Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit EOS: demo en transitie-experimenten[Regeling vervallen per 01-01-2010.]

Geldend van 22-12-2009 t/m 31-12-2009

Besluit van 20 oktober 2004, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ten behoeve van energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten (Besluit EOS: demo en transitie-experimenten)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3 februari 2004, nr. WJZ 4005810 en 30 juni 2004, nr. WJZ 4033497;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;

De Raad van State gehoord (adviezen van 18 maart 2004, nr. W10.04.0055/II en 5 augustus 2004, nr. W10.04.0311/II);

Gezien de nadere rapporten van Onze Minister van Economische Zaken van 15 oktober 2004, nr. WJZ 4063760 en nr. WJZ 4063763;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;

    • b. ondernemer in de landbouwsector: een ondernemer die activiteiten verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de bosbouwsector;

    • c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

      • 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

        • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

        • volledig aansprakelijk vennoot is van of

        • overwegende zeggenschap heeft over

        een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

      • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

    • d. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen;

    • e. project:

      • 1°. een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van activiteiten, geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van duurzame energiehuishouding, dat een technisch of economisch risico inhoudt en dat bestaat uit:

        • energiebesparende maatregelen;

        • maatregelen waarbij CO2-emissies worden afgevangen en permanent in de ondergrond opgeslagen, of

        • maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen met behulp van:

          • voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of

          • een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;

      • 2°. een energietransitie-experiment, gericht op de bescherming van het milieu, dat in Nederland wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband waaraan tenminste één ondernemer en één niet ondernemer deelnemen, met als doel het beproeven van een energiesysteem, of een of meer delen daarvan, dat op een transitiepad ligt en waarbij het gaat om het bij tenminste een van de leden van het samenwerkingsverband treffen van technische of beheersmatige voorzieningen met behulp van apparaten, systemen of technieken die reeds eerder zijn gedemonstreerd, maar die in Nederland nog niet gebruikelijk zijn;

    • f. duurzame energiehuishouding: een energiehuishouding die economisch efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet in beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende kwaliteit;

    • g. energiesysteem: een samenhangend geheel van winning, transport, opslag, bewerking of gebruik van energiedragers;

    • h. transitiepad: een beschrijving van de transitie van een bestaand, niet duurzaam energiesysteem, of een deel daarvan, naar een ander, duurzaam energiesysteem.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen activiteiten worden aangewezen die niet tot een project worden gerekend.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen ondernemers worden uitgesloten van dit besluit.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister worden de erkende transitiepaden aangegeven.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

    • a. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 1:

      • 1°. degene die in Nederland is gevestigd en voor eigen rekening en risico een project uitvoert dat past in een energiethema, of

      • 2°. de in Nederland gevestigde deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoeren dat past in een energiethema;

    • b. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoeren dat past binnen het streven naar een duurzame energiehuishouding.

  • 2 Als energiethema worden aangewezen de door Onze Minister vastgestelde thema’s met betrekking tot de volgende gebieden of combinaties daarvan:

    • a. biomassa;

    • b. nieuw gas/schoon fossiel en efficiënt gebruik van gas;

    • c. efficiëntieverbetering in de industriële sector;

    • d. gebouwde omgeving;

    • e. opwekking en netten.

  • 3 Als thema binnen het streven naar een duurzame energiehuishouding worden aangewezen de door Onze Minister vastgestelde thema’s met betrekking tot de in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, genoemde gebieden of combinaties daarvan.

  • 4 Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden. Indien een of meerdere van de deelnemers in een samenwerkingsverband ondernemers in de landbouwsector zijn, geschiedt verstrekking en betaling van de subsidie op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze.

  • 5 Geen subsidie wordt verstrekt:

    • a. indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is verstrekt;

    • b. aan de rijksoverheid;

    • c. voor zover door verlening van de subsidie in het kalenderjaar waarin de beschikking wordt gegeven aan de aanvrager dan wel aan de tot dezelfde groep als de aanvrager behorende ondernemers meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan subsidie op grond van dit besluit zou worden verstrekt.

  • 7 Aan een ondernemer in de landbouwsector wordt geen subsidie verstrekt indien de investeringen zijn gericht op een productieverhoging waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden bestaan. Evenmin zal een subsidie worden verstrekt indien de productie door de investeringen verder stijgt dan op grond van productiebeperkingen of beperkingen t.a.v. communautaire steunverlening is toegestaan.

  • 8 Indien de voordelen van de subsidie geheel of gedeeltelijk ten goede komen aan ondernemers in de landbouwsector die niet zelf de aanvrager van de subsidie zijn, geschiedt verstrekking en betaling van de subsidie op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onverminderd het vierde lid bedraagt de subsidie 40 procent van de projectkosten, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. Daarbij kan de hoogte van het subsidiepercentage, genoemd in de eerste volzin, per periode als bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden vastgesteld en verschillend zijn voor de vast te stellen energiethema’s.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een ondernemer is die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), naar de tekst zoals deze bij die verordening is vastgesteld en voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer.

  • 3 Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het desbetreffende bedrag dat bij regeling van Onze Minister is genoemd, noch, uitgedrukt in een percentage van de projectkosten, meer bedraagt dan het percentage dat is genoemd in het eerste en tweede lid.

  • 4 Het te verlenen subsidiebedrag, tot stand gekomen met toepassing van het eerste tot en met het derde lid, is niet meer dan de maximaal toegestane investeringssteun, berekend op de voet van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C 37).

  • 5 Indien de subsidie-ontvanger een ondernemer in de landbouwsector is, werkzaam in een bij regeling van Onze Minister aangewezen specifieke sector, bedraagt de subsidie, in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, ten hoogste het in die regeling genoemde percentage dat niet hoger is dan 60% en het in die regeling genoemde bedrag.

  • 6 Indien de subsidie-ontvanger een ondernemer in de landbouwsector is en een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt als bedoeld in het tweede lid, is de verhoging, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing voorzover de projectkosten betrekking hebben op investeringen waardoor de productiecapaciteit zal toenemen.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde extra investeringskosten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de energiebesparing, de afvang en permanente opslag van CO2-emissies of ingebruikneming van de hernieuwbare energiebron. Punt 37 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C 37) wordt hierbij in acht genomen.

  • 2 Extra investeringskosten als bedoeld in het eerste lid hebben in elk geval betrekking op:

    • a. kosten van verwerving of op andere titel dan verwerving in gebruik verkregen bedrijfsterreinen;

    • b. kosten van verwerving, huurkoop of lease van bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale voorzieningen;

    • c. kosten van aangeschafte machines en apparatuur;

    • d. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen;

    • e. kosten van onderhoud en inspectie, administratie en beheer, ontmanteling, onvoorziene reparaties, verplichte milieumonitoring en verzekeringen;

    • f. kosten van geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van het project en daartoe te rekenen productiekosten;

    • g. kosten van tenaamstelling, verwerving en instandhouding van rechten van intellectuele eigendom;

    • h. aan derden verschuldigde kosten.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid worden als projectkosten gemaakt door een ondernemer in de landbouwsector in aanmerking genomen:

    • a. de kosten van nieuwe machines en nieuw materieel, met inbegrip van computerprogrammatuur,

    • b. de kosten van bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken,

    • c. de algemene kosten, zoals kosten van architecten en ingenieurs, en voor het verkrijgen van octrooien en licenties, tot een maximum van 12 procent van de onder a en b bedoelde kosten, en

    • d. de aankoop van grond.

  • 4 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger de die de kosten heeft gemaakt de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent:

    • a. de kostensoorten, bedoeld in het eerste lid, en

    • b. de verrekening van voordelen als bedoeld in punt 37 van de in het eerste lid genoemde kaderregeling.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Er is een Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van dit besluit.

  • 2 De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

  • 3 De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 4 en ten hoogste 35 andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.

  • 4 De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

  • 5 Onze Minister kan deelcommissies instellen en leden van de commissie benoemen in deelcommissies.

  • 6 Onze Minister kan op verzoek van de commissie met het oog op de uitoefening van haar taak deskundigen opdracht verlenen onderzoek te verrichten naar een door haar aangewezen project.

  • 7 De commissie stelt haar werkwijze schriftelijk vast.

  • 8 Een lid van de commissie en een deskundige als bedoeld in het zesde lid nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien zij een persoonlijk belang hebben bij de beschikking op een aanvraag.

  • 9 Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.

  • 10 In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien.

  • 11 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.

  • 12 De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 13 De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast na afloop waarvan de aanvragen om een subsidie voor een project, die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke voorschriften, worden behandeld.

  • 2 Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van in het eerste lid bedoelde subsidies op in die periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.

  • 2 De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het project alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

  • 3 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

  • 4 Indien de aanvraag een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, betreft, dient een van de deelnemers in het samenwerkingsverband, zijnde een deelnemer die in Nederland is gevestigd, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in. De aanvraag gaat vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na afloop van de in artikel 6 bedoelde periode.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Indien op de aanvraag niet afwijzend wordt beslist, en deze een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening een raming van de projectkosten per deelnemer in het samenwerkingsverband.

  • 2 Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

  • a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;

  • b. indien hij het onaannemelijk acht dat het project binnen drie jaren kan worden voltooid;

  • c. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;

  • d. indien het project gericht is op:

    • 1°. de aanpassing aan van toepassing zijnde communautaire normen;

    • 2°. de aanpassing aan vastgestelde, maar nog niet van toepassing zijnde communautaire normen;

    • 3°. de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of minder zware eisen stellen dan communautaire normen, of

    • 4°. de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten.

  • 2 De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:

    • a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;

    • b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;

    • c. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van het besluit en de daarop berustende bepalingen;

    • d. indien van de sociaal-wetenschappelijke en economische effecten van het project onvoldoende blijk wordt gegeven.

  • 3 In het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, geeft de commissie aan Onze Minister tevens een negatief advies:

    • a. indien het project niet ligt op een door Onze Minister erkend transitiepad;

    • b. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband waarin een ondernemer de leiding heeft en waarin voorts actief wordt samengewerkt, meerdere disciplines vertegenwoordigd zijn en alle deelnemers naar vermogen investeren;

    • c. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt maakt dat de deelnemers in het samenwerkingsverband hun bedoelingen met de uitvoering van het project expliciet hebben gemaakt en met elkaar hebben gedeeld.

  • 4 De commissie rangschikt:

    • a. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 1, per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding en het meer innovatief van aard is;

    • b. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, per transitiepad de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding.

  • 5 Voor de rangschikking kunnen bij regeling van Onze Minister wegingsfactoren voor de doelstellingen, bedoeld in het vierde lid, worden vastgesteld.

  • 6 Voor duurzame energiehuishouding en innovatie alsmede voor duurzame energiehuishouding als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, kunnen bij regeling van Onze Minister criteria worden vastgesteld.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten een negatief advies heeft uitgebracht.

  • 2 Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie.

  • 3 Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit of de daarop berustende bepalingen dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Aan de subsidieverlening zijn, voor zover daarbij niet anders is bepaald, voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 14 tot en met 17 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande dat de in artikel 16 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.

  • 2 De in de artikelen 14 tot en met 16 opgenomen verplichtingen gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 17 opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken.

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het project.

  • 2 De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

  • 3 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4 onderscheiden kostensoorten.

  • 2 De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]

De subsidie-ontvanger brengt steeds, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, na afloop van een periode van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project en draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

  • 2 De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:

    • a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden noch zijn statutaire zetel verplaatsen buiten Nederland;

    • b. indien hij deelneemt in een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma of maatschap, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.

  • 3 Aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a. het geven van bekendheid aan het project en de resultaten ervan;

  • b. het verlenen van medewerking aan onder zijn zorg openbaar te maken en te verspreiden resultaten van het project;

  • c. het verlenen van medewerking aan een door hem over de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatie-onderzoek, voor zover hij aan die medewerking redelijkerwijs behoefte heeft;

  • d. de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en vervreemding van rechten van intellectuele eigendom en de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.

§ 4. Voorschotten [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Voorschotten kunnen door Onze Minister slechts op aanvraag van de subsidie-ontvanger worden verstrekt op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt.

  • 2 Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid wordt aan een ondernemer het eerste voorschot ambtshalve verstrekt bij de subsidieverlening: dit voorschot bedraagt 25 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag en wordt betaald binnen twee weken nadat de ondernemer Onze Minister schriftelijk heeft medegedeeld dat met de uitvoering van het project is begonnen onder vermelding van de daartoe behorende activiteiten met het desbetreffende tijdstip van aanvang. Indien de ondernemer deelnemer is in een samenwerkingsverband vindt overeenkomstige toepassing plaats van de eerste volzin op de andere leden van het samenwerkingsverband.

  • 4 Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.

  • 5 Een voorschot, niet zijnde een eerste voorschot als bedoeld in het derde lid, wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot meer is dan een bij regeling van Onze Minister te bepalen bedrag.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Een aanvraag om een voorschot, niet zijnde een eerste voorschot als bedoeld in artikel 19, derde lid, wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 16.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.

  • 3 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag om een voorschot, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

§ 5. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn voltooid bij Onze Minister in.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.

  • 3 De aanvraag gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van:

    • a. een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project,

    • b. indien het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld € 50 000 of meer bedraagt, een accountantsverklaring die is opgesteld op de in het formulier aangegeven wijze.

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2010]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2010]

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit EOS: demo en transitie-experimenten.

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 20 oktober 2004

Beatrix

De Minister van Economische Zaken ,

L. J. Brinkhorst

Uitgegeven de negenentwintigste oktober 2004

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner