Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling prekwalificatie ESA-programma’s[Regeling vervallen per 01-01-2010.]

Geldend van 01-07-2009 t/m 31-12-2009

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 november 2003, nr. WJZ 3055650, houdende vaststelling van regels voor de verstrekking van subsidies in het kader van prekwalificatie voor ESA-programma’s (Subsidieregeling prekwalificatie ESA-programma’s)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a. minister: de Minister van Economische Zaken;

    • b. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;

    • c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

      • 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

        • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

        • volledig aansprakelijk vennoot is van, of

        • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

      • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

    • d. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen;

    • e. project: een voor de ruimtevaart in Nederland nieuwe, planmatige activiteit met een looptijd van maximaal 36 maanden, bestaande uit industrieel technologisch onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling, gericht op het bijdragen aan de uitgangspositie van een ondernemer bij lopende of toekomstige ontwikkelingsprogramma’s van het Europese Ruimte Agentschap (ESA);

    • f. industrieel technologisch onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

    • g. preconcurrentiële ontwikkeling: het omzetten van de resultaten van industrieel technologisch onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten;

    • h. onderzoekinstelling: een rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die een onderneming in stand houdt, die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke kennis uit te breiden, zonder industriële of commerciële doelstellingen.

  • 2 Een project heeft betrekking op een van de volgende producten of productieprocessen:

    • a. componenten en subsystemen voor standregeling van satellieten,

    • b. componenten en subsystemen voor warmteregeling van satellieten,

    • c. instrumenten voor aardobservatie,

    • d. instrumenten voor wetenschappelijke toepassing,

    • e. micrograviteit payloads,

    • f. nieuwe toepassingen van payload voor telecommunicatiesatellieten,

    • g. nieuwe toepassingen van satellieten voor aardobservatie,

    • h. nieuwe toepassingen van satellieten voor telecommunicatie,

    • i. ontstekers voor raketmotoren,

    • j. software voor test en simulatie alsmede elektronische systemen voor het testen en de verificatie van ruimtevaartproducten,

    • k. structuren voor lanceer- en re-entryvoertuigen,

    • l. systemen voor voorstuwing voor satellieten of onderdelen daarvan, of

    • m. zonnepanelen.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

    • a. een ondernemer die voor eigen rekening en risico een project uitvoert,

    • b. een onderzoekinstelling die voor eigen rekening en risico een project uitvoert, of

    • c. de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoeren.

  • 2 Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag is opgetreden.

  • 3 Geen subsidie wordt verstrekt:

    • a. indien voor het project reeds door de minister subsidie is verstrekt;

    • b. indien de aanvrager of een deelnemer in het samenwerkingsverband vóór het indienen van de aanvraag ter zake van het project reeds verplichtingen is aangegaan, anders dan bedoeld in artikel 4, vijfde lid.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie bedraagt 70 procent van de projectkosten, maar niet meer dan € 350 000.

  • 2 Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat is genoemd in het eerste lid, noch, uitgedrukt in een percentage van de projectkosten, meer bedraagt dan het percentage dat is genoemd in het eerste lid.

  • 3 Bij de toepassing van het eerste en tweede lid worden de bijdragen van derden, anders dan bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot de projectkosten op de projectkosten in mindering gebracht.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

    • a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de aanvang van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend, door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten:

      • 1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom ‘loon voor de loonbelasting’ van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1500 productieve uren per jaar;

      • 2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;

      • 3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;

      • 4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van binnenlandse reis- en verblijfkosten;

    • b. een opslag voor algemene kosten, groot 75 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten;

    • c. een opslag voor binnenlandse reis- en verblijfkosten van 5 procent van de onder a, onder 1° , bedoelde kosten, indien sprake is van een samenwerkingsverband.

  • 2 Kosten van machines en apparatuur die niet uitsluitend voor het project zijn aangeschaft, worden slechts als projectkosten op de voet van het eerste lid, onder a, onder 2°, in aanmerking genomen indien een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per machine respectievelijk van de apparatuur aanwezig is.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste lid worden winstopslagen bij transacties binnen een groep alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.

  • 4 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Er is een Adviescommissie Ruimtevaart Technologie Ontwikkeling die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.

  • 2 De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

  • 3 De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste zes andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.

  • 4 De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

  • 5 De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.

  • 6 Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.

  • 7 De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.

  • 8 In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.

  • 9 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.

  • 10 De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 11 De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van de minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies op in een periode als bedoeld in artikel 7, eerste lid, ontvangen aanvragen op grond van deze regeling. Daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën projecten.

  • 2 Het subsidieplafond voor het in 2003 verlenen van subsidies op aanvragen, ontvangen in de in artikel 7, eerste lid, vastgestelde periode, bedraagt € 5 899 143, waarvan:

§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Aanvragen om subsidie op grond van deze regeling moeten zijn ontvangen in de periode van 15 november tot en met 15 december 2003. Bij ministeriële regeling worden de volgende perioden vastgesteld waarin aanvragen om subsidie op grond van deze regeling moeten zijn ontvangen.

  • 2 Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

  • 3 De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het project alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

  • 4 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2010]

De minister geeft een beschikking binnen dertien weken na afloop van de voor het indienen van aanvragen vastgestelde periode.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Indien op de aanvraag niet afwijzend wordt beslist, en deze een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening een raming van de projectkosten per deelnemer in het samenwerkingsverband.

  • 2 Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2010]

De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling of de daarop berustende bepalingen;

  • b. hij de projectkosten raamt op minder dan € 25 000;

  • c. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist, het advies in van de Adviescommissie Ruimtevaart Technologie Ontwikkeling.

  • 2 De commissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien:

    • a. aannemelijk is, dat het project ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;

    • b. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het project;

    • c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;

    • d. van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;

    • e. het project bij de in het derde lid bedoelde rangschikking minder dan 21 punten heeft behaald.

  • 3 De commissie rangschikt de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het:

    • a. bijdraagt aan niet-incidentele ruimtevaartactiviteiten in Nederland van technologische, kennisintensieve aard;

    • b. een op rendabele wijze voort te brengen technologisch product of dienst met marktperspectief behelst;

    • c. bijdraagt aan het versterken van de samenhang met ESA en andere Europese organisaties in het kader van de ruimtevaart;

    • d. nieuwe ontwikkelingen – binnen en buiten de ruimtevaart – in Nederland bevordert;

    • e. kennis en technologie in Nederland op efficiënte en niet incidentele wijze samenbrengt;

    • f. bijdraagt aan het gebruik van ruimtevaart als middel voor het realiseren van de ambities, geformuleerd in het Actieplan Ruimtevaart;

    • g. bijdraagt aan de opbouw van kennis en technologie bij het midden- en kleinbedrijf.

  • 4 De commissie bepaalt voorafgaand aan de rangschikking bedoeld in het derde lid met betrekking tot elk project binnen welke categorie producten of productieprocessen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, de rangschikking zal plaatsvinden.

  • 5 De mate waarin een project voldoet aan de in het derde lid genoemde criteria wordt per criterium uitgedrukt in een aantal punten oplopend van 1 tot en met 5.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien de Adviescommissie Ruimtevaart Technologie Ontwikkeling een negatief advies heeft uitgebracht.

  • 2 De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie.

  • 3 De minister kan afwijken van het tweede lid, indien een advies van de commissie in strijd met deze regeling dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 14 tot en met 17 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 16 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van deze regeling is opgetreden.

  • 2 De in de artikelen 14, 15 en 16 opgenomen verplichtingen gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 17 opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken.

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.

  • 2 De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

  • 3 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.

  • 2 De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]

De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van drie maanden

aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, met betrekking tot de resultaten van het project zorg voor:

    • a. de tenaamstelling op eigen naam en de verwerving van rechten van intellectuele eigendom op de resultaten die daarvoor in aanmerking komen;

    • b. de instandhouding van de onder a bedoelde rechten;

    • c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.

  • 2 De subsidie-ontvanger stelt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, niet ter beschikking van derden:

    • a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project;

    • b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;

    • c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;

    • d. niet door rechten van intellectuele eigendom beschermde resultaten van het project.

  • 3 De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan de minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project.

  • 4 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

§ 4. Voorschotten [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Voorschotten kunnen door de minister slechts op aanvraag van de subsidie-ontvanger worden verstrekt op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt.

  • 2 Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

  • 3 Bij de toepassing van het tweede lid worden de opslagen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b en c, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten waarover hij wordt berekend gemaakt en betaald zijn.

  • 4 Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste € 5 000 bedraagt.

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 16.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

  • 3 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van deze regeling is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2010]

De minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

§ 5. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling in binnen dertien weken na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn voltooid.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.

  • 3 De aanvraag gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van:

    • a. een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project,

    • b. indien de projectkosten € 50 000 of meer bedragen, een accountantsverklaring die is opgesteld op de in het formulier aangegeven wijze.

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2010]

De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

§ 6. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2010]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2010]

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling prekwalificatie ESA-programma’s.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart, Kluyverweg1 te Delft.

Den Haag, 12 november 2003

De

Minister

van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2010]

[Red: Ligt ter inzage bij het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart te Delft.]

Bijlage 2 [Vervallen per 01-01-2010]

[Red: Ligt ter inzage bij het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart.]

Bijlage 3 [Vervallen per 01-01-2010]

[Red: Ligt ter inzage bij het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart.]