Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
Kruimelpad
  • Home
  • Overheidsinformatie
  • Zoeken
  • Verwijzing

Wet- en regelgeving

Instellingen (nu: volledige regeling), opent een nieuw venster
  • Vorige

  • Volgende

Regeling externe veiligheid inrichtingen

Geldend op 10-03-2010


  • Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 september 2004, nr. EV2004084072, houdende regels met betrekking tot afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter uitvoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Regeling externe veiligheid inrichtingen)
  • De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

    Gelet op de artikelen 4, vijfde tot en met zevende lid, 5, derde tot en met vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 14, tweede lid, 15, eerste lid, 16, 17, tweede tot en met vijfde lid, en 18, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

    Besluit:

  • § 1. Begripsbepalingen en toepassingsgebied

  • Artikel 1

    • a. besluit: Besluit externe veiligheid inrichtingen;

    • b. bijlage: de bij deze regeling behorende bijlage;

    • c. categoriale inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit;

    • d. Handleiding Risicoberekeningen: Handleiding Risicoberekeningen Bevi, versie nr. 3.2, uitgave 2009;

    • e insluitsysteem: een of meer toestellen, waarvan de eventuele onderdelen blijvend met elkaar in open verbinding staan en die bestemd zijn om een of meer stoffen te omsluiten, waarbij een verlies van inhoud van een insluitsysteem niet leidt tot het vrijkomen van significante hoeveelheden gevaarlijke stof uit andere insluitsystemen;

    • f. licht ontvlambare stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool F;

    • g. meststoffen groep 2: vaste minerale anorganische meststoffen behorende tot groep 2 als bedoeld in PGS 7;

    • h. PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, gepubliceerd onder verantwoordelijkheid van de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat;

    • i. PGS 7: publicatie nr. 7 van de PGS, getiteld ‘Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen’, uitgave 2007;

    • j. PGS 15: publicatie nr. 15 van de PGS, getiteld ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’, uitgave 2005;

    • k. propaan: product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voor zover de dampspanning bij 343 Kelvin (70 graden Celsius) ten hoogste 3100 kilopascal (31 bar) bedraagt;

    • l. rekenmethodiek Bevi: rekenmethodiek, bestaande uit Safeti-NL en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi;

    • m. Safeti-NL: softwareprogramma voor de berekening van risico’s, getiteld Safeti-NL, versie nr. 6.54, uitgave 2009;

    • n. vergiftige stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool T;

    • o. zeer licht ontvlambare stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool F+, en

    • p. zeer vergiftige stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool T+.

  • Artikel 1a

    Als spoorwegemplacement als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen de spoorwegemplacementen, genoemd in bijlage 3.

  • Artikel 1b

    Als inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het besluit worden aangewezen:

    • a. inrichtingen waar meer dan 1.500 kg ammoniak in een insluitsysteem aanwezig is, niet zijnde een onderdeel van een koel- of vriesinstallatie met ammoniak;

    • b. inrichtingen waar meer dan 150m3 zeer licht ontvlambare of licht ontvlambare vloeistof in een bovengronds insluitsysteem aanwezig is;

    • c. inrichtingen waar meer dan 13m3 propaan of meer dan 13m3 acetyleen in een insluitsysteem aanwezig is;

    • d. inrichtingen waar een cyanidehoudend bad ten behoeve van het aanbrengen van metaallagen aanwezig is met een inhoud van meer dan 100 liter;

    • e. inrichtingen waar een vergiftige of zeer vergiftige stof in een insluitsysteem met een inhoud van meer dan 1.000 liter aanwezig is;

    • f. inrichtingen waar in enige opslagvoorziening een vergiftige of zeer vergiftige stof in gasflessen aanwezig is en waarbij de totale waterinhoud van de gasflessen met vergiftige of zeer vergiftige inhoud in die opslagvoorziening meer bedraagt dan 1.500 liter, en

    • g. inrichtingen waar aardgasdruk gereduceerd wordt of aardgashoeveelheid gemeten wordt, voor zover de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch.

  • Artikel 1c

    Als inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het besluit worden aangewezen inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen.

  • § 2. Afstanden voor categoriale inrichtingen (nieuwe situaties)

  • Artikel 2

  • § 3. Inrichtingen waarvoor het plaatsgebonden risico berekend mag worden

  • Artikel 3

  • § 4. Referentiepunten voor de toepassing van grens- en richtwaarden en afstanden

  • Artikel 4

    • 2.In afwijking van het eerste lid wordt aan de grens- en richtwaarden, bedoeld in het eerste lid, voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op:

      • a. de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van zieken, ouderen, gehandicapten of minderjarigen, indien het desbetreffende object een ziekenhuis, bejaardenhuis, verpleeghuis, school, gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor dagopvang van minderjarigen, openluchtzwembad of speeltuin is, en

      • b. de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van personen, indien het desbetreffende object een sportterrein of een kampeer- of ander recreatieterrein bestemd voor het verblijf van personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen is.

  • Artikel 5

    • 1.De afstanden, bedoeld in de artikelen 2 en 9, gelden vanaf:

      • a. het vulpunt voor LPG, het ondergrondse of ingeterpte, onderscheidenlijk bovengrondse, reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir en, indien bijlage 1, tabel 1, van toepassing is, de afleverzuil;

      • b. de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, van het gebouw of het onderdeel daarvan of van de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen, meststoffen groep 2, of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen worden opgeslagen, en

      • c. de machinekamer van de koel- of vriesinstallatie en de bij die installatie behorende, met de buitenlucht in verbinding staande leidingen naar de verdamper of verdampers en het afscheidervat of vloeistofvat, tot de gevel van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

    • 2.In afwijking van het eerste lid gelden de afstanden, bedoeld in de artikelen 2 en 9, tot:

      • a. de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van zieken, ouderen, gehandicapten of minderjarigen, indien het desbetreffende object een ziekenhuis, bejaardenhuis, verpleeghuis, school, gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor dagopvang van minderjarigen, openluchtzwembad of speeltuin is, en

      • b. de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van personen, indien het desbetreffende object een sportterrein of een kampeer- of ander recreatieterrein bestemd voor het verblijf van personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen is.

    • 3.Met betrekking tot geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gelden de afstanden, bedoeld in artikel 2, tot de plaats waar de gevel van het desbetreffende object gebouwd mag worden.

    • 4.Indien het desbetreffende object een object is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, gelden de afstanden, bedoeld in artikel 2, in afwijking van het derde lid, tot de grens van het gebied waar een dergelijk object op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.

  • § 5. Invloedsgebied in verband met de verantwoording van het groepsrisico

  • Artikel 6

    • 1.Voor de toepassing van de artikelen 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit, worden de personen meegeteld die aanwezig zijn in het invloedsgebied dat in bijlage 2 is vermeld bij de desbetreffende inrichting en, in geval van geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de personen die na uitvoering van het bestemmingsplan voorzover dat plan betrekking heeft op dat invloedsgebied, in dat invloedsgebied aanwezig zijn.

    • 2.De afstanden tot de grens van het invloedsgebied, bedoeld in bijlage 2, tabellen 1 tot en met 4, gelden onderscheidenlijk:

      • a. voor LPG-tankstations: vanaf het vulpunt voor LPG, het ondergrondse of ingeterpte, onderscheidenlijk bovengrondse, reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir;

      • b. voor inrichtingen waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen, meststoffen groep 2, of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen worden opgeslagen: vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, of, indien van toepassing, de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, en

      • c. voor koel- en vriesinstallaties met ammoniak: vanaf de machinekamer of, indien van toepassing, de leidingen en het afscheidervat of vloeistofvat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c.

  • § 6. Berekening van het plaatsgebonden risico en groepsrisico

  • Artikel 7

    In de gevallen, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, worden het plaatsgebonden risico, onderscheidenlijk het groepsrisico, berekend met toepassing van de rekenmethodiek Bevi, met dien verstande dat voor de berekening van het groepsrisico in het gebied, gelegen tussen de risicocontour 10-5 per jaar en de grens van het invloedsgebied, worden meegerekend:

    • a. de in dat gebied op het tijdstip waarop de berekening wordt uitgevoerd aanwezige kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, en

    • b. de in dat gebied op het tijdstip waarop de berekening wordt uitgevoerd geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

  • Artikel 8

  • Artikel 8a

    Indien toepassing van de rekenmethodiek Bevi voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel c van het besluit leidt tot een afstand die kleiner is dan de bij een inrichting uit dezelfde categorie behorende grootste afstand genoemd in tabel 6 of 7 van bijlage 1, geldt de in die bijlage genoemde grootste afstand als minimaal aan te houden afstand.

  • Artikel 8b

    Indien in een geval als bedoeld in artikel 7 de rekenmethodiek Bevi vanwege specifieke invoergegevenstechnische omstandigheden niet passend is, kan het bevoegd gezag bepalen dat van de invoergegevens uit de Handleiding Risicoberekeningen mag worden afgeweken en op welke wijze deze afwijking plaatsvindt.

  • Artikel 8c

    Indien in een geval als bedoeld in artikel 7 de rekenmethodiek Bevi vanwege specifieke omstandigheden niet passend is, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag besluiten dat een andere, passende rekenmethodiek mag worden toegepast. De toe te passen rekenmethodiek is transparant en reproduceerbaar. Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in de eerste volzin neemt, wint hij advies in bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

  • Artikel 8d

    • 1.Met de rekenmethodiek Bevi worden gelijkgesteld rekenmethodieken die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en waarvan de resultaten gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de rekenmethodiek Bevi.

    • 2.Onze Minister besluit, nadat hij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu gehoord heeft, op verzoek van het bevoegd gezag, of die rekenmethodiek gelijkwaardig is aan de rekenmethodiek Bevi. Daarbij betrekt Onze Minister in elk geval de transparantie, reproduceerbaarheid, het toepassingsgebied en de ruimtelijke consequenties.

  • § 7. Saneringsafstanden voor categoriale inrichtingen (bestaande situaties)

  • Artikel 9

  • § 8. Slotbepalingen

  • Artikel 10

    Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.

  • Artikel 11

    Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling externe veiligheid inrichtingen.

  • Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

    Den Haag, 8 september 2004
    De

    Staatssecretaris

    van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

    P.L.B.A. van Geel

  • Bijlage 1

    Afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico als bedoeld in de artikelen 2 en 9 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (categoriale inrichtingen)

    Tabellen 1, 2 en 2a: LPG-tankstations

    Tabel 3: Inrichtingen waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen, worden opgeslagen (PGS 15 inrichtingen)

    Tabellen 6 en 7: Koel- of vriesinstallaties met ammoniak

    Tabel 8: Inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen.

    LPG-tankstations

    Tabel 1. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie artikel 2, eerste lid, onderdeel a)

    Doorzet (m3) per jaar

    Afstand (m) vanaf vulpunt

    Afstand (m) vanaf ondergronds1of ingeterpt reservoir

    Afstand (m) vanaf afleverzuil

    ≥ 1000

    110

    25

    15

    < 1000

    45

    25

    15

    1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.

    Tabel 2. Afstanden in meters tot kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–5 per jaar (zie artikel 9, eerste lid)

    Afstand (m) vanaf vulpunt

    Afstand (m) vanaf ondergronds of ingeterpt reservoir

    25

    15

    Tabel 2a. Afstanden in meters tot kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar (zie artikel 9, tweede lid, onderdeel a)

    Doorzet (m3) per jaar

    Afstand (m) vanaf vulpunt

    Afstand (m) vanaf ondergronds1 of ingeterpt reservoir

    Afstand (m) vanaf afleverzuil

    ≥ 1000

    40

    25

    15

    500–1000

    35

    25

    15

    < 500

    25

    25

    15

    1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.

    Inrichtingen waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen, worden opgeslagen (PGS 15 inrichtingen)

    Tabel 3. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, met een minimum van 20 meter met het oog op de bereikbaarheid van de opslagvoorziening bij brand en het voorkomen van brandoverslag (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel b, en 9, tweede lid, onderdeel b).

    Oppervlakte opslagvoorziening (m2)

    0–100

    100–300

    300–600

    600–900

    900–1500

    1500–2500

    Brandbestrijdingssysteem/beschermingsniveau volgens PGS-15 en stikstofcategorie

          

    Beschermingsniveau 11

          

    Automatische sprinklerinstallatie (ook sprinkler in rekken)

    30

    30

    40

    50

    50

    50

    Automatische deluge installatie

    30

    30

    40

    50

    50

    50

    Automatische blusgasinstallatie

    20

    20

    20

    20

    20

    35

    Automatische hi-ex inside-air installatie

    20

    20

    20

    20

    20

    20

    (Semi-) Automatische monitorinstallatie

    20

    20

    20

    20

    20

    20

    Bedrijfsbrandweer met handbediende deluge-installatie

    20

    30

    40

    55

    65

    85

    Handbediende deluge-installatie met watervoorziening door bedrijfsbrandweer

    20

    35

    55

    75

    100

    170

    Handbediende deluge-installatie met watervoorziening door lokale brandweer

    20

    45

    55

    n.v.t.3

    n.v.t.3

    n.v.t.3

    Automatische hi-ex outside-air installatie, stikstofgehalte < 5%1, 2

    40

    45

    50

    55

    55

    55

    Automatische hi-ex outside-air installatie, stikstofgehalte 5 tot en met 10%2

    40

    45

    50

    55

    55

    55

    Automatische hi-ex outside-air installatie, stikstofgehalte > 10% 2

    50

    50

    60

    60

    60

    60

    Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval), stikstofgehalte < 5%2

    260

    490

    570

    630

    630

    n.v.t.3

    Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval), stikstofgehalte 5 tot en met 10%2

    260

    490

    570

    630

    630

    n.v.t.3

    Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval), stikstofgehalte > 10%2

    310

    550

    660

    720

    720

    n.v.t.3

    Beschermingsniveau 2 stikstofgehalte > 10 %1, 2

          

    Inzettijd < 6 min; ADR klasse 3 in kunststof

    340

    620

    570

    570

    n.v.t.3

    n.v.t.3

    Inzettijd < 6 min; ADR klasse 3 NIET in kunststof

    310

    450

    460

    500

    500

    n.v.t.3

    Inzettijd < 6 min; geen ADR klasse 3

    190

    390

    460

    500

    500

    500

    Inzettijd < 15 min; ADR klasse 3 in kunststof

    340

    620

    660

    750

    n.v.t.3

    n.v.t.3

    Inzettijd < 15 min; ADR klasse 3 NIET in kunststof

    340

    620

    560

    570

    570

    n.v.t.3

    Inzettijd < 15 min; geen ADR klasse 3

    210

    530

    560

    570

    570

    570

    Beschermingsniveau 2 stikstofgehalte 5 tot en met 102

          

    Inzettijd < 6 min; ADR klasse 3 in kunststof

    290

    500

    400

    430

    n.v.t3

    n.v.t.3

    Inzettijd < 6 min; ADR klasse 3 NIET in kunststof

    270

    370

    320

    370

    370

    n.v.t.3

    Inzettijd < 6 min; geen ADR klasse 3

    120

    270

    320

    370

    370

    370

    Inzettijd < 15 min; ADR klasse 3 in kunststof

    290

    500

    470

    550

    n.v.t3

    n.v.t.3

    Inzettijd < 15 min; ADR klasse 3 NIET in kunststof

    290

    500

    380

    400

    400

    n.v.t.3

    Inzettijd < 15 min; geen ADR klasse 3

    130

    360

    380

    400

    400

    400

    Beschermingsniveau 2 stikstofgehalte < 5 %1, 2

          

    Inzettijd < 6 min; ADR klasse 3 in kunststof

    290

    360

    190

    220

    n.v.t.3

    n.v.t.3

    Inzettijd < 6 min; ADR klasse 3 NIET in kunststof

    270

    270

    160

    210

    210

    n.v.t.3

    Inzettijd < 6 min; geen ADR klasse 3

    45

    120

    160

    210

    210

    210

    Inzettijd < 15 min; ADR klasse 3 in kunststof

    290

    360

    230

    290

    n.v.t3

    n.v.t.3

    Inzettijd < 15 min; ADR klasse 3 NIET in kunststof

    290

    360

    170

    220

    220

    n.v.t.3

    Inzettijd < 15 min; geen ADR klasse 3

    50

    150

    170

    220

    220

    220

    Beschermingsniveau 31, 2

          

    Stikstofgehalte <5%2

    30

    75

    80

    85

    85

    85

    Stikstofgehalte 5 tot en met 10% 2

    65

    150

    170

    180

    180

    180

    Stikstofgehalte >10%2

    90

    210

    240

    270

    270

    270

    Alle beschermingsniveaus

          

    Gasflessen, met uitzondering van gasflessen met vergiftige of zeer vergiftige stoffen4

    20

    20

    20

    20

    20

    20

    1 De afstanden die zijn opgenomen bij de verschillende beschermingsniveaus gelden niet voor opslagvoorzieningen bestemd voor de opslag van gasflessen. Voor gasflessen, met uitzondering van gasflessen met vergiftige of zeer vergiftige inhoud, zijn de afstanden apart onderaan in de tabel opgenomen.

    2 Het stikstofgehalte is het stikstofgehalte in gewichtsprocent van de totale hoeveelheid van de in de opslagvoorziening aanwezige gevaarlijke afvalstoffen en gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen, bepaald overeenkomstig de Handleiding Risicoberekeningen Bevi.

    3 n.v.t.: het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor opslagvoorzieningen met een maximaal oppervlakte van respectievelijk 500, 800 en 1500 m2. Het betreft randvoorwaarden van het betreffende brandbestrijdingssysteem die zijn vastgelegd in PGS 15 dan wel CPR 15-2

    4 Voor gasflessen met giftige of zeer vergiftige inhoud moet het plaatsgebonden risico op grond van artikel 1b, aanhef en onderdeel f, worden berekend.

    Koel- of vriesinstallaties en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel

    Tabel 6. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel d, en 9, tweede lid, onderdeel c)

    Type installatie1

    Hoeveelheid ammoniak2

    Opstellingsuitvoering3

    Afstand (m) vanaf machinekamer bij diameter vloeistofleiding naar verdamper ≤ DN50

    Afstand (m) vanaf machinekamer bij diameter vloeistofleidingnaar verdamper > DN50 en ≤ DN 80

    Afstand (m) vanaf vloeistofleiding4 bij diameter vloeistofleiding naar verdamper ≤ DN50

    Afstand (m) vanaf vloeistofleiding4 bij diameter vloeistofleiding naar verdamper > DN50 en ≤ DN 80

    < –25 °C

    1500–3500 kg

    1

    5

    5

    5

    5

      

    2

      

    3

    35

    35

           
     

    3500–6000 kg

    1

      

    2

    30

    40

    25

    40

      

    3

    65

    65

    25

    40

           
     

    6000–8000 kg

    1

       

     

     
      

    2

    30

    45

    30

    40

      

    3

    75

    75

    30

    40

           
     

    8000–10.000 kg

    1

      

    2

    30

    45

    30

    45

      

    3

    85

    85

    30

    45

    –25 tot –5 °C

    1500–3500 kg

    1

      

    2

      

    3

    45

    45

           
     

    3500–6000 kg

    1

    50

      

    2

    60

    75

    55

    70

      

    3

    75

    90

    55

    70

           
     

    6000–8000 kg

    1

    50

      

    2

    65

    85

    60

    80

      

    3

    85

    100

    60

    80

           
     

    8000– 10.000 kg

    1

    50

      

    2

    70

    85

    65

    85

      

    3

    95

    105

    65

    85

    > –5 °C

    1500–3500 kg

    1

      

    2

      

    3

    45

    45

           
     

    3500–6000 kg

    1

    60

      

    2

    70

    85

    55

    75

      

    3

    85

    95

    55

    75

           
     

    6000–8000 kg

    1

    65

      

    2

    80

    95

    60

    85

      

    3

    90

    105

    60

    85

           
     

    8000– 10.000 kg

    1

    50

    65

      

    2

    85

    105

    65

    90

      

    3

    95

    110

    65

    90

    1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan –25 °C, een maximale werktemperatuur tussen –25 °C en –5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan –5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.

    2 De hoeveelheid ammoniak is de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak.

    3 Opstellingsuitvoering 1: opstelling waarbij alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten opgesteld zijn.

    Opstellingsuitvoering 2: opstelling als bij opstellingsuitvoering 1, met dien verstande dat de leidingen naar en van de verdamper of verdampers met de buitenlucht in verbinding staan.

    Opstellingsuitvoering 3: opstelling als bij opstellingsuitvoering 2, met dien verstande dat het afscheidervat of vloeistofvat buiten opgesteld zijn.

    4 Vloeistofleiding: met de buitenlucht in verbinding staande ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper of verdampers.

    5 De aanduiding ‘–‘ houdt in dat het plaatsgebonden risico rondom de desbetreffende installatie kleiner is dan 10–6 per jaar en dat geen afstand tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht genomen behoeft te worden, onderscheidenlijk daarmee geen rekening gehouden behoeft te worden.

    Meer dan één koel- of vriesinstallatie met ammoniak als koudemiddel in een machinekamer

    Tabel 7. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, bij de aanwezigheid van meerdere koel- en vriesinstallaties met ammoniak als koudemiddel in een machinekamer (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, en 9, tweede lid, onderdeel d)
     

    Inhoud installatie a1

    ≤ 6000 kg

    Inhoud installatie a1 > 6000 kg en ≤ 8000 kg

    Inhoud installatie a1 > 8000 kg

    Inhoud installatie b2 ≤ 3500 kg

    Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, doch met een inhoud die behoort tot de eerstvolgende hogere inhoudscategorie

    Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, vermeerderd met 10 meter

    Inhoud installatie b2 > 3500 kg

    Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, doch met een inhoud die behoort tot de tweede hogere inhoudscategorie

    Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, vermeerderd met 20 meter

    1 Installatie waarvoor ingevolge tabel 6 van bijlage 1 de grootste afstand geldt.

    2 Installatie die de grootste inhoud heeft, installatie a niet meegerekend.

    3 Installatie van hetzelfde type, met dezelfde opstellingsuitvoering en een vloeistofleiding met dezelfde diameter.

    Inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen

    Tabel 8. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10-6 per jaar (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel f, en 9, tweede lid, onderdeel e).

    Hoeveelheid meststoffen groep 2

    Afstand (m) vanaf opslagplaats

    > 100.000 kg.

    60

  • Bijlage 2

    Afstanden in meters tot de grens van het invloedsgebied in verband met de verantwoording van het groepsrisico, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit, met betrekking tot categoriale inrichtingen.

    LPG-tankstations

    Tabel 1

    Afstand (m) tot grens invloedsgebied

    150

    PGS 15 inrichtingen

    Tabel 2

    Brandbestrijdingssysteem

    Oppervlakte

    0–300 m2

    afstand (m) tot grens invloedsgebied

    Oppervlakte

    300–600 m2

    afstand (m) tot grens invloedsgebied

    Oppervlakte

    600–2500 m2

    afstand (m) tot grens invloedsgebied

    beschermingsniveau 1

      

    automatische sprinklerinstallatie

    n.v.t.

    90

    300

    automatische sproei-(deluge-)installatie

    n.v.t.

    90

    300

    automatische gasblusinstallatie

    n.v.t.

    90

    n.v.t.1

    hi-ex installatie inside air

    n.v.t.

    90

    320

    hi-ex installatie met rookluiken

    300

    350

    350

    lokale brandweer; droog systeem

    n.v.t.

    70

    n.v.t.2

    bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; droog systeem

    n.v.t.

    90

    320

    bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; handbediende deluge

    n.v.t.

    90

    320

    bedrijfsbrandweer cat. 1; ter plaatse blussen

    300

    350

    350

       

    beschermingsniveau 2

      

    bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2 of overheidsbrandweer inzetbaar < 6 min.

    300

    380

    930

    bedrijfsbrandweer of overheidsbrandweer inzetbaar < 15 min.

    300

    380

    930

       

    beschermingsniveau 3

      

    preventieve maatregelen overeenkomstig CPR 15-2 of 15-3

    275

    520

    930

    1Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.

    2 Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2

    Koel- of vriesinstallaties en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel

    Tabel 3

    Type installatie1

    Hoeveelheid ammoniak2

    Opstellingsuitvoering3

    Afstand (m) tot grens invloedsgebied bij diameter vloeistofleiding naar verdamper

    ≤ DN50

    Afstand (m) tot grens invloedsgebied bij diameter vloeistofleiding naar verdamper

    > DN50 en ≤ DN80

    < –25 °C

    1500–3500 kg

    1

    4

    4

      

    2

      

    3

     

    3500–6000 kg

    1

      

    2

      

    3

     

    6000–8000 kg

    1

      

    2

      

    3

     

    8000–10.000 kg

    1

      

    2

      

    3

    310

    310

    –25 tot –5 °C

    1500–3500 kg

    1

      

    2

      

    3

     

    3500–6000 kg

    1

      

    2

      

    3

    260

    260

     

    6000–8000 kg

    1

      

    2

      

    3

    280

    280

     

    8000–10.000 kg

    1

      

    2

    120

      

    3

    300

    300

    > –5 °C

    1500–3500 kg

    1

      

    2

      

    3

     

    3500–6000 kg

    1

      

    2

      

    3

    360

    360

     

    6000–8000 kg

    1

    170

      

    2

    170

      

    3

    400

    400

     

    8000–10.000 kg

    1

    200

    200

      

    2

    200

    200

      

    3

    400

    400

    1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan -25 °C, een maximale werktemperatuur tussen -25 °C en -5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan -5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op een na hoogste werktemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.

    2 Als noot 2 onder bijlage 1, tabel 6.

    3 Als noot 3 onder bijlage 1, tabel 6.

    4 De aanduiding ‘–’ houdt in dat de grens van het invloedsgebied in het desbetreffende geval niet relevant is. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dat geval niet te worden verantwoord.

    Inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen

    Tabel 4

    Hoeveelheid meststoffen groep 2

    Afstand (m) tot grens invloedsgebied

    > 100.000 kg.

    1

    1 De aanduiding ‘–‘ houdt in dat de grens van het invloedsgebied in het desbetreffende geval niet relevant is. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dat geval niet te worden verantwoord.

  • Bijlage 3

    Spoorwegemplacementen (zie artikel 1a)

    Almelo

    Amersfoort Goederen

    Amsterdam Westhaven

    Arnhem Goederen

    Axel aansluiting

    Beverwijk

    Blerick

    Born

    Coevorden

    Delfzijl

    Deventer

    Dordrecht

    Emmen

    Eindhoven

    Hengelo

    Kijfhoek

    Lage Zwaluwe

    Maastricht

    Moerdijk

    Onnen

    Roermond

    Roodeschool

    Roosendaal

    Rotterdam Botlek

    Rotterdam Europoort

    Rotterdam Maasvlakte

    Rotterdam Pernis

    Rotterdam Waalhaven zuid

    Rotterdam IJsselmonde

    Sas van Gent

    Sittard

    Sloehaven I

    Sloehaven II

    Terneuzen

    Terneuzen aansluiting

    Uitgeest

    Containeruitwisselingspunt (CUP) Valburg

    Venlo

    Zwolle