Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004[Regeling materieel uitgewerkt per 01-04-2007.]

Geldend van 01-06-2005 t/m heden

Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 4 mei 2004, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004)

HET BESTUUR VAN HET PRODUCTSCHAP TUINBOUW,

gelet op de artikelen 95 en 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie; gelet op de artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw;

gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 30 maart 2004;

BESLUIT:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

  • 2 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. productschap :

    het Productschap Tuinbouw;

    b. het bestuur:

    het bestuur van het productschap;

    c. de voorzitter:

    de voorzitter van het productschap;

    d. bloembollen:

    gele krokussen, tulpen en narcissen;

    e. heffingsplichtige:

    degene die krachtens deze verordening heffing verschuldigd is

    f. oogstjaar:

    de periode van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005

§ 2. Heffingsplicht

Artikel 2

  • 1 De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2004, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci.

  • 2 De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde.

  • 3 Uiterlijk voor 1 december 2004 neemt het bestuur, met inachtneming van artikel 4, tweede lid een besluit of en tot welk bedrag een heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd.

Artikel 3

  • 1 Indien een besluit als bedoeld in artikel 2, derde lid, is genomen doet de teler bij het productschap aangifte van de in 2004 beplante oppervlakte van de door hem geteelde bloembollen.

  • 2 De opgave als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan op het "Registratieformulier beplante oppervlakte bloembollen".

§ 3. Grondslag en hoogte

Artikel 4

  • 1 De heffing die de teler nadat het bestuur een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 2, derde lid, is verschuldigd, wordt opgelegd naar het grondoppervlak waarop de bloembollen worden geteeld.

  • 2 De heffing, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste voor:

    a. gele krokussen:

    €6,80 per are;

    b. tulpenbollen:

    €4,53 per are; en

    c. narcissen:

    €4,53 per are.

    Heffingen beneden de € 22,50 worden niet opgelegd.

§ 4. Oplegging en inning

Artikel 5

Indien een heffingsplichtige gegevens die hem krachtens deze verordening of de Verordening PT algemene bepalingen, ten behoeve van de onderhavige verordening zijn gevraagd niet, niet tijdig of niet volledig verstrekt, wordt de heffing berekend over de dan te ramen omvang van de grondslag die op de heffingsplichtige ingevolge deze verordening van toepassing is, in welk geval de heffing wordt verhoogd met €40,= in verband met administratiekosten.

Artikel 6

  • 1 De oplegging van de krachtens deze verordening verschuldigde heffing vindt plaats na afloop van het jaar waarover de heffing verschuldigd is en geschiedt door toezending of uitreiking aan de heffingsplichtige van een heffingsnota.

  • 2 Iedere heffingsnota is gedagtekend en bevatten minste:

    • a. de naam en het adres van de heffingsplichtige;

    • b. een specificatie of toelichting omtrent de wijze waarop de heffing is berekend;

    • c. het totaal van de heffing.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kan de heffingsplichtige een voorlopige heffing worden opgelegd tot het bedrag waarop de heffing vermoedelijk zal worden vastgesteld. De voorlopige heffing wordt verrekend met de krachtens deze verordening verschuldigde heffing.

Artikel 7

Indien uit de ter beschikking gekomen gegevens blijkt dat de verstrekking van de gegevens of een raming als bedoeld in artikel 5, niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, kan een opgelegde heffing aan de hand van deze gegevens worden herzien en opnieuw worden opgelegd.

Artikel 8

  • 1 Betaling geschiedt binnen 30 dagen na dagtekening van de heffingsnota.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de nota terstond invorderbaar:

    • a. zodra het faillissement van de heffingsplichtige is aangevraagd;

    • b. zodra de heffingsplichtige het drijven van de onderneming beëindigt of van het voornemen daartoe blijkt;

    • c. zodra de heffingsplichtige zich metterwoon in het buitenland heeft gevestigd of van het voornemen daartoe blijkt.

Artikel 9

Aan de heffingsplichtige, die niet of niet geheel binnen de in artikel 8 bedoelde termijn heeft betaald, kunnen:

  • a. de daaruit voortvloeiende extra kosten van € 22,50 in rekening worden gebracht, alsmede

  • b. de wettelijke interest over het niet betaalde bedrag, te berekenen vanaf de dag waarop de betaling diende te zijn verricht ingevolge de aanmaning bedoeld in artikel 127, tweede lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Artikel 10

De invorderingskosten voortvloeiend uit het niet betalen binnen de gestelde termijn als bedoeld in artikel 8 en 9, zijn voor rekening en risico van de ondernemer.

Artikel 11

De voorzitter is belast met de oplegging en inning van de heffing en de daarmee samenhangende kosten, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 10.

Artikel 12

  • 1 De gegevens verkregen uit hoofde van het bepaalde in deze verordening dienen in handen van de voorzitter of door deze aan te wijzen personen van het secretariaat van het productschap te worden gesteld.

  • 2 Deze gegevens mogen slechts worden gebezigd voor de vervulling van de taak van het productschap.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni 2004.

Artikel 14

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004.

Zoetermeer, 4 mei 2004

J. van der Veen

voorzitter

C. Kuijvenhoven

secretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 6 januari 2005 en door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van 19 mei 2005, nr. TRCJZ/2004/4119.