Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Procedureregels bij burgemeesterbenoemingen

Geldend van 16-08-2004 t/m heden

Procedureregels bij burgemeesterbenoemingen

I. Het openstellen van de vacature

  • 1. In de Staatscourant wordt bekend gemaakt in welke gemeente een burgemeestersvacature is of gaat ontstaan. Daarbij staat de datum aangegeven, waarop sollicitaties uiterlijk moeten zijn ingestuurd. Tevens wordt vermeld of de raad een raadplegend referendum over kandidaten zal houden ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming (zie III).

  • 2. Indien de raad in het overleg met de commissaris van de Koningin (zie II) de wens daartoe kenbaar heeft gemaakt, wordt in de tekst van de openstelling van de vacature de volgende zinsnede opgenomen: Vanwege de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het ambt van burgemeester gaat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uit naar een vrouw.

    Indien de gemeenteraad besluit dat een assessment eventueel deel uitmaakt van de sollicitatieprocedure wordt in de tekst van de openstelling van de vacature de volgende zinsnede opgenomen: Een assessment op één of enkele selectiecriteria kan eventueel deel uitmaken van de procedure; oogmerk daarvan zal dan zijn de vertrouwenscommissie over aanvullende informatie te laten beschikken bij de afronding van het advies.

  • 3. Naast de publicatie in de Staatscourant stelt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een aantal in dit kader relevante publiciteitsmedia in kennis van de opengestelde vacature. Deze publiciteitsmedia hebben hierdoor de gelegenheid ruchtbaarheid te geven aan de ontstane vacature. Oogmerk is dat ook op andere wijze dan via de Staatscourant bekendheid wordt gegeven aan vacatures en sollicitatietermijnen. In ieder geval wordt de vacature bekend gemaakt via de internetsite van het ministerie (www.minbzk.nl).

  • 4. Aan het openstellen van de vacature gaat de profielschetsvergadering (zie II) vooraf. Het is van belang dat belangstellenden de gelegenheid hebben zich vóór afloop van de sollicitatietermijn op de hoogte te stellen van specifieke eisen die de raad in de gemeente aan het burgemeestersambt stelt.

  • 5. Voor gemeenten die bij een gemeentelijke herindeling zijn betrokken, geldt het volgende.

    • 5.1 De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan beslissen dat een vacature voorlopig niet wordt opengesteld indien de gemeente, blijkens een herindelingsontwerp1 als bedoeld in artikel 1 van de Wet algemene regels herindeling, voor opheffing in aanmerking komt.

    • 5.2 De minister kan op voorstel van of na overleg met de commissaris van de Koningin, die daarover gedeputeerde staten raadpleegt, beslissen dat een vacature in een gemeente voorlopig niet wordt opengesteld indien:

      • A. het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wet algemene regels herindeling is uitgenodigd tot het voeren van overleg over de wens tot wijziging van de gemeentelijke indeling;

      • B. aannemelijk is dat binnen een jaar het college van burgemeester en wethouders tot het overleg, als bedoeld onder A, zal worden uitgenodigd;

      • C. aannemelijk is dat binnen twee jaar de raad van de betrokken gemeente, tezamen met de raad c.q. raden van een of meer andere gemeente(n), met toepassing van artikel 5 van de Wet algemene regels herindeling een herindelingsontwerp zal vaststellen.

    • 5.3 De beslissing tot het voorlopig niet open stellen van de vacature in de situatie bedoeld in 5.2 onder B, geldt voor een jaar en kan eenmaal voor een jaar worden verlengd.

II. Het schetsen van een profiel

  • 1. Voordat de vacature van burgemeester in een gemeente wordt opengesteld, overlegt de commissaris van de Koningin, in de profielschetsvergadering, met de raad over de eisen die aan de te benoemen burgemeester worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt. De inhoud van het profiel wordt bij voorkeur op basis van de bestuurscompetenties vastgesteld.

  • 2. Indien zijn overleg met de raad niet tot overeenstemming leidt, geeft de commissaris in de profielschetsvergadering aan welke eisen hij in afwijking van de raad zal hanteren bij zijn oordeel over de geschiktheid van kandidaten.

  • 3. Belangstellenden kunnen de profielschets en het verslag van de profielschetsvergadering opvragen bij het kabinet van de commissaris.

III. Het voornemen een raadplegend referendum over kandidaten te houden

De raad geeft in de profielschetsvergadering (zie II) aan of hij een raadplegend referendum zal houden ten behoeve van zijn aanbeveling inzake de benoeming (zie XI). Het voornemen daartoe wordt bij de openstelling van de vacature vermeld. De aankondiging van dit voornemen is bedoeld om potentiële sollicitanten inzicht te verschaffen in de te volgen procedure, in het bijzonder over de vraag of burgers bij de totstandkoming van de aanbeveling zullen worden betrokken.

IV. De sollicitatiebrief

  • 1. De sollicitatiebrief wordt gericht aan Hare Majesteit de Koningin en binnen de daarvoor gestelde termijn gezonden aan de commissaris van de Koningin in de betreffende provincie.

  • 2. Sollicitanten ontvangen van de commissaris een ontvangstbevestiging, de profielschets en het verslag van de profielschetsvergadering, een beschrijving en een tijdschema van de procedure alsmede een afschrift van deze circulaire. Sollicitanten van wie de commissaris overweegt ze op te nemen in zijn selectie - van in beginsel geschikt geachte kandidaten - ontvangen op grond van artikel 28 van het Besluit justitiële gegevens, van de commissaris het verzoek een verklaring te ondertekenen waarmee zij toestemming geven voor de verstrekking van justitiële gegevens.

V. Het inwinnen van inlichtingen door de commissaris van de Koningin

  • 1. De commissaris van de Koningin verschaft zich de informatie over de sollicitant welke hij nodig acht en welke de vertrouwenscommissie nodig acht. Het inwinnen van referenties vindt slechts plaats met toestemming van de sollicitant, die hiervoor de gegevens over de te raadplegen personen aandraagt.

  • 2. De commissaris stelt de door hem verkregen inlichtingen ter beschikking van de vertrouwenscommissie, tenzij de sollicitant die het aangaat heeft laten weten dat verstrekking van die gegevens bij hem bezwaar ontmoet.

  • 3. Bestuursorganen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

VI. De instelling, samenstelling en werkwijze van een vertrouwenscommissie

  • 1. Na de profielschetsvergadering (zie II) stelt de raad uit zijn midden een vertrouwenscommissie in welke is belast met de beoordeling van de kandidaten.

  • 2. De raad regelt de taak, samenstelling en werkwijze van de vertrouwenscommissie, alsmede de geheimhouding. Voorzover het reglement van orde daarin niet voorziet, treft de gemeenteraad daarvoor ad hoc een voorziening. De raad stelt de commissaris van de Koningin daarvan in kennis.

  • 3. De raad draagt door middel van de verordening tot instelling van de vertrouwenscommissie er zorg voor dat de gesprekken met en de oordeelsvorming over de sollicitanten zullen plaatsvinden in aanwezigheid van en door die raadsleden die lid zijn van de vertrouwenscommissie.

  • 4. Voorzover ambtelijke bijstand gewenst wordt geacht, wordt de griffier daarmee belast.

  • 5. De raad regelt de werkwijze van de vertrouwenscommissie zo dat vóór, tijdens en na het verrichten van de werkzaamheden door de vertrouwenscommissie volstrekte geheimhouding is gegarandeerd. Deze geheimhoudingplicht geldt voor de leden van de vertrouwenscommissie en de ambtelijke bijstand.

  • 6. Deze geheimhouding brengt onder meer met zich mee dat, anders dan door tussenkomst van de commissaris, geen inlichtingen - schriftelijk of mondeling - kunnen worden ingewonnen over de sollicitanten en dat overleg met derden is uitgesloten.

  • 7. De raad treft ook een voorziening met betrekking tot de wijze waarop de privacybelangen van de sollicitant verder worden beschermd, bijv. bij de bepaling van plaats en tijdstip van de gesprekken en bij het voeren van correspondentie.

VII. De handelwijze bij het niet-naleven van hetgeen in VI is bepaald

Besteedt de raad of de vertrouwenscommissie naar het oordeel van de commissaris van de Koningin onvoldoende zorg aan de in VI omschreven punten, dan zal de commissaris de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties informeren over zijn bevindingen. De minister bepaalt, na overleg met de commissaris, hoe verder gehandeld wordt.

VIII. De selectie van kandidaten ten behoeve van de vertrouwenscommissie

  • 1. De commissaris van de Koningin verstrekt de vertrouwenscommissie een opgave in alfabetische volgorde van degenen die naar het ambt van burgemeester hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming in de burgemeestersvacature. Hij voegt de sollicitatiebrieven van laatstbedoelde kandidaten bij.

  • 2. De commissaris informeert desgevraagd de vertrouwenscommissie over de criteria die hij heeft gehanteerd bij zijn selectie van kandidaten. Indien de vertrouwenscommissie daarom verzoekt, geeft de commissaris zijn oordeel over andere kandidaten. Hij verstrekt de commissie desgevraagd de sollicitatiebrieven van deze kandidaten.

  • 3. De commissaris stelt de door hem verkregen inlichtingen over kandidaten ter beschikking van de vertrouwenscommissie (zie V).

  • 4. De commissaris informeert de door hem geselecteerde sollicitanten over het feit dat zij door hem zijn geselecteerd en dat hij hun namen aan de vertrouwenscommissie heeft doorgegeven. De commissaris van de Koningin stelt tegelijkertijd de niet-geselecteerde sollicitanten schriftelijk op de hoogte van het feit dat zij niet tot zijn selectie behoren.

  • 5. Een niet-geselecteerde sollicitant kan zich rechtstreeks tot de vertrouwenscommissie wenden met het verzoek om door haar te worden uitgenodigd. De vertrouwenscommissie beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek en stelt verzoeker schriftelijk op de hoogte van haar beslissing.

IX. De bevindingen van de vertrouwenscommissie

  • 1. De vertrouwenscommissie verschaft zich door tussenkomst van de commissaris van de Koningin de door haar nodig geachte informatie over kandidaten (zie V).

  • 2. De vertrouwenscommissie voert gesprekken met door de commissaris geselecteerde kandidaten en eventueel andere op de lijst van sollicitanten voorkomende kandidaten. Indien de vertrouwenscommissie besluit een kandidaat die niet door de commissaris is geselecteerd uit te nodigen voor een gesprek, doet zij daarvan mededeling aan de commissaris, die voor zoveel nodig zijn oordeel over deze sollicitant ter kennis brengt van de vertrouwenscommissie. Indien de commissie besluit een door de commissaris geselecteerde kandidaat niet te ontvangen, worden de commissaris en de kandidaat door haar schriftelijk, met vermelding van de redenen van de beslissing, op de hoogte gesteld.

  • 3. Indien een raadplegend referendum zal worden gehouden overtuigt de vertrouwenscommissie zich uitdrukkelijk van de bereidheid van kandidaten om zich daaraan te onderwerpen en de sollicitatie ook voort te zetten indien uit de uitslag van het referendum blijkt dat de eerste voorkeur naar een andere kandidaat uitgaat.

  • 4. Nadat de vertrouwenscommissie haar standpunt over de geschiktheid van de door haar ontvangen kandidaten heeft bepaald, brengt zij schriftelijk verslag uit aan de raad en aan de commissaris. Zij doet het verslag aan de raad vergezeld gaan van een concept-aanbeveling van tenminste twee kandidaten die naar haar oordeel voor de benoeming in aanmerking komen. De commissie vermeldt daarbij ten aanzien van iedere kandidaat de motieven die tot haar oordeel hebben geleid. Indien geen raadplegend referendum zal worden gehouden geeft de commissie in haar verslag tevens een beredeneerde volgorde van de kandidaten aan. In het verslag aan de raad kunnen leden van de vertrouwenscommissie van minderheidsstandpunten blijk geven.

  • 5. De beraadslagingen in de raad over de bevindingen van de vertrouwenscommissie vinden plaats met gesloten deuren. Ten aanzien van de beraadslagingen en de stukken die aan de raad en de commissaris worden gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.

X. Het raadplegend referendum

  • 1. De raad betrekt de uitslag van het raadplegend referendum bij de vaststelling van zijn aanbeveling inzake de benoeming, indien het referendum overeenkomstig de volgende eisen is gehouden:

    • a. Gerechtigd tot deelname aan het referendum zijn zij die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad en op de dag waarop het referendum gehouden wordt de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

    • b. Het object van het referendum bestaat uit de namen van twee sollicitanten die door de vertrouwenscommissie zijn ontvangen en door de raad benoembaar worden geacht. De referendumgerechtigden wordt de vraag voorgelegd welke sollicitant zij als eerste op de aanbeveling wensen.

    • c. De opkomst is ten minste dertig procent van het aantal referendumgerechtigden.

XI. De aanbeveling van de raad

  • 1. De raad zendt een aanbeveling inzake de benoeming aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven, of, indien een raadplegend referendum ten behoeve van de aanbeveling is gehouden, binnen een maand nadat het raadplegend referendum is gehouden.

  • 2. Bij het opstellen van de aanbeveling betrekt de raad de bevindingen van de vertrouwenscommissie en, indien overeenkomstig de in X gestelde eisen een raadplegend referendum is gehouden, de uitkomst van deze raadpleging. Het op schrift gesteld oordeel van de vertrouwenscommissie voegt hij bij zijn aanbeveling.

  • 3. Overeenkomstig artikel 61, vijfde lid, van de Gemeentewet omvat de aanbeveling twee personen. In bijzondere, door de raad te motiveren gevallen, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon staat vermeld (artikel 61, zesde lid van de Gemeentewet).

  • 4. In het licht van zijn totstandkomingsgeschiedenis moet artikel 61, vijfde en zesde lid, als volgt worden uitgelegd:

    • a. Het uitgangspunt is een aanbeveling van twee personen, een meervoudige aanbeveling.

    • b. Alleen in bijzondere gevallen mag de gemeenteraad een enkelvoudige aanbeveling vaststellen. Van een bijzonder geval kan alleen sprake zijn bij:

      • - herindeling;

      • - indien er maar één, door de commissaris van de Koningin benoembaar geachte, sollicitant is;

      • - indien er maar één kandidaat heeft gesolliciteerd;

      • - aan overmacht grenzende situaties, bijvoorbeeld de omstandigheid dat een kandidaat overlijdt of ernstig ziek wordt of de omstandigheid dat een kandidaat zich terugtrekt, nadat de aanbeveling is vastgesteld, zodat de facto maar één kandidaat overblijft.

    • c. In geen geval mogen politieke, beleidsmatige of bestuurlijke overwegingen een leidraad voor de raad vormen om af te wijken van het wettelijk vereiste dat de aanbeveling twee personen omvat.

    • d. Onverlet de algemene bevoegdheid van de minister om van de aan hem gedane aanbeveling gemotiveerd af te wijken slaat de minister geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval.

  • 5. De raad stelt elke op de aanbeveling geplaatste kandidaat op de hoogte van het feit dat hij of zij op de aanbeveling staat die aan de minister wordt gezonden nadat de aanbeveling is vastgesteld. De raad stelt de andere door de vertrouwenscommissie ontvangen sollicitanten schriftelijk op de hoogte van het feit dat zij niet op de aanbeveling zijn geplaatst.

  • 6. De raad verstrekt bij zijn aanbeveling aan de minister de sollicitatiebrieven van de aanbevolen kandidaten, de lijst van sollicitanten, de namen van de door de commissaris geselecteerde kandidaten, de profielschets en het verslag van de profielschetsvergadering, het verslag van bevindingen en de concept-aanbeveling van de vertrouwenscommissie, de uitkomst van het referendum indien gehouden, het verslag van de beraadslagingen van de raadsvergadering waarin de aanbeveling is vastgesteld, alsmede overige voor de beoordeling van de aanbeveling relevante informatie.

  • 7. De raad zendt de commissaris van de Koningin ten behoeve van diens rapportage aan de minister over de inhoud en het verloop van de procedure, het verslag van de vertrouwelijke beraadslagingen in de raadsvergadering waarin de aanbeveling is vastgesteld, alsmede overige relevante informatie.

  • 8. Ten aanzien van de beraadslagingen in de raad over het verslag van de vertrouwenscommissie en de stukken die door de vertrouwenscommissie aan de raad worden gezonden dan wel de stukken die bij de aanbeveling door de raad aan de minister worden gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.

  • 9. De aanbeveling van de gemeenteraad is openbaar voorzover het de naam van de eerste kandidaat op de aanbeveling betreft, tenzij er sprake is van een raadplegend referendum. Dit is overeenkomstig artikel 61c, derde lid van de Gemeentewet.

  • 10. Zodra de raad zijn aanbeveling heeft vastgesteld rapporteert de commissaris aan de minister over de inhoud en het verloop van de procedure. Daarbij gaat hij in op zijn overleg met de raad.

XII. Het motiveren van de afwijking van de aanbeveling van de raad

  • 1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling van de raad, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking gegeven (artikel 61, zevende lid van de Gemeentewet).

  • 2. Als bij de benoeming van de burgemeester is afgeweken van de aanbeveling, informeert de minister de raad schriftelijk over de motieven die aanleiding waren voor deze afwijking.

  • 3. De minister stelt de niet ter benoeming voorgedragen kandidaat op de aanbeveling op de hoogte van het feit dat hij niet voor benoeming is voorgedragen.

De

Minister

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J.W. Remkes

  • ^ [1]

    Hieronder wordt overeenkomstig artikel 1 van de Wet algemene regels herindeling verstaan: een ontwerp van een herindelingsadvies (een met toepassing van de Wet algemene regels herindeling voorbereid advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over wijziging van gemeentelijke of provinciale grenzen) of van een herindelingsregeling (een wet, een algemene maatregel van bestuur of een besluit als bedoeld in de artikel 3 en 13 van de Wet algemene regels herindeling tot wijziging van de gemeentelijke of de provinciale indeling of tot grenscorrectie alsmede een samenstel van gelijkluidende besluiten als bedoeld in artikel 3 van voornoemde wet tot het vaststellen van een grenscorrectie).