Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Tijdelijke vrijstellingsregeling eisen grond en baggerspecie[Regeling vervallen per 04-01-2006 met terugwerkende kracht tot en met 01-01-2006.]

Geldend van 29-02-2004 t/m 31-12-2005

Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 februari 2004, nr. BWL/ 2004 011 693, houdende aanpassing van bepaalde, op grond van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming geldende eisen ten aanzien van het gebruiken van grond en baggerspecie (Tijdelijke vrijstellingsregeling eisen grond en baggerspecie)

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 64 van de Wet bodembescherming;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 04-01-2006]

Artikel 2 [Vervallen per 04-01-2006]

  • 2 Deze regeling is niet van toepassing op het gebruiken van grond op of in de bodem in:

    • a. gebieden die krachtens de artikelen 7 of 21 van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument onderscheidenlijk zijn aangewezen als staatsnatuurmonument,

    • b. gebieden die krachtens richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) zijn aangewezen als speciale beschermingszone,

    • c. gebieden die krachtens richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) zijn aangewezen als speciale beschermingszone, en

    • d. gebieden die bij de provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet milieubeheer zijn aangewezen voor de waterwinning.

Artikel 3 [Vervallen per 04-01-2006]

Voor het gebruiken van grond op of in de bodem wordt vrijstelling verleend van de immissiewaarden voor bromide, fluoride en sulfaat, zoals aangegeven in bijlage 2.

Artikel 4 [Vervallen per 04-01-2006]

  • 1 Voor het gebruiken van grond op of in de bodem wordt vrijstelling verleend van de immissiewaarden voor antimoon, molybdeen, seleen en vanadium, zoals aangegeven in bijlage 2, mits de concentratie van die stoffen in de betreffende grond de waarde, zoals aangegeven in bijlage A bij deze regeling, niet overschrijdt.

  • 2 De bepaling van de concentratie, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de volgende methoden:

    • a. de monstervoorbehandeling en de ontsluiting van het monster overeenkomstig het Accreditatie-programma Bouwstoffenbesluit (AP 04);

    • b. de analyse van het destruaat van het monster overeenkomstig de normvoorschriften, zoals aangegeven in bijlage B bij deze regeling.

  • 3 De bepaling, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats door een laboratorium dat is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie op grond van NEN-EN-ISO / IEC 17025, uitgave 2000 voor een van de in bijlage B bij deze regeling opgenomen NEN-normen voor de matrix bodem.

  • 4 Met de methoden, bedoeld in het tweede lid, worden gelijkgesteld methoden die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die een kwaliteitsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

  • 5 Met het laboratorium, bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld een laboratorium dat is geaccrediteerd door een bevoegde accreditatie-instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en dat een kwaliteitsniveau waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 5 [Vervallen per 04-01-2006]

Het op of in de bodem gebruiken van grond waarvan de samenstellingswaarde, zoals aangegeven in bijlage 2, voor EOCl (totaal) wordt overschreden, is toegestaan, mits de in EOCl (totaal) aanwezige halogeenverbindingen de samenstellingswaarden voor elk van die verbindingen, zoals aangegeven in bijlage 2, niet overschrijden en de betreffende grond voldoet aan de overige samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2.

Artikel 6 [Vervallen per 04-01-2006]

Voor het gebruiken van baggerspecie op of in de bodem, wordt de samenstellingswaarde, zoals aangegeven in bijlage 2, voor minerale olie verhoogd tot 2000 mg/kg droge stof, mits degene die voornemens is die baggerspecie te gebruiken, bij de melding, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluit, behoudens de gegevens genoemd in bijlage 3, behorende bij artikel 11, zevende lid, van het Besluit, gegevens over de herkomst van de baggerspecie verstrekt met behulp waarvan kan worden vastgesteld of er sprake is van uitsluitend baggerspecie.

Artikel 7 [Vervallen per 04-01-2006]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.

Artikel 8 [Vervallen per 04-01-2006]

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstellingsregeling eisen grond en baggerspecie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 25 februari 2004

De

Staatssecretaris

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P.L.B.A. van Geel

Bijlage A. behorende bij artikel 4, eerste lid [Vervallen per 04-01-2006]

Waarden zijn uitgedrukt als de concentratie in een standaardbodem (10% organisch stof en 25% lutum)*
Stoffen Waarde mg/kg droge stof

Antimoon

9

Molybdeen

101,5

Seleen

50,35

Vanadium

146

Bij de beoordeling van de kwaliteit van de grond worden de in de tabel opgenomen waarden voor een standaardbodem omgerekend naar de waarden voor de betreffende bodem gebruik makende van de voor de gemeten gehalten aan organisch stof (het gewichtspercentage gloeiverlies betrokken op het totale drooggewicht van de grond) en lutum (het gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 μm betrokken op het totale drooggewicht van de grond). De omgerekende waarden kunnen vervolgens met de gemeten gehalten worden vergeleken.

Bij de omrekening voor vanadium kan gebruik worden gemaakt van de volgende bodemtypecorrectieformule:

(W)b = (W)sb x [{12 + (1,2 x %lutum) + (0 x %organisch stof)} / {(12 + (1,2 x 25) + (0 x 10)}]

waarin:

(W)b = waarde voor de te beoordelen bodem

(W)sb = waarde voor standaardbodem

%lutum = gemeten percentage lutum in de te beoordelen bodem

%organisch stof = gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem.

Bijlage B. behorende bij artikel 4, tweede lid, onder b [Vervallen per 04-01-2006]

Normvoorschriften voor de analyse van het destruaat van antimoon, seleen en vanadium
Parameter Normvoorschrift Cag,eis (mg/kg)

Antimoon

NVN 7322, eerste druk, maart 1997

NVN 7323, eerste druk, maart 1997

NEN 6426, eerste druk, april 1995

Ontwerp-NEN 6966, eerste druk, oktober 2003

4,4

     

Seleen

NVN 7322, eerste druk, maart 1997

NVN 7323, eerste druk, maart 1997

NEN 6426, eerste druk, april 1995

Ontwerp-NEN 6966, eerste druk, oktober 2003

10

     

Vanadium

NVN 7321, eerste druk, maart 1997

NVN 7322, eerste druk, maart 1997

NEN 6426, eerste druk, april 1995

Ontwerp-NEN 6966, eerste druk, oktober 2003

1