het starten van een kindercentrum dat bedrijfsmatig of anders dan om niet gedurende de opvang verzorging en opvoeding biedt aan kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Beoordeling toezichthouder

Van de 3 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

1. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor het instellen van een oudercommissie, het reglement, de samenstelling en werkwijze van de oudercommissie, het adviesrecht van de oudercommissie en de informatieverstrekking aan ouders.

Beoordeling toezichthouder

Van de 20 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

2. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor verklaringen omtrent het gedrag, passende beroepskwalificatie, de inzet van pedagogisch medewerkers in ontwikkeling en het gebruik van de Nederlandse taal.

Beoordeling toezichthouder

Van de 8 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

3. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de waarborging van de veiligheid en gezondheid van kinderen. De houder legt in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. Verder gelden normen voor de inhoud en uitvoering van de risico-inventarisatie.

Beoordeling toezichthouder

Van de 23 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

4. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de accommodatie en inrichting van de binnenruimte, de slaapruimte voor baby’s en de buitenspeelruimte.

Beoordeling toezichthouder

Van de 10 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

5. Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de groepsgrootte en de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en aantal kinderen (de beroepskracht-kind-ratio).

Beoordeling toezichthouder

Van de 12 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

6. Pedagogisch beleid en praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de aanwezigheid van een pedagogisch beleidsplan, de inhoud van een pedagogisch beleidsplan en de relatie van het beleidsplan met de praktijk. In de praktijk dienen voorwaarden te worden vervuld voor het waarborgen van de emotionele veiligheid van kinderen, de ontwikkeling van de persoonlijke- en de sociale competentie van kinderen en de overdracht van normen en waarden.

Beoordeling toezichthouder

Van de 24 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

7. Klachten [Vervallen per 01-01-2012]

De Wet klachtrecht cliënten zorgsector stelt eisen aan het kindercentrum. Het gaat hier om een klachtenregeling met waarborgen voor een onafhankelijke afhandeling en het vastleggen in een openbaar verslag. De Wet kinderopvang stelt eisen aan het treffen van een klachtenregeling voor oudercommissies.

Beoordeling toezichthouder

Van de 12 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

Zienswijze houder kindercentrum [Vervallen per 01-01-2012]

 
 
 
 

Beschouwing toezichthouder [Vervallen per 01-01-2012]

 
 
 
 

Advies aan gemeente [Vervallen per 01-01-2012]

Advies:

□ Wel □ niet opnemen in landelijk register

□ niet handhaven

□ handhaven conform handhavingsbeleid, hierbij rekeninghoudend met de verzwarende en verzachtende omstandigheden.

□ eventuele opmerkingen toezichthouder:

Algemene gegevens toezicht [Vervallen per 01-01-2012]

Gegevens toezichthouder (GGD)    

Naam GGD

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 
Gegevens opdrachtgever (gemeente)    

Naam gemeente

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 

Naam contactpersoon

:

 

Telefoonnummer contactpersoon

:

 

E-mail contactpersoon

:

 
Overzicht gebruikte bronnen    

Vragenlijst locatieverantwoordelijke

:

 

Vragenlijst oudercommissie

:

 

Interview houder en/of locatieverantwoordelijke

:

 

Interview anderen

:

 

Observaties

:

 

Andere bronnen

:

 
Planning    

Datum inspectiebezoek

:

 

Opstellen concept inspectierapport

:

 

Zienswijze houder

:

 

Opstellen definitief inspectierapport

:

 

Verzenden inspectierapport naar houder en oudercommissie

:

 

Verzenden inspectierapport naar gemeente

:

 

Openbaar maken inspectierapport

:

 

Het inspectie-onderzoek: [Vervallen per 01-01-2012]

Uitwerking beoordeling toezichthouder per inspectie-item [Vervallen per 01-01-2012]

0. Kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

0.1. Kinderopvang in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, eerste lid)

Beleidsregels werkwijze toezichthouder (artikel 4, eerste lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De opvang vindt bedrijfsmatig of anders dan om niet plaats.

2 Gedurende de opvang wordt verzorging en opvoeding geboden.

3 De opvang is gericht op kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Toelichting toezichthouder

 
 

1. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

1.1. Reglement oudercommissie26,27 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een reglement oudercommissie vastgesteld.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.1.1. Inhoud reglement oudercommissie28 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Het reglement omvat regels omtrent het aantal leden.

2 Het reglement omvat regels omtrent de wijze van kiezen van de leden.

3 Het reglement omvat regels omtrent de zittingsduur van de leden.

4 Het reglement omvat geen regels omtrent werkwijze van de oudercommissie.

5 De houder wijzigt het reglement na instemming van de oudercommissie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.2. Instellen oudercommissie29 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een oudercommissie ingesteld.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.2.1. Voorwaarden oudercommissie30 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder is geen lid.

2 Het personeel is geen lid.

3 De leden worden gekozen uit en door de ouders.

4 De houder stelt de oudercommissie in de gelegenheid haar eigen werkwijze te bepalen.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.2.2. Adviesrecht oudercommissie31 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 60 en 60a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder stelt de oudercommissie in staat haar advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot de genoemde onderwerpen1.

2 De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.

3 Van een gevraagd advies van de oudercommissie wijkt de houder alleen af indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet.

4 De houder geeft de oudercommissie gelegenheid ook ongevraagd te adviseren over de genoemde onderwerpen

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het gaat hier om de volgende onderwerpen: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; voedingsaangelegenheden van algemene aard; het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid, gezondheid; de openingstijden; het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen; de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; wijziging van de prijs van kinderopvang.

1.3. Informatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 54 en 63, vierde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, tweede lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder informeert de ouders over het te voeren beleid1.

2 De houder informeert de ouders en de kinderen in welke stamgroep het kind verblijft en welke beroepskrachten op welke dag bij welke groep horen 2, 3.

3 De houder legt een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.

4 De informatie is gedetailleerd genoeg om ouders een adequaat beeld van de praktijk te geven.

5 De praktijk sluit aan bij de aan de ouders verstrekte informatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het gaat hier om: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie; de groepsgrootte; de opleidingseisen van de beroepskrachten; het beleid met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen; het te voeren beleid inzake veiligheid en gezondheid, waaronder de risico-inventarisatie; het te voeren beleid inzake de te gebruiken voertaal, voor zover geen Nederlands.

2 Deze beroepskrachten zijn tevens aanspreekpunt voor de ouders van het kind.

3 Deze voorwaarde geldt niet voor kinderen die gebruik maken van een flexibel aanbod, dat er uit bestaat dat de dagen waarop deze kinderen komen per week verschillen. Welke kinderen dat zijn moet blijken uit het contract tussen de houder en de ouders van het kind (Beleidsregels kwaliteit kinderopvang, artikel 3, zesde lid).

2. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, derde, vierde en vijfde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Personen werkzaam bij het kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag1.

2 De verklaring omtrent het gedrag is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het kindercentrum overlegd.

3 De verklaring omtrent het gedrag is bij overleggen niet ouder dan twee maanden.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Deze verplichting geldt voor de houder, bestuurder of werknemer, met uitzondering van werknemers die niet op het kindercentrum werkzaam zijn. Het gaat hierbij om alle bestuurders, dus ook om leden van een stichtingsbestuur of van een raad van toezicht. De verplichting tot overleggen van een verklaring omtrent het gedrag geldt ook voor uitzendkrachten werkzaam op een kindercentrum. Conform art. 10, lid 3, dienen zij alleen de eerste keer dat de werkzaamheden op een kindercentrum aanvangen, een verklaring omtrent het gedrag te overleggen. Voor stagiaires die minimaal drie maanden worden ingezet geldt dat zij in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag of datbij aanvang van hun eerste stageperiode een VOG voor hen moet zijn aangevraagd.

2.2. Passende beroepskwalificatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, eerste lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 Alle beroepskrachten beschikken over de voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie zoals in de CAO kinderopvang is opgenomen1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Voor personen die vanaf een moment vóór mei 1991 in dienst zijn bij huidige werkgever geldt een overgangsbepaling.

2.3. Voorwaarden en inzet van pedagogisch medewerkers in ontwikkeling (PMIO) [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang(artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, tweede lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1a Alle PMIO’ers beschikken over een diploma op minimaal MBO-3 niveau;

OF

1b Een HAVO of VWO diploma;

OF

1c Een voor de kinderopvang relevant, maar nog niet gelijkgesteld buitenlands diploma én relevante werkervaring.

2 Voor alle PMIO’ers is binnen 2 maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst een persoonlijk ontwikkelplan opgesteld.

3 Alle PMIO’ers worden ingezet conform een actueel persoonlijk ontwikkelplan.

Toelichting toezichthouder

 
 

2.4. Gebruik van de voorgeschreven voertaal32 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 55)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1a De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt.

OF

1b Er wordt een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in deze specifieke omstandigheid daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het gaat hier bijvoorbeeld om een kindercentrum voor kinderen van internationale bedrijven of organisaties waar de voertaal bijvoorbeeld Engels is.

3. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Risico-inventarisatie veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid van maximaal een jaar oud1.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid betreffende de actuele situatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

3.1.1. Beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de veiligheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verstikking, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

3 Er is een registratie van ongevallen, waarbij per ongeval de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum van het ongeval en een overzicht van te treffen maatregelen worden vermeld.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.1.2. Uitvoering beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van het plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.2. Risico-inventarisatie gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid van maximaal een jaar oud.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid betreffende de actuele situatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.2.1. Beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de gezondheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.2.2. Uitvoering beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.3. Protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een protocol kindermishandeling welke voldoet aan de beschreven eisen1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het protocol hanteert de definitie van kindermishandeling conform de Wet op de Jeugdzorg (2005), welke als volgt luidt: ‘Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.’

In het protocol zijn verantwoordelijkheden per organisatielaag uitgesplitst in taken en bevoegdheden.

Het protocol bevat een stappenplan waarin minimaal de volgende fases aan bod komen: vermoeden, overleg, plan van aanpak, beslissen, handelen, evaluatie en nazorg.

Het stappenplan bevat een tijdslijn vanaf de persoon met een vermoeden van kindermishandeling tot en met de nazorg. Het stappenplan is voorzien van een heldere toelichting, hulpmiddelen voor het doorlopen ervan en aandachtspunten voor de gespreksvoering met verschillende partijen.

Het protocol bevat een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied, uitgesplitst voor de groep van 0–4 jaar en de groep van 4–12 jaar, om kindermishandeling zo vroeg mogelijk te signaleren. De ontwikkelingsgebieden per leeftijdscategorie ( 0–4 jarigen dan wel 4–12 jarigen) die in de lijst aan bod dienen te komen zijn: psycho-sociale signalen, medische signalen, kenmerken verzorgers/gezin, signalen specifiek voor seksueel misbruik, signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.

Het protocol besteedt aandacht aan de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens. In het protocol dienen de volgende punten met betrekking hierop behandeld te worden: zorgvuldig handelen, inzagerecht ouders/wettelijk vertegenwoordigers, contact met andere instellingen, omgaan met schriftelijke informatie.

Het protocol besteedt aandacht aan de mogelijke situatie dat een beroepskracht de vermoedelijke dader is.

Het protocol bevat praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het Advies&Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

3.3.1. Beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder draagt er zorg voor dat beroepskrachten op de hoogte zijn van de inhoud van het protocol kindermishandeling.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.3.2. Uitvoering beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het protocol.

2De beroepskrachten handelen aantoonbaar naar het protocol kindermishandeling.

Toelichting toezichthouder

 
 

4. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Binnenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 5)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste groepsruimte.

2 Er is ten minste 3,5 m2 bruto oppervlakte in de groepsruimte beschikbaar per kind, waaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte.

3 De binnenspeelruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal op te vangen kinderen.

4 De binnenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

Toelichting toezichthouder

 
 

4.2. Slaapruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 6)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Er is een afzonderlijke slaapruimte voor in ieder geval kinderen tot anderhalf jaar.

2 De slaapruimte is afgestemd op het aantal op te vangen kinderen.

Toelichting toezichthouder

 
 

4.3. Buitenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 7, eerste lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Er is ten minste 3 m2 bruto buitenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind.

2 De buitenspeelruimte is voor kinderen toegankelijk.

3 De buitenspeelruimte is aangrenzend aan het kindercentrum.

4 De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

Toelichting toezichthouder

 
 

5. Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

5.1. Opvang in groepen [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, eerste en vierde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De opvang vindt plaats in stamgroepen1.

2a De stamgroep bestaat uit maximaal 12 kinderen tot 1 jaar.

OF

2b De stamgroep bestaat uit maximaal 16 kinderen van 0 tot 4 jaar waarvan maximaal 8 kinderen tot 1 jaar.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Indien het kindercentrum daarvoor kiest, mogen de kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroepruimte verlaten.

5.2. Vaste beroepskrachten en vaste ruimtes [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang1 (artikel 3, derde en vierde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Ieder kind heeft maximaal drie vaste beroepskrachten2.

2 Dagelijks is minimaal één van de vaste beroepskrachten werkzaam op de groep van het kind.

3 Ieder kind maakt van maximaal twee stamgroepruimtes3 gebruik gedurende een week.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Voorwaarden 1, 2 en 3 gelden niet voor kinderen die gebruik maken van een flexibel aanbod, dat er uit bestaat dat de dagen waarop deze kinderen komen per week verschillen. Welke kinderen dat zijn moet blijken uit het contract tussen de houder en de ouders van het kind.

2 Indien in de groep met drie beroepskrachten tegelijk wordt gewerkt, worden er maximaal vier vaste beroepskrachten toegewezen aan ieder kind.

3 Een stamgroepruimte is de ruimte waar de kinderen van de dagopvang het grootste deel van de dag aanwezig zijn.

5.3. Beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, tweede, derde, zevende en achtste lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk gelijktijdig aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste:

– 1 beroepskracht per 4 aanwezige kinderen tot 1 jaar;

– 1 beroepskracht per 5 aanwezige kinderen van 1 tot 2 jaar;

– 1 beroepskracht per 6 aanwezige kinderen van 2 tot 3 jaar;

– 1 beroepskracht per 8 aanwezige kinderen van 3 tot 4 jaar.

Bij kinderen van verschillende leeftijden in één groep wordt het rekenkundig gemiddelde berekend12.

2 Indien conform de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, dan is ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Als bij (spel)activiteiten de kinderen de stamgroep verlaten, kan de beroepskracht-kind-ratio op kindercentrumniveau worden vastgesteld volgens dezelfde sleutel. De op de locatie aanwezige beroepskrachten houden zich bezig met taken die direct met de kinderen te maken hebben.

2 Zie Bijlage 1: Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind-ratio bij groepen dagopvang van samengestelde leeftijd en Bijlage 2: Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind-ratio bij samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang.

5.4. Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio bij openingstijden van 10 uur of langer [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, tiende, elfde en twaalfde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Gedurende de genoemde openingstijden kunnen ten hoogste drie uur per dag, niet aaneengesloten, minder beroepskrachten ingezet worden dan volgens de beroepskracht-kind-ratio vereist is.

2 De drie uur afwijkende inzet betreft uitsluitend de tijd voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze.

3 De afwijking betreft maximaal anderhalf aaneengesloten uren voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze gedurende maximaal twee uur aaneengesloten.

4 Minstens de helft van het aantal vereiste beroepskrachten wordt ingezet wanneer er tijdelijk wordt afgeweken van de beroepskracht-kind-ratio.

5 Indien als gevolg van het afwijken van de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum ingezet wordt, dan is er ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

Toelichting toezichthouder

 
 

6. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

6.1. Pedagogisch beleidsplan33 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.1.1. Inhoud pedagogisch beleidsplan [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 In het pedagogisch beleidsplan staat in duidelijke en observeerbare termen het volgende beschreven: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.

2 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de werkwijze, de maximale omvang en de leeftijdsopbouw van de stamgroep.

3 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen bij welke (spel)activiteiten kinderen hun stamgroep verlaten.

4 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het betreft volwassenen die ingezet worden als achterwacht in het geval van calamiteiten.

6.1.2. Pedagogische praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.

2 De beroepskrachten handelen conform het pedagogisch beleidsplan.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.2. Emotionele veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 De beroepskracht communiceert met de kinderen.

2 De beroepskracht heeft een respectvolle houding naar de kinderen.

3 Er heerst een ontspannen, open sfeer in de groep.

4 De kinderen worden uitgenodigd tot participatie.

5 Kinderen hebben vaste beroepskrachten en bekende leeftijdsgenootjes om zich heen.

6 Er is informatieoverdracht tussen ouders en beroepskracht.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.3. Persoonlijke competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt en stimuleert individuele kinderen.

2 Er is een goede interactie tussen beroepskracht en individuele kinderen.

3 Kinderen hebben de mogelijkheid om eigen ervaringen op te doen middels spelmateriaal, activiteitenaanbod en inrichting.

4 Er is aandacht voor leermomenten. Hierbij is taal en motorisch spel van jonge kinderen belangrijk.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.4. Sociale competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in de interactie tussen kinderen onderling.

2 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in het voorkómen en oplossen van conflicten.

3 De kinderen maken deel uit van het groepsgebeuren.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.5. Overdracht van normen en waarden [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn aanwezig.

2 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn duidelijk.

3 Afspraken, regels en omgangsvormen worden aan de kinderen uitgelegd.

4 Beroepskrachten geven zelf in hun spreken en handelen het goede voorbeeld.

Toelichting toezichthouder

 
 

7. Klachten [Vervallen per 01-01-2012]

7.1. Wet klachtrecht cliënten zorgsector [Vervallen per 01-01-2012]

Wet klachtrecht cliënten zorgsector (artikelen 1, 2, 2a en 3c)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van ouders.

3 De houder ziet erop toe dat de klachtencommissie werkt met een reglement.

4 De houder hanteert de termijn waarbinnen schriftelijk wordt gereageerd naar aanleiding van een oordeel van de klachtencommissie2.

5 De houder leeft geheimhoudingsplicht na.

6 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven3.

7 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Door of namens een cliënt kan bij de klachtencommissie een klacht tegen een zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens de cliënt.

Klachten van cliënten worden behandeld door een klachtencommissie (min. 3 leden, voorzitter

klachtencommissie niet in dienst bij de organisatie, persoon waarover geklaagd wordt, mag niet in de commissie zitten).

Binnen een afgesproken termijn moeten klager, degene over wie geklaagd is en houder schriftelijk en met redenen omkleed in kennis worden gesteld van het oordeel (gegrondheid en evt. aanbevelingen). Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden).

Klager en degene over wie geklaagd is worden in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden (schriftelijk of mondeling).

Klager en beklaagde mogen zich laten bijstaan.

2 De houder deelt de klager en de klachtencommissie, binnen een maand na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja, welke. Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden) en wordt er een nieuwe termijn afgesproken.

3 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

7.2. Klachtenregeling oudercommissie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 60a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van oudercommissie.

3 De houder zorgt voor naleving van de regeling.

4 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven2.

5 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.

2 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2012]

Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind ratio bij groepen dagopvang, op grond van artikel 3, tweede en derde lid, van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

Leeftijd

Beroepskrachten

Maximale aantal

0 tot 1 1 4
1 tot 2 1 5
2 tot 3 1 6
3 tot 4 1 8

0 tot 2

1

4,5

0 tot 3

1

5

0 tot 4

1

5,75

1 tot 3

1

5,5

1 tot 4

1

6,33

2 tot 4

1

7

Bij de berekening van het maximale aantal kinderen in een groep en het minimaal vereiste aantal beroepskrachten, wordt bij groepen, samengesteld uit kinderen van verschillende leeftijden, een vaste volgorde aangehouden. De eerste stap daarbij is dat het maximale aantal kinderen per leeftijdscategorie wordt berekend, bijvoorbeeld maximaal vier baby’s (‘0-jarigen’) per beroepskracht. De tweede stap is vervolgens de berekening van het resterende aantal kinderen en de daarbij behorende maxima. Er wordt naar boven afgerond; bij een rest van 0,5 of hoger wordt naar 1 afgerond. Een rest lager dan 0,5 zal naar beneden worden afgerond.

Bijlage 2 [Vervallen per 01-01-2012]

Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind ratio bij samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang [Vervallen per 01-01-2012]

In het kader van kwaliteit van kinderopvang is een samengestelde groep in de brede leeftijdscategorie van 0–13 jaar geen voorkeursoptie van Convenantpartijen.

Maar in sommige situaties kan de kleinschaligheid een dergelijke groepssamenstelling noodzakelijk maken, waarbij bijvoorbeeld kinderen in de BSO-leeftijd voor een deel van de dag worden samengevoegd met de kinderen in de dagopvang. Met een goede, naar leeftijd gedifferentieerde werkwijze kan er dan nog steeds sprake zijn van kwalitatief verantwoorde kinderopvang. Gecombineerde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang kunnen in pedagogisch opzicht waardevol zijn, bijvoorbeeld wanneer de jongste BSO-kinderen en de oudste dagopvang-kinderen in een samengestelde groep verblijven, en hier in de pedagogische werkwijze nadrukkelijk condities aan worden gesteld.

Bij de uitwerking van de beroepskracht-kind ratio in samengestelde groepen zijn onderstaande uitgangspunten gehanteerd:

  • Voorondersteld wordt dat er sprake is van een gelijkmatige verdeling van de verschillende leeftijden over de groep.

  • Vervolgens is het gemiddelde bepaald zoals opgenomen in Convenant, waarbij het aantal kinderen in relatie tot één pedagogisch medewerker de basis van de berekening vormt.

  • In deze berekening heeft alléén aan het eind van de berekening afronding naar boven plaatsgevonden; het ‘doorrekenen’ gaat uit van onafgeronde getallen.

  • De tabel 0 tot en met 3-jarigen blijft onverkort van toepassing.

Indien met samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang wordt gewerkt, moet in het pedagogisch beleidsplan een duidelijke, naar leeftijd gedifferentieerde, beschrijving gegeven worden van de activiteiten en dagindeling van deze groep.

Leeftijd

Beroepskrachten

Maximale aantal

0 tot 1 1 4
1 tot 2 1 5
2 tot 3 1 6
3 tot 4 1 8
4 tot 13 1 10
4 tot 8 1 10
8 tot 13 1 10
     

0 tot 13

1

6,661

1 tot 13

1

7,252

2 tot 13

1

83

3 tot 13

1

94

1 Waarvan maximaal vier 0 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 0-jarigen.

2 Waarvan maximaal vier 1 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 1-jarigen.

3 Waarvan maximaal vijf 2 tot en met 3-jarigen.

4 Waarvan maximaal zes 3-jarigen

Bij de berekening van het maximale aantal kinderen in een groep en het minimaal vereiste aantal beroepskrachten, wordt bij groepen, samengesteld uit kinderen van verschillende leeftijden, een vaste volgorde aangehouden. De eerste stap daarbij is dat het maximale aantal kinderen per leeftijdscategorie wordt berekend, bijvoorbeeld maximaal vier baby’s (‘0-jarigen’) per beroepskracht. De tweede stap is vervolgens de berekening van het resterende aantal kinderen en de daarbij behorende maxima. Er wordt naar boven afgerond; bij een rest van 0,5 of hoger wordt naar 1 afgerond. Een rest lager dan 0,5 zal naar beneden worden afgerond.

Bijlage 6. bij Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (artikel 8, derde lid) [Vervallen per 01-01-2012]

Inspectierapport buitenschoolse opvang [Vervallen per 01-01-2012]

Toezichthouder: [naam GGD]

Datum inspectiebezoek:

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Waarom toezicht? [Vervallen per 01-01-2012]

De rijksoverheid stelt aan kindercentra kwaliteitseisen op het gebied van ouderinspraak, personeel, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting, groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio, pedagogisch beleid en pedagogische praktijk en klachten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar. De kwaliteit van de eerste jaren van een kind heeft grote invloed op zijn latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk.

Wie is waarvoor verantwoordelijk? [Vervallen per 01-01-2012]

Het kindercentrum is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op die kwaliteit. In opdracht van de gemeente voert de GGD inspecties uit, waarbij zij beoordeelt of kindercentra aan de gestelde eisen voldoen. Zo nodig adviseert de GGD aan de gemeente om maatregelen te nemen.

Waarop is het toezicht gebaseerd? [Vervallen per 01-01-2012]

Om de kwaliteit te kunnen beoordelen heeft de rijksoverheid regels in de Wet kinderopvang en in de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang geformuleerd34 . Om te kunnen beoordelen of aan deze regels wordt voldaan, is een toetsingskader opgesteld. Hierin staan alle zaken waarover de toezichthouder informatie verzamelt én een oordeel geeft. Alle toezichthouders in Nederland werken met dezelfde veldinstrumenten, zoals vragenlijsten, om op een gestructureerde manier informatie te verzamelen tijdens een inspectiebezoek.

Wat is het doel van het inspectierapport? [Vervallen per 01-01-2012]

De bevindingen van het inspectiebezoek staan in dit inspectierapport. Het doel van dit rapport is:

  • 1. Een oordeel geven over het al dan niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Het kan gaan om de eisen die gesteld worden aan kindercentra om in het landelijk register opgenomen te worden dan wel om eisen die aan kindercentra gesteld worden die al in exploitatie zijn.

  • 2. Aan de gemeente rapporteren in hoeverre het kindercentrum aan de kwaliteitseisen voldoet en een advies uitbrengen over eventuele vervolgstappen.

  • 3. De (toekomstige) ouders informeren over de mate waarin het kindercentrum aan de kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector voldoet.

Leeswijzer [Vervallen per 01-01-2012]

Dit rapport geeft een overzicht van alle eisen en geeft hierbij aan wat de toezichthouder heeft geconstateerd en wat zijn beoordeling is. In het ‘Overzicht bevindingen’ staan de bevindingen van de toezichthouder heel kort per inspectie-domein samengevat en in ‘Het inspectie-onderzoek’ staan ze per inspectie-item uitgewerkt. Een toezichthouder oordeelt of er aan de gestelde voorwaarde is voldaan (‘ja’), of dit niet het geval is (‘nee’), of dat hij niet tot een oordeel kon komen (‘niet beoordeeld’). Om de gemeente van de benodigde informatie te voorzien om te kunnen bepalen of en in welke mate gehandhaafd dient te worden geeft de toezichthouder, indien op een domein niet aan alle voorwaarden is voldaan, een beschrijving van de context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is.

Ook bevat het rapport de zienswijze van de houder van het kindercentrum en het advies van de toezichthouder aan de gemeente met betrekking tot de handhaving. Daarnaast bevat het rapport een aantal basisgegevens van het kindercentrum, gemeente en toezichthouder.

Algemene gegevens Kindercentrum [Vervallen per 01-01-2012]

NAW-gegevens kindercentrum  

Naam kindercentrum (locatie)

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

Naam contactpersoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 

Kwaliteitssysteem

:

□ Nee □ Ja, namelijk:

 

Lid brancheorganisatie

:

□ Nee □ Ja, namelijk:

 
Opvanggegevens

Type opvang

:

 

Aantal groepen

:

 

Aantal beroepskrachten

:

 

Aantal kindplaatsen

:

 

Openingsdagen/ tijden

:

 
NAW-gegevens houder

Naam houder

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

Naam contactpersoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 
Registergegevens kindercentrum

Datum aanvraag registeropname

:

datum

□ n.v.t.

Gegevens aanvraag conform de praktijk

:

□ Nee □ Ja

□ n.v.t.

Datum opname landelijk register

:

datum

□ n.v.t.

Gegevens register conform de praktijk

:

□ Nee □ Ja

□ n.v.t.

Type inspectie

:

Aangekondigd

Niet aangekondigd

Onderzoek na aanvraag registeropname

:

Onderzoek na aanvangsdatum exploitatie

:

Regulier inspectie bezoek

:

Nader onderzoek

(reden nader onderzoek)

:

Incidenteel onderzoek

(reden incidenteel onderzoek)

:

Datum vorig inspectiebezoek

:

 

Overzicht bevindingen toezichthouder per inspectie-domein [Vervallen per 01-01-2012]

0. Kindercentrum in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor het starten van een kindercentrum dat bedrijfsmatig of anders dan om niet gedurende de opvang verzorging en opvoeding biedt aan kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Beoordeling toezichthouder

Van de 3 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

1. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor het instellen van een oudercommissie, het reglement, de samenstelling en werkwijze van de oudercommissie, het adviesrecht van de oudercommissie en de informatieverstrekking aan ouders.

Beoordeling toezichthouder

Van de 20 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

2. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor verklaringen omtrent het gedrag, passende beroepskwalificatie, de inzet van pedagogisch medewerkers in ontwikkeling en het gebruik van de Nederlandse taal.

Beoordeling toezichthouder

Van de 8 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

3. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de waarborging van de veiligheid en gezondheid van kinderen. De houder legt in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. Verder gelden normen voor de inhoud en uitvoering van de risico-inventarisatie.

Beoordeling toezichthouder

Van de 23 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

4. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de accommodatie en inrichting van de binnenruimte en de buitenspeelruimte.

Beoordeling toezichthouder

Van de 10 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

5.. Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de groepsgrootte en de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en aantal kinderen (de beroepskracht-kind-ratio).

Beoordeling toezichthouder

Van de 9 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

6. Pedagogisch beleid en praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de aanwezigheid van een pedagogisch beleidsplan, de inhoud van een pedagogisch beleidsplan en de relatie van het beleidsplan met de praktijk. In de praktijk dienen voorwaarden te worden vervuld voor het waarborgen van de emotionele veiligheid van kinderen, de ontwikkeling van de persoonlijke- en de sociale competentie van kinderen en de overdracht van normen en waarden.

Beoordeling toezichthouder

Van de 25 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

7. Klachten [Vervallen per 01-01-2012]

De Wet klachtrecht cliënten zorgsector stelt eisen aan het kindercentrum. Het gaat hier om een klachtenregeling met waarborgen voor een onafhankelijke afhandeling en het vastleggen in een openbaar verslag. De Wet kinderopvang stelt eisen aan het treffen van een klachtenregeling voor oudercommissies.

Beoordeling toezichthouder

Van de 12 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarden niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

Zienswijze houder kindercentrum [Vervallen per 01-01-2012]

 
 
 
 

Beschouwing toezichthouder [Vervallen per 01-01-2012]

 
 
 
 

Advies aan gemeente [Vervallen per 01-01-2012]

Advies:

□ Wel □ niet opnemen in landelijk register

□ niet handhaven

□ handhaven conform handhavingsbeleid, hierbij rekeninghoudend met de verzwarende en verzachtende omstandigheden.

□ eventuele opmerkingen toezichthouder:

Algemene gegevens toezicht [Vervallen per 01-01-2012]

Gegevens toezichthouder (GGD)

Naam GGD

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 
Gegevens opdrachtgever (gemeente)

Naam gemeente

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

E-mail

:

 

Website

:

 

Naam contactpersoon

:

 

Telefoonnummer contactpersoon

:

 

E-mail contactpersoon

:

 
Overzicht gebruikte bronnen    

Vragenlijst locatieverantwoordelijke

:

 

Vragenlijst oudercommissie

:

 

Interview houder en/of locatieverantwoordelijke

:

 

Interview anderen

:

 

Observaties

:

 

Andere bronnen

:

 
Planning

Datum inspectiebezoek

:

 

Opstellen concept inspectierapport

:

 

Zienswijze houder

:

 

Opstellen definitief inspectierapport

:

 

Verzenden inspectierapport naar houder en oudercommissie

:

 

Verzenden inspectierapport naar gemeente

:

 

Openbaar maken inspectierapport

:

 

Het inspectie-onderzoek: [Vervallen per 01-01-2012]

Uitwerking beoordeling toezichthouder per inspectie-item [Vervallen per 01-01-2012]

0. Kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

0.1. Kinderopvang in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, eerste lid)

Beleidsregels werkwijze toezichthouder (artikel 4, eerste lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De opvang vindt bedrijfsmatig of anders dan om niet plaats.

2 Gedurende de opvang wordt verzorging en opvoeding geboden.

3 De opvang is gericht op kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Toelichting toezichthouder

 
 

1. Ouders [Vervallen per 01-01-2012]

1.1. Reglement oudercommissie35,36 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een reglement oudercommissie vastgesteld.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.1.1. Inhoud reglement oudercommissie37 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 59)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Het reglement omvat regels omtrent het aantal leden.

2 Het reglement omvat regels omtrent de wijze van kiezen van de leden.

3 Het reglement omvat regels omtrent de zittingsduur van de leden.

4 Het reglement omvat geen regels omtrent werkwijze van de oudercommissie.

5 De houder wijzigt het reglement na instemming van de oudercommissie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.2. Instellen oudercommissie38 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een oudercommissie ingesteld.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.2.1. Voorwaarden oudercommissie39 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 58)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder is geen lid.

2 Het personeel is geen lid.

3 De leden worden gekozen uit en door de ouders.

4 De houder stelt de oudercommissie in de gelegenheid haar eigen werkwijze te bepalen.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.2.2. Adviesrecht oudercommissie40 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 60 en 60a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder stelt de oudercommissie in staat haar advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot de genoemde onderwerpen1.

2 De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.

3 Van een gevraagd advies van de oudercommissie wijkt de houder alleen af indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet.

4 De houder geeft de oudercommissie gelegenheid ook ongevraagd te adviseren over de genoemde onderwerpen1

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het gaat hier om de volgende onderwerpen: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; voedingsaangelegenheden van algemene aard; het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid, gezondheid; de openingstijden; het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen; de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; wijziging van de prijs van kinderopvang.

1.3. Informatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 54 en 63, vierde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 3, tweede lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder informeert de ouders over het te voeren beleid1.

2 De houder informeert de ouders en de kinderen in welke basisgroep het kind verblijft en welke beroepskrachten op welke dag bij welke groep horen.

3 De houder legt een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.

4 De informatie is gedetailleerd genoeg om ouders een adequaat beeld van de praktijk te geven.

5 De praktijk sluit aan bij de aan de ouders verstrekte informatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het gaat hier om de volgende onderwerpen: het bieden van verantwoorde kinderopvang; het pedagogisch beleid; voedingsaangelegenheden van algemene aard; het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid, gezondheid; de openingstijden; het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen; de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; wijziging van de prijs van kinderopvang.

2. Personeel [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, derde, vierde en vijfde lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Personen werkzaam bij het kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag1.

2 De verklaring omtrent het gedrag is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het kindercentrum overlegd.

3 De verklaring omtrent het gedrag is bij overleggen niet ouder dan twee maanden.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Deze verplichting geldt voor de houder, bestuurder of werknemer, met uitzondering van werknemers die niet op het kindercentrum werkzaam zijn. Het gaat hierbij om alle bestuurders, dus ook om leden van een stichtingsbestuur of van een raad van toezicht. De verplichting tot overleggen van een verklaring omtrent het gedrag geldt ook voor uitzendkrachten werkzaam op een kindercentrum. Conform art. 10, lid 3, dienen zij alleen de eerste keer dat de werkzaamheden op een kindercentrum aanvangen, een verklaring omtrent het gedrag te overleggen. Voor stagiaires die minimaal drie maanden worden ingezet geldt dat zij in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag of datbij aanvang van hun eerste stageperiode een VOG voor hen moet zijn aangevraagd.

2.2. Passende beroepskwalificatie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, eerste lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 Alle beroepskrachten beschikken over de voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie zoals in de CAO kinderopvang is opgenomen1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Voor personen die vanaf een moment vóór mei 1991 in dienst zijn bij huidige werkgever geldt een overgangsbepaling.

2.3. Voorwaarden en inzet van pedagogisch medewerkers in ontwikkeling (PMIO) [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50, eerste lid)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 9, tweede lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1a Alle PMIO’ers beschikken over een diploma op minimaal MBO-3 niveau;

OF

1b Een HAVO of VWO diploma;

OF

1c Een voor de kinderopvang relevant, maar nog niet gelijkgesteld buitenlands diploma én relevante werkervaring.

2 Voor alle PMIO’ers is binnen 2 maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst een persoonlijk ontwikkelplan opgesteld.

3 Alle PMIO’ers worden ingezet conform een actueel persoonlijk ontwikkelplan.

Toelichting toezichthouder

 
 

2.4. Gebruik van de voorgeschreven voertaal41 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 55)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1a De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt.

OF

1b Er wordt een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in deze specifieke omstandigheid daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het gaat hier bijvoorbeeld om een kindercentrum voor kinderen van internationale bedrijven of organisaties waar de voertaal bijvoorbeeld Engels is.

3. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Risico-inventarisatie veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid van maximaal een jaar oud1.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid betreffende de actuele situatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

3.1.1. Beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de veiligheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verstikking, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

3 Er is een registratie van ongevallen, waarbij per ongeval de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum van het ongeval en een overzicht van te treffen maatregelen worden vermeld.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.1.2. Uitvoering beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van het plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.2. Risico-inventarisatie gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid van maximaal een jaar oud1.

2 De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid betreffende de actuele situatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

3.2.1. Beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De risico-inventarisatie beschrijft de gezondheidsrisico’s die de opvang van de kinderen met zich meebrengt op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen.

2 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.2.2. Uitvoering beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 51)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 8)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De houder draagt zorg voor uitvoering van plan van aanpak.

4 Beroepskrachten zijn op de hoogte van de risico’s en de aanpak daarvan.

5 Beroepskrachten handelen conform het plan van aanpak.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.3. Protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een protocol kindermishandeling welke voldoet aan de beschreven eisen1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het protocol hanteert de definitie van kindermishandeling conform de Wet op de Jeugdzorg (2005), welke als volgt luidt: ‘Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.’

In het protocol zijn verantwoordelijkheden per organisatielaag uitgesplitst in taken en bevoegdheden.

Het protocol bevat een stappenplan waarin minimaal de volgende fases aan bod komen: vermoeden, overleg, plan van aanpak, beslissen, handelen, evaluatie en nazorg.

Het stappenplan bevat een tijdslijn vanaf de persoon met een vermoeden van kindermishandeling tot en met de nazorg. Het stappenplan is voorzien van een heldere toelichting, hulpmiddelen voor het doorlopen ervan en aandachtspunten voor de gespreksvoering met verschillende partijen.

Het protocol bevat een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied, uitgesplitst voor de groep van 0–4 jaar en de groep van 4–12 jaar, om kindermishandeling zo vroeg mogelijk te signaleren. De ontwikkelingsgebieden per leeftijdscategorie ( 0–4 jarigen dan wel 4–12 jarigen) die in de lijst aan bod dienen te komen zijn: psycho-sociale signalen, medische signalen, kenmerken verzorgers/gezin, signalen specifiek voor seksueel misbruik, signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.

Het protocol besteedt aandacht aan de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens. In het protocol dienen de volgende punten met betrekking hierop behandeld te worden: zorgvuldig handelen, inzagerecht ouders/wettelijk vertegenwoordigers, contact met andere instellingen, omgaan met schriftelijke informatie.

Het protocol besteedt aandacht aan de mogelijke situatie dat een beroepskracht de vermoedelijke dader is.

Het protocol bevat praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het Advies&Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

3.3.1. Beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder draagt er zorg voor dat beroepskrachten op de hoogte zijn van de inhoud van het protocol kindermishandeling.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.3.2. Uitvoering beleid protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 10a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het protocol.

2 De beroepskrachten handelen aantoonbaar naar het protocol kindermishandeling.

Toelichting toezichthouder

 
 

4. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Binnenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 5)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Er is ten minste 3,5 m2 bruto oppervlakte voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes beschikbaar per kind.

2 De binnenspeelruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal op te vangen kinderen.

3 De binnenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

Toelichting toezichthouder

 
 

4.2. Buitenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 7, eerste lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Er is ten minste 3 m2bruto buitenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind.

2 De buitenspeelruimte is voor kinderen toegankelijk.

3 De buitenspeelruimte is vast beschikbaar voor de buitenschoolse opvang.

4 De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid.

Toelichting toezichthouder

 
 

4.3. Aanvullende eisen indien de buitenspeelruimte niet-aangrenzend is [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 7, tweede lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De niet-aangrenzende buitenspeelruimte is in de directe nabijheid van het kindercentrum.

2 De niet-aangrenzende buitenspeelruimte is voor kinderen goed bereikbaar1.

3 De niet-aangrenzende buitenspeelruimte is voor kinderen veilig bereikbaar2.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Goed bereikbaar betekent dat de buitenspeelruimte in een kort tijdsbestek lopend te bereiken is zonder dat natuurlijke obstakels zoals rivieren of verkeerstechnische obstakels zoals snelwegen of treinrails de route bemoeilijken.

2 De risico’s van de route van de bso naar de buitenspeelplaats dienen op verantwoorde wijze te zijn vastgelegd in de risico-inventarisatie veiligheid en het plan van aanpak, zodat ook de veiligheid gewaarborgd wordt.

5. Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

5.1. Opvang in groepen [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 4, eerste, tweede, vijfde en zesde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Ieder kind behoort bij een basisgroep.

2a De basisgroep bestaat uit maximaal twintig kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.

OF

2b De basisgroep bestaat uit maximaal dertig kinderen in de leeftijd van 8 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.

Toelichting toezichthouder

 
 

5.2. Beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 4, derde, vierde, en negende lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk gelijktijdig aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste1:

1a – 1 beroepskracht per 10 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 4 jaar2.

– 1 beroepskracht per 10 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 8 jaar.

OF

1b – 2 beroepskrachten en een extra volwassene per 30 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 8 jaar.

2 Indien conform de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, dan is ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Als bij (spel)activiteiten de kinderen de basisgroep verlaten, kan de beroepskracht-kind-ratio op

kindercentrumniveau worden vastgesteld volgens dezelfde sleutel. De op locatie aanwezige beroepskrachten houden zich bezig met taken die direct met de kinderen te maken hebben.

2 Tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.

5.3. Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 4, derde, vierde, en negende lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Bij buitenschoolse opvang gedurende schooldagen1, kunnen ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten ingezet worden dan volgens de beroepskracht-kind-ratio vereist is.

2 Bij buitenschoolse opvang gedurende vrije dagen2, kunnen ten hoogste drie uur per dag minder beroepskrachten ingezet worden dan volgens de beroepskracht-kind-ratio vereist is. Deze inzet betreft de tijd voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze.

3 De afwijking betreft maximaal anderhalf aaneengesloten uren voor 9.30 en na 16.30 uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze gedurende maximaal twee uur aaneengesloten.

4 Minstens de helft van het aantal vereiste beroepskrachten wordt ingezet wanneer er tijdelijk wordt afgeweken van de beroepskracht-kind-ratio.

5 Indien als gevolg van het afwijken van de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum ingezet wordt, dan is er ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Schooldagen: voor en na de dagelijkse schooltijd op korte en lange dagen.

2 Vrije dagen: volledig schoolvrije dagen en vakantiedagen waarbij het kindercentrum 10 uur of langer per dag geopend is.

6. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

6.1. Pedagogisch beleidsplan42 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 De houder heeft een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.1.1. Inhoud pedagogisch beleidsplan [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 In het pedagogisch beleidsplan staat in duidelijke en observeerbare termen het volgende beschreven: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.

2 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de werkwijze, de maximale omvang en de leeftijdsopbouw van de basisgroep.

3 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen bij welke (spel)activiteiten kinderen hun basisgroep verlaten.

4 Bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen besteedt de houder in het pedagogisch beleidsplan aantoonbaar extra aandacht aan de omgang met de basisgroep.

5 Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen1.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Het betreft volwassenen die ingezet worden als achterwacht in het geval van calamiteiten en de derde volwassene die ingezet wordt bij een groep 8-12 jarigen.

6.1.2. Pedagogische praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De beroepskrachten kennen de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.

2 De beroepskrachten handelen conform het pedagogisch beleidsplan.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.2. Emotionele veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 De beroepskracht communiceert met de kinderen.

2 De beroepskracht heeft een respectvolle houding naar de kinderen.

3 Er heerst een ontspannen, open sfeer in de groep.

4 De kinderen worden uitgenodigd tot participatie.

5 Kinderen hebben vaste beroepskrachten en bekende leeftijdsgenootjes om zich heen.

6 Er is informatieoverdracht tussen ouders en beroepskracht.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.3. Persoonlijke competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt en stimuleert individuele kinderen.

2 Er is een goede interactie tussen beroepskracht en individuele kinderen.

3 Kinderen hebben de mogelijkheid om eigen ervaringen op te doen middels spelmateriaal, activiteitenaanbod en inrichting.

4 Er is aandacht voor leermomenten. Hierbij is taal en motorisch spel van jonge kinderen belangrijk.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.4. Sociale competentie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in de interactie tussen kinderen onderling.

2 De beroepskracht ondersteunt de kinderen in het voorkómen en oplossen van conflicten.

3 De kinderen maken deel uit van het groepsgebeuren.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.5. Overdracht van normen en waarden [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 50)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 2)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Indicatoren

1 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn aanwezig.

2 Afspraken, regels en omgangsvormen zijn duidelijk.

3 Afspraken, regels en omgangsvormen worden aan de kinderen uitgelegd.

4 Beroepskrachten geven zelf in hun spreken en handelen het goede voorbeeld.

Toelichting toezichthouder

 
 

7. Klachten [Vervallen per 01-01-2012]

7.1. Wet klachtrecht cliënten zorgsector [Vervallen per 01-01-2012]

Wet klachtrecht cliënten zorgsector (artikelen 1, 2, 2a en 3c)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van ouders.

3 De houder ziet erop toe dat de klachtencommissie werkt met een reglement.

4 De houder hanteert de termijn waarbinnen schriftelijk wordt gereageerd naar aanleiding van een oordeel van de klachtencommissie2.

5 De houder leeft geheimhoudingsplicht na.

6 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven3.

7 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 Door of namens een cliënt kan bij de klachtencommissie een klacht tegen een zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens de cliënt.

Klachten van cliënten worden behandeld door een klachtencommissie (min. 3 leden, voorzitter klachtencommissie niet in dienst bij de organisatie, persoon waarover geklaagd wordt, mag niet in de commissie zitten).

Binnen een afgesproken termijn moeten klager, degene over wie geklaagd is en houder schriftelijk en met redenen omkleed in kennis worden gesteld van het oordeel (gegrondheid en evt. aanbevelingen). Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden).

Klager en degene over wie geklaagd is worden in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden (schriftelijk of mondeling).

Klager en beklaagde mogen zich laten bijstaan.

2 De houder deelt de klager en de klachtencommissie, binnen een maand na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja, welke. Als de termijn wordt overschreden, worden betrokkenen ingelicht (met reden) en wordt er een nieuwe termijn afgesproken.

3 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

7.2. Klachtenregeling oudercommissie [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 60a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid die voldoet aan de beschreven eisen1.

2 De houder brengt de regeling op passende wijze onder de aandacht van oudercommissie.

3 De houder zorgt voor naleving van de regeling.

4 De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen worden aangegeven2.

5 De houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.

2 Het openbaar verslag bevat de volgende onderdelen: beknopte beschrijving van de regeling, de wijze waarop de houder de regeling onder de aandacht heeft gebracht, de samenstelling van de klachtencommissie, in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten, het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten, de strekking van de oordelen en de aanbevelingen en de aard van de maatregelen.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2012]

Schema voor de berekening van de beroepskracht-kind ratio bij samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang [Vervallen per 01-01-2012]

In het kader van kwaliteit van kinderopvang is een samengestelde groep in de brede leeftijdscategorie van 0-13 jaar geen voorkeursoptie van Convenantpartijen.

Maar in sommige situaties kan de kleinschaligheid een dergelijke groepssamenstelling noodzakelijk maken, waarbij bijvoorbeeld kinderen in de BSO-leeftijd voor een deel van de dag worden samengevoegd met de kinderen in de dagopvang. Met een goede, naar leeftijd gedifferentieerde werkwijze kan er dan nog steeds sprake zijn van kwalitatief verantwoorde kinderopvang. Gecombineerde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang kunnen in pedagogisch opzicht waardevol zijn, bijvoorbeeld wanneer de jongste BSO-kinderen en de oudste dagopvang-kinderen in een samengestelde groep verblijven, en hier in de pedagogische werkwijze nadrukkelijk condities aan worden gesteld.

Bij de uitwerking van de beroepskracht-kind ratio in samengestelde groepen zijn onderstaande uitgangspunten gehanteerd:

  • Voorondersteld wordt dat er sprake is van een gelijkmatige verdeling van de verschillende leeftijden over de groep.

  • Vervolgens is het gemiddelde bepaald zoals opgenomen in Convenant, waarbij het aantal kinderen in relatie tot één pedagogisch medewerker de basis van de berekening vormt.

  • In deze berekening heeft alléén aan het eind van de berekening afronding naar boven plaatsgevonden; het ‘doorrekenen’ gaat uit van onafgeronde getallen.

  • De tabel 0 tot en met 3-jarigen blijft onverkort van toepassing.

Indien met samengestelde groepen dagopvang en buitenschoolse opvang wordt gewerkt, moet in het pedagogisch beleidsplan een duidelijke, naar leeftijd gedifferentieerde, beschrijving gegeven worden van de activiteiten en dagindeling van deze groep.

Leeftijd

Beroepskrachten

Maximale aantal

0 tot 1 1 4
1 tot 2 1 5
2 tot 3 1 6
3 tot 4 1 8
4 tot 13 1 10
4 tot 8 1 10
8 tot 13 1 10
     

0 tot 13

1

6,661

1 tot 13

1

7,252

2 tot 13

1

83

3 tot 13

1

94

1 Waarvan maximaal vier 0 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 0-jarigen.

2 Waarvan maximaal vier 1 tot en met 3-jarigen, waarvan maximaal twee 1-jarigen.

3 Waarvan maximaal vijf 2 tot en met 3-jarigen.

4 Waarvan maximaal zes 3-jarigen.

Bij de berekening van het maximale aantal kinderen in een groep en het minimaal vereiste aantal beroepskrachten, wordt bij groepen, samengesteld uit kinderen van verschillende leeftijden, een vaste volgorde aangehouden. De eerste stap daarbij is dat het maximale aantal kinderen per leeftijdscategorie wordt berekend, bijvoorbeeld maximaal vier baby’s (‘0-jarigen’) per beroepskracht. De tweede stap is vervolgens de berekening van het resterende aantal kinderen en de daarbij behorende maxima. Er wordt naar boven afgerond; bij een rest van 0,5 of hoger wordt naar 1 afgerond. Een rest lager dan 0,5 zal naar beneden worden afgerond.

Bijlage 7 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (artikel 8, derde lid) Inspectierapport gastouder.

Inspectierapport [Vervallen per 01-01-2012]

Toezichthouder: [naam GGD]

Datum inspectiebezoek:

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Waarom toezicht? [Vervallen per 01-01-2012]

De rijksoverheid stelt aan gastouders kwaliteitseisen op het gebied van deskundigheid, accommodatie en inrichting, pedagogisch beleid, aantal op te vangen kinderen en veiligheid en gezondheid. Jonge kinderen zijn kwetsbaar. De kwaliteit van de eerste jaren van een kind heeft grote invloed op zijn latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk.

Wie is waarvoor verantwoordelijk? [Vervallen per 01-01-2012]

Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor de beleidsmatige zaken die kwalitatief goede kinderopvang mogelijk maken. De gastouder is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke opvang. De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op die kwaliteit. In opdracht van de gemeente voert de GGD inspecties uit, beoordeelt of gastouderopvang aan de gestelde eisen voldoen. Zo nodig adviseert de GGD aan de gemeente om maatregelen te nemen.

Waarop is het toezicht gebaseerd? [Vervallen per 01-01-2012]

Om de kwaliteit te kunnen beoordelen heeft de rijksoverheid regels in de Wet kinderopvang en in de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang geformuleerd43. Om te kunnen beoordelen of aan deze regels wordt voldaan, is een toetsingskader opgesteld. Hierin staan alle zaken waarover de toezichthouder informatie verzamelt én een oordeel geeft. Alle toezichthouders in Nederland werken met dezelfde veldinstrumenten, zoals vragenlijsten, om op een gestructureerde manier informatie te verzamelen tijdens een inspectiebezoek.

Wat is het doel van het inspectierapport? [Vervallen per 01-01-2012]

De bevindingen van het inspectiebezoek staan in dit inspectierapport. Het doel van dit rapport is:

  • 1. Een oordeel geven over het al dan niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Het kan gaan om de eisen die gesteld worden aan gastouders om in het landelijk register opgenomen te worden dan wel om eisen die aan gastouders gesteld worden die al in exploitatie zijn.

  • 2. Aan de gemeente rapporteren in hoeverre de gastouder aan de kwaliteitseisen voldoet en een advies uitbrengen over eventuele vervolgstappen.

  • 3. De (toekomstige) ouders informeren over de mate waarin de gastouder aan de kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang voldoet.

Leeswijzer [Vervallen per 01-01-2012]

Dit rapport geeft een overzicht van alle eisen en geeft hierbij aan wat de toezichthouder heeft geconstateerd en wat zijn beoordeling is. In het ‘Overzicht bevindingen’ staan de bevindingen van de toezichthouder heel kort per inspectie-domein samengevat en in ‘Het inspectie-onderzoek’ staan ze per inspectie-item uitgewerkt. Een toezichthouder oordeelt of er aan de gestelde voorwaarde is voldaan (‘ja’), of dit niet het geval is (‘nee’), of dat hij niet tot een oordeel kon komen (‘niet beoordeeld’). Om de gemeente van de benodigde informatie te voorzien om te kunnen bepalen of en in welke mate gehandhaafd dient te worden geeft de toezichthouder, indien op een domein niet aan alle voorwaarden is voldaan, een beschrijving van de context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is.

Ook bevat het rapport de zienswijze van de houder van het gastouderbureau en het advies van de toezichthouder aan de gemeente met betrekking tot de handhaving. Daarnaast bevat het rapport een aantal basisgegevens van de gastouder, het gastouderbureau, gemeente en toezichthouder.

Algemene gegevens gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

NAW-gegevens gastouder    

Naam gastouder

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

E-mail

:

 
     
Opvanggegevens    

Aantal gekoppelde kinderen

:

 
     
NAW-gegevens gastouderbureau    

Naam gastouderbureau (locatie)

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

Naam contactpersoon

:

 

E-mail

:

 

Registergegevens gastouder

     

Datum aanvraag registeropname

:

datum

□ n.v.t.

Gegevens aanvraag conform de praktijk

:

□ Nee □ Ja

□ n.v.t.

Datum opname landelijk register

:

datum

□ n.v.t.

Gegevens register conform de praktijk

:

□ Nee □ Ja

□ n.v.t.

Type inspectie

:

Aangekondigd

Niet aangekondigd

Onderzoek na aanvraag registeropname

:

Onderzoek na aanvangsdatum exploitatie

:

Regulier inspectie bezoek

:

Nader onderzoek

(reden nader onderzoek)

:

Incidenteel onderzoek

(reden incidenteel onderzoek)

:

Datum vorig inspectiebezoek

:

   

Overzicht bevindingen toezichthouder per inspectie-domein [Vervallen per 01-01-2012]

1. Gastouderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor het starten van gastouderopvang waar verzorging en opvoeding wordt geboden.

Beoordeling toezichthouder

Van de 7 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder

2. Gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor verklaringen omtrent het gedrag, onder toezicht gestelde kinderen, deskundigheid gastouder, kwaliteitseisen gastouder en het gebruik van de voorgeschreven voertaal.

Beoordeling toezichthouder

Van de 11 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder

3. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de accommodatie en inrichting van de binnen- en buitenspeelruimte en de slaapruimte voor kinderen tot anderhalf jaar op het opvangadres.

Beoordeling toezichthouder

Van de 6 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder

4. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de kennis van de inhoud van het pedagogisch beleidsplan en de relatie van het beleidsplan met de praktijk. In de praktijk dienen voorwaarden te worden vervuld voor het waarborgen van de emotionele veiligheid van kinderen, de ontwikkeling van de persoonlijke- en de sociale competentie van kinderen en de overdracht van normen en waarden.

Beoordeling toezichthouder

Van de 6 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: (verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder)

5. Aantal kinderen [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor het aantal kinderen dat gelijktijdig opgevangen wordt door de gastouder en de achterwacht.

Beoordeling toezichthouder

Van de 6 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder

6. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Onder de Wet kinderopvang gelden normen voor de waarborging van de veiligheid en gezondheid van kinderen. In een risico-inventarisatie is schriftelijk vastgelegd welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. Daarnaast gelden normen voor de inhoud en uitvoering van de risico-inventarisatie en de kennis van de inhoud en de uitvoering omtrent het protocol kindermishandeling.

Beoordeling toezichthouder

Van de 18 voorwaarden van dit domein:

– is aan (aantal) voorwaarden voldaan

– is aan de volgende voorwaarde(n) niet voldaan: (nummer en naam)

– is/zijn de volgende voorwaarde(n) niet beoordeeld: (nummer)

Beschrijving context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is: verzwarende/verzachtende omstandigheden, inspanningen houder

Zienswijze houder gastouderbureau [Vervallen per 01-01-2012]

 
 
 
 

Beschouwing toezichthouder [Vervallen per 01-01-2012]

 
 
 
 

Advies aan gemeente [Vervallen per 01-01-2012]

Advies:

□Wel □niet opnemen in landelijk register

□ niet handhaven

□ handhaven conform handhavingsbeleid, hierbij rekeninghoudend met de verzwarende en verzachtende omstandigheden.

□ eventuele opmerkingen toezichthouder:

Algemene gegevens toezicht [Vervallen per 01-01-2012]

Gegevens toezichthouder (GGD)    

Naam GGD

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

E-mail

   

Website

:

 
     
Gegevens opdrachtgever (gemeente)    

Naam gemeente

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

E-mail

   

Website

:

 

Naam contactpersoon

:

 

Telefoonnummer contactpersoon

:

 

E-mail contactpersoon

:

 
     
Overzicht gebruikte bronnen    

Interview gastouder

:

 

Interview anderen

:

 

Andere bronnen

:

 
     
Planning    

Datum inspectiebezoek

:

 

Opstellen concept inspectierapport

:

 

Zienswijze houder

:

 

Opstellen definitief inspectierapport

:

 

Verzenden inspectierapport naar houder

:

 

Verzenden inspectierapport naar gemeente

:

 

Openbaar maken inspectierapport

:

 

Het inspectie-onderzoek: [Vervallen per 01-01-2012]

Uitwerking beoordeling toezichthouder per inspectie-item [Vervallen per 01-01-2012]

1. Gastouderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [Vervallen per 01-01-2012]

1.0. Gastouder en handhaving [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (Verzamelwet, wordt in de loop van 2010 vastgesteld)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Er loopt geen handhaving in het kader van de Wet kinderopvang tegen de gastouder.

2 De gastouder treft maatregelen om recidive van eerder geconstateerde tekortkomingen in de opvangsituatie te voorkomen.

Toelichting toezichthouder

 
 

1.1. Gastouderopvang in de zin van de wet [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 1, 45, tweede en derde lid, 46 tweede lid, 47 en 62)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De opvang vindt plaats door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

2 De opvang vindt plaats door een gastouder welke niet de ouder van de op te vangen kinderen is noch de partner van de vraagouder.

3 De gastouder exploiteert maximaal één voorziening voor gastouderopvang.

4 De opvang vindt plaats op het woonadres van de gastouder of van één van de vraagouders.

5 De gastouder is niet inwonend bij de vraagouder.

Toelichting toezichthouder

 
 

2. Gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

2.1. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56b, derde, vierde en vijfde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

2 Bij opvang in de woning van de gastouder zijn alle huisgenoten vanaf 18 jaar in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag.

3 De verklaring omtrent het gedrag is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het gastouderbureau overlegd.

4a De verklaring omtrent het gedrag is bij aanvraag om opname in het landelijk register niet ouder dan twee maanden.

OF

4b De verklaring omtrent het gedrag is bij overleggen niet ouder dan twee maanden.

Toelichting toezichthouder

 
 

2.2. Onder toezicht gestelde kinderen [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1, lid 1)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder heeft geen kinderen die (tijdelijk) onder toezicht staan.

2 De gastouder is niet (tijdelijk) ontheven of ontzet uit het ouderlijke gezag.

Toelichting toezichthouder

 
 

2.3. Deskundigheid gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 56b, eerste en tweede lid)

Besluit deskundigheidseisen (artikel 2) en daarop gebaseerde ministeriële regeling1

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1a De gastouder beschikt over een getuigschrift conform de ministeriële regeling.

OF

1b De gastouder beschikt over een EVC-bewijsstuk waaruit blijkt dat de gastouder voldoet aan alle competenties van de bij ministeriële regeling aangewezen MBO-2 opleiding(en).

2a.De gastouder beschikt over een geregistreerd certificaat Eerste Hulp aan kinderen van het Oranje Kruis.

OF

2b.De gastouder beschikt over een geregistreerd certificaat Spoedeisende Hulpverlening bij Slachtoffers (SEHSO) van NedCert.

Toelichting toezichthouder

 
 

1Welke opleidingen kwalificeren is opgenomen in bijlage 1.

2.4. Kwaliteitseisen gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang 1 (artikel 15b)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder is 18 jaar of ouder.

2 De gastouder is telefonisch bereikbaar.

Toelichting toezichthouder

 
 

1Welke opleidingen kwalificeren is opgenomen in bijlage 1.

2.5. Gebruik van de voorgeschreven voertaal44 [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 55)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1a De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt.

OF

1b Er wordt een andere taal als voertaal gebezigd, daar de herkomst van de kinderen in deze specifieke omstandigheid daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode.1

Toelichting toezichthouder

 
 

1Het gaat hier om gastouderopvang voor kinderen van buitenlandse expats die tijdelijk in Nederland verblijven, bijvoorbeeld omdat de ouders werken bij een internationaal bedrijf. De voorwaarde is niet bedoeld voor kinderen die in Nederland blijven en opgroeien.

3. Accommodatie en inrichting [Vervallen per 01-01-2012]

3.1. Binnen- en buitenspeelruimte [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15c)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De woning waar gastouderopvang plaats vindt is te allen tijde rookvrij.

2 De woning waar gastouderopvang plaats vindt beschikt over voldoende binnenspeelruimte voor kinderen, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

3 De woning waar gastouderopvang plaats vindt beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden voor kinderen, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

4 De woning waar gastouderopvang plaats vindt dient voorzien te zijn van voldoende en werkende rookmelders.

Toelichting toezichthouder

 
 

3.2. Slaapruimte opvangadres [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15c)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Er is een afzonderlijke slaapruimte voor in ieder geval kinderen tot anderhalf jaar.

2 De slaapruimte is afgestemd op het aantal op te vangen kinderen.

Toelichting toezichthouder

 
 

4. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

4.1. Pedagogisch beleid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikelen 11 en 15b)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder kent de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.

2 De gastouder handelt conform het pedagogisch beleidsplan.

Toelichting toezichthouder

 
 

4.2. Pedagogische praktijk [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder draagt zorg voor het waarborgen van sociaal emotionele veiligheid.

2 De gastouder biedt de opvangkinderen de mogelijkheid om tot ontwikkeling van persoonlijke competentie te komen.

3 De gastouder biedt de opvangkinderen de mogelijkheid om tot ontwikkeling van sociale competentie te komen.

4 De gastouder draagt zorg voor de overdracht van normen en waarden.

Toelichting toezichthouder

 
 

5. Aantal kinderen [Vervallen per 01-01-2012]

5.1. Aantal op te vangen kinderen door gastouder [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15d)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Bij een gastouder worden maximaal twee kinderen van 0 jaar gelijktijdig opgevangen.

2 Bij een gastouder worden maximaal vier kinderen van 0 en 1 jaar gelijktijdig opgevangen.

3a Bij een gastouder worden maximaal vijf kinderen gelijktijdig opgevangen, als de kinderen (op te vangen én eigen kinderen) allemaal jonger zijn dan 4 jaar.

OF

3b Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen gelijktijdig opgevangen, als de op te vangen kinderen in de leeftijd van 0 tot 13 jaar zijn. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.

Toelichting toezichthouder

 
 

5.2. Achterwacht [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikel 1)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15b)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Indien er drie of meer kinderen op het opvangadres aanwezig zijn, dan is ondersteuning van de gastouder door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld.

2 De achterwacht is telefonisch bereikbaar tijdens de opvangtijden.

3 De achterwacht is in geval van calamiteiten binnen 15 minuten op het opvangadres aanwezig.

Toelichting toezichthouder

 
 

6. Veiligheid en gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

6.1. Risico-inventarisatie veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid, en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15e)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder heeft op het opvangadres een risico-inventarisatie veiligheid van maximaal een jaar oud.1

2 De gastouder heeft een risico-inventarisatie veiligheid betreffende de actuele situatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

6.1.1. Beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid, en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

2 Er is een registratie van ongevallen, waarbij per ongeval de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum van het ongeval en een overzicht van te treffen maatregelen worden vermeld.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.1.2. Uitvoering beleid veiligheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15e)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De gastouder is op de hoogte van de risico’s en handelt conform het plan van aanpak.

4 De gastouder informeert de volwassen huisgenoten over de risico’s en de daarbij behorende maatregelen uit het plan van aanpak.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.2. Risico-inventarisatie gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49, tweede lid en 56b)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15e)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder heeft op het opvangadres een risico-inventarisatie gezondheid van maximaal een jaar oud.1

2 De gastouder heeft een risico-inventarisatie gezondheid betreffende de actuele situatie.

Toelichting toezichthouder

 
 

1 De risico-inventarisatie dient gereed te zijn bij aanvang van de opvang.

6.2.1. Beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 56)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 Er is een plan van aanpak waarin is aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de risico’s, alsmede de samenhang tussen de risico’s en de maatregelen.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.2.2. Uitvoering beleid gezondheid [Vervallen per 01-01-2012]

Wet kinderopvang (artikelen 49 en 56)

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 12, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De geïnventariseerde risico’s zijn compleet en komen overeen met de risico’s in de praktijk.

2 Risico’s worden gereduceerd door het nemen van preventieve maatregelen die effectief en adequaat zijn.

3 De gastouder is op de hoogte van de risico’s en handelt conform het plan van aanpak.

4 De gastouder informeert de volwassen huisgenoten over de risico’s en de daarbij behorende maatregelen uit het plan van aanpak.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.3. Protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarde

1 Op het opvangadres is een protocol kindermishandeling van het gastouderbureau aanwezig.

Toelichting toezichthouder

 
 

6.3.1. Uitvoering protocol kindermishandeling [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (artikel 15a)

 

Ja

Nee

Niet beoordeeld

Voorwaarden

1 De gastouder kent de inhoud van het protocol.

2 De gastouder handelt aantoonbaar naar het protocol.

Toelichting toezichthouder

 
 

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2012]

Getuigschriften van onderstaande opleidingen voldoen:
  • a. Helpende Zorg en Welzijn 2

  • b. Helpende welzijn 2

  • c. Helpende breed 2

  • d. Helpende sociaal agogisch werk 2

  • a. Sociaal Pedagogisch Werker 3 (SPW-3)

  • b. Sociaal Pedagogisch Werker 4 (SPW4)

  • c. Pedagogisch Werker niveau 3

  • d. Pedagogisch Werker 3 Kinderopvang

  • e. Pedagogisch Werker niveau 4

  • f. Pedagogisch Werker 4 Kinderopvang

  • g. Onderwijsassistent

  • h. Onderwijsassistent PO/SO (primair onderwijs/speciaal onderwijs)

  • i. Sociaal-Cultureel Werker (SCW)

  • j. Vakopleiding Leidster kindercentra (conform de WEB)

  • k. Kinderverzorging/Jeugdverzorging (KV/JV)

  • l. Kinderverzorgster (KV)

  • m. Kinderverzorging en Opvoeding

  • n. Kinderbescherming A

  • o. Kinderbescherming B

  • p. Kinderverzorgster van de centraleraad voor de kinderuitzending

  • q. Akte Kleuterleidster A

  • r. Akte Kleuterleidster B

  • s. Akte hoofdleidster kleuteronderwijs

  • t. Verdere Scholing in Dienstverband (VSID) richting kinderdagverblijven

  • a. Leraar basisonderwijs (aan Hogeschool, PABO of IPABO)

  • b. Pedagogiek (HBO-bachelor)

  • c. Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH)

  • d. Culturele en Maatschappelijke vorming (CMV)

  • e. Pedagogische Academie

  • f. Pedagogisch management kinderopvang

  • g. Akte Lager onderwijs zonder hoofdakte (oude kweekschoolopleiding)

  • h. Educatieve therapie (Mikojel)

  • i. Jeugdhulpverlening

EVC-certificaten (alle certificaten waaruit blijkt dat de gastouder voldoet aan alle vereiste competenties) op basis van onderstaande MBO-2 standaarden zijn geldig:
  • 1. Helpende Zorg en Welzijn 2

  • 2. Helpende welzijn 2

  • 3. Helpende breed 2

  • 4. Helpende sociaal agogisch werk 2

Bron: Ministeriële Regeling OCW

Bijlage 8 [Vervallen per 01-01-2012]

Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (artikel 8, derde lid) Inspectierapport gastouderbureau.

Inspectierapport [Vervallen per 01-01-2012]

Toezichthouder: [naam GGD]

Datum inspectiebezoek:

Inleiding [Vervallen per 01-01-2012]

Waarom toezicht? [Vervallen per 01-01-2012]

De rijksoverheid stelt aan gastouderbureaus kwaliteitseisen op het gebied van ouderinspraak, personeel, pedagogisch beleid, klachten, veiligheid en gezondheid en kwaliteit gastouderbureau. Jonge kinderen zijn kwetsbaar. De kwaliteit van de eerste jaren van een kind heeft grote invloed op zijn latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk.

Wie is waarvoor verantwoordelijk? [Vervallen per 01-01-2012]

Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor de beleidsmatige zaken die kwalitatief goede kinderopvang mogelijk maken. De gastouder is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke opvang. De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op die kwaliteit. In opdracht van de gemeente voert de GGD inspecties uit, beoordeelt of gastouderopvang aan de gestelde eisen voldoen. Zo nodig adviseert de GGD aan de gemeente om maatregelen te nemen.

Waarop is het toezicht gebaseerd? [Vervallen per 01-01-2012]

Om de kwaliteit te kunnen beoordelen heeft de rijksoverheid regels in de Wet kinderopvang en in de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang geformuleerd45. Om te kunnen beoordelen of aan deze regels wordt voldaan, is een toetsingskader opgesteld. Hierin staan alle zaken waarover de toezichthouder informatie verzamelt én een oordeel geeft. Alle toezichthouders in Nederland werken met dezelfde veldinstrumenten, zoals vragenlijsten, om op een gestructureerde manier informatie te verzamelen tijdens een inspectiebezoek.

Wat is het doel van het inspectierapport? [Vervallen per 01-01-2012]

De bevindingen van het inspectiebezoek staan in dit inspectierapport. Het doel van dit rapport is:

  • 1. Een oordeel geven over het al dan niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Het kan gaan om de eisen die gesteld worden aan gastouderbureaus om in het landelijk register opgenomen te worden dan wel om eisen die aan gastouderbureaus gesteld worden die al in exploitatie zijn.

  • 2. Aan de gemeente rapporteren in hoeverre het gastouderbureau aan de kwaliteitseisen voldoet en een advies uitbrengen over eventuele vervolgstappen.

  • 3. De (toekomstige) ouders informeren over de mate waarin het gastouderbureau aan de kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector voldoet.

Leeswijzer [Vervallen per 01-01-2012]

Dit rapport geeft een overzicht van alle eisen en geeft hierbij aan wat de toezichthouder heeft geconstateerd en wat zijn beoordeling is. In het ‘Overzicht bevindingen’ staan de bevindingen van de toezichthouder heel kort per inspectie-domein samengevat en in ‘Het inspectie-onderzoek’ staan ze per inspectie-item uitgewerkt. Een toezichthouder oordeelt of er aan de gestelde voorwaarde is voldaan (‘ja’), of dit niet het geval is (‘nee’), of dat hij niet tot een oordeel kon komen (‘niet beoordeeld’). Om de gemeente van de benodigde informatie te voorzien om te kunnen bepalen of en in welke mate gehandhaafd dient te worden geeft de toezichthouder, indien op een domein niet aan alle voorwaarden is voldaan, een beschrijving van de context van de voorwaarde(n) waaraan niet voldaan is.

Ook bevat het rapport de zienswijze van de houder van het gastouderbureau en het advies van de toezichthouder aan de gemeente met betrekking tot de handhaving. Daarnaast bevat het rapport een aantal basisgegevens van het gastouderbureau, gemeente en toezichthouder.

Algemene gegevens gastouderbureau [Vervallen per 01-01-2012]

NAW-gegevens gastouderbureau    

Naam gastouderbureau (locatie)

:

 

Adres

:

 

Postcode en plaats

:

 

Telefoon

:

 

Naam contactpersoon

: