Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Wet op de jeugdzorg

Geldend op 28-01-2011


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 3

    • 1. Cliënten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

    • 2. Gedeputeerde staten van de provincie waarin de jeugdige voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg, duurzaam verblijft, dragen ervoor zorg dat cliënten hun aanspraak op jeugdzorg als bedoeld in het eerste lid, tot gelding kunnen brengen.

    • 4. Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het besluit. Indien de duur van de machtiging korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt die termijn gelijk aan de duur van de machtiging.

    • 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in het derde lid, niet afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van het derde lid.

    • 6. Een cliënt kan zijn aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet uitsluitend tot gelding brengen bij een zorgaanbieder die tot dat doel van de provincie subsidie ontvangt.

    • 7. In afwijking van het zesde lid kan een cliënt zijn aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet tot gelding brengen bij een zorgaanbieder, die tot dat doel door een andere provincie dan die jegens welke de cliënt aanspraak heeft, wordt gesubsidieerd, indien de cliënt op jeugdzorg is aangewezen die slechts kan worden geboden door een zorgaanbieder wiens aanbod gericht is op jeugdzorg die zodanig gespecialiseerd is of vanuit een zodanige levensbeschouwelijke achtergrond wordt geboden, dat gezien de omvang van de doelgroep niet verwacht mag worden dat iedere provincie subsidie verstrekt voor deze zorg. Gedeputeerde staten van een provincie die geen zorgaanbieder als bedoeld in de eerste volzin subsidie verstrekken, voldoen aan de verplichting van het tweede lid door het aangaan van een schriftelijke overeenkomst met de provincie die aan die zorgaanbieders subsidie verstrekt. Deze overeenkomst legt in ieder geval vast op welke wijze de kosten worden verrekend.

    • 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, de aanspraken ingevolge deze wet, zo nodig in afwijking van artikel 11 van de Vreemdelingenwet 2000, voor bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te geven categorieën rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen worden beperkt, gelet op de aard, de plaats of de verwachte duur van hun verblijf.

    • 9. In afwijking van het eerste lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, de aanspraken ingevolge deze wet geheel of gedeeltelijk worden uitgebreid tot bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te geven categorieën niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Een zodanige aanspraak geeft een vreemdeling geen recht op rechtmatig verblijf.