Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965

Geldend van 30-07-2004 t/m heden

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4707/2);

Besluiten:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 30 juni 2004

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

Algemene Rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

De

Minister

van Justitie,
namens deze:
de

Directeur van de Directie Informatisering

,

E.Y. Bogerman

Basisselectiedocument

voor archiefbescheiden op het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling

Vaststelling BSD

In maart 2002 is het ontwerp-BSD door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister van Defensie, de minister van Financiën, de minister van Justitie, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de minister van Verkeer en Waterstaat, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juli 2002 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het ministerie van Defensie, het ministerie van Financiën, het ministerie van Justitie, het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het ministerie van Verkeer en Waterstaat, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant.

Op 30 maart 2003 bracht de RvC advies uit (arc-2002.4707/2), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

  • de waardering van handelingen 47, 97, 99 en 278 is verwijderd met verwijzing naar de betreffende handeling in het BSD Arbeidsvoorwaarden overheidspersoneel, zodat duidelijk is dat die handeling voor de selectie van de stukken gehanteerd dient te worden;

  • de waardering van handeling 217 is gewijzigd van B in V 5 jaar;

  • de waardering van handeling 218 is gewijzigd van V in B 1.

Daarop werd het BSD op door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kenmerk C/S/03/1863), de minister van Defensie (kenmerk C/S/03/1867), de minister van Financiën (kenmerk C/⁠S/03/1860), de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid (kenmerk C/⁠S/03/1865), de minister van Verkeer en Waterstaat (kenmerk C/⁠S/03/1862), de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (kenmerk C/⁠S/03/1868) en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (C/⁠S/03/1861), en voor het ministerie van OCW (kenmerk C/⁠S/03/1864), en op 30 juni 2004 door de minister van Justitie (C/S/03/1866) vastgesteld.

Inleiding

Deze selectielijst is een selectielijst als bedoeld in artikel 2, eerste lid van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 671) ter uitvoering van de Archiefwet 1995 (Stb. 276). De lijst is opgezet als basis selectiedocument (BSD). Een BSD bestaat voor het grootste deel uit een lijst van handelingen. Onder een handeling wordt verstaan een geheel van activiteiten (resulterende in een extern eindproduct) dat een overheidsorgaan verricht ter vervulling van een specifieke taak of bevoegdheid. Dit BSD is gebaseerd op de handelingen, zoals beschreven in drs. T.I. van Galen-Steegstra, Emancipatie kun je leren. Een institutioneel onderzoek het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling, 1965–1998 (PIVOT-rapport 131).

Het BSD wordt gebruikt om een onderscheid te maken tussen archiefbescheiden die moeten worden bewaard en overgebracht naar de Rijksarchiefdienst en archiefbescheiden die op termijn worden vernietigd. De selectiedoelstelling voor de archieven van de rijksoverheid luidt: `het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen in relatie tot zijn omgeving op hoofdlijnen’. De handelingen – en dus de neerslag van die handelingen – worden voor de selectie beoordeeld op hun waarde voor het reconstrueren van het handelen van de rijksoverheid op hoofdlijnen.

In dit BSD zijn de handelingen geordend naar actoren. De actoren die onder de zorg van een zorgdrager (minister) vallen zijn geplaatst bij de minister onder wiens zorg het archief valt.

Onder de actor Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn alle handelingen geplaatst die deze minister verricht, zowel als coördinerend minister en als vakminister.

Alleen de handelingen van de actoren waarvan de zorgdragers hebben deelgenomen aan de vaststelling van de selectielijst worden gewaardeerd.

In dit BSD wordt in het kort een schets gegeven van het beleidsterrein. In de hoofdstukken daarna worden per actor de handelingen in oplopende nummering vermeldt met een voorstel voor de waardering.

Ten behoeve van de selectie zijn door PIVOT een aantal criteria geformuleerd die op elk beleidsterrein, voor elk BSD van toepassing zijn. Daarnaast kunnen er per beleidsterrein specifieke selectiecriteria worden geformuleerd.

De selectiecriteria zijn positief geformuleerd, dat wil zeggen dat zij aangegeven van welke handelingen de neerslag na 20 jaar naar een rijksarchief dient te worden overgebracht. Handelingen die aan een van de criteria voldoen, zijn gewaardeerd voor Bewaren (B). Bij de waardering staat het nummer van het criterium vermeldt.

Handelingen die niet voldoen aan een van de criteria, worden gewaardeerd voor vernietiging (V). Daarbij wordt een termijn vastgesteld waarbinnen de archiefbescheiden niet mogen worden vernietigd.

In een BSD wordt op grond van een aantal selectiecriteria aan elke handeling een waardering gegeven, die neerkomt op een selectiebeslissing over de bescheiden die de neerslag van de handeling vormen. B wil zeggen ‘te Bewaren’ en in goede, geordende en toegankelijke staat overbrengen naar de Rijksarchiefdienst. V wil zeggen op termijn ‘te Vernietigen’.

Deze criteria zijn:

Algemene selectiecriteria

Handelingen die worden gewaardeerd met B(ewaren)

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

1. Taakgebieden en beleidsterreinen op ministerieel niveau

1.1. Taken en beleidsterreinen

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid speelt, samen met de departementen van Economische Zaken en Financiën, een belangrijke rol bij het tot stand komen van het sociaal-economisch beleid van de Nederlandse regering.

De hoofddoelen die het ministerie zich stelt, liggen op het terrein van arbeid en inkomen. Ten aanzien van arbeid wordt beoogd de deelname aan betaalde, kwalitatief goede arbeid te bevorderen, en te trachten onvrijwillige uitval te voorkomen. Wat inkomen betreft, heeft het ministerie een waarborgfunctie: zij streeft ernaar dat voor een ieder die onvrijwillig geheel of gedeeltelijk zonder arbeid zit, alsmede voor een ieder die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, een basis niveau van inkomen gehandhaafd wordt.

Bij de aanvang van een nieuwe regeringsperiode wordt in het regeerakkoord aangegeven met welk beleid invulling zal worden gegeven aan de hoofddoelstellingen van het sociaal-economisch beleid, en welke beleidsdoelen prioriteit krijgen. Ook in de memorie van toelichting op de jaarlijkse rijksbegroting worden de hoofdlijnen van het beleid toegelicht.

Sinds 1992 wordt daarnaast door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de jaarlijkse sociale nota opgesteld. Hierin zijn de beleidsvoornemens van het ministerie voor de middellange termijn beschreven.

In PIVOT-termen kunnen de hoofddoelstellingen van het beleid worden vertaald in taakgebieden. Binnen de taakgebieden arbeid en inkomen onderscheiden we de volgende beleidsterreinen:

  • arbeidsomstandighedenbeleid

  • arbeidsmarktbeleid, waaronder arbeidsvoorzieningsbeleid

  • arbeidsverhoudingen, waaronder ontslagzaken, overlegstructuren en publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties

  • inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid

  • sociale zekerheidsbeleid

  • migratiebeleid

  • tewerkstelling van erkende gewetensbezwaarden

  • de coördinatie van het emancipatiebeleid

Dit laatstgenoemde beleidsterrein, de coördinatie van het emancipatiebeleid, is het onderwerp van dit rapport. De andere beleidsterreinen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn allen in andere PIVOT-rapporten aan de orde gekomen.

1.2. Het coördinerend ministerie

Toen halverwege de jaren zeventig door de toenmalige regering besloten werd een actief emancipatiebeleid te gaan voeren, werd het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk aangewezen als coördinerend ministerie

Het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk was de taakvoorganger van ons huidige ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

. Van Doorn, die in 1974 minister van CRM was, werd de eerste coördinerend minister voor het emancipatiebeleid.

Toen in 1981 de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van het emancipatiebeleid van het ministerie van CRM naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verhuisde, werd de minister van SZW de coördinerend bewindspersoon voor het emancipatiebeleid.

Het coördinerend ministerschap betekende dat minister Van Doorn, en alle coördinerend ministers na hem, niet alleen verantwoordelijk was voor het emancipatiebeleid zoals dat binnen het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk tot stand kwam, maar tevens voor de afstemming tussen alle emancipatiebeleid van de verscheidene ministeries.

Emancipatiebeleid diende facetbeleid te zijn; een aspect dat in elk beleidsterrein terug hoorde te komen. Iedere minister draagt op zijn beurt de verantwoordelijkheid voor dat deel van het emancipatiebeleid dat binnen zijn ministerie wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Om versnippering en elkaar tegenwerkend beleid te voorkomen, werd het coördinerend ministerschap ingesteld.

Binnen elk departement zijn deskundige ambtenaren belast met de zorg voor het emancipatiebeleid. Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen intern en extern emancipatiebeleid van de departementen. Intern emancipatiebeleid omvat die maatregelen die op het ministerie genomen worden om ten aanzien van het eigen personeel de doelstellingen van het emancipatiebeleid te bereiken. Hierbij valt te denken aan maatregelen die betrekking hebben op het eigen personeelsbeleid, zoals positieve actie ten aanzien van vrouwelijke sollicitanten

Er is een rapport institutioneel onderzoek voor het overheidspersoneelsbeleid in voorbereiding, waarbij zaken als het positieve actiebeleid voor vrouwen bij de overheid aan de orde zullen komen.

. Extern emancipatiebeleid is al dat beleid dat gericht is op de emancipatie van vrouwen in de samenleving. Voorbeelden van extern emancipatiebeleid zijn het beleid ten aanzien van allochtone vrouwen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, het beleid gericht op het stimuleren van vrouwelijk ondernemerschap bij het ministerie van Financiën, en bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de maatregelen gericht op de positie van de vrouw in de agrarische sector.

De minister belast met de coördinatie van het emancipatiebeleid:

1974–1981 de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;

1981– heden de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.3. De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid

Naast het coördinerend ministerschap werd in de loop van de jaren zeventig een ambtelijke organisatie in het leven geroepen om het emancipatiebeleid van de verschillende departementen te initiëren, te stimuleren en te integreren.

De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid (DCE) begon in 1978 als onderdeel van het Directoraat-generaal voor Maatschappelijke Ontwikkeling van het ministerie van CRM. Kort gezegd is de taak van DCE het ontwikkelen, coördineren en uitvoeren van een samenhangend beleid dat gericht is op de emancipatie van vrouwen. Voor wat het emancipatiebeleid betreft is DCE, in zijn coördinerende rol, een schakel tussen de departementen.

Met de verhuizing van de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van het emancipatiebeleid van het ministerie van CRM naar het ministerie van SZW, in 1981, verhuisde ook de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid mee naar het nieuwe ministerie. Bestuursorganisatorisch staat DCE binnen het ministerie van Sociale Zaken los van de Directoraten-generaal.

De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid neemt een bijzondere plaats in binnen de rijksoverheid. DCE houdt zich bezig met het externe emancipatiebeleid van alle departementen; en functioneert aldus op het grensvlak van de interdepartementale en departementale structuur. Tot halverwege de jaren negentig hield DCE zich daarnaast bezig met het interne emancipatiebeleid van het ministerie van SZW; hieraan is inmiddels een einde gekomen.

De belangrijkste taken van de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid zijn:

  • 1. Het ontwikkelen van de hoofdlijnen en prioriteiten van het interdepartementale emancipatiebeleid

  • 2. Het stimuleren en evalueren van de integratie van het emancipatiebeleid in het beleid van de afzonderlijke departementen

  • 3. Het ondersteunen van het emancipatiebeleid in de samenleving

  • 4. De public relations van het Nederlandse emancipatiebeleid in het buitenland, en het inbrengen van de Nederlandse standpunten in diverse internationale overlegorganen.

2. Het beleidsterrein emancipatie

2.1. Definiëring

Ons woord emancipatie is afgeleid van de Latijnse aanduiding voor een plechtige vrijlating van een zoon uit de vaderlijke macht. Tegenwoordig verstaan we hieronder meer in het algemeen een bevrijding van wettelijke, sociale, politieke, morele of intellectuele beperkingen; een streven naar gelijkgerechtigdheid.

In ons taalgebruik wordt het begrip ‘emancipatie’ veelal gelijkgesteld met ‘feminisme’. Feminisme is een streven naar een gelijkwaardige behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen (met name op het maatschappelijke, economische, en juridische vlak), alsook naar doorbreking van traditionele rolpatronen. Waar het feminisme uitsluitend betrekking heeft op vrouwen, kan emancipatie op veel meer groepen uit de samenleving betrekking hebben. Zo kunnen ook gehandicapten, allochtonen, of homoseksuelen streven naar emancipatie van hun groep.

Beleid wordt wel gedefinieerd als ‘het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en bepaalde tijdskeuzen’

A. Hoogerwerf, ‘Beleid, processen en effecten’, in: Hoogerwerf en Herwijer (red.), Overheidsbeleid; een inleiding in de beleidswetenschap, Alphen aan den Rijn: Samson, 1998, p. 23.

. Behalve een samenstel van doeleinden, middelen en tijdskeuzen is beleid tevens een antwoord op een probleem. Een probleem is te omschrijven als een discrepantie tussen een maatstaf (norm of gewenste situatie) en een voorstelling van een bestaande of verwachte situatie. In het geval van emancipatie is een ongelijkheid in de behandeling van mannen en vrouwen geconstateerd. Deze ongelijkheid wordt als een probleem ervaren, doordat in onze samenleving de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen de norm is.

In de instellingsbeschikking van de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid (ICE) uit 1987 is emancipatiebeleid als volgt verwoord:

het beleid dat is gericht op verbetering van de positie van vrouwen en op de daarmee samenhangende veranderingen in de positie van mannen en in de maatschappij als geheel

Het beleidsterrein emancipatie omvat het geheel van het beleid van de Nederlandse overheid dat erop gericht is de bestaande ongelijkheid in behandeling van mannen en vrouwen op te heffen.

Wat als een probleem wordt gezien, hoe een probleem gedefinieerd wordt, en welke doeleinden en middelen acceptabel zijn, zijn elementen die sterk afhankelijk zijn van subjectieve maatstaven en beelden. Daarnaast zijn deze elementen allen aan verandering onderhevig. De doelstellingen en instrumenten van het emancipatiebeleid zullen in de volgende twee paragrafen nader aan de orde komen.

2.2. Beleidsdoelstellingen

– Opheffen van achterstand van vrouwen

Met het veranderende denken over de positie van de vrouw in de Nederlandse samenleving, zijn ook de doelstellingen van het emancipatiebeleid in de loop der jaren verschoven. Toen de overheid in het begin van de jaren zeventig een begin maakte met emancipatiebeleid, werd de achterstand van vrouwen als uitgangspunt genomen. Het ging hierbij met name over het wegnemen van formele ongelijke berechtiging, en over het doorbreken van rolpatronen. Mede gevoed door een tekort aan onderwijzeressen en verpleegsters werden gehuwde vrouwen aangespoord niet langer thuis te blijven, maar weer aan het werk te gaan.

– Opheffen van structureel ongelijke machtsverhoudingen

In de loop van de jaren tachtig verschoof de aandacht van het doorbreken van rolpatronen naar de verschillen tussen mannen en vrouwen op sociaal-economisch gebied. Niet langer werd de achterstand van vrouwen als het probleem gezien. In plaats daarvan ging de aandacht uit naar de structurele en culturele belemmeringen die de verdere totstandkoming van een geëmancipeerde samenleving in de weg zouden staan.

De doelstelling van het emancipatiebeleid is door de overheid in het Beleidsprogramma Emancipatie uit 1985 als volgt gedefinieerd:

Het bevorderen van de ontwikkeling van de huidige maatschappij, waarin sekse nog in zo hoge mate is geïnstitutionaliseerd, naar een pluriforme maatschappij, waarin ieder ongeacht sekse of burgerlijke staat de mogelijkheid heeft een zelfstandig bestaan te verwerven en waarin vrouwen en mannen gelijke rechten, kansen, vrijheden en verantwoordelijkheden kunnen realiseren.

In de praktijk ging het voornamelijk om herverdeling van arbeid en inkomen. Vrouwen moesten meer dan tevoren de kansen en mogelijkheden krijgen om volwaardig aan het arbeidsproces deel te nemen, en op die wijze een eigen positie, aanzien, macht en inkomen te verwerven.

– Bereiken van zelfstandigheid van de jongere generaties

Aan het eind van de jaren tachtig, kwam het accent meer te liggen op de jongere generaties. Het beleid was gericht op de verwezenlijking van zelfstandigheid van de generatie die na 1990 de leeftijd van 18 jaar zouden bereiken. Aanvankelijk richtte de overheid zich vooral op het bevorderen van economische zelfstandigheid van meisjes. Later groeide het besef dat ook de jongens niet alleen op economisch, maar ook op maatschappelijk gebied (zorgtaken) zelfstandigheid dienden te verwerven.

– Mogelijk maken van combinatie van arbeid en zorg

Begin jaren negentig kwam de overheid, mede op basis van het onderzoeksrapport ‘Emancipatie ten halve geregeld’, tot de conclusie dat de arbeidsparticipatie van vrouwen wel vergroot was, maar dat er weinig vooruitgang was geboekt ten aanzien van de verdeling van arbeid en zorg voor kinderen en overige onbetaalde arbeid

S. Keuzenkamp en A. Teunissen, Emancipatie ten halve geregeld; continuïteit en inmenging in het emancipatiebeleid, Den Haag, SZW, 1990.

. De doelstelling van het emancipatiebeleid verschoof hiermee naar het bereiken van een situatie waarin mannen en vrouwen in staat gesteld worden arbeid, zorg, en sociale en politieke activiteiten op meerdere manieren te combineren; iedereen moet actief kunnen zijn in verschillende levenssferen.

– Erkenning van diversiteit als bron van kwaliteit

Behalve het mogelijk maken van het combineren van arbeid en zorg, was in de jaren negentig het emancipatiebeleid van de overheid gericht op het bereiken van een mentaliteitsverandering. Te lang was binnen het emancipatiebeleid uitgegaan van de gedachte dat (groepen) vrouwen in een achterstandspositie verkeerden. In plaats daarvan moest de diversiteit in de samenleving – in sekse, leeftijd, etniciteit, seksuele voorkeur, en religie – gezien worden als een bron van kwaliteit. Doelstelling van het emancipatiebeleid werd de erkenning van het belang van diversiteit voor de samenleving als geheel.

2.3. Beleidsinstrumenten

De instrumenten die de rijksoverheid in de loop der jaren heeft benut om de hierboven opgesomde doelstellingen te bereiken, zijn divers. Ze zijn zowel afzonderlijk, als in samenhang met elkaar ingezet om de doelstellingen van het emancipatiebeleid te bereiken.

1. Juridische en wetgevingsactiviteiten

Deze instrumenten zijn in de eerste plaats ingezet voor het opheffen van formele ongelijke berechtiging van mannen en vrouwen; en het bestrijden van discriminatie. Het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de aanvaarding, uitvoering, en beloning van arbeid werd verboden. Voor het toezicht op de naleving van de wetten werden commissies ingesteld waar individuen en groepen een klacht in konden dienen indien ze meenden dat er een onwettig onderscheid was gemaakt op grond van hun sekse. Een voorbeeld van dergelijke wetgeving in Nederland is de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen uit 1980. Op supranationaal niveau kunnen bijvoorbeeld de Europese richtlijnen inzake gelijke behandeling genoemd worden.

2. Subsidies

Binnen het emancipatiebeleid is vooral subsidie als beleidsinstrument sterk ontwikkeld. Subsidies zijn vooral gericht op de emancipatie-ondersteuning. Landelijk opererende emancipatie instellingen kunnen subsidie krijgen voor hun activiteiten. Doel van het ondersteuningsbeleid is het stimuleren van de wisselwerking tussen overheid en vrouwenbeweging, om zo de vernieuwing van het beleid te bevorderen. Subsidies worden zowel op structurele basis (bijvoorbeeld aan het IIAV) als tijdelijk (zoals aan de VeM-bureaus) toegekend.

3. Onderzoek

Ook wordt onderzoek, zoals bijvoorbeeld aan de vakgroepen Vrouwenstudies gestimuleerd.

Enerzijds probeert de overheid bestaande onderzoekskaders te stimuleren emancipatie-aspecten in hun onderzoeken op te nemen. Anderzijds stimuleert zijn specifiek emancipatie-onderzoek. In 1979 was in dat kader de Voorlopige Begeleidingsgroep Emancipatie-Onderzoek (VBEO) ingesteld. Deze werd in 1985 opgevolgd door de Stimuleringsgroep Emancipatie-Onderzoek (STEO).

4. Voorlichting en communicatieplannen

Door de jaren heen zijn mentaliteitsverandering en doorbreking van rol beperkingen belangrijke doelstellingen geweest van het emancipatiebeleid. In dit kader zijn er veel overheidspublicaties verschenen. Sinds enige jaren verschijnen bijvoorbeeld de jaarboeken emancipatie. Ook zijn er enkele landelijke campagnes geweest die met name vanwege hun televisiespotjes bekend zijn geworden. Voorbeelden hiervan zijn: ‘Kies exact’, ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’, en ‘Seks is natuurlijk maar nooit vanzelfsprekend’. Voorlichting is ook een belangrijk instrument waar het de informatievoorziening over nieuwe wet- en regelgeving betreft. Met behulp van brochures als ‘Gelijke behandeling je goed recht’ en ‘Medezeggenschap en positieve actie voor vrouwen’ worden bedrijven en personen op de hoogte gebracht van hun rechten en plichten. Over het emancipatiebeleid verschijnt van de overheid het tijdschrift ‘Op gelijk voet’.

5. Evaluatie en emancipatie-effect rapportage

Een emancipatie-effectrapportage is een systematisch onderzoek dat uitgevoerd wordt naar beleidsvoornemens waarin wordt nagegaan wat de gewenste en ongewenste (neven-)effecten kunnen zijn van het voorgenomen beleid voor de positie van vrouwen en mannen in de samenleving. Mogelijke gewenste en ongewenste effecten van beleid worden op deze wijze vooraf in kaart gebracht.

Ook tijdens de uitvoeringsfase en achteraf worden vele programma’s geëvalueerd. Door middel van kengetallen tracht de overheid meer inzicht te krijgen in de effecten van specifieke programma’s.

6. Positieve actie

Onder positieve actie verstaan we de maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de positie van vrouwen in arbeidsorganisaties. Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn, streefcijfers, een voorkeursbehandeling voor vrouwen bij gelijke geschiktheid, en loopbaanprojecten voor vrouwen.

Minister van Justitie

De coördinatie van het emancipatiebeleid

3.

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van een wet of regeling voor de instelling van een commissie of werkgroep voor de coördinatie van het departementale emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Instellingsbesluit

Opmerking: Alle ministers zijn verantwoordelijk voor de integratie van het facet emancipatie in al hun departementale beleid. De departementen kennen veelal een eigen commissie of werkgroep die deze integratie bevordert en coördineert.

Waardering: B1

15.

Handeling: Het voordragen van een vertegenwoordiger van het departement als lid van de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid.

Periode: 1977–

Grondslag: Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid, 1977, art.3, lid 5

Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid, 1987, art.7

Product: Voordracht ter benoeming

Opmerking: Deze voordracht is bindend. Tussen 1977 en 1981 hadden niet alle vakministers een vertegenwoordiger in de ICE.

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van het lidmaatschap

29.

Handeling: Het toevoegen van een vertegenwoordiger aan de Nationale Adviescommissie Emancipatie.

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbesluit Nationale Adviescommissie Emancipatie, 1974, art.4

Product: Brief

Opmerking: Deze vertegenwoordigers hadden in de commissie uitsluitend een adviserende stem.

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van de vertegenwoordiging

Gelijke behandeling

54.

Handeling: Het voordragen van wetten betreffende gelijke behandeling en non-discriminatie.

Periode: 1965–

Grondslag: Grondwet 1938–1972, art.4

Grondwet 1983–1994, art.1

Richtlijn van de Raad voor Europa betreffende de tenuitvoerlegging van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, 1976, art.9, lid 1

Product: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb.1980/086), gewijzigd bij Wet van 27 april 1989 (Stb. 1989, 168)

Algemene wet gelijke behandeling (Stb.1994/230)

Opmerking: Artikel 10 van de richtlijn van de Raad voor Europa verplicht de lidstaten binnen 5 jaar te rapporteren over hun voortgang op dit terrein.

De betreffende wetgeving werd voorgedragen door de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onderwijs en Wetenschappen, Volksgezondheid, Welzijn en sport en Binnenlandse Zaken

Waardering: B1

74.

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels voor de werkwijze en procedures van de Commissie gelijke behandeling.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.21, lid 1

Product: Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling (Stb.1994/606)

Waardering: B4

75.

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels voor de bezoldiging, de vergoeding van reis- en verblijfkosten, het recht op wachtgeld, en de verdere vergoeding van de (plaatsvervangend) leden van de Commissie gelijke behandeling.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.21, lid 2

Product: Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling (Stb.1994/607)

Waardering: V, 10 jaar

83.

Handeling: Het adviseren van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de benoeming of het ontslag van een (plaatsvervangend) lid van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1989–1994

Grondslag: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art.16, lid 2

Product: Advies

Waardering: V, 5 jaar (adviezen die niet hebben geleid tot benoeming of ontslag)

V, 10 jaar na beëindiging van het lildmaatschap (adviezen die hebben geleid tot benoeming of ontslag)

95.

Handeling: Het benoemen of ontslaan van een (plaatsvervangend) lid van de Commissie gelijke behandeling.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.16, lid 3 en lid 6

Product: Besluit benoemingen Commissie gelijke behandeling (Stcrt.1994/249)

Opmerking: De minister van Justitie doet dit in overeenstemming met de ministers van Binnenlandse Zaken, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van het lidmaatschap

96.

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar die de Commissie gelijke behandeling kan bijstaan bij de uitoefening van haar taak.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.18, lid 1

Product: Brief

Waardering: V, 75 jaar na geboortedatum

97.

Handeling: Het bepalen in welke gevallen de personen die tot het bureau van de Commissie gelijke behandeling horen, worden benoemd, bevorderd, geschorst, of ontslagen.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.17, lid 2

Product: Ministerieel besluit

Waardering: V, 10 jaar

99.

Handeling: Het benoemen, bevorderen, schorsen, of ontslaan van een persoon die tot het bureau van de Commissie gelijke behandeling behoort.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.17, lid 2

Product: Beschikking

Opmerking: De minister doet dit na advies van de Commissie gelijke behandeling.

Waardering: V, 75 jaar na geboortedatum

300.

Handeling: Het overeenstemmen met de minister van Binnenlandse Zaken over de vijfjaarlijkse rapportage aan de Staten-Generaal over de werking in de praktijk van de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en artikel 1637ij van het BW/art.646, boek 7, NBW.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.33

Product: Rapporten

Opmerking: Zie ook handeling 113.

Waardering: B5

Homo-emancipatie

149.

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ter voorkoming en bestrijding van anti-homoseksueel gedrag.

Periode: 1965–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

o.a. ‘Overheidsbeleid en homoseksualiteit’ (Justitie, 1987)

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de ministerraad.

Waardering: B1

Totstandkoming van wet- en regelgeving

150.

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving met betrekking tot de voorkoming en bestrijding van anti-homoseksueel gedrag.

Periode: 1965–

Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Waardering: B1

160.

Handeling: Het voordragen van een wet of regeling voor de instelling van een adviesgroep voor de voorkoming en bestrijding van geweld tegen homoseksuelen.

Periode: 1980–

Product: Besluit instelling Adviesgroep bestrijding anti-homoseksueel gedrag (Stcrt. 1990/183)

Opmerking: Dit besluit kwam tot stand in overeenstemming met de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, en met de minister van Defensie.

Waardering: B1

161.

Handeling: Het benoemen van de leden van de Adviesgroep bestrijding anti-homoseksueel gedrag.

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit instelling Adviesgroep bestrijding anti-homoseksueel gedrag, 1990, art.3

Product: Benoeming

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van het lidmaatschap

Emancipatie van allochtone vrouwen

176.

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid.

Periode: 1984–1990

Grondslag: Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid, 1984 en 1989, art.4, lid 3

Product: Brief

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van het lidmaatschap

Emancipatie-onderzoek

200.

Handeling: Het voordragen ter benoeming van een lid van de Stimuleringsgroep emancipatie-onderzoek.

Periode: 1985–1991

Grondslag: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatie-onderzoek, 1985, art.7, lid 2

Product: Voordracht ter benoeming

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van het lidmaatschap

Joke Smit-prijs

222.

Handeling: Het overeenstemmen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de toekenning van de Joke Smit-prijs.

Periode: 1985–

Grondslag: Besluit tot instelling van de Joke Smit-prijs, 1985, art.3, lid 1

Product: Overlegverslagen, notities

Waardering: V, 5 jaar

Commissies ressorterend onder de minister van Justitie

Adviesgroep bestrijding anti-homoseksueel gedrag

162.

Handeling: Het adviseren van de ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken en andere betrokken ministers over de mogelijke verbeteringen bij de voorkoming en bestrijding van strafrechtelijk relevant anti-homoseksueel gedrag.

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit instelling Adviesgroep bestrijding anti-homoseksueel gedrag, 1990, art.1

Product: Advies

Waardering: B2