Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Successiewet 1956; beleid inzake pleegkinderen, artikel 19 SW[Regeling vervallen per 14-07-2010 met terugwerkende kracht tot en met 01-01-2010.]

Geldend van 08-03-2004 t/m 31-12-2009

Successiewet 1956; beleid inzake pleegkinderen, artikel 19 SW

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Bij de invoering van de Successiewet 1956 (SW) heb ik een toelichting gegeven op artikel 19 SW waarin het begrip ‘pleegkind’ een rol speelt. Verder hebben zich daarna op dit gebied enkele gevallen voorgedaan waarin ik een tegemoetkoming in het successierecht verleend heb of in het vooruitzicht heb gesteld, terwijl niet geheel aan alle in de wet gestelde vereisten voldaan werd. In de loop der tijd is een gedeelte van de toelichting of van de tegemoetkomingen door wetswijzigingen of jurisprudentie in een ander daglicht komen te staan. Mede ter voorkoming van misverstanden en vragen, komt het mij goed voor om het thans nog van belang zijnde beleid te formuleren.

Wetstoelichting [Vervallen per 14-07-2010]

In paragraaf 17 van de Leidraad Successiewet 1956 heb ik een toelichting gegeven op artikel 19 SW. Het gestelde in het eerste en derde lid van die paragraaf heeft in de loop der tijden zijn belang verloren. De opmerkingen in het tweede lid daarentegen hebben nog de volle betekenis behouden. Met de intrekking van de Leidraad per 1 januari 2002 werd geen wijziging in beleid beoogd. In het onderstaande werk ik dit nader uit.

Vijfjaarstermijn [Vervallen per 14-07-2010]

Eén van de vereisten tot gelijkstelling met ‘gewone’ kinderen is, dat het pleegkind gedurende tenminste vijf jaren als een eigen kind is onderhouden en opgevoed. Het strikt vasthouden aan de vijfjaarstermijn zou soms onbillijk kunnen lijken. De termijn is echter bewust gesteld. Bij wijze van tegemoetkoming wordt hiervan slechts afgeweken in het geval dat uitsluitend ten gevolge van het overlijden van de pleegouder de vijfjaarstermijn niet is vervuld (en uiteraard wel aan alle overige vereisten wordt voldaan). Dit is pas van belang indien de ‘pleegouder’ het ‘pleegkind’ bij testament tot erfgenaam of legataris benoemd heeft. Het ‘pleegkind’ kan in dat geval bij wijze van tegemoetkoming belast worden naar het kindstarief.

Overigens merk ik op dat de wettekst niet spreekt van een periode van vijf aaneengesloten jaren. De criteria ‘als een eigen kind onderhouden en opvoeden’ vereisen naar mijn oordeel echter wel een zodanige duurzaamheid en continuïteit, dat aan dit vereiste niet voldaan wordt indien bijvoorbeeld het kind louter de zondagen en vakantiedagen bij de ‘pleegouders’ zou doorbrengen.

Uitsluitend [Vervallen per 14-07-2010]

In artikel 19 SW komt in de omschrijving het woord ‘uitsluitend’ voor. In het bovengenoemde tweede lid van paragraaf 17 van de Leidraad had ik al toegelicht dat het niet de bedoeling was om de toepasselijkheid van het verminderde tarief uit te sluiten, als de werkelijke ouders in de betreffende periode nog contacten met het kind hebben gehad. Ondanks deze contacten moet echter wel de financiële en ideële band tussen enerzijds de erflater of schenker (cq en echtgenoot of partner) en anderzijds het kind gecontinueerd zijn. In het geval dat ook ten hoogste één persoon, die met de pleegouder heeft samengewoond, zich tijdens die periode met het onderhoud en de opvoeding heeft beziggehouden, keurde ik goed dat de bepaling toepassing kan vinden. Die éne persoon kan bijvoorbeeld een met de schenker of erflater samenwonende partner (al dan niet één van de ouders van het pleegkind) zijn.

Onderhoud [Vervallen per 14-07-2010]

De omstandigheid dat het pleegkind een verhoudingsgewijs onbelangrijk eigen inkomen had, of dat van een derde (bijvoorbeeld een voogdijvereniging) een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud wordt ontvangen staat het vereiste ‘onderhoud’ door de pleegouder niet in de weg staat, mits het deel dat ten laste van de pleegouder bleef, substantieel is.

Pleegbroers/-zusters [Vervallen per 14-07-2010]

In de wettekst van 1956 bleef de toepassing van het lagere tarief beperkt tot de gevallen waarin het pleegkind verkreeg van de pleegouder. De huidige wettekst is ruimer geformuleerd (artikel 19, eerste lid, onderdeel b SW). Het kind van een pleegkind kan op grond hiervan bij de verkrijging van de pleegouder worden beschouwd als kleinkind van de pleegouder. De huidige wettekst geeft ook ruimte om bijvoorbeeld in het volgende geval de verkrijging naar tariefgroep II (broers-zusters) te belasten. P is pleegkind van V en M. Bij overlijden van P blijkt dat P de kinderen van V en M tot zijn erfgenamen heeft aangewezen. Naar burgerlijk recht zijn deze kinderen geen familie, althans geen broers of zusters, van P. Door de gelijkstelling kunnen hun verkrijgingen van P naar tariefgroep II (broers-zusters) belast worden.

Daarentegen zal een broer van P, die niet zelf aan de vereisten voldoet om als pleegkind van V en M te worden aangemerkt, niet als broer van die kinderen kunnen worden aangemerkt als hij iets verkrijgt van die kinderen.

Verlenen van tegemoetkomingen [Vervallen per 14-07-2010]

Verzoeken tot de tegemoetkomingen als hierboven bedoeld, kunnen bij de inspecteur worden ingediend en worden door hem afgehandeld.

Vervallen besluiten [Vervallen per 14-07-2010]

Door of met dit besluit hebben de volgende resoluties en besluiten, of onderdelen daarvan, hun betekenis verloren:

  • 14 september 1987, nr. IB 97/633, PW 19 571,

  • 27 april 1989, nr. IB 88/614, V-N 6 juli 1989, punt 31, PW 19 710,

  • 7 augustus 1992, nr. VB 92/1791, V-N 17 september 1992, punt 17, PW 20 155, en

  • 13 mei 2003, nr. CCP2003/1096M, onderdeel 3 (voorheen: de resolutie van 27 december 1988, punt 3, PW 19 659).

De Leidraad Successiewet 1956 (Beschikking van 3 december 1956, nr. C6/12705) was per 1 januari 2002 ingetrokken (Besluit van 11 december 2001, nr. CPP 2001/3466M), onder de opmerking dat hiermee geen verandering in de uitvoeringspraktijk beoogd werd.