Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid

Geldend op 26-07-2014


  • Wet van 17 december 2003, houdende gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ter uitvoering van de Richtlijn 2000/78/EG, tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PbEG, 2000, L303) alsmede in verband met artikel 1 van de Grondwet, het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs te verbieden;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • § 1. Algemeen

  • Het begrip onderscheid

  • Artikel 1

    In deze wet wordt verstaan onder:

    • a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;

    • b. direct onderscheid: indien een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

    • c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde leeftijd in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

  • Intimidatie

  • Artikel 2
    • 1.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid houdt mede in een verbod op intimidatie.

    • 2.Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: gedrag dat met leeftijd verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

  • § 2. Reikwijdte van het verbod van onderscheid

  • Arbeid

  • Artikel 3

    Onderscheid is verboden bij:

    • a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking;

    • b. de arbeidsbemiddeling;

    • c. het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;

    • d. het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar;

    • e. de arbeidsvoorwaarden;

    • f. het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding;

    • g. de bevordering en

    • h. de arbeidsomstandigheden.

  • Vrije beroep

  • Artikel 4

    Onderscheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep.

  • Beroepsonderwijs

  • Artikel 5

    Onderscheid is verboden bij:

    • a. het verlenen van toegang tot en het geven van loopbaanoriëntatie en beroepskeuzevoorlichting;

    • b. het verlenen van toegang tot, het aanbieden van, het afnemen van toetsen tijdens en het afsluiten van onderwijs dat gericht is op de toetreding tot en het functioneren op de arbeidsmarkt.

  • Lidmaatschap organisaties

  • Artikel 6

    Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of een vereniging van beroepsgenoten. Dit geldt ook voor de voordelen die voortvloeien uit het lidmaatschap van deze organisaties en verenigingen.

  • § 3. Uitzonderingen op het verbod van onderscheid

  • Objectieve rechtvaardiging

  • Artikel 7
    • 1.Het verbod van onderscheid geldt niet indien het onderscheid:

      • a. gebaseerd is op werkgelegenheids- of arbeidsmarktbeleid ter bevordering van arbeidsparticipatie van bepaalde leeftijdscategorieën, voor zover dit beleid is vastgesteld bij of krachtens wet;

      • b. betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding of van het dienstverband van een ambtenaar in verband met het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat, of van een bij of krachtens wet vastgestelde of tussen partijen overeengekomen hogere leeftijd;

      • c. anderszins objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

    • 2.Het eerste lid is niet van toepassing in geval van intimidatie als bedoeld in artikel 2.

  • Pensioenen

  • Artikel 8
    • 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder pensioenvoorziening: een pensioenvoorziening ten behoeve van een of meer personen, uitsluitend in verband met hun werkzaamheden in een onderneming, bedrijfstak, tak van beroep of openbare dienst, in aanvulling op een wettelijk stelsel van sociale zekerheid en, ingeval van een voorziening ten behoeve van een persoon, anders dan door die persoon zelf tot stand gebracht.

    • 2.Het verbod van onderscheid is niet van toepassing op in pensioenvoorzieningen vastgelegde toetredingsleeftijden en op pensioengerechtigde leeftijden, alsmede op de vaststelling van verschillende toetredings- en pensioengerechtigde leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën van werknemers.

    • 3.Het verbod van onderscheid is niet van toepassing op actuariële berekeningen bij pensioenvoorzieningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden.

  • § 4. Vermelding leeftijdsgrens

  • Artikel 9

    Indien bij een openlijke aanbieding van een betrekking onderscheid op grond van leeftijd wordt gemaakt, wordt de grond daarvan uitdrukkelijk vermeld.

  • § 5. Rechtsbescherming

  • Bescherming tegen represailles

  • Artikel 10

    Het is verboden om personen te benadelen wegens het feit dat zij in of buiten rechte een beroep hebben gedaan op deze wet of terzake bijstand hebben verleend.

  • Bescherming tegen ontslag

  • Artikel 11
    • 1.Beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever in strijd met artikel 3, is vernietigbaar.

    • 2.Beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever vanwege het feit dat in of buiten rechte een beroep is gedaan op deze wet of terzake bijstand is verleend, is vernietigbaar.

    • 3.Onverminderd hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, vervalt twee maanden na de beëindiging van de arbeidsverhouding de bevoegdheid van de werknemer een beroep te doen op de vernietigingsgrond, bedoeld in het eerste en het tweede lid. Artikel 55 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

    • 4.Een rechtsvordering in verband met de vernietiging verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop de arbeidsverhouding is geëindigd.

    • 5.De beëindiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, maakt de werkgever niet schadeplichtig.

  • Bewijslast

  • Artikel 12
  • Nietigheid

  • Artikel 13

    Bedingen in strijd met deze wet zijn nietig.

  • Het College voor de rechten van de mens

  • Artikel 14

    Het College, genoemd in artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet. De artikelen 10, 11, 12, 13, 22 en 23 van de Wet College voor de rechten van de mens zijn van overeenkomstige toepassing.

  • § 6. Overgangs- en slotbepalingen

  • Evaluatie

  • Artikel 15

    Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

  • Overgangsrecht pensioenontslag

  • Artikel 16

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid is tot 2 december 2006 niet van toepassing op onderscheid dat betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding of het dienstverband van een ambtenaar in verband met het bereiken van een bij arbeidsovereenkomst overeengekomen, een bij een toezegging omtrent pensioen toegezegde, of een bij regeling van een daartoe bevoegd bestuursorgaan vastgestelde pensioengerechtigde leeftijd lager dan de AOW-gerechtigde leeftijd, voorzover die leeftijd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet in de arbeidsovereenkomst, de toezegging omtrent pensioen of de regeling van het bestuursorgaan was opgenomen.

  • Overgangsrecht defensie

  • Artikel 17

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid is niet van toepassing ten aanzien van militaire ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 tot 1 januari 2008, of tot een eerdere datum waarop in de Militaire ambtenarenwet 1931 een regeling is getroffen ten aanzien van het gebruik van leeftijdsgrenzen binnen de krijgsmacht betreffende aanstelling, functietoewijzing, aanwijzing voor een opleiding en ontslag.

  • Wijzigingen in andere regelgeving

  • Artikel 18

    [Wijzigt de Wet op de Raad van State.]

  • Artikel 19

    [Wijzigt de Comptabiliteitswet.]

  • Tijdstip inwerkingtreding

  • Artikel 20

    Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • Citeertitel

  • Artikel 21

    Deze wet wordt aangehaald als: Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te 's-Gravenhage, 17 december 2003

    Beatrix

    De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,

    A. J. de Geus

    De Minister van Justitie ,

    J. P. H. Donner

    De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ,

    Th. C. de Graaf

    De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,

    M. J. A. van der Hoeven

    Uitgegeven de derde februari 2004

    De Minister van Justitie ,

    J. P. H. Donner