Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit EOS: lange termijn[Regeling vervallen per 01-01-2010.]

Geldend van 01-07-2009 t/m 31-12-2009

Besluit van 23 september 2004, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van energieonderzoek op lange termijn (Besluit EOS: lange termijn)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3 februari 2004, nr. WJZ 4005807;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;

De Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2004, nr. W10.04.0056/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 20 september 2004, nr. WJZ 4057440;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;

    • b. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

      • 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

        • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

        • volledig aansprakelijk vennoot is van of

        • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

      • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

    • c. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen;

    • d. project: lange termijn-project of neo-project;

    • e. lange termijn-project: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van beide, naar een duurzame energiehuishouding, waarvan de onderzoeksresultaten naar verwachting niet eerder dan na tien jaar na het tijdstip van subsidieverlening in de markt worden of kunnen worden toegepast;

    • f. neo-project: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit een haalbaarheidsstudie, fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek, met betrekking tot een innovatief, niet-conventioneel idee voor energietechniek, dat een duurzame energiehuishouding stimuleert, dat kan leiden tot een nieuw onderzoeksgebied of een nieuwe richting binnen een bestaand onderzoeksgebied en dat een hoge technologische risicograad heeft;

    • g. haalbaarheidsstudie: het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse alsmede een inschatting van de technische mogelijkheden van fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek;

    • h. duurzame energiehuishouding: energiehuishouding die economisch efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet in beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende kwaliteit;

    • i. fundamenteel onderzoek: onderzoek, gericht op het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder industriële of commerciële doelstellingen;

    • j. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

    • k. kennisinstelling:

      • 1°. een onder a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs;

      • 2°. een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

      • 3°. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder 1°, of

      • 4°. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen activiteiten worden aangewezen die niet tot een project worden gerekend.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen ondernemers en kennisinstellingen worden uitgesloten van subsidiëring op grond van dit besluit.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

    • a. een in Nederland gevestigde ondernemer of kennisinstelling die voor eigen rekening en risico een lange termijn-project uitvoert dat past in een onderzoeksprogramma;

    • b. de in Nederland gevestigde deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een lange termijn-project uitvoeren dat past in een onderzoeksprogramma;

    • c. degene die in Nederland voor eigen rekening en risico een neo-project uitvoert dat past in een onderzoeksprogramma;

    • d. de deelnemers in een samenwerkingsverband die in Nederland voor gezamenlijke rekening en risico een neo-project uitvoeren dat past in een onderzoeksprogramma.

  • 2 Als onderzoeksprogramma’s worden aangewezen de door Onze Minister vast te stellen programma’s met betrekking tot de volgende gebieden of combinaties daarvan:

    • a. biomassa;

    • b. nieuw gas/schoon fossiel;

    • c. energie-efficiëntie in de industriële en agrarische sector;

    • d. gebouwde omgeving;

    • e. opwekking en netten;

    • f. nieuw energieonderzoek.

  • 3 Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de in Nederland gevestigde deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.

  • 4 Geen subsidie wordt verstrekt:

    • a. indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is verstrekt;

    • b. aan een overheid of overheidsinstelling, tenzij het een kennisinstelling betreft;

    • c. voor zover door verlening van de subsidie in het kalenderjaar waarin de beschikking wordt gegeven aan de aanvrager dan wel aan de tot dezelfde groep als de aanvrager behorende ondernemers meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan subsidie op grond van dit besluit zou worden verstrekt.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie bedraagt 100 procent van de projectkosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. Daarbij kan de hoogte van het subsidiepercentage, genoemd in de eerste volzin, per periode als bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden vastgesteld.

  • 2 De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. Daarbij kan de hoogte van het subsidiepercentage, genoemd in de eerste volzin, per periode als bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden vastgesteld.

  • 3 Indien de subsidiabele projectkosten betrekking hebben op zowel fundamenteel als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid genoemde percentages van de desbetreffende subsidiabele projectkosten, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.

  • 4 De subsidie bedraagt 100 procent van de projectkosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan fundamenteel onderzoek en 75 procent van de projectkosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan industrieel onderzoek, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. Daarbij kan de hoogte van de subsidiepercentages, genoemd in de eerste volzin, per periode als bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden vastgesteld.

  • 5 Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een ondernemer is die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), naar de tekst zoals deze bij die verordening is vastgesteld en voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer. Indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een onderneming is als bedoeld in de eerste volzin.

  • 6 Onverminderd het vijfde lid wordt het in het tweede lid genoemde percentage met 10 procentpunten verhoogd, indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:

    • a. zich onder deze deelnemers ten minste één kennisinstelling en ten minste één ondernemer bevinden, of

    • b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer en deze deelnemer een wezenlijke bijdrage levert aan het project.

  • 7 Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies uitgedrukt in een percentage van de projectkosten, niet meer bedraagt dan het ingevolge het eerste tot en met zesde lid geldende percentage.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

    • a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten:

      • 1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom «loon voor de loonbelasting» van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1650 productieve uren per jaar;

      • 2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;

      • 3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;

      • 4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van:

        • behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister: die kosten van activiteiten van het project die zijn uitbesteed aan een niet in Nederland gevestigde kennisinstelling of ondernemer, indien een in Nederland gevestigde instelling of ondernemer over ten minste gelijkwaardige kennis en middelen beschikt om de bedoelde activiteiten uit te voeren;

        • binnenlandse reis- en verblijfkosten;

    • b. een opslag voor algemene kosten, groot 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.

  • 2 Kosten van machines en apparatuur die niet uitsluitend voor het project zijn aangeschaft, worden slechts als projectkosten op de voet van het eerste lid, onder a, onder 2°, in aanmerking genomen, indien een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per machine respectievelijk van de apparatuur aanwezig is.

  • 3 Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een bij regeling van Onze Minister vast te stellen uurtarief.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister kan aan de kosten, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 4°, een maximum worden verbonden en kunnen regels worden gesteld over daartoe te rekenen categorieën van kosten.

  • 5 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

  • 6 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 4°, kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Er is een Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie voor een project.

  • 2 De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

  • 3 De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 5 en ten hoogste 35 andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.

  • 4 De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

  • 5 Onze Minister kan deelcommissies instellen en leden van de commissie benoemen in deelcommissies.

  • 6 Onze Minister kan op verzoek van de commissie met het oog op de uitoefening van haar taak deskundigen opdracht verlenen onderzoek te verrichten naar een door haar aangewezen project.

  • 7 De commissie stelt haar werkwijze schriftelijk vast.

  • 8 Een lid van de commissie en een deskundige als bedoeld in het zesde lid nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien zij een persoonlijk belang hebben bij de beschikking op een aanvraag.

  • 9 Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.

  • 10 In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien.

  • 11 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.

  • 12 De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 13 De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast na afloop waarvan de aanvragen om een subsidie voor een project die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke voorschriften worden behandeld.

  • 2 Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van in het eerste lid bedoelde subsidies op in die periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Een aanvraag om subsidie op grond van dit besluit wordt ingediend met gebruikmaking van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.

  • 2 De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het project alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

  • 3 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na afloop van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde periode.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Indien op de aanvraag niet afwijzend wordt beslist, en deze een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening een raming van de projectkosten per deelnemer in het samenwerkingsverband.

  • 2 Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

  • a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;

  • b. indien hij het onaannemelijk acht dat:

    • 1°. het lange termijn-project binnen vier jaren kan worden voltooid;

    • 2°. het neo-project dat een haalbaarheidsstudie betreft binnen één jaar kan worden voltooid en het neo-project dat een fundamenteel onderzoek, een industrieel onderzoek of een combinatie van beide betreft binnen twee jaren kan worden voltooid.

  • c. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek.

  • 2 Onze Minister wint geen advies in over een aanvraag voor een haalbaarheidsstudie.

  • 3 De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:

    • a. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van het besluit en de daarop berustende bepalingen;

    • b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het project;

    • c. indien toepassing van het het resultaat van het lange termijn-project in de markt naar verwachting eerder zal plaatsvinden dan tien jaren na het tijdstip van de subsidieverlening;

    • d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;

    • e. indien het neo-project onvoldoende potentie heeft om bij te dragen aan de opbouw van een sterkere kennispositie in Nederland.

  • 4 De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen criteria omtrent een duurzame energiehuishouding of aan de versterking van de kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de rangschikking wegingsfactoren worden vastgesteld.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek een negatief advies heeft uitgebracht.

  • 2 Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie.

  • 3 Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Artikel 12a [Vervallen per 01-01-2010]

In afwijking van artikel 12 verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag voor haalbaarheidsstudies in de volgorde van de ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Aan de subsidieverlening zijn, voor zover daarbij niet anders bepaald, voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 14 tot en met 17 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande dat de in artikelen 16 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.

  • 2 De in de artikelen 14 tot en met 16 opgenomen verplichtingen gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 17 opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken.

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het project.

  • 2 De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

  • 3 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.

  • 2 De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]

De subsidie-ontvanger brengt steeds, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, na afloop van een periode van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project en draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

  • 2 De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:

    • a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden noch zijn statutaire zetel verplaatsen buiten Nederland;

    • b. indien hij deelneemt in een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma of maatschap, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.

  • 3 Aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a. het geven van bekendheid aan het project en de resultaten ervan;

  • b. het verlenen van medewerking aan onder zijn zorg openbaar te maken en te verspreiden resultaten van het project;

  • c. het verlenen van medewerking aan een door hem over de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatie-onderzoek, voor zover hij aan die medewerking redelijkerwijs behoefte heeft;

  • d. de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en vervreemding van rechten van intellectuele eigendom en de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.

§ 4. Voorschotten [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Voorschotten kunnen door Onze Minister slechts op aanvraag van de subsidie-ontvanger worden verstrekt op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt.

  • 2 Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid wordt aan een ondernemer als bedoeld in artikel 3, vierde lid, het eerste voorschot ambtshalve verstrekt bij de subsidieverlening; dit voorschot bedraagt 25 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag en wordt betaald binnen twee weken nadat de ondernemer Onze Minister schriftelijk heeft medegedeeld dat met de uitvoering van het project is begonnen onder vermelding van de daartoe behorende activiteiten met het desbetreffende tijdstip van aanvang. Indien de ondernemer deelnemer is in een samenwerkingsverband vindt overeenkomstige toepassing plaats van de eerste volzin op de andere leden van het samenwerkingsverband.

  • 4 Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.

  • 5 Een voorschot, uitgezonderd het eerste voorschot, bedoeld in het derde lid, wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot meer is dan een bij regeling van Onze Minister te bepalen bedrag.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Een aanvraag om een voorschot, niet zijnde een eerste voorschot als bedoeld in artikel 19, derde lid, wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 16.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.

  • 3 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag om een voorschot, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

§ 5. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Een aanvraag om subsidievaststelling wordt binnen zes maanden na het tijdstip waarop het in het eerste lid bedoelde project ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn voltooid bij Onze Minister ingediend.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.

  • 3 De aanvraag gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van:

    • a. een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project,

    • b indien het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld € 50 000 of meer bedraagt, een accountantsverklaring die is opgesteld op de in het formulier aangegeven wijze.

  • 4 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2010]

Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2010]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2010]

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit EOS: lange termijn.

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 23 september 2004

Beatrix

De Minister van Economische Zaken ,

L. J. Brinkhorst

Uitgegeven de vijfde oktober 2004

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner