Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit subsidieprogramma’s Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer[Regeling vervallen per 01-01-2009.]

Geldend van 21-11-2003 t/m 31-12-2008

Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende vaststelling van een drietal subsidieprogramma’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO-reductie verkeer en vervoer

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2009]

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2009]

De minister stelt de volgende subsidieprogramma’s vast:

  • a. het Subsidieprogramma CO2-reductie goederenvervoer dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit;

  • b. het Subsidieprogramma CO2-reductie personenvervoer dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;

  • c. het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer dat is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2009]

  • 1 Ten behoeve van de subsidieprogramma’s, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en b, stelt de minister de volgende aanvraagformulieren vast:

    • a. een aanvraagformulier voor investeringsprojecten dat is opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit.

    • b. een aanvraagformulier voor kennisoverdrachtprojecten dat is opgenomen in bijlage 5 bij dit besluit.

    • c. een aanvraagformulier voor toepassingsprojecten dat opgenomen is in bijlage 6 bij dit besluit.

  • 2 Het aanvraagformulier Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer wordt overeenkomstig bijlage 7 bij dit besluit vastgesteld.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2009]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 4 tot en met 7 die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

K.M.H. Peijs

Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2, onderdeel a [Vervallen per 01-01-2009]

Subsidieprogramma CO2-reductie Goederenvervoer

§ 1. Inleiding

Het Subsidieprogramma CO2-reductie goederenvervoer, hierna genoemd het programma, is een CO2-programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer (Staatscourant 2 november 2001, nr. 213), hierna genoemd de subsidieregeling. Doel van het programma is invulling geven aan de subsidiemogelijkheden voor CO2-reductieprojecten, die voldoen aan de doelstellingen van de subsidieregeling. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het programma zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Het programma heeft een looptijd van 4 jaar (van 2002 tot en met 2005). Het onderhavige programma is een herziene versie als gevolg van de eerste tender (zie besluit van 8 mei 2002, nr. HDJZ/ABR/2002-723).

§ 2. Subsidiabele activiteiten

a. Dit programma staat open voor investeringsprojecten, toepassingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1 van de subsidieregeling.

b. Ten aanzien van investeringsprojecten en toepassingsprojecten komen alle in Nederland gevestigde ondernemingen in de goederenvervoersectoren weg, spoor, binnen- en kustvaart, die investeringen plegen met betrekking tot, of daarmee verband houdend, alle op enig moment in Nederland opererende voertuigen of op enig moment in Nederlandse havens opererende vaartuigen, in aanmerking.

Onder kustvaart wordt hier verstaan: de verplaatsing over zee van lading of passagiers tussen in het geografische Europa gelegen havens of tussen die havens en havens in niet-Europese landen waarvan de kustlijn langs de aan Europa grenzende binnenzeeën loopt.

c. Ten aanzien van kennisoverdrachtprojecten komen alle in Nederland gevestigde ondernemingen en andere organisaties in aanmerking. De kennisoverdrachtprojecten moeten zijn gericht op de goederenvervoersectoren.

§ 3. Verhoging subsidiepercentage

De in de subsidieregeling vermelde percentages in artikel 4, eerste lid, onder a en b, worden met maximaal 10% bruto verhoogd, indien de aanvrager geen onderneming drijft en het CO2-reductieproject niet tot doel heeft de levering, tegen vergoeding, van goederen en diensten.

§ 4. Criteria voor de subsidie

a. Een investeringsproject voldoet aan de volgende criteria:

  • het project levert een CO2 -reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld over de technische levensduur van de voorziening.

b. Een toepassingsproject moet voldoen aan de volgende criteria:

  • het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld over een exploitatieperiode van 10 jaar vanaf de start van het project;

  • de subsidie-effectiviteit heeft een waarde van niet meer dan € 45,– per ton CO2.

c. Een kennisoverdrachtproject voldoet aan de volgende criteria:

  • de subsidiebijdrage bedraagt ten minste € 20.000,–.

d. Voor een project gelden voorts de volgende criteria:

  • het project moet vastgesteld kunnen worden vóór 31 december 2008;

  • de aanvrager is naar verwachting in staat om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in paragraaf 8, van dit programma;

  • het resultaat van het project mag niet significant in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige beleid op het gebied van goederenvervoer en milieu;

  • het project mag niet leiden tot een significant verhoogde emissie van NOx, CO, VOS of SOx noch tot een significant hoger geluidsniveau.

Voor intermodale en multimodale projecten geldt dat een verandering in vervoersmodaliteit moet worden aangetoond waarbij de bestaande en de nieuwe transportketen op voorhand bekend zijn.

§ 5. Verdeling van de gelden

De beschikbare gelden worden verdeeld naar rangschikking van de subsidieaanvragen. De investeringsprojecten en toepassingsprojecten worden gezamenlijk gerangschikt. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten geschiedt separaat.

§ 6. Rangschikking en beoordeling van de subsidieaanvragen

a. De rangschikking van investeringsprojecten en toepassingsprojecten wordt bepaald aan de hand van twee criteria:

  • de subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is;

  • de kwaliteit van een project, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate:

    • de omvang van de CO2- reductie van het project groter is,

    • de innovativiteit groter is,

    • het herhalingspotentieel groter is,

    • de haalbaarheid groter is gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans.

De hiervoor genoemde twee criteria wegen even zwaar.

b. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten wordt bepaald aan de hand van drie criteria:

  • de mate waarin een effect op de CO2-emissiereductie van het project kan worden verwacht;

  • de mate waarin de projectresultaten elders in de markt kunnen worden toegepast of door hun voorbeeldwerking kunnen bijdragen aan kennisverspreiding in de markt;

  • de slaagkans van het project, dat wil zeggen de mate waarin de aanvrager in staat wordt geacht het projectvoorstel zowel technisch, organisatorisch als financieel uit te voeren.

De hiervoor genoemde drie criteria wegen even zwaar. Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate effect, voorbeeldwerking en slaagkans groter zijn.

§ 7. Indiening en beoordeling van een subsidieaanvraag

Aanvragen voor de tweede tender worden ingediend met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en dienen uiterlijk op 16 februari 2004 te zijn ontvangen. Na afloop van de periode van indiening brengt een adviescommissie, als bedoeld in artikel 6 van de subsidieregeling, advies uit over de beoordeling en de rangschikking van de aanvragen. Binnen maximaal 16 weken na sluiting van de aanvraagperiode zal de minister op een aanvraag beschikken.

Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij het Projectbureau CO2-reductieplan door middel van een daar te verkrijgen aanvraagformulier.

Het postadres is:

Projectbureau CO2-reductieplan

Postbus 10073

8000 GB Zwolle

Het bezoekadres is:

Projectbureau CO2-reductieplan

Dokter van Deenweg 108

Zwolle

Telefoon: (038) 4553422/4553401

Fax: (038) 4540225

E-mail: pbco2@senter.nl

Website: http://www.co2-reductie.nl

§ 8. Subsidieplafond

Het subsidieplafond bedraagt € 2.750.000,– voor investerings- en toepassingsprojecten samen, en € 250.000,– voor kennisoverdrachtprojecten. Indien na rangschikking van de aanvragen blijkt dat een van de hiervoor genoemde budgetten niet is uitgeput, dan zal het resterende bedrag worden toegevoegd aan het andere budget.

§ 9. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger zal gedurende een periode van ten hoogste drie jaar, ingaand na goedkeuring van het eindverslag als bedoeld in artikel 17 van de subsidieregeling informatie verstrekken met betrekking tot het resultaat van het project voor zover het de CO2-emissie betreft. Voor de wijze waarop dit zal gebeuren wordt door het Projectbureau CO2-reductieplan een opzet verstrekt.

§ 10. Uitgangspunten voor berekening

Bij de berekening van de CO2-reductie, de subsidie-effectiviteit en de subsidiabele projectkosten gelden de volgende uitgangspunten:

  • bij de berekening van de beperking van de CO2-emissie geldt als referentie de gangbare praktijk in de branche;

  • bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor investeringsprojecten de annuïteitfactor gebaseerd op een disconto van 6% en is de technische levensduur van een voorziening ten hoogste 25 jaar;

  • bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor toepassingsprojecten de CO2-reductie berekend over een exploitatieperiode van 10 jaar, gerekend vanaf de start van het toepassingsproject;

  • het subsidiabele deel van de projectkosten kan maximaal bestaan uit de additionele kosten zoals genoemd in artikel 4 en 5 van de subsidieregeling. De berekening van het subsidiabele deel van de projectkosten vindt plaats volgens de berekeningswijze die is opgenomen in de aanvraagformulieren behorend bij dit programma.

§ 11. Forfaitaire kentallen

Waar van toepassing gelden bij berekeningen voor diverse energiebronnen de volgende forfaitaire waarden voor energie-inhoud en CO2-emissiefactoren:

 

Energie-inhoud in MJ per

eenheid (stookwaarde)

CO2-emissiefactor in kg per eenheid

Aardgas

32 per nm3

1,8 per nm3

LPG

24 per liter

1,6 per liter

Benzine

33 per liter

2,4 per liter

Dieselolie

36 per liter

2,6 per liter

Gasolie

43 per kg

3,1 per kg

Stookolie, alle gradaties

42 per kg

3,1 per kg

Elektriciteit

3,6 per kWh

0,37 per kWh

Bijlage 2. als bedoeld in artikel 2, onderdeel b [Vervallen per 01-01-2009]

Subsidieprogramma CO2-reductie Personenvervoer

§ 1. Inleiding

Het Subsidieprogramma CO2-reductie Personenvervoer, hierna genoemd het programma, is een CO2-programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer (Staatscourant 2 november 2001, nr. 213), hierna genoemd de subsidieregeling. Doel van het programma is invulling geven aan de subsidiemogelijkheden voor CO2-reductieprojecten, die voldoen aan de doelstellingen zoals gesteld in de subsidieregeling. Het programma beperkt zich daarbij tot het ondersteunen van projecten die een substantiële bijdrage leveren aan de CO2-reductie in de sector personenvervoer. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het programma zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Het programma heeft een looptijd van 4 jaar (van 2002 tot en met 2005). Het onderhavige programma is een herziene versie als gevolg van de eerste tender (zie besluit van 8 mei 2002, nr. HDJZ/ABR/2002-723).

§ 2. Subsidiabele activiteiten

a. Dit subsidieprogramma staat open voor investeringsprojecten, toepassingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1 van de subsidieregeling.

b. Ten aanzien van investerings- en toepassingsprojecten komen in aanmerking: alle in Nederland gevestigde ondernemingen, evenals Nederlandse lokale en regionale overheden.

c. Ten aanzien van kennisoverdrachtprojecten komen in aanmerking: alle in Nederland gevestigde ondernemingen en andere organisaties, evenals Nederlandse lokale en regionale overheden.

De kennisoverdrachtprojecten moeten zijn gericht op het personenvervoer.

§ 3. Subsidiebedrag

De in de subsidieregeling vermelde percentages in artikel 4, eerste lid, onder a en b, worden met maximaal 10% bruto verhoogd indien de aanvrager geen onderneming drijft en het CO2-reductieproject niet tot doel heeft de levering, tegen vergoeding, van goederen en diensten.

§ 4. Criteria voor de subsidie

a. Een investeringsproject moet voldoen aan de volgende criteria:

  • het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld over de technische levensduur van de voorziening;

b. Een toepassingsproject moet voldoen aan de volgende criteria:

  • het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar op, berekend als het gemiddelde over een exploitatieperiode van 10 jaar vanaf de start van het toepassingsproject;

  • de subsidie-effectiviteit heeft een waarde van niet meer dan € 45,– per ton.

c. Een kennisoverdrachtproject moet voldoen aan de volgende criteria:

  • de subsidiebijdrage bedraagt ten minste € 20.000,–;

d. Voor een project gelden voorts de volgende criteria:

  • het project moet vastgesteld kunnen worden vóór uiterlijk 31 december 2008;

  • de aanvrager is in staat om te voldoen aan de verplichting zoals bedoeld onder paragraaf 8;

  • het resultaat van het project mag niet significant in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige beleid op het gebied van personenvervoer en milieu;

  • het project mag niet leiden tot een significant verhoogde emissie van NOx, CO, VOS, PM of SOx, noch tot een significant hoger geluidsniveau.

§ 5. Verdeling van de gelden

De beschikbare gelden worden verdeeld naar rangschikking van de subsidieaanvragen. De investeringsprojecten en toepassingsprojecten worden gezamenlijk gerangschikt. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten geschiedt separaat.

§ 6. Rangschikking en beoordeling van de subsidieaanvragen

a. De rangschikking van zowel investeringsprojecten als toepassingsprojecten wordt bepaald aan de hand van twee criteria:

  • de subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is;

  • de kwaliteit van een project, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate:

    • de omvang van de CO2- reductie van het project groter is,

    • de innovativiteit groter is,

    • het herhalingspotentieel groter is,

    • de haalbaarheid groter is gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans.

De hiervoor genoemde twee criteria wegen even zwaar.

b. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten wordt bepaald aan de hand van drie criteria:

  • de mate waarin een effect op de CO2-emissiereductie van het project kan worden verwacht;

  • de mate waarin de projectresultaten elders in de markt kunnen worden toegepast of door hun voorbeeldwerking kunnen bijdragen aan kennisverspreiding in de markt;

  • de slaagkans van het project, dat wil zeggen de mate waarin de aanvrager in staat wordt geacht het projectvoorstel zowel technisch, organisatorisch als financieel uit te voeren.

De hiervoor genoemde drie criteria wegen even zwaar. Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate effect, voorbeeldwerking en slaagkans groter zijn.

§ 7. Indiening subsidieaanvragen

Aanvragen voor de tweede tender kunnen worden ingediend met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en dienen uiterlijk op 16 februari 2004 te zijn ontvangen. Na afloop van de periode van indiening brengt een adviescommissie, als bedoeld in artikel 6 van de subsidieregeling, advies uit over beoordeling en rangschikking van de aanvragen. Binnen maximaal 16 weken na sluiting van de aanvraagperiode zal de minister op een aanvraag beschikken.

Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij het Projectbureau CO2-reductieplan door middel van een daar te verkrijgen aanvraagformulier.

Het postadres is:

Projectbureau CO2-reductieplan

Postbus 10073

8000 GB Zwolle

Het bezoekadres is:

Projectbureau CO2-reductieplan

Dokter van Deenweg 108

Zwolle

Telefoon: (038) 4553422/4553401

Fax: (038) 4540225

E-mail: pbco2@senter.nl

Website: http://www.co2-reductie.nl

§ 8. Subsidieplafond

Het subsidieplafond is gesteld op € 2.750.000,– voor investeringsprojecten en toepassingsprojecten samen, en € 250.000,– voor kennisoverdrachtprojecten.

Indien na rangschikking blijkt dat een van de hiervoor genoemde budgetten niet is uitgeput, dan zal het resterende bedrag worden toegevoegd aan het andere budget.

§ 9. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger zal gedurende een periode van ten hoogste drie jaar, ingaand na goedkeuring van het eindverslag, zoals bedoeld in artikel 17 van de Subsidieregeling, informatie verstrekken met betrekking tot het resultaat van het project voor zover het de CO2-emissie betreft. Voor de wijze waarop dit zal gebeuren wordt door het Projectbureau CO2-reductieplan een instructie verstrekt.

§ 10. Uitgangspunten voor berekening

Bij de berekening van de CO2-reductie, de subsidie-effectiviteit en de subsidiabele projectkosten gelden de volgende uitgangspunten:

  • bij de berekening van de reductie van de CO2-emissie geldt als referentie de gangbare praktijk in de branche;

  • bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor investeringsprojecten de annuïteitfactor gebaseerd op een disconto van 6% en is de technische levensduur van een voorziening ten hoogste 25 jaar;

  • bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor toepassingsprojecten de CO2-reductie berekend over een exploitatieperiode van 10 jaar, gerekend vanaf de start van het toepassingsproject;

  • het subsidiabele deel van de projectkosten kan maximaal bestaan uit de additionele kosten zoals genoemd in artikel 4 en 5 van de subsidieregeling. De berekening van het subsidiabele deel van de projectkosten vindt plaats volgens de berekeningswijze die is opgenomen in de aanvraagformulieren behorend bij dit programma.

§ 11. Forfaitaire kentallen

Waar van toepassing gelden bij berekeningen voor diverse energiebronnen de volgende forfaitaire waarden voor energie-inhoud en CO2-emissiefactoren:

 

Energie-inhoud in MJ per

eenheid (stookwaarde)

CO2-emissiefactor in kg per eenheid

Aardgas

32 per nm3

1,8 per nm3

LPG

24 per liter

1,6 per liter

Benzine

33 per liter

2,4 per liter

Dieselolie

36 per liter

2,6 per liter

Gasolie

43 per kg

3,1 per kg

Stookolie, alle gradaties

42 per kg

3,1 per kg

Elektriciteit

3,6 per kWh

0,37 per kWh

Bijlage 3. als bedoeld in artikel 2, onderdeel c [Vervallen per 01-01-2009]

Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer

§ 1. Inleiding

Het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer is een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie Verkeer en Vervoer (Stcrt. 2001, nr. 213), hierna te noemen subsidieregeling. Dit programma is een herziene versie van het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer van 7 september 2001 (Stcrt. 2001, nr. 213).

Doel van het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer (RO&V 2003–2004) is het stimuleren van de toepassing en het gebruik van integrale ontwerpmethoden voor de afwikkeling van mobiliteit bij de (her)inrichting van woon- en werklocaties, met het oog op CO2-reductie. Het gebruik van integrale ontwerpmethoden wordt gestimuleerd door middel van kennisoverdracht aan gemeentelijke en provinciale ambtenaren en bestuurders.

Het gebruik van integrale ontwerpmethoden houdt in dat intensieve samenwerking tussen stedenbouwkundigen/ RO ambtenaren en verkeerskundigen in een vroegtijdig stadium van het planproces voorop staat. Op deze wijze wordt een ruimtelijk ontwerp gerealiseerd met aandacht voor mobiliteit én kwaliteit van de leefomgeving, waarbij bewoners en werkenden op een vanzelfsprekende manier voor die wijze van verplaatsen kiezen die voor hen en voor de omgeving het meest geschikt is. Aldus wordt een bijdrage geleverd aan de rijksdoelstellingen zoals een beperking van het energiegebruik en de emissies van CO2 en NOx in het verkeer en vervoer. Tegelijkertijd wordt tegemoet gekomen aan lokale en regionale doelstellingen, zoals een verhoging van de verkeersveiligheid, het tegengaan van geluidhinder door het verkeer, en vergroting van de stedelijke diversiteit en de ruimtelijk-functionele kwaliteit.

Voorbeelden van integrale ontwerpmethoden zijn VervoersPrestatie op Locatie, LAngzaam Rijden GAat Sneller en VervoersPrestatie Regionaal (hierna respectievelijk VPL, Largas en VPR genoemd). Kenmerkend voor deze methoden is dat steeds vanuit het laagste schaalniveau wordt geredeneerd. Het gemak van de gebruiker geldt daarbij als uitgangspunt.

De VPL en VPR zijn toepasbaar op alle ruimtelijke plannen op respectievelijk lokaal en regionaal niveau, waarbij met name het verkorten van af te leggen afstanden en de vervoerwijzekeuze worden beoogd. Largas wordt toegepast op gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom om de verkeersafwikkeling te verbeteren en verhoogt de stedelijke kwaliteit rond de aders en in de omliggende gebieden. Het verkeerskundig principe is eenvoudig; lagere en gelijkmatigere snelheden en het verwijderen van een groot deel van de verkeerslichten bevorderen het gestaag doorrijden van het verkeer. Hierdoor kunnen belangrijke milieuvoordelen behaald worden met behoud, of zelfs vergroting, van de capaciteit. Genoemde methoden zijn toepasbaar in zowel nieuwbouwsituaties als in herstructurerings- en herinrichtingsgebieden.

De ervaringen met integrale ontwerpmethoden zijn gunstig, de resultaten laten zien dat de aanpak werkt. Belangrijke voorwaarde voor het welslagen van dergelijke projecten, is bestuurlijk en ambtelijk draagvlak voor het streven naar een meer duurzame afwikkeling van de mobiliteit.

Het is ook mogelijk een andere, hier niet benoemde integrale aanpak te gebruiken. Deze moet echter eveneens voldoen aan de criteria zoals genoemd in de paragrafen 2 en 3.

§ 2. Subsidiabele activiteiten

a. Het CO2-programma RO&V staat open voor kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de subsidieregeling.

b. Projectkosten als bedoeld in artikel 5 van de subsidieregeling, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie voor zover deze betrekking hebben op de overdracht van kennis omtrent de toepassing en het gebruik van integrale ontwerpmethoden die leiden tot een stedelijk ontwerp met potentieel substantiële CO2-emissiereductie. Hieronder volgt een nadere specificatie van de subsidiabele projectkosten, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de subsidieregeling:

  • de extra tijdsbesteding van gemeentelijke en provinciale ambtenaren en -bestuurders die benodigd is voor het doorlopen van het plan- en ontwerpproces volgens de methodieken VPL, Largas, VPR of een andere integrale aanpak, ten opzichte van het volgen van een regulier planproces (zie artikel 5, derde lid, onderdeel a, van de subsidieregeling);

  • advieswerkzaamheden ten behoeve van de integrale ontwerpstudie door externe deskundigen op stedenbouwkundig/RO, verkeerskundig of infrastructureel terrein (zie artikel 5, derde lid, onderdeel d, van de subsidieregeling);

  • werkzaamheden met betrekking tot het aanpassen of bouwen van een (uni- of multimodaal) verkeersmodel, indien het gebruik van een dergelijk model voorwaarde is om de effecten van mogelijke ontwerpvarianten, of varianten behorend bij een ander gebruikt model, aan te kunnen tonen (zie artikel 5, derde lid, onderdeel a, van de subsidieregeling).

c. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele projectkosten, tot een maximum van € 24.950,– per project.

§ 3. Beoordelingscriteria

Een project moet aan de volgende criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.

a. Het project wordt uitgevoerd met behulp van de VPL, VPR of Largas methodiek, zoals beschreven in het Handboek VPL, het Basisboek VPR en de conceptbeschrijving Largas. Het gebruik van een andere ontwerpmethode is toegestaan indien aan de overige onder dit punt genoemde criteria wordt voldaan alsmede aan de verplichtingen van de subsidieontvanger (zie paragraaf 4 van dit programma).

b. – Wanneer sprake is van een project dat betrekking heeft op een/meerdere woonlocatie(s), behelzen deze tenminste 500 woningen;

– Wanneer sprake is van een project dat betrekking heeft op een/meerdere werklocatie(s), behelzen deze tenminste 1000 werkenden;

– In geval van toepassing van Largas, betreft het een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom, waarvan minimaal 2 kruispunten met VRI die volgens de Largas methodiek vervangen worden door kruispunten zonder VRI.

c. Het ambitieniveau ten aanzien van de te behalen CO2-emissiereductie wordt uitgedrukt in tonnen en bedraagt tenminste 5% ten opzichte van de referentiesituatie.

d. Bij de uitvoering van het project werken – blijkend uit de projectorganisatiestructuur – tenminste de verkeers- en de stedenbouwkundig/RO verantwoordelijken samen. Betrokkenheid van andere belanghebbende organisaties is nadrukkelijk gewenst.

e. Tijdens het project worden, naast de referentiesituatie, tenminste drie alternatieve planvarianten uitgewerkt. De CO2-uitstoot wordt voor de referentievariant en alle planvarianten berekend in ton/jaar.

f. De totale projectduur is ten hoogste 2 jaar.

§ 4. Subsidieplafond

Het subsidieplafond is gesteld op € 500.000,–.

§ 5. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Bij de subsidieverlening worden onder meer de volgende verplichtingen opgelegd.

a. De subsidieontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden schriftelijk verslag uit omtrent de voortgang van het project. De subsidieverlener stelt hiervoor richtlijnen ter beschikking.

b. De evaluatie van het project wordt neergelegd in een rapport, dat tenminste een beschrijving bevat van:

  • het verloop van het plan- en ontwerpproces;

  • de inhoud en effecten voor wat betreft de CO2-reductie, uitgedrukt in ton/jaar van de te onderscheiden planvarianten, waaronder de referentiesituatie;

  • de te implementeren beleidslijn, volgend uit de geselecteerde planvariant, zoals vastgesteld door het bestuursorgaan;

  • de ervaringen van de organisatie met de ontwerpmethodiek.

De subsidieverlener stelt voor de opstelling van het rapport richtlijnen ter beschikking.

c. De subsidieontvanger verstrekt desgevraagd gedurende een periode van ten hoogste drie jaar, ingaand na goedkeuring van het eindrapport, informatie met betrekking tot het verdere gebruik van het resultaat van het project alsmede de consequenties hiervan op de CO2-emissiereductie.

d. De subsidieontvanger vult na afloop van het project een factsheet in met betrekking tot de kenmerken en resultaten van het project zoals dat door de subsidieverlener wordt verstrekt.

e. Gedurende de looptijd van het project en een periode van ten hoogste drie jaar na afloop van het project kunnen gegevens over het project worden gebruikt ten behoeve van communicatieactiviteiten van de subsidieverlener.

§ 6. Procedures

a. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend door Nederlandse gemeenten, provincies en kaderwetgebieden.

b. Aanvragen voor kennisoverdrachtprojecten die voldoen aan het vereiste van artikel 8, tweede lid, van de subsidieregeling worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat de dag waarop de aanvraag volledig is, wordt beschouwd als datum van ontvangst van de subsidieaanvraag.

c. Indien het project door meerdere partijen gezamenlijk zal worden uitgevoerd, wordt de aanvraag op één formulier ingediend met vermelding van alle deelnemers van het project. Tevens wordt in de aanvraag vermeld welke deelnemer zal optreden als projectleider en penvoerder namens de overige deelnemers en als contactpersoon voor Novem. De aanvraag wordt ondertekend door alle deelnemers aan het project.

d. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit programma wordt geplaatst en dienen uiterlijk op 15 oktober 2004 te zijn ontvangen door Novem.

e. De subsidieaanvraag kan slechts worden ingediend met behulp van het daarvoor ontworpen en door de minister vastgestelde aanvraagformulier.

§ 7. Nadere informatie

Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend bij Novem, waar tevens een aanvraagformulier verkrijgbaar is.

Het adres is:

Novem

Secretariaat RO&V, kamer 4.47

Catharijnesingel 59

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

e-mail: ROenV@novem.nl

tel.: 030-239 36 16

fax: 030-231 64 91

De volgende informatie inzake VPL, VPR en Largas is beschikbaar:

  • De website www.ROenV.novem.nl;

  • Een digitale samenvatting van het VPL handboek;

  • Voorbeeldenboek Largas;

  • Conceptbeschrijving Largas;

  • VPR basisboek en werkboek;

  • ‘Slimme inrichting voor woonwijken’, projectbeschrijvingen van RO&V projecten 2001/2002.

Het VPL handboek is te bestellen via http://www.CROW.nl.

Bijlage 4 [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]

Bijlage 5 [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]

Bijlage 6 [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]

Bijlage 7 [Vervallen per 01-01-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]