Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit beleidsvoornemen subsidiëring op grond van Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken[Regeling vervallen per 01-01-2006.]

Geldend van 17-03-2004 t/m 31-12-2005

Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 4 maart 2004, nr. DSI/MY-61/04, tot vaststelling van een beleidsvoornemen voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken (Thematische medefinanciering)

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 1.1.6, 1.1.7, 1.1.10 en 2.3.1 tot en met 2.3.14 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2006]

Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 3, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken geldt voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 het als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsvoornemen.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2006]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt.

Dit besluit zal met de daarbij behorende bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze:
de

plv. Directeur-Generaal Internationale Samenwerking

,

R. de Vos

Bijlage [Vervallen per 01-01-2006]

Beleidskader Thematische Medefinanciering (TMF) voor de subsidieperiode 2005–2008

Inhoud [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1. Inleiding

  • 2. Overwegingen

  • 3. Ondersteuning van het maatschappelijk middenveld in ontwikkeling

  • 4. Doelstelling van het subsidiesysteem

  • 5. Thematische invalshoek

  • 6. Subsidievormen

  • 7. Financiering en procedure

  • 8. Toetsing

  • 9. Kwaliteitsbewaking en ontwikkeling

  • 10. Tijdpad

Beleidsvoornemens per thema voor het Programma TMF [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1. Duurzame Economische Ontwikkeling

  • 2. Menselijke Ontwikkeling

    • Reproductieve en seksuele gezondheid

    • HIV/AIDS

    • Basisgezondheidszorg in relatie tot Reproductieve Gezondheid en HIV/AIDS

  • 3. Sociaal-culturele Ontwikkeling

    • Basic Education

    • Cultuur

    • Communicatie

  • 4. Politieke Ontwikkeling

    • Mensenrechten

    • Goed bestuur

  • 5. Vrede en veiligheid

    • Vredesopbouw

    • Rehabilitatie/Wederopbouw na conflict

  • 6. Milieu en Water

  • 7. Gendergelijkheid

1. Inleiding [Vervallen per 01-01-2006]

Het Programma Thematische Medefinanciering bestaat sinds 2002 en is gebaseerd op de beleidsnotitie ‘Civil Society en Structurele Armoede Bestrijding’, die in 2001 aan de Tweede Kamer werd aangeboden. De belangrijkste inzichten uit deze notitie zijn dat

  • structurele/duurzame armoedebestrijding en ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn;

  • de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld een endogeen en autonoom proces is; sterke civil societies hebben hun eigen systemen en structuren en hun eigen diepgewortelde waarden en normen ontwikkeld over lange periodes. Buitenstaanders staan voor de opgave de interne dynamiek van een in essentie autonoom proces te versterken en te voeden;

  • Noordelijke Civil Society Organisaties (CSO’s) Zuidelijke CSO’s in hun capaciteitsopbouw het beste kunnen ondersteunen als beiden onafhankelijk en autonoom zijn.

Naast het nieuwe Beleidskader (en Subsidieregeling) voor het Medefinancieringsprogramma Breed, was er behoefte aan een systeem voor de subsidiëring van meer gespecialiseerde organisaties. Daarvoor is, met ingang van de subsidieronde 2003–2006, het programma Thematische Medefinanciering (TMF) in het leven geroepen. Doel van TMF is om uit centrale middelen initiatieven te steunen van thematisch gespecialiseerde organisaties die zich in samenwerking met en ter versterking van lokale organisaties inzetten voor een versterking van het maatschappelijk middenveld in het kader van structurele vermindering van armoede in ontwikkelingslanden (landen die voorkomen op de DAC 1-lijst).

Het voorliggende beleidskader geldt voor de subsidieronde van 2005–2008.

2. Overwegingen [Vervallen per 01-01-2006]

Armoede is niet alleen een gebrek aan voedsel of andere materiële zaken. Armoede is ook machteloosheid en kwetsbaarheid. Armoede kent meerdere dimensies: economische, politieke, sociale en sociaal-culturele dimensies. Gendergelijkheid en milieu zijn transversale thema’s die voor alle dimensies gelden.

Armoede is het resultaat van een proces, geen statisch gegeven. Armoedebeleid zal zich daarom niet (alleen) richten op de bestrijding van symptomen en gevolgen, maar tevens en vooral op de mondiale, nationale en regionale processen die armoede veroorzaken en in stand houden.

Het opkomen voor de rechten van armen geschiedt door (zelf)organisatie, krachtenbundeling in de vorm van sociale bewegingen en het organiseren van countervailing power. De ontwikkeling van civil society is daarom een noodzakelijke voorwaarde voor effectieve armoedebestrijding.

Partnerschap gebaseerd op wederzijdse verantwoordelijkheden en gezamenlijke analyses zijn essentiële kenmerken van armoedebestrijdingsstrategieën.

Structurele armoedebestrijding kent drie interventiestrategieën: (1) strategie rechtstreeks gericht op armoedebestrijding, (2) maatschappijopbouw en (3) beleidsbeïnvloeding.

Bij de eerste strategie is armoedebestrijding gericht op het verbeteren van de levensomstandigheden van armen door duurzame interventies. Maatschappijopbouw is het versterken van democratische maatschappelijke structuren en organisaties om evenwichtiger machtsverhoudingen in de samenleving te doen ontstaan. Beleidsbeïnvloeding beoogt verandering van processen en structuren die nationale en internationale ongelijkheid in stand houden.

Cruciaal bij de invulling van die strategieën is: uitgaan van de vraag, samenwerking met andere spelers in het veld (inclusief publiek-private partnerschappen), netwerken en het creëren van een trampoline in plaats van een vangnet. Ook transparantie en accountability over doelen, werkwijze, afstemming met PRSP’s, en het leveren van maatwerk zijn van belang.

Steun aan particuliere organisaties in Nederland is van belang, omdat zij via hun partnerorganisaties bijdragen aan versterking van het maatschappelijke middenveld in ontwikkelingslanden. De recente beleidsnotitie ‘Aan Elkaar Verplicht’ (november 2003) onderstreept dit belang wederom.

3. Ondersteuning van het maatschappelijk middenveld [Vervallen per 01-01-2006]

Structurele armoedebestrijding als centrale doelstelling van het beleid vraagt niet alleen tijd maar ook een cultuuromslag bij donoren – zowel overheden, particuliere actoren als multilaterale instellingen – en ontvangers van hulp. Partnerschap, gebaseerd op wederzijdse verantwoordelijkheid en vraaggerichtheid, en werken vanuit armoedeanalyses in OS-landen, verlangen een andere rol van donoren dan de rol die zij in het verleden speelden. De nadruk komt meer te liggen op het doelmatig en doeltreffend faciliteren van endogene armoedebestrijdingsprocessen dan op het bepalen van inhoud. In verband hiermee wordt het Beleidskader TMF – indien nodig – periodiek herzien.

4. Doelstelling van het subsidiesysteem [Vervallen per 01-01-2006]

Het Beleidskader TMF is opgesteld om drie redenen:

  • 1. Bevorderen van goed ontwikkelde, onafhankelijke en professionele civil society bij de uitvoering van activiteiten ten behoeve van structurele armoedebestrijding.

  • 2. Bevorderen van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de beleidsontwikkeling van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

  • 3. Stroomlijnen van de behandeling door het Ministerie van en bevorderen van transparante en uniforme besluitvorming over thema en/of doelgroep specifieke subsidie aanvragen.

Het Beleidskader TMF biedt ruimte om die maatschappelijke organisaties financieel te ondersteunen die kwaliteit bieden vanuit een gespecialiseerde invalshoek of ten behoeve van een specifieke doelgroep. Om voor subsidie in aanmerking te komen dienen zij een bijdrage te leveren aan structurele armoedebestrijding in landen in het Zuiden of de armste landen in Midden- en Oost-Europa (voorkomend op de DAC 1 lijst). Zij doen dit door steun te geven aan organisaties in die landen volgens één of meer van de genoemde interventiestrategieën. Gelijkwaardigheid tussen organisaties in het Noorden en het Zuiden speelt daarbij een belangrijke rol. In de aanvraag dient dan ook aangegeven worden dat er sprake is van een samenwerkingsverband gestoeld op gelijkwaardige relaties en wederzijdse ‘accountability’. Tevens zal uit de aanvraag het streven naar capaciteitsopbouw en verzelfstandiging van Zuidelijke organisaties duidelijk naar voren dienen te komen.

In beginsel is het programma Thematische Medefinanciering bedoeld voor organisaties met draagvlak in Nederland. Organisaties zonder uitgesproken draagvlak in Nederland, waarvan de activiteiten een specifieke thematische meerwaarde hebben, kunnen eveneens een aanvraag indienen. Conform de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt er bij de verdeling van de beschikbare middelen rekening gehouden met een evenwichtige spreiding over thematische beleidsvoornemens en specifieke aandachtspunten binnen de thema’s.

5. Thematische invalshoek [Vervallen per 01-01-2006]

Subsidie kan worden verleend voor initiatieven die vallen binnen één (of meer) van de volgende thema’s

Deze categorisering is gebaseerd op de 'DAC guidelines on poverty reduction', waarmee aansluiting wordt gezocht bij het armoede mainstreamingsproces van het Ministerie.

:

  • 1. Duurzame Economische Ontwikkeling

  • 2. Menselijke Ontwikkeling

    • Reproductieve en seksuele gezondheid

    • HIV/AIDS

    • Basisgezondheidszorg in relatie tot Reproductieve Gezondheid en HIV/AIDS

  • 3. Sociaal-culturele Ontwikkeling

    • Basic Education

    • Cultuur

    • Communicatie

  • 4. Politieke Ontwikkeling

    • Mensenrechten

    • Goed bestuur

  • 5. Vrede en veiligheid

    • Vredesopbouw

    • Rehabilitatie/Wederopbouw na conflict

  • 6. Milieu en Water

  • 7. Gendergelijkheid

    De thematische beleidsvoornemens zijn uitgewerkt in het overzicht behorend bij het beleidskader.

    Voor voorstellen die niet onder te brengen zijn in een (of enkele) van de genoemde thematische invalshoeken en die zijn gericht op maatschappijopbouw, capaciteitsversterking van CSO’s, of kennisontwikkeling en -uitwisseling vanuit een integrale ontwikkelingsbenadering is er een beperkte ‘open thematische categorie’. Deze aanvragen zullen op dezelfde wijze worden beoordeeld als de aanvragen die onder specifieke thema’s vallen.

6. Subsidievormen [Vervallen per 01-01-2006]

Zowel instellingssubsidie als programmafinanciering zijn mogelijk.

Onder instellingssubsidie wordt verstaan: een subsidie aan een organisatie om het geheel van voorgenomen activiteiten te kunnen uitvoeren. Voor instellingssubsidie komen in aanmerking organisaties die structurele armoedebestrijding als hoofddoelstelling hebben, indien de organisatie zowel beleidsmatig als beheersmatig een bewezen track-record heeft. Aangezien een instellingssubsidie een bijdrage is voor de uitvoering van het gehele activiteitenpakket van een instelling, bestaat daarnaast geen plaats voor andere door of namens de Minister verstrekte subsidies aan dezelfde instelling

De enige uitzonderingen zijn noodhulp, technische assistentie via PSO. Voorts blijft de mogelijkheid bestaan tot het verwerven van additionele geldmiddelen in het kader van een - commerciële - opdrachtrelatie, namelijk als betaling voor aan de Minister geleverde diensten.

.

Onder programmafinanciering wordt verstaan: een subsidie aan een organisatie om een samenhangend deel van het totaal van activiteiten van die organisatie uit te kunnen voeren.

7. Procedure [Vervallen per 01-01-2006]

Het Beleidskader TMF betreft het Nederlandse Ontwikkelingssamenwerkingsbeleid ten aanzien van maatschappelijke organisaties, thema’s en doelgroepen zoals in dit beleidskader omschreven en zal derhalve door het Departement en de ambassades als zodanig worden gehanteerd.

De hierna volgende procedure voor subsidieaanvragen geldt alleen voor fondsen uit de centrale middelen. Landenspecifieke aanvragen komen niet in aanmerking voor financiering uit centrale middelen, maar moeten worden ingediend bij de betreffende Nederlandse vertegenwoordiging. Deze aanvragen zullen volgens de criteria en prioriteiten van de bilaterale programma’s worden beoordeeld.

Jaarlijks wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het daaropvolgende jaar.

Aanvragen worden eenmaal per jaar in behandeling genomen, de sluitingsdatum voor aanvragen is 15 mei. Besluitvorming door de Minister vindt plaats vóór 1 oktober.

De subsidieaanvragen worden ontvangen op een centraal punt op het Ministerie. Vervolgens worden de aanvragen gecontroleerd op volledigheid. Zonodig wordt (niet meer dan één keer) aanvullende informatie opgevraagd bij de subsidieaanvrager. Daarna worden de aanvragen getoetst aan de in hoofdstuk 8 aangegeven drempelcriteria. Wordt hieraan voldaan, dan wordt de aanvraag inhoudelijk beoordeeld op basis van het TMF-beleidskader en de geldende subsidieregelgeving.

De Minister beslist vóór 1 oktober over de verlening van subsidies.

Het Ministerie voert een beleidsdialoog met maatschappelijke organisaties die subsidie ontvangen over (voorgenomen wijzigingen in) het Beleidskader TMF. Daarnaast worden er thematische beleidsdialogen gehouden. Deze gesprekken hebben betrekking op de uitvoering van programma’s en andere beleidsinhoudelijke zaken. Bovendien worden er met individuele organisaties voortgangsgesprekken gehouden. Jaarverslagen e.d. komen daarbij aan de orde. Dit kan per groep organisaties maar ook met individuele organisaties plaatsvinden.

8. Toetsing [Vervallen per 01-01-2006]

Aanvragen worden allereerst getoetst aan de drempelcriteria, genoemd in paragraaf 8.1. Aanvragen die daar niet aan voldoen, worden niet verder beoordeeld. Voldoet een subsidieaanvraag wel, dan wordt er vervolgens getoetst op twee onderdelen die beide evenveel gewicht in de schaal leggen:

  • 1. De eigenschappen en kwaliteit van de aanvragende organisatie.

  • 2. De inhoud en kwaliteit van de subsidieaanvraag.

8.1. Drempelcriteria [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1.1 De organisatie is een niet-overheidsorganisatie zonder winstoogmerk

  • 1.2 De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid

  • 1.3 De organisatie is een niet-lokale organisatie

    Een lokale organisatie is een organisatie gevestigd in een ontwikkelingsland die alleen werkzaam is binnen het land van vestiging.

    die zich inzet voor structurele vermindering van armoede in ontwikkelingslanden

  • 1.4 De maximale tijdsduur voor de subsidie is vier jaar

  • 1.5 Een organisatie kan slechts één subsidie tegelijkertijd uit TMF ontvangen

  • 1.6 De ondergrens voor een subsidieaanvraag is € 100.000

  • 1.7 Een aannemelijke eigen financiële bijdrage en/of financiering door derden

    Dat wil zeggen, fondsen afkomstig uit andere bronnen dan de dienstonderdelen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

    van minimaal 35% van de jaarlijkse uitgaven van de aanvragende organisatie

  • 1.8 De aanvraag betreft geen initiatieven die primair gericht zijn op directe dienstverlening, welzijn, of investeringen

  • 1.9 De aanvraag betreft geen initiatieven die proselitisme (mede) beogen

  • 1.10 De aanvraag betreft geen initiatieven die primair gericht zijn op studiemogelijkheden of onderzoek

  • 1.11 De aanvraag is niet landenspecifiek, met uitzondering van wederopbouw na conflict (N.B. de aanvraag moet activiteiten in twee of meerdere landen betreffen)

  • 1.12 Het voorstel past binnen de thematische beleidsvoornemens of de open categorie.

8.2. Beoordelingscriteria betreffende de eigenschappen en kwaliteit van de aanvragende organisatie (voor toelichting: zie het aanvraagstramien) [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2.1 Mate van draagvlak in de Nederlandse samenleving

  • 2.2 Geschiedenis en relatie van de missie met armoedebestrijding

  • 2.3 Gehanteerde interventiestrategie (vertaling van de missie in strategie en resultaten)

  • 2.4 Aard en kwaliteit van de relaties met partnerorganisaties

  • 2.5 Aard en kwaliteit van de relaties met derden

  • 2.6 Impact en duurzaamheid van behaalde resultaten

  • 2.7 De mate waarin de organisatiestructuur en -cultuur bijdragen aan efficiënte dienstverlening

  • 2.8 Kwaliteit van het beleid t.a.v. personeel en innovatie ten dienste van doelmatigheid

  • 2.9 De wijze waarop inhoud wordt gegeven aan monitoring, evaluatie en kwaliteitsmanagement

  • 2.10 Kwaliteit van het financieel en administratief management.

8.3. Beoordelingscriteria betreffende de inhoud en kwaliteit van de subsidieaanvraag [Vervallen per 01-01-2006]

  • 3.1 Ontwikkelingsrelevantie – bijdrage aan armoedebestrijding

  • 3.2 Bijdrage aan de (thematische) beleidsprioriteiten

  • 3.3 Innovatieve karakter van de aanvraag

  • 3.4 Bijdrage van de subsidie aan de (duurzame) ontwikkeling van de organisatie

  • 3.5 Consistentie en helderheid van het voorstel wat betreft doelen, resultaten, activiteiten en middelen

  • 3.6 Mate waarin de beoogde resultaten specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden gedefinieerd zijn

  • 3.7 Efficiëntie van de inzet van middelen

  • 3.8 De wijze waarop Kwaliteitsbeheer, Monitoring en Evaluatie verankerd zijn in het voorstel

  • 3.9 De mate waarin sprake is van een positief hefboomeffect op andere ontwikkelingsinitiatieven

  • 3.10 Duurzaamheid van de interventie.

8.4. Aanvullende criteria betreffende instellingssubsidie [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.1 Organisaties jonger dan vijf jaar komen niet in aanmerking voor instellingssubsidie

  • 4.2 Organisaties die structurele armoedebestrijding niet als hoofddoelstelling hebben en/of die niet primair in DAC 1-landen werken komen niet in aanmerking voor instellingssubsidie

  • 4.3 Organisaties waaraan door of namens de Minister andere subsidies verstrekt worden komen niet in aanmerking voor instellingssubsidie.

Verlening van subsidie [Vervallen per 01-01-2006]

Bij meer kwalitatief voldoende aanvragen dan beschikbare fondsen binnen het subsidieplafond, zal bij goedkeuring prioriteit gegeven worden aan de mate van de kwaliteit van zowel de organisatie als het voorgestelde initiatief. Daarnaast zal bij de afweging voor de goedkeuring rekening gehouden worden met evenwichtige spreiding over doelgroepen, regio’s, thema’s, aard van de activiteiten, vorm van de subsidie en andere voor de subsidieverlening relevante invalshoeken, waaronder ook de meerwaarde en doelmatigheid. Voorts kan de Minister bij de bepaling van de hoogte van een te verlenen subsidie rekening houden met de (absorptie)capaciteit van de organisatie en de kostenefficiëntie van de voorgestelde activiteiten.

Dit kan met zich brengen dat een aanvraag slechts gedeeltelijk wordt gehonoreerd. In dat geval zal de aanvrager verzocht worden binnen een bepaalde termijn een aangepast voorstel en een aangepaste begroting in de dienen.

9. Kwaliteitsbewaking en ontwikkeling [Vervallen per 01-01-2006]

De subsidie-ontvangende organisaties zijn verantwoordelijk voor een adequaat systeem van monitoring en evaluatie en voor het ontwikkelen van een kwaliteitssysteem in samenspraak met de Minister en andere ‘stakeholders’. Organisaties worden geacht op basis van bevindingen tijdig bijsturingen te verrichten en hiervoor zonodig toestemming te vragen van de Minister. De Minister houdt, met name aan de hand van de financiële en inhoudelijke rapportages, toezicht op de besteding van de middelen en de voortgang en is verantwoordelijk voor de uiteindelijke vaststelling van de verleende subsidies.

Het kwaliteitssysteem omvat de volgende aspecten:

  • De organisaties dragen ieder voor zich verantwoordelijkheid voor de eigen bedrijfsprocessen en resultaten en rapporteren hierover aan de Minister volgens afgesproken inhoudelijke en financiële standaarden, waarbij onder andere aandacht wordt geschonken aan doeltreffendheid en doelmatigheid.

  • De organisaties dragen ieder voor zich zorg voor een adequaat evaluatiesysteem. De resultaten van evaluaties worden, voorzien van beleidsconclusies, aan de Minister ter beschikking gesteld.

  • Eens per vier jaar vindt een externe evaluatie plaats ten behoeve van het vergroten van het inzicht in de doelmatigheid, doeltreffendheid, lerend vermogen, betrokkenheid van stakeholders, enz.

10. Tijdpad [Vervallen per 01-01-2006]

Indienen aanvragen: voor 15 mei.

Vaststellen subsidiebeschikkingen: voor 1 oktober.

Beleidsvoornemens per thema voor het Programma TMF 2005–2008 [Vervallen per 01-01-2006]

1. Duurzame Economische Ontwikkeling [Vervallen per 01-01-2006]

Najaar 2003 werd de beleidsnotitie ‘Aan elkaar verplicht’ (AEV) goedgekeurd. Het centrale aandachtspunt voor het beleidsterrein duurzame economische ontwikkeling is de bijdrage aan een goed lokaal ondernemingsklimaat, via ondersteuning op verschillende interventieniveaus. Samenwerking in de vorm van partnerschappen van belanghebbenden staat hierbij centraal.

Het beleid is gericht op het leveren van een bijdrage aan duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden middels het ondersteunen van activiteiten gericht op verbetering van het ondernemingsklimaat op verschillende niveaus:

  • De verbetering van de internationale beleidsomgeving d.m.v. bijdragen aan een geïnformeerde discussie in Nederland en ontwikkelingslanden inzake handelspolitiek, handels- en investeringsvraagstukken, ten gunste van verbetering van de positie van ontwikkelingslanden.

  • De verbetering van de nationale beleidsomgeving, waarbij bijgedragen wordt aan capaciteitsopbouw voor beleidsontwikkeling en operationalisering op het gebied van duurzame economische groei.

  • Versterking van ondernemersschap en bedrijfsontwikkeling in ontwikkelingslanden.

De activiteiten leveren een bijdrage ten behoeve van beleidsontwikkeling op een van de bovengenoemde terreinen.

De subsidieaanvragen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • De activiteiten hebben een katalyserende werking, d.w.z. met behulp van de activiteit wordt een breder scala aan mogelijkheden geschapen, dan wel worden andere openingen geboden voor ondersteuning door derden.

  • De activiteit moet een aantoonbare bijdrage leveren aan capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden.

Voorts strekt het volgende uitgangspunt tot aanbeveling:

  • Het betreft innovatieve activiteiten. Met behulp van de opgebouwde ervaring wordt een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten, nieuwe benaderingswijzen, nieuwe methodes & methodologie, die indien succesvol vervolgens op bredere schaal toepasbaar zijn.

2. Menselijke Ontwikkeling [Vervallen per 01-01-2006]

HIV/AIDS en reproductieve en seksuele gezondheid zijn prioritaire thema’s in het beleid dat is vastgelegd in de notitie AEV. Voor beide thema’s is een functionerende gezondheidszorg een noodzakelijke voorwaarde.

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen moeten aansluiten bij beleid, dat onder de sub-thema’s is omschreven. Daarnaast moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • Activiteiten moeten meerdere landen bestrijken en een toegevoegde waarde hebben die het landenniveau overstijgt.

  • Activiteiten moeten een aantoonbare bijdrage te leveren aan structurele armoedevermindering.

  • Activiteiten moeten een aanwijsbare bijdrage leveren aan capaciteitsopbouw, beleidsbeïnvloeding en/of beleidsontwikkeling op globaal, regionaal en/of nationaal niveau.

  • Activiteiten moeten een innovatief karakter hebben.

Reproductieve en seksuele gezondheid [Vervallen per 01-01-2006]

Het beleid op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid richt zich op het mogelijk maken dat mensen (mannen en vrouwen) een gezond en veilig seksueel en reproductief leven kunnen leiden zonder angst voor seksueel geweld en besmetting met seksueel overdraagbare ziekten; dat ze in vrijheid kunnen bepalen of ze kinderen willen, wanneer en hoeveel en dat ze deze op veilige en gezonde wijze kunnen krijgen; dat er goede, vakkundige begeleiding is voor, tijdens en na de zwangerschap; dat jongeren toegang hebben tot informatie en diensten die zijn toegesneden op hun behoeften.

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, dienen aan te sluiten bij het hierboven omschreven beleid en geven ook specifieke aandacht aan jongeren. De activiteiten zijn innovatief en dragen bij aan nieuwe inzichten en programma’s op gebied van:

  • reproductieve en seksuele rechten, inclusief de bestrijding van seksuele uitbuiting en misbruik;

  • safe motherhood and care for the newborn, inclusief malaria preventie en de verbetering van de voedingstoestand van meisjes, vrouwen en zuigelingen;

  • family planning;

  • voorkómen van onveilige abortus en bestrijden van de gevolgen;

  • stimuleren public-private partnerships op het gebied van reproductieve gezondheid.

HIV/AIDS [Vervallen per 01-01-2006]

Het beleid en ook de beleidsvoornemens 2002–2004 zijn vastgelegd in de notitie: ‘Gevecht tegen AIDS: de derde ronde 1998–2001’. De doelstellingen van het HIV/AIDS-beleid omvatten enerzijds het voorkomen van de verdere verspreiding van de HIV/AIDS-epidemie en anderzijds het verminderen van de nadelige gevolgen van de epidemie voor het individu en samenleving.

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, dienen aan te sluiten bij het hierboven omschreven beleid, zijn innovatief en dragen bij aan nieuwe inzichten op gebied van:

  • destigmatisering;

  • HIV-preventie, inclusief ‘harm reduction’, en met speciale aandacht voor jongeren;

  • zorg en behandeling, inclusief behandeling van tuberculose en opportunistische infecties alsmede voeding;

  • opvang van maatschappelijk gevolgen, met aandacht voor de meest kwetsbare groepen, waaronder Orphans and other Vulnerable Children (OVC’s);

  • stimuleren public-private partnerships op het gebied van HIV/AIDS.

Basisgezondheidszorg in relatie tot Reproductieve Gezondheid en HIV/AIDS [Vervallen per 01-01-2006]

Functionerende voorzieningen voor basisgezondheidszorg zijn een noodzakelijke voorwaarde voor dienstverlening op gebied van reproductieve gezondheid en HIV/AIDS. Speciale nadruk ligt daarbij op de toegang van arme bevolkingsgroepen tot gezondheidsvoorzieningen. Tevens wordt aandacht gegeven aan gezondheidsproblemen die arme mensen onevenredig zwaar treffen.

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, dienen aan te sluiten bij het hierboven omschreven beleid, zijn innovatief, versterken de armoedefocus in de gezondheidssector en dragen bij aan nieuwe inzichten en capaciteitsopbouw op gebied van:

  • vergroten van de rol van maatschappelijk middenveld in beleidsprocessen;

  • institutionele versterking van de gezondheidssector met speciale aandacht voor kwaliteit van en toegang tot gezondheidszorg, financiering en menskracht.

3. Sociaal-culturele Ontwikkeling [Vervallen per 01-01-2006]

Basic Education [Vervallen per 01-01-2006]

Het beleid ten aanzien van basic education is verwoord in het sector-beleidsdocument ‘Onderwijs is een recht van iedereen’ (1999) en in de beleidspaper ‘Basic education and poverty reduction’ (2001). In aansluiting op internationaal gemaakte afspraken omvat basic education de volgende onderdelen:

  • de algehele vorming en ontwikkeling van zeer jonge kinderen;

  • formeel en non-formeel basis of primair onderwijs van kinderen;

  • volwassenonderwijs gericht op het versterken van de economische, politieke en sociale weerbaarheid;

  • lager beroepsonderwijs en alternatieve onderwijsvormen voor buitenschoolse kinderen en ongeschoolde jongeren in basiskennis en -vaardigheden.

Doel van het sectorbeleid is bijdragen aan de verbetering van de toegang, kwaliteit en relevantie van basic education; het bevorderen van gelijke kansen voor kansarme bevolkingsgroepen en het terugdringen van de genderongelijkheid in de deelname aan onderwijs.

De uitvoering van het beleid richt zich voornamelijk op het ondersteunen van overheden door middel van de sectorale benadering, zodat deze in staat zijn om uitvoering te geven aan het nationale onderwijshervormingsbeleid. Financiering verloopt vooral via sectorale of sub-sectorale programma- of begrotingssteun.

Activiteiten die voor subsidiëring in aanmerking komen dienen te voldoen aan de onderstaande punten:

  • Aansluiten bij het hierboven genoemde beleid en dus deel uitmaken van het onderwijssectorplan van de overheid en, meer specifiek, ondersteunen van de door hen gestelde prioriteiten daarbinnen.

  • Activiteiten dienen uitgevoerd te worden met lokale, regionale en/of nationale overheden.

  • Activiteiten zijn innovatief en leveren relevante ervaringen en belangrijke nieuwe inzichten op, die bijdragen aan inhoudelijke kwaliteitsverbetering van het onderwijs binnen het door de betreffende overheden uit te voeren beleid.

  • Activiteiten dragen bij aan capaciteitsopbouw van de civil society met het doel hun rol in de beleidsdialoog met de overheid te versterken.

  • Activiteiten bieden garanties van duurzaamheid door middel van een geïntegreerde aanpak.

  • Specifieke aandacht voor de meest kansarme groepen heeft prioriteit.

Cultuur [Vervallen per 01-01-2006]

Het programma Cultuur en Ontwikkeling gaat uit van twee doelstellingen:

  • 1. Het versterken van de culturele identiteit en de bevordering van het cultureel zelfbewustzijn van gemeenschappen in ontwikkelingslanden (met respect voor de autonomie van individuen).

  • 2. Het bevorderen van begrip tussen verschillende culturen.

Activiteiten, die voor subsidiëring in aanmerking willen komen, moeten strekken tot of dienstig zijn aan:

  • bevordering van culturele activiteiten en samenwerking in en met ontwikkelingslanden die een bijdrage kunnen leveren aan de wisselwerking tussen cultuur en ontwikkeling, of

  • versterking en/of ontwikkeling van de culturele identiteit en het cultureel zelfbewustzijn van gemeenschappen in ontwikkelingslanden en bevordering van begrip tussen culturen.

Het programma Cultuur en Ontwikkeling richt zich bij voorkeur op activiteiten in die landen waarmee structureel wordt samengewerkt.

Daarnaast kunnen activiteiten worden gesteund die een regionaal of wereldwijd karakter hebben, indien deze op een of andere wijze gerelateerd zijn aan onderwerpen en landen zoals hierboven aangegeven

Communicatie [Vervallen per 01-01-2006]

Het beleid is erop gericht communicatieprocessen in ontwikkelingslanden te bevorderen die de participatie vergroten van burgers in het publiek debat en in het vaststellen van prioriteiten voor ontwikkeling, enerzijds door onafhankelijke en professionele media te stimuleren en anderzijds door het bevorderen van toegang tot en gebruik van moderne informatie- en communicatietechnologie (ICT) ten behoeve van ontwikkelingsprocessen.

Daartoe worden activiteiten gesubsidieerd gericht op of ter bevordering van:

  • Professionalisering en kwaliteitsverbetering van media en training van media-professionals.

  • Onafhankelijkheid van het medialandschap en vrijheid en pluriformiteit in de meningsuiting.

  • Innovatief gebruik van moderne informatie- en communicatietechnologie voor ontwikkelingsprocessen door lokale organisaties, beleidsmakers en stakeholders.

  • Bevorderen dat media tevens als communicatieplatform fungeren voor burgers en het maatschappelijk middenveld.

Vraaggerichtheid en lokaal ownership staan als beleidsuitgangspunten centraal. Opbouw van institutionele capaciteit op bovengenoemde terreinen in ontwikkelingslanden zelf is dan ook een belangrijk criterium.

4. Politieke Ontwikkeling [Vervallen per 01-01-2006]

Mensenrechten [Vervallen per 01-01-2006]

Hoofddoel van het beleid is bevordering van het respect voor en de naleving van mensenrechten. Een uitwerking van het beleid is vastgelegd in de Mensenrechtennotitie 2001.

De subsidiefondsen voor mensenrechtenactiviteiten vinden hun oorsprong in zowel het non-ODA als ODA-deel van de begroting van Buitenlandse Zaken. Het Programma TMF richt zich alleen op het ODA-deel van de begroting.

Voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die op zo direct mogelijke wijze een bijdrage leveren aan de bescherming en de bevordering van de naleving van mensenrechten. Met in achtneming van bovenstaande kan met name worden gedacht aan:

  • 1. Verbetering van de bescherming van mensenrechten:

    • bieden van juridische, medische of psychologische hulp aan slachtoffers van schendingen;

    • verrichten van onderzoek naar mensenrechtenschendingen;

    • documenteren van schendingen;

    • bestrijden van straffeloosheid.

  • 2. Bevordering van de mensenrechten

    • voorlichting over mensenrechten;

    • mensenrechteneducatie;

    • trainingen in het hanteren van mensenrechtennormen;

    • steunen van onafhankelijke media;

  • 3. Institutionele versterking

    • instandhouding en versterking van institutionele capaciteit van overheden;

    • instandhouding en versterking van institutionele capaciteit van NGO’s;

    • advocacy met betrekking tot mensenrechten.

Goed bestuur [Vervallen per 01-01-2006]

In de subsidieaanvraag dient te worden geëxpliciteerd op welke concrete wijze vorm wordt gegeven aan een samenwerkingsverband tussen Noord en Zuid gebaseerd op meer gelijkwaardige relaties en wederzijdse ‘accountability’. Tevens zal door een toenemende overdracht van beheers-, projectmatige en institutionele verantwoordelijkheden het streven naar capaciteitsopbouw en verzelfstandiging van zuidelijke organisaties moeten blijken. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, dienen activiteiten zich bovendien zo veel als mogelijk in ontwikkelingslanden af te spelen en zich te richten op:

  • 1. Democratisering

    • Beleidsontwikkeling: het gaat hier om ondersteuning van beleidsontwikkeling inzake de bevordering van formele politieke democratiseringsprocessen en in het bijzonder van een inclusief politiek bestel.

    • Capaciteitsopbouw: de activiteiten dienen bij te dragen aan capaciteitsopbouw van de verschillende actoren in het politieke democratische proces.

    • Monitoring: maatschappelijke organisaties kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de monitoring van het politieke democratische proces.

  • 2. Anti-corruptie

    • Beleidsontwikkeling: activiteiten dienen bij te dragen aan de ontwikkeling van beleid en/of (beleids)instrumenten ter voorkoming en bestrijding van corruptie.

    • Capaciteitsopbouw: activiteiten dienen bij te dragen aan de ontwikkeling van kennis en vaardigheden van actoren die een rol (dienen te) vervullen bij anti-corruptie.

  • 3. Rechterlijke macht

    • Capaciteitsopbouw: het betreft hier capaciteitsopbouw die direct en structureel bijdraagt aan verbetering van de rechtszekerheid van de burger: toegang tot rechtsspraak, transparante rechtsregels en redelijke afhandelingstermijnen. Het accent ligt daarbij op opleiding en training in het ontvangende land.

  • 4. Versterking lokaal bestuur

    • Participatief lokaal bestuur: het gaat hier met name om de ondersteuning van initiatieven ter bevordering van een evenredige vertegenwoordiging van alle bevolkingsgroepen in het lokale bestuur.

    • Capaciteitsopbouw lokaal bestuur: het betreft de capaciteitsopbouw van lokale organisaties, besturen en verenigingen.

    • Versterking van ‘accountability’ en transparantie van lokaal bestuur.

5. Vrede en veiligheid [Vervallen per 01-01-2006]

Vredesopbouw [Vervallen per 01-01-2006]

In de subsidieaanvraag dient te worden geëxpliciteerd op welke concrete wijze vorm wordt gegeven aan een samenwerkingsverband tussen Noord en Zuid gebaseerd op meer gelijkwaardige relaties en wederzijdse ‘accountability’. Tevens zal door een toenemende overdracht van beheers-, projectmatige en institutionele verantwoordelijkheden het streven naar capaciteitsopbouw en verzelfstandiging van zuidelijke organisaties moeten blijken Om voor subsidiering in aanmerking te komen, dienen activiteiten zich bovendien zo veel als mogelijk in ontwikkelingslanden af te spelen en zich te richten op:

• Betrokkenheid van cruciale maatschappelijke organisaties bij het vredesproces

Maatschappelijke organisaties kunnen een belangrijke rol spelen bij de ondersteuning van formele vredesprocessen door het entameren van informele vredesdialogen, opbouw van de benodigde capaciteit en beïnvloeding van de deelnemers aan het officiële vredesproces.

• Versterking van representativiteit en met name de inclusiviteit van bestuur

Een belangrijke oorzaak van interne gewelddadige conflicten is het bestaan van grieven over verschillende vormen van uitsluiting van bepaalde bevolkingsgroepen. NGO’s kunnen zowel op centraal als decentraal niveau een belangrijke positieve bijdrage leveren.

• Betrokkenheid van vrouwen bij vredesopbouw

Interventies in het kader van vredesopbouw die geen rekening houden met ‘gender’verschillen, lopen het risico minder of niet effectief te zijn. Vrouwenorganisaties dienen worden te versterkt om als volwaardige partners te kunnen participeren in het vredesopbouwproces.

• Ondersteuning media in conflictgebieden

De media kunnen een wezenlijke bijdrage leveren aan positieve ontwikkelingen voor, tijdens en na conflicten door onafhankelijke en objectieve berichtgeving. Het betreft hier niet alleen traditionele maar ook elektronische media.

• Tegengaan van financiering van conflicten

Conflicten kunnen zowel ontstaan uit als bestendigd worden door de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen (bijv. olie, diamanten, bossen). Activiteiten die zich richten tegen gebrek aan transparantie of misbruik van exploitatie-inkomsten kunnen voor subsidie in aanmerking komen.

• Democratische controle veiligheidssector

In een aantal gevallen kunnen maatschappelijke organisaties een bijdrage leveren aan noodzakelijke discussies ter bevordering van het democratisch toezicht op de veiligheidssector en de formulering van de hiervoor benodigde hervormingen.

Rehabilitatie/Wederopbouw na conflict [Vervallen per 01-01-2006]

Het beleid inzake rehabilitatie is vastgelegd in de aan de Tweede Kamer (april 2002) aangeboden notitie ‘Wederopbouw na conflict’. Mede gezien de financiële beperkingen en de prioriteit die aan Afrika wordt toegekend, zal Nederlandse steun aan rehabilitatie in het kader van het Programma TMF zich noodzakelijkerwijs moeten beperken tot de volgende landen: Burundi, DRC, Somalië en Soedan.

Activiteiten die voor financiering in aanmerking komen, betreffen uitsluitend wederopbouw na beëindiging van een gewelddadig conflict en dienen zich te richten op:

  • herstel basisvoorzieningen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en water & sanitatie;

  • herstel voedselzekerheid;

  • herstel huisvesting.

Bij de uitvoering van bovengenoemde activiteiten dient lokale capaciteitsopbouw een belangrijke rol te spelen. In de subsidieaanvraag dient te worden geëxpliciteerd op welke concrete wijze vorm wordt gegeven aan een samenwerkingsverband tussen Noord en Zuid gebaseerd op meer gelijkwaardige relaties en wederzijdse ‘accountability’. Tevens zal door een toenemende overdracht van beheers-, projectmatige en institutionele verantwoordelijkheden het streven naar capaciteitsopbouw en verzelfstandiging van zuidelijke organisaties moeten blijken.

6. Milieu en Water [Vervallen per 01-01-2006]

Het milieu- en waterbeleid beoogt een bijdrage te leveren aan met name de ecologische component van duurzame ontwikkeling. Het milieubeleid van het DGIS is initieel vastgelegd in de Notitie ‘Milieu en Armoedebestrijding’ (2001); het waterbeleid in de notities ‘Water for the Future’ (2000), ‘Achieving Water Security’ (2001) en ‘Dutch Development Assistance to the Water Sector’ (2002). Later is het milieu- en waterbeleid verder uitgewerkt in de beleidsnotities ‘Duurzame Daadkracht’(2002) en AEV (2003).

In aanmerking komen aanvragen voor activiteiten met betrekking tot:

  • drinkwater en sanitatie;

  • kleinschalige initiatieven o.g.v. duurzaam geïrrigeerde landbouw;

  • duurzaam stroomgebiedbeheer;

  • capaciteitsopbouw o.g.v. geïntegreerd waterbeheer;

  • milieutoetsing en daaraan verwante activiteiten;

  • duurzaam beheer en gebruik van biodiversiteit en bossen;

  • woestijnbestrijding;

  • klimaatbeleid;

  • duurzame toegang tot moderne energiediensten, waar mogelijk met toepassing van duurzame energietechnologieën;

  • environmental health;

  • technologische vernieuwing;

  • duurzame handel en investeringen.

De Directie Milieu en Water wil, via het TMF-programma, de totstandkoming van vernieuwende ontwikkelingsinitiatieven stimuleren (waarbij gedacht wordt aan (o.a.) methodologische of institutionele vernieuwing). Bij de vaststelling van de toe te kennen bedragen zal het vernieuwende karakter van de ingediende voorstellen uitdrukkelijk meewegen.

7. Gendergelijkheid [Vervallen per 01-01-2006]

Hoofddoel van het gendergelijkheid beleid is de bevordering van de integratie van gendergelijkheid in de volgende hoofdthema’s van BZ: armoedebestrijding, mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur. Gender wordt binnen het nieuwe beleid vooral gemainstreamd in de prioriteiten van AEV. Voorstellen dienen een bijdrage te leveren aan deze strategieën en moeten bijdragen aan de twee hoofdlijnen van het gendergelijkheidsbeleid:

  • 1. mainstreamen van gendergelijkheid in beleid;

  • 2. uitvoering en/of de ‘empowerment’ van vrouwen.

Tevens dienen voorgenomen activiteiten bij te dragen aan de uitvoering van de twaalf hoofdthema’s van het Beijing Platform for Action.

Algemene voorwaarden voor financiering:

  • Activiteiten moeten een katalyserende werking te hebben, d.w.z. een extra impuls geven aan de positieverbetering van vrouwen en gendergelijkheid en leiden tot meer belangstelling en activiteiten op dit gebied bij overheden, NGO’s en in de maatschappij.

  • Activiteiten moeten innovatief zijn, d.w.z. niet reeds eerder op de voorgestelde wijze te zijn aangepakt, interessante ervaringen opleveren voor andere landen en regio’s of belangrijke nieuwe inzichten verschaffen die bijdragen aan vermindering van genderongelijkheid.

Ook komen in aanmerking voor financiering:

  • Activiteiten die bijdragen aan versterken en institutionaliseren van genderdeskundigheid bij nationale, regionale of lokale overheden, NGO’s en andere maatschappelijke instanties kunnen in aanmerking komen voor financiering als deze instanties bijdragen aan de voor Nederland prioritaire hoofdthema’s (zie boven).

  • Activiteiten die de vrouwenbeweging ondersteunen in landen waarmee Nederland een bilaterale OS-relatie heeft kunnen voor financiering in aanmerking komen.