Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit PDV bemonsterings-en keuringsprocedure diervoedersector 2003[Regeling vervallen per 11-11-2007.]

Geldend van 17-10-2003 t/m 10-11-2007

Besluit PDV bemonsterings-en keuringsprocedure diervoedersector 2003

De voorzitter van het Productschap Diervoeder heeft,

gelet op artikel 3, vijfde lid, van Verordening PDV controle diervoedersector 2003, gehoord het College van Deskundigen Diervoedersector, op 8 oktober 2003 het volgende besluit vastgesteld.

Artikel 1 [Vervallen per 11-11-2007]

Dit besluit neemt over de terminologie van Verordening PDV controle diervoedersector 2003 en verstaat voorts onder:

verordening

:

Verordening PDV controle diervoedersector 2003;

controle-instantie

:

De controle-instanties die in artikel 6 van de verordening zijn aangewezen voor uitvoering van de controle;

inspecteurs

:

De inspecteurs van de controle-instantie;

analyselaboratorium

:

een in bijlage III aangewezen laboratorium voor onderzoek van monsters en contra-monsters.

Artikel 2 [Vervallen per 11-11-2007]

De controle bedoeld in artikel 2 van de verordening, vindt voor wat betreft de fysieke controle plaats overeenkomstig het bepaalde in dit besluit.

Artikel 3 [Vervallen per 11-11-2007]

  • 1 De monstername door de controle-instantie geschiedt overeenkomstig het bepaalde in bijlage I. Van de monsterneming wordt mededeling gedaan aan de betrokkenen.

  • 2 De inspecteur draagt zorg voor verzegeling, etikettering en verzending dan wel terhandstelling van drie eindmonsters, die als volgt worden verdeeld:

    • a. één eindmonster aan het analyselaboratorium;

    • b. één eindmonster aan LabCo B.V. te Europoort of CCL Nutricontrol B.V. te Veghel voor opslag ten behoeve van een eventueel contra-onderzoek;

    • c. één eindmonster aan de betrokken ondernemer of diens vertegenwoordiger.

  • 3 De controle-instantie zendt, met inachtneming van het bepaalde in bijlage III, het in het tweede lid sub a bedoelde eindmonster naar het analyselaboratorium en geeft daarbij aan op welke kenmerken het monster onderzocht dient te worden.

  • 4 LabCo B.V. te Europoort of CCL Nutricontrol B.V. te Veghel draagt na ontvangst van het in het tweede lid sub b bedoelde monster zorg voor opslag gedurende een periode van 5 maanden.

Artikel 4 [Vervallen per 11-11-2007]

  • 1 De monsteropslag bij en monsterbehandeling door het analyselaboratorium vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in bijlage II.

  • 2 Het analyselaboratorium verricht het analytisch onderzoek in het eindmonster met inachtneming van het gestelde in bijlage II en bijlage III, volgens de onderzoekmethode zoals vastgelegd in de PDV-bundel "Onderzoekmethoden diervoeders".

  • 3 Het resultaat van deze analyse dient door het analyselaboratorium te worden beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid, aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het analyselaboratorium een herhalingsonderzoek op het monster uit.

  • 4 Het resultaat van de analyse als bedoeld in het tweede of derde lid wordt door het analyselaboratorium gerapporteerd aan de controle-instantie.

  • 5 Indien de analyse is uitgevoerd met een screeningsmethode, beoordeelt de controle instantie of een bevestigingsonderzoek uitgevoerd dient te worden in het betreffende eindmonster.

Artikel 5 [Vervallen per 11-11-2007]

  • 1 Indien het verschil tussen het analyseresultaat en het gedeclareerde dan wel minimaal/maximaal toegestane gehalte groter is dan de van toepassing zijnde tolerantie in bijlage IV, mag de controle-instantie het resultaat niet aan anderen dan de betreffende ondernemer mededelen, tenzij de analyse uitgevoerd is met een bevestigingsmethode.

  • 2 Van een verdenking van overtreding van de bepalingen van de verordeningen, genoemd in artikel 2 van de verordening, is pas dan sprake indien het analyseresultaat de van toepassing zijnde toleranties in bijlage IV overschrijdt en een bevestigingsonderzoek is uitgevoerd.

Artikel 6 [Vervallen per 11-11-2007]

  • 1 Indien de betrokken ondernemer het niet met het analyseresultaat eens is, kan hij, uiterlijk 30 dagen na rapportage, schriftelijk bij de controle-instantie verzoeken, op kosten van ongelijk, het eindmonster, bedoeld in artikel 3, tweede lid onder b, te onderzoeken.

  • 2 Het contramonsteronderzoek wordt als volgt uitgevoerd:

    • a. Het eindmonster als bedoeld in artikel 3, tweede lid onder b, wordt in opdracht van de controle-instantie door LabCo B.V. te Europoort of CCL Nutricontrol B.V. te Veghel gezonden naar een analyselaboratorium.

    • b. Het analyselaboratorium voor contra-onderzoek betreft een ander analyselaboratorium, dan het laboratorium dat het eerste onderzoek heeft uitgevoerd.

    • c. De te gebruiken analysemethode betreft een bevestigingsmethode.

    • d. De uitvoering van de analyse door het analyselaboratorium geschiedt met inachtneming van het gestelde in bijlage II.

    • e. Het resultaat van de analyse wordt door het analyselaboratorium gerapporteerd aan de controle-instantie.

  • 3 Het resultaat van het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt door de controle instantie beoordeeld in het licht van de reproduceerbaarheid, aangegeven bij de betreffende analysemethode in de PDV-bundel "Onderzoekmethoden diervoeder". Valt dit resultaat buiten de reproduceerbaarheid, dan wordt het analyseresultaat bedoeld in het eerste lid, verworpen.

  • 4 De betrokken ondernemer of diens vertegenwoordiger kan het eindmonster, bedoeld in artikel 3, tweede lid sub c, op eigen kosten bij een laboratorium naar keuze laten onderzoeken. De uitslag hiervan wordt door de controle-instantie op passende wijze bij de beoordeling, bedoeld in het derde lid, betrokken.

Artikel 7 [Vervallen per 11-11-2007]

  • 2 Voor bemonstering, monsterbehandeling, analyse en keuring van diervoeders op microbiologische kenmerken is de procedure van bijlage V van toepassing.

Artikel 8 [Vervallen per 11-11-2007]

Voor controle op energiewaarde van diervoeders is de keuringsprocedure van bijlage VI van toepassing.

Artikel 9 [Vervallen per 11-11-2007]

De analyselaboratoria zijn gehouden zich jegens het productschap te verplichten tot inachtneming van het bepaalde in dit besluit. De secretaris kan daarbij nadere voorwaarden stellen.

Artikel 10 [Vervallen per 11-11-2007]

Dit besluit wordt aangehaald als "Besluit PDV bemonsterings- en keuringsprocedure diervoedersector 2003".

Den Haag, 8 oktober 2003

Th.A.M. Meijer

voorzitter

Bijlage I. : Bemonsteringsprocedure [Vervallen per 11-11-2007]

1. Doel en toepassingsgebied [Vervallen per 11-11-2007]

Het nemen van monsters diervoeder, voormengsel, toevoegingsmiddel of voedermiddel en andere producten geschiedt in beginsel overeenkomstig het bepaalde in deze bijlage. Deze procedure is gebaseerd op Richtlijn van de Raad 76/371/EEG (PB EG nr. L 102, d.d. 15 april 1976) inzake bemonstering van diervoeders voor de officiële controle. De aldus verkregen monsters worden representatief geacht voor de partijen.

Deze bemonsteringsprocedure is niet van toepassing voor de bemonstering van zee- en binnenvaartschepen.

Uitzondering is voorts aan de orde voor verboden stoffen. Bij monstername voor onderzoek op verboden stoffen kan elke genomen hoeveelheid van meer dan 0,5 kg van een partij als een monster aangemerkt worden. Hiervoor geldt alleen het gestelde in paragraaf 5.5 en 6. van deze bijlage.

2. Definities [Vervallen per 11-11-2007]

  • a. Partij: Hoeveelheid van een product die een eenheid vormt, en waarvan aangenomen wordt dat ze uniforme kenmerken bezit.

  • b. Ondermonster: Een hoeveelheid die op een bepaald punt uit de partij is genomen.

  • c. Verzamelmonster: Het geheel van ondermonsters van dezelfde partij.

  • d. Deelmonster: Een gedeelte dat representatief is voor het verzamelmonster en dat wordt verkregen door verkleinen van dit monster.

  • e. Eindmonster: Een gedeelte van het deelmonster of van het gehomogeniseerde verzamelmonster.

3. Apparatuur [Vervallen per 11-11-2007]

3.1. Algemeen [Vervallen per 11-11-2007]

De bemonsteringsapparaten moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat de samenstelling van de te bemonsteren producten niet beïnvloedt.

3.2. aanbevolen apparatuur voor de bemonstering van vaste voeders [Vervallen per 11-11-2007]

3.2.1. Bemonstering met de hand [Vervallen per 11-11-2007]

  • a. Schop met platte bodem en verticale randen.

  • b. Boor met lange gleuf of met een in vakken ingedeelde gleuf. De afmetingen van de boor moeten zijn aangepast aan de kenmerken van de partij (diepte van de verpakking, afmetingen van de zak, enz.) en aan de grootte van de deeltjes waaruit het voeder is samengesteld.

3.2.2. Mechanische bemonstering [Vervallen per 11-11-2007]

Voor de bemonstering van voeder dat in beweging is, mag gebruik worden gemaakt van adequate mechanische apparaten.

3.2.3. Monsterverdeler [Vervallen per 11-11-2007]

Voor het nemen van ondermonsters, alsmede voor de bereiding van deelmonsters en van eindmonsters, mag gebruik worden gemaakt van apparaten waarmee het monster in ongeveer gelijke delen kan worden verdeeld.

4. Kwantitatieve vereisten [Vervallen per 11-11-2007]

4.1. stoffen of producten die gelijkmatig in het voeder zijn verdeeld [Vervallen per 11-11-2007]

4.1.1. Partij [Vervallen per 11-11-2007]

De grootte van de partij moet het mogelijk maken dat ieder deel van deze partij kan worden bemonsterd.

4.1.2. Ondermonsters [Vervallen per 11-11-2007]

  • a.

    Onverpakte voeders

    Minimum aantal ondermonsters

    Partijen van niet meer dan 2,5 ton

    7

    Partijen van meer dan 2,5 ton

    √ 20 maal het aantal tonnen waaruit de

    partij is samensesteld (a)

    Maximum aantal ondermonsters

    40

  • b.

    Verpakte voeders

    Minimum aantal te bemonsteren

    Verpakkingen met een inhoud van meer dan 1 kg:

    Partijen Samengesteld uit 1 t/m 4 verpakkingen

    Alle

    Partijen Samensesteld uit 5 t/m 16 verpakkingen

    4

    Partijen samengesteld uit meer dan 16 verpakkingen

    √ uit het aantal verpakkingen waaruit de partij is samengesteld (a)

    Maximum aantal

    20

    Verpakkingen met een inhoud van niet meer dan 1 kg:

    4

    Vloeibare of halfvloeibare voeders

    Minimum aantal te bemonsteren recipiënten

    Recipiënten met een inhoud van meer dan 1 liter:

    Partijen samengesteld uit 1 t/m 4 recipiënten

    Alle

    Partijen samengesteld uit 5 t/m 16 recipiënten:

    4

    Partijen samengesteld uit meer dan 16 recipiënten

    √ uit het aantal recipiënten waaruit de partij is Samensesteld (a)

    Maximum aantal

    20

    Recipiënten met een inhoud van niet meer dan 1 liter:

    4

  • d. Minerale voeders in de vorm van blokken en likstenen:

    Minimum aantal te bemonsteren blokken en likstenen (b): één blok of liksteen per partij van 25 eenheden, tot een maximum van 4 blokken of likstenen.

4.1.3. Verzamelmonster [Vervallen per 11-11-2007]

Per partij is een enkel verzamelmonster vereist. De totale massa of het totale volume van de ondermonsters die bestemd zijn om het verzamelmonster te vormen, mag niet minder bedragen dan de hierna vermelde hoeveelheden:

  • a. Onverpakte voeders: 4 kg1

  • b Verpakte voeders2;

    Verpakkingen met een inhoud van meer dan 1 kg: 4

    Verpakkingen met een inhoud van niet meer dan 1 kg: Gewicht van de inhoud Van 4 oorspronkelijke verpakkingen

  • c. Vloeibare of halfvloeibare voeders

    Recipiënten met een inhoud van meer dan 1 liter: 4 liter

    Recipiënten met een inhoud van niet meer dan 1 liter: volume van de inhoud van 4 oorspronkelijke recipiënten

  • d. Minerale voeders in de vorm van blokken en likstenen

    waarvan het gewicht per eenheid meer dan 1 kg bedraagt: 4 kg

    waarvan het gewicht per eenheid niet meer dan 1 kg bedraagt: gewicht van 4 oorspronkelijke blokken of likstenen

4.1.4. Eindmonsters [Vervallen per 11-11-2007]

Na eventuele verdeling worden uit het verzamelmonster eindmonsters verkregen. Tenminste één eindmonster moet worden geanalyseerd. De voor de analyse bestemde massa of volume van het eindmonster mag niet minder bedragen dan de hieronder vermelde hoeveelheden:

  • -

    Vaste voeders: 500 g

  • -

    Vloeibare of halfvloeibare voeders: 500 ml

4.2. Ongewenste stoffen of producten waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij niet gelijkmatig in het voerders, zijn verdeeld, zoals aflatoxine, moederkoren, ricinus crotalaria in voedermiddelen (c) [Vervallen per 11-11-2007]

4.2.2. Ondermonsters [Vervallen per 11-11-2007]

  • a. Onverpakte voeders: zie 4.1.2a

    Verpakte voeders

    Minimum aantal te bemonsteren verpakkingen

    Partijen samengesteld uit 1 t/m 4 verpakkingen

    Alle

    Partijen samenqesteld uit 5 t/m 16 verpakkingen

    4

    Partijen samengesteld uit meer dan 16 verpakkingen

    √ uit het aantal verpakkingen waaruit de partij is samengesteld (a)

    Maximum aantal

    40

4.2.3. Verzamelmonsters [Vervallen per 11-11-2007]

Het aantal vetzamelmonsters is afhankelijk van de omvang van de partij. Het minimum aantal verzamelmonsters per partij is hieronder aangeduid. De massa van de ondermonsters die bestemd zijn om elk verzamelmonster te vormen, mag niet minder dan 4 kg bedragen.

Omvang van de partij in tonnen

Minimum aantal verzamelmonsters per partij:

tot en met 1

1

van 1 tot en met 10

2

van 10 tot en met 40

3

meer dan 40

4

Aantal verpakkingen waaruit de partij is samengesteld

Minimum aantal verzamelmonsters per partij:

1 tot en met 16

1

van 17 tot en met 200

2

van 201 tot en met 800

3

meer dan 800

4

4.2.3. Eindmonsters [Vervallen per 11-11-2007]

Na verdeling worden uit elk verzamelmonster eindmonsters verkregen. De massa van het voor de analyse bestemde eindmonster mag niet minder dan 500 g bedragen.

5. Instructies betreffende de bemanstering, de bereiding en de verpakking van de monsters [Vervallen per 11-11-2007]

5.1. Algemeen [Vervallen per 11-11-2007]

De monsters moeten worden genomen en bereid, met inachtneming van de voorzorgsmaatregelen die vereist zijn om verandering of verontreiniging van het product te voorkomen. De bemonsteringsapparatuur alsmede de oppervlakken en recipiënten die bestemd zijn voor de monsters moeten schoon en droog zijn.

5.2. Ondermonsters [Vervallen per 11-11-2007]

5.2.1. Stoffen of producten die gelijkmatig in het voeder zijn verdeeld. [Vervallen per 11-11-2007]

De ondermonsters moeten op willekeurige wijze uit de gehele partij worden genomen. De massa of het volume daarvan moet ongeveer gelijk zijn.

  • a. Onverpakte voeders

    De partij moet op denkbeeldige wijze in een aantal ongeveer gelijke delen worden verdeeld. Op willekeurige wijze moet een aantal delen worden gekozen overeenkomstig het aantal onder sub 4.1.2 vermelde ondermonsters en er moet minstens één monster uit elk van deze delen worden genomen.

    Eventueel kunnen de monsters worden getrokken wanneer de partij in beweging wordt gebracht (laden of lossen).

  • b. Verpakte voeders

    Aangezien het vereiste aantal te bemonsteren verpakkingen beperkt is, zoals in 4.1.2 is aangegeven, moet uit de inhoud van elke verpakking met behulp van een boor of een schop een gedeelte worden genomen. Eventueel dienen de monsters te worden genomen nadat de verpakkingen afzonderlijk zijn geledigd.

  • c. Vloeibare of halfvloeibare homogene of te homogeniserenvoeders

    Aangezien het vereiste aantal te bemonsteren recipiënten beperkt is, zoals in 4.1.2c is aangegeven, moet tenminste uit elke recipiënt een monster worden genomen na eventueel de inhoud ervan gehomogeniseerd te hebben.

    De ondermonsters kunnen eventueel worden genomen bij het aftappen van het product.

  • d. Vloeibare of halfvloeibare voeders die niet gehomogeniseerd kunnen worden

    Daar het vereiste aantal te bemonsteren recipiënten beperkt is, zoals in 4.1.2 is aangegeven, dienen de monsters op verschillende niveaus te worden genomen. De monsters mogen ook worden genomen bij het aftappen van het product, na de eerste delen ervan te hebben verwijderd. In beide gevallen mag het totale volume van de monsters niet minder dan 10 liter bedragen.

  • e. Minerale voeders in de vorm van blokken en likstenen

    Aangezien het vereiste aantal te bemonsteren blokken of likstenen beperkt is, zoals in 4.1.2 is aangegeven, moet een gedeelte van elk blok of elke liksteen worden genomen.

5.2.2. Ongewenste stoffen of producten waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij niet gelijkmatig in het voeder zijn verdeeld, zoals aflatoxinen, moederkoren, ricinus en crotalaria in enkelvoudige voeders. [Vervallen per 11-11-2007]

De partij moet op denkbeeldige wijze in een aantal ongeveer gelijke delen worden verdeeld overeenkomstig het aantal in 4.2.3 vermelde verzamelmonsters. Wanneer dit aantal meer dan één bedraagt, moet het totaal aantal in 4.2.2 voorgeschreven ondermonsters op ongeveer gelijke wijze over de verschillende delen worden verdeeld. Vervolgens worden ongeveer gelijke massa's (d) genomen, zodanig dat de totale massa van de monsters van elk deel niet minder bedraagt dan de minimum hoeveelheid van 4 kg die vereist is voor elk verzamelmonster. De ondermonsters afkomstig van verschillende delen mogen niet worden samengevoegd.

5.3. Bereiding van de verzamelmonsters [Vervallen per 11-11-2007]

5.3.1. Stoffen of producten die gelijkmatig in het voeder zijn verdeeld. [Vervallen per 11-11-2007]

De ondermonstens worden samengevoegd zodat één enkel verzamelmonster tot stand komt.

5.3.2. Ongewenste stoffen of producten waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij niet gelijkmatig in het voeder zijn verdeeld, zoals aflatoxinen, moederkoren, ricinus en crotalaria in enkelvoudige voeders. [Vervallen per 11-11-2007]

De van elk gedeelte van de partij afkomstige ondermonsters worden samengevoegd en het in 4.2.3 voorgeschreven aantal vetzamelmonsters gevormd, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de herkomst van elk verzamelmonster wordt vermeld.

5.4. Bereiding van de eindmonsters [Vervallen per 11-11-2007]

Elk verzamelmonster wordt zorgvuldig gemengd teneinde een homogeen monster te verkrijgen (e). Verdeel daartoe indien nodig, het verzamelmonster tot tenminste 2 kg of 2 I (deelmonster) hetzij met behulp van een mechanische monsterverdeler, hetzij door verdeling in kwartieren.

Bereid vervolgens drie laboratoriummonsters overeenkomstig artikel 3 lid 2 met ongeveer dezelfde massa of hetzelfde volume, die aan de in 4.1.4 of 4.2.3 vermelde kwantitatieve eisen beantwoorden. Elk monster moet in een daartoe geschikte recipiënt worden overgebracht. Alle nodige voorzorgen moeten worden genomen om elke wijziging in de samenstelling van het monster of elke verontreiniging of verandering die tijdens het vervoer of de opslag kan plaatsvinden, te voorkomen.

5.5. Verpakking van de eindmonsters [Vervallen per 11-11-2007]

De recipiënten of verpakkingen moeten zodanig verzegeld en geëtiketteerd worden (het etiket moet deel uitmaken van het zegel) dat het onmogelijk is deze te openen zonder het zegel te beschadigen.

6. Bemonsteringsrapport [Vervallen per 11-11-2007]

Voor elke monsterneming moet een bemonsteringsrapport worden opgesteld, op grond waarvan de bemonsterde partij op ondubbelzinnige wijze kan worden geïdentificeerd.

  • (a) Indien de uitkomst een gebroken getal is, moet dit getal op het eerstvolgende hogere gehele getal warden afgerond.

  • (b) Voor de verpakkingen of de recipiënten waarvan de inhoud niet meer dan 1 kg of / liter bedraagt, alsmede voor de blokken of likstenen waarvan het gewicht per eenheid niet meer dan 1 kg bedraagt, vormt de inhoud van een oorspronkelijke verpakking of van een oorspronkelijke recipiënt, dan wel een blok of een ondermonster.

  • (c) De sub 4.2 genoemde modaliteiten zijn van toepassing voor de controle op aflatoxinen, moederkoren, ricinus, crotalaria in volledige of aanvullende mengvoeders.

  • (d) In geval van verpakte voeders door een gedeelte van de inhoud van de te bemonsteren verpakkingen met behulp van een boor of een schop eruit te nemen, eventueel na de verpakkingen afzonderlijk te hebben geledigd.

  • (e) Maak, indien nodig, bij elk verzamelmonster afzonderlijk de brokstukken fijn (door ze eventueel van de massa te scheiden en vervolgens het geheel weer samen te voegen).

Bijlage II. : Monsterbehandelingsprocedure en analysemethoden [Vervallen per 11-11-2007]

1. Monsterbehandelingsprocedure [Vervallen per 11-11-2007]

De monsterbehandeling dient in beginsel te geschieden overeenkomstig het bepaalde in deze bijlage. Deze is gebaseerd op Richtlijn 71/250/EEG (PB EG nr. L 155; d.d. 12 juli 1971) herzien met Richtlijn 81/680/EEG (PB EG nr. L 246, d.d. 29 augustus 1981) inzake algemene bepalingen betreffende het analyseren van diervoeders.

Bijzondere bepalingen betreffende monsterbehandeling kunnen voorkomen in de voorschriften voor analysemethoden zoals bedoeld in par. 2 van deze bijlage.

1.1. Bereiding van monsters voor analyse [Vervallen per 11-11-2007]

1.1.1. Doel [Vervallen per 11-11-2007]

De hieronder beschreven werkwijzen hebben betrekking op het voor anaiyse gereed maken van, na monstername, naar de laboratoria gezonden monsters.

Deze monsters moeten zodanig bereid worden dat de afgewogen hoeveelheden,zoals in de analysemethode is voorzien, homogeen zijn en representatief voor de eindmonsters.

1.1.2. Voorzorgsmaatregelen [Vervallen per 11-11-2007]

Alle noodzakelijke bewerkingen moeten zodanig worden uitgevoerd dat verontreiniging van het monster en veranderingen in de samenstelling zoveel mogelijk worden vermeden. Het malen, mengen en zeven moet zo snel mogelijk gebeuren onder zo gering mogelijke blootstelling van het monster aan lucht en licht.Vermijd het gebruik van maaltoestellen welke het monster aanmerkelijk kunnen verwarmen. Voor voeders die bijzonder gevoelig zijn voor warmte,wordt malen met de hand aanbevolen. Ook moet er voor gewaakt worden dat het maaltoestel zelf niet de oorzaak van verontreiniging met sporenelementen vormt.

Als de bereiding niet kan plaatsvinden zonder dat er duidelijke veranderingen in het vochtgehalte van het monster optreden, moet het vochtgehalte voor en na de bereiding worden bepaald volgens de methode die is vastgelegd in de bundel "Onderzoekmethoden diervoeder" van het productschap.

1.1.3. Werkwijze [Vervallen per 11-11-2007]

Meng het eindmonster grondig, hetzij mechanisch hetzij met de hand. Verdeel het monster in twee gelijke porties (indien mogelijk met de vierendeelmethode) . Bewaar de ene portie in een geschikt schoon en droog vat, dat voorzien is van een luchtdichte stop, en bereid de andere portie, of een representatief deel van ten minste 100 g daarvan, als hieronder is aangegeven.

a. Producten die als zodanig gemalen kunnen worden [Vervallen per 11-11-2007]

Zeef, tenzij in de analysemethodes anders is aangegeven, het deelmonster door een zeef met openingen van 1 mm (Overeenkomstig aanbeveling IS0 R565), zo nodig namalen. Maal niet te fijn. Meng het gezeefde monster en verzamel het in een geschikt schoon en droog vat, dat is voorzien van een luchtdichte stop.

b. Voeders die gemalen kunnen worden na droging [Vervallen per 11-11-2007]

Droog het monster, tenzij in de analysemethoden anders is aangegeven, zo ver dat het vochtgehalte tot 8-12% is teruggebracht, overeenkomstig de voorlopige droogmethode, welke beschreven is onder punt 4.3 van de vochtbepalingsmethode zoals beschreven in de bundel "Onderzoekmethoden diervoeder”. Ga dan verder te werk als in paragraaf a.

c. Vloeibare of halfvloeibare voeders [Vervallen per 11-11-2007]

Verzamel het monster in een geschikt schoon en droog vat, dat voorzien is van een luchtdichte stop. Meng het grondig, vlak voor de hoeveelheid voor analyse wordt afgewogen.

d. Andere diervoeders [Vervallen per 11-11-2007]

Monsters die niet volgens een van de bovenstaande methoden kunnen worden bereid, moeten worden behandeld volgens een andere werkwijze, die zodanig is dat in ieder geval de voor de analyse afgewogen hoeveelheden homogeen zijn en representatief voor de eindmonsters.

1.1.4. Bewaren van monsters [Vervallen per 11-11-2007]

Bewaar de monsters bij een temperatuur die hun samenstelling niet zal beïnvloeden. Monsters die bestemd zijn voor de analyse van vitaminen of producten en temperatuurgevoelig zijn moeten gekoeld (< 7 graden °C) worden opgeslagen. Zijn ze gevoelig voor licht dan moeten de monsters worden bewaard in lichtwerend verpakkingsmateriaal. Algemeen geldt dat de monsters moeten worden opgeslagen in een omgeving waarin geen ontleding zal plaatsvinden.

1.2. Bepalingen betreffende in de analysemethoden gebruikte reagentia en apparatuur [Vervallen per 11-11-2007]

Tenzij in de analysemethoden anders is aangegeven, moeten alle reagentia voor analysedoeleinden analytisch zuiver zijn (p.a.). Bij het bepalen van spoorelementen moet de zuiverheid van de reagentia gecontroleerd worden door een blancoproef; afhankelijk van de verkregen uitkomst, kan verdergaande zuivering van reagentia nodig zijn.

Elke in de analysemethoden genoemde handeling waar het gaat om bereiding van oplossingen, verdunning, spoelen of wassen, zonder dat de aard van het gebruikte oplosmiddel is aangegeven, houdt in dat water moet worden gebruikt. Als algemene regel geldt dat water moet zijn gedemineraliseerd of gedestilleerd. In bepaalde gevallen die in de analysemethoden nader worden aangeduid moet het een speciale zuiveringsbehandeling hebben ondergaan. Water dat gebruikt wordt voor de bepaling van spoorelementen moet een minimum weerstand hebben van 10 Mega-ohm.

Van de standaardapparatuur, die normaal in de controlelaboratoria aanwezig is, worden slechts speciale instrumenten en toestellen of apparatuur waaraan bijzondere eisen zijn gesteld in de analysemethoden vermeld. Deze moeten schoon zijn, vooral wanneer het gaat om de bepaling van kleine hoeveelheden stof.

1.3. Toepassing van analysemethode en weergave resultaten [Vervallen per 11-11-2007]

In het aIgemeen wordt voor de bepaling van elk bestanddeel in diervoeders een analysemethode vastgesteld. Wanneer er meer methoden zijn moet de door het laboratorium gebruikte methode in het analyserapport worden aangegeven.

Het in het analyserapport vermelde resultaat is de gemiddelde waarde uit ten minste twee, op aparte porties van het monster uitgevoerde bepalingen, waarbij de resultaten van de bepaling liggen binnen de herhaalbaarheid die voor de betreffende methode is vastgesteld. Indien een duplo-bepaling op andere wijze dan hiervoor wordt uitgevoerd moet aangetoond worden dat de maximale duplo-verschillen voldoen aan de norm van de herhaalbaarheid.

Het resultaat moet worden opgegeven op de in de methoden vastgelegde wijze, met een passend aantal significante cijfers en waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met het vochtgehalte van het eindmonster voor de behandeling.

2. Analysemethoden [Vervallen per 11-11-2007]

2.1. procedure voor het deponeren van analvsemethoden [Vervallen per 11-11-2007]

De vast te leggen methoden (in EG-verband vastgelegd volgens Richtlijn 70/373/EEG alsmede niet in EG-verband vastgelegd) worden voorafgaande aan deponering aan de door de Commissie Kwaliteitsaangelegenheden Dievoedersector ingestelde Stuurgroep Analyseaangelegenheden Diervoedersector voor advies voorgelegd. Bij het selecteren van te deponeren analysemethoden wordt als volgt te werk gegaan:

Is er een bruikbare EG-methode beschikbaar nee, dan:

==> ja, dan deponeren

Is er een bruikbare ISO- of CEN-methode? nee, dan:

==> ja, dan deponeren

Is er een bruikbare NEN-methode? nee, dan:

==> ja, dan deponeren

Is er een bruikbare nationaal ontwikkelde methode

==> ja, dan deponeren

Ingeval er een EG-methode beschikbaar is en deze door de SAD niet bruikbaar wordt geacht dient dit in de methode te worden gemotiveerd. Vervolgens zal aan de Europese Commissie gemotiveerd worden aangegeven waarom wordt afgeweken van de EG-methode.

In de methoden worden de herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid vastgelegd.

De analysemethoden worden na behandeling in de SAD opgenomen in de PDV-bundel "Onderzoekmethoden diervoeder”.

De SAD dient de methoden bij de beoordeling op de volgende criteria te toetsen:

  • a. specificiteit;

  • b. juistheid;

  • c. precisie: herhaalbaarheid in hetzelfde laboratorium en reproduceerbaarheidin de tijd in hetzelfde en in verschillende laboratoria;

  • d. detectie- en bepaalbaarheidsgrens;

  • e. uitvoerbaarheid en toepasbaarheid;

  • f. andere criteria die naar gelang van de noodzaak kunnen worden toegepast.

De ondere c. bedoelde precisiewaarden worden (of zijn) verkregen door middel van een collectieve proef (ringtest), uitgevoerd volgens een internationaal aanvaard protocol voor dergelijke proeven zoals bijvoorbeeld ISO 5725: 1986 "Precisie van testmethoden". De waarden voor de herhaalbaarheid en de reproduceerbaarheid worden uitgedrukt in internationaal erkende vorm (bijvoorbeeld 95 % betrouwbaarheidsintervallen, zoals gedefinieerd in ISO-norm 5725/1 986). Hiervoor komen ook de resultaten in aanmerking die worden verkregen bij ringonderzoek van de Kwatiteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria. De resultaten van de ringtest worden bij de analysemethode in de bundel "Onderzoekmethoden diervoeder” opgenomen.

2.2. Officiële analysemethoden [Vervallen per 11-11-2007]

Bij analysemethoden wordt onderscheid gemaakt in screeningsmethoden en bevestigingsmethoden.

Het gaat hier om (referentie) methoden zoals die bij de analyse dienen te worden gebruikt, waarbij tevens is aangegeven welke herhaalbaarheid dan wel reproduceerbaarheid aangenomen dient te worden voor de analysefout.

In de PDV-bundel "Onderzoekmethoden diervoeder" van het Productschap Diervoeder zijn in het kader van het toezicht toe te passen de analysemethoden vastgelegd.

Bijlage III. : Onderzoekslaboratoria [Vervallen per 11-11-2007]

De hierna genoemde laboratoria voeren op verzoek van de controle-instantie analyse uit. De analyse wordt op aanwijzing van de controle-instantie uitgevoerd met behulp van een screenings- of een bevestigingsmethode. Hiertoe worden de methoden gebruikt als vastgelegd in de PDV-bundel “Onderzoekmethoden diervoeder"

De laboratoria dienen te voldoen aan de norm:

NEN-EN-ISO/IEC 17025: Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria

De laboratoria zijn als volgt gecodeerd:

I

LabCo E.V. te Europoort

II

TNO-Voeding te Zeist

III

RIKILT-DLO te Wageningen

IV

CCL Nutricontrol B.V.te Veghel

1. Toevoegings- en diergeneesmiddelen [Vervallen per 11-11-2007]

Parameter

materiaal/product

gerechtigd laboratorium

Antibiotica

mengvoeder

voormengsel

II,III

Coccidiostatica, etc

mengvoeder

voormengsel

II,III

Kleurstoffen etc.

mengvoeder

voormengsel

II,III

Vitaminen etc.

mengvoeder

voormengsel

II,III,IV

Spoorelementen

mengvoeder

voedermiddel

voormengsel

II,III

Groeibevorderende stoffen

mengvoeder

voormengsel

II,III

Diergeneesmiddelen

mengvoeder

voormengsel

II, III

Overige toevoegingsmiddelen

mengvoeder

voormengsel

II, III

2. Ongewenste stoffen en producucten [Vervallen per 11-11-2007]

Parameter

materiaal/product

gerechtigd laboratorium

Stoffen

mengvoeder

voormengsel

voedermiddel

I,II,III,IV

Producten

mengvoeder

voormengsel

voedermiddel

I,II, III,IV

Botanische onzuiverheden

mengvoeder

voormengsel

voedermiddel

I,II,III

3. Weende / mineralen [Vervallen per 11-11-2007]

Parameter

materiaal/product

gerechtigd laboratorium

Diversen

mengvoeder

voedermiddel

voormengsel

I,II,III,IV

4. Microbiologische kenmerken [Vervallen per 11-11-2007]

Parameter

materiaal/product

gerechtigd laboratorium

Salmonella

mengvoeder

voedermiddel

voormengsel

I,II,III,IV

Enterobacteriaceae

mengvoeder

voedermiddel

voormengsel

I,II,III,IV

Gisten en schimmels

mengvoeder

voedermiddel

voormengsel

I,II,III

5. Overige kenmerken [Vervallen per 11-11-2007]

Parameter

materiaal/product

gerechtigd laboratorium

diversen

mengvoeder

voedermiddel

voormengsel

I,II,III

Bijlage IV. : Toleranties [Vervallen per 11-11-2007]

De in de bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het gedeclareerd, dan wel maximaal toegestane gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.

1. Toevoegingsmiddelen behorend tot de Categorieën A, D, en J in mengvoeders. [Vervallen per 11-11-2007]

1.1. Toevoegingsmiddelen behorende tot de categorie A (antibiotica) [Vervallen per 11-11-2007]

Toevoegingsmiddel

doseringsniveau gr/1000 kg

tolerantie

Flavophospholipol

voor volledige en aanvullende voeders

50%

Monensin-natrium (rund)

10- 40

25%

Salinomycine-natrium

30- 60

20%

Avilamycine

voor volledige en aanvullende voeders

30%

1.2. Toevoegingsmiddelen behorend tot de categorie D (coccidiostatica en andere geneeskrachtig stoffen) [Vervallen per 11-11-2007]

Toevoegingmiddel

doseringsniveau gr/1000 kg

tolerantie

Decoquinaat

20-40

25%

Monensin-natrium

90-125

20%

Robenidine

30-66

25%

Losalocide-natrium

75-125

20%

Halofuginon

2-3

-50%

   

+35%

Narasin

60-100

20%

Salinomycine- natrium

20-70

20%

Narasin/Nicarbazin

80-100

20%

2. Diergeneesmiddelen en toevoegingsmiddelen behorend tot de categorieën A, D en J in voormengsels. [Vervallen per 11-11-2007]

2.1. Toevoegingsmiddelen behorend tot de categorie A (antibiotica) [Vervallen per 11-11-2007]

Toevoegingsmiddel

tolerantie

Flavophospholipol

20%

Monensin-natrium

15%

Salinomycine-natrium

15%

2.2. Toevoegingsmiddelen behorend tot de categorie D (coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen) [Vervallen per 11-11-2007]

Toevoegingsmiddel

tolerantie

Monensin-natrium

Zie 2.1

Robenidine

15%

Narasin

15%

Salinomvcine-natrium

zie 2.1

2.3. Toevoegingsmiddelen behorend tot de categorie J (groeibevorderende stoffen) [Vervallen per 11-11-2007]

Toevoegingsmiddel

tolerantie

OTC

15%

Indien een toevoegingsmiddel of diergeneesmiddel niet wordt genoemd, betekent dit dat de tolerantie nog niet officieel is vastgesteld.

3. Kenmerken volgens Verordening PDV diervoeders 2003 [Vervallen per 11-11-2007]

3.1. kenmerken volgens verordening pdv diervoeders 2003, hoofdstuk 7 (andere mengvoeders dan mengvoeders voor gezelschapsdieren) [Vervallen per 11-11-2007]

3.1.1. indien het geconstateerde gehalte lager is dan het opgegeven gehalte: [Vervallen per 11-11-2007]

3.1.1.1. Ruw eiwit: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    2 eenheden voor opgegeven gehalten van 20% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 20% (tot 10%)

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 10%.

3.1.1.2. Totaal suikers: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    2 eenheden voor opgegeven gehalten van 20% of meer,

    - 10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 20% (tot 10%)

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 10%.

3.1.1.3. Zetmeel en totaal suikers plus zetmeel: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    2,5 eenheden voor opgegeven gehalten van 25% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 25% (tot 10%)

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 10%.

3.1.1.4. Ruw vet: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1,5 eenheid voor opgegeven gehalten van 15%en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 15% (tot 8%)

  • -

    0,8 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 8%.

3.1.1.5. Natrium, kalium en magnesium: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1,5 eenheid voor opgegeven gehalten van 15% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 15% (tot 7,5%)

  • -

    0,75 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 7,5% (tot 5%)

  • -

    15% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 5% (tot 0,7%)

  • -

    0,1 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 0,7%.

3.1.1.6. Totaal fosfor en calcium: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1,2 eenheid voor opgegeven gehalten van 16% en meer,

  • -

    7,5% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 16% (tot 12%)

  • -

    0,9 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 12% (tot 6%)

  • -

    15% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 6% (tot 1 %)

  • -

    0,15 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 1%.

3.1.1.7. Methionine, lysine en threonine: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    15% van het opgegeven gehalte

3.1.1.8. Cystine en tryptofaan: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    20% van het opgegeven gehalte

3.1.2. indien het geconstateerde gehalte hoger is dan het opgegeven gehalte: [Vervallen per 11-11-2007]

3.1.2.1. Vocht: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van 10%en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 10% (tot 5%)

  • -

    0,5 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 5%.

3.1.2.2. Ruwe as: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van 10% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 10% (tot 5%)

  • -

    0,5 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 5%.

3.1.2.3. Ruwe celstof: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1,8 eenheid voor opgegeven gehalten van 12% en meer,

  • -

    15% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 12% (tot 6%)

  • -

    0,9 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 6%.

3.1.2.4. In zoutzuur onoplosbare as: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van 10% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 10% (tot 4%)

  • -

    0,4 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 4%.

3.1.3. indien het geconstateerde verschil niet overeenkomt met het in de paragrafen 3.1.1 en 3.1.2 bedoelde verschil: [Vervallen per 11-11-2007]

3.1.3.1. Ruw eiwit, ruw vet, totaal suikers, zetmeel: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    het tweevoudige van de voor deze stoffen volgens paragraaf 3.1.1. toegelaten tolerantie

3.1.3.2. natrium, kalium, magnesium, totaal fosfor, calcium, ruw as en ruwe celstof: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    het drievoudige van de voor deze stoffen volgens paragraaf 3.1.1. en 3.1.2 toegelaten tolerantie.

3.2. kenmerken volaens verordening pdv diervoeders 2003, hoofdstuk 7 (mengvoeders voor gezelschapsdieren) [Vervallen per 11-11-2007]

3.2.1. Indien het geconstateerde gehalte lager is dan het opgegeven gehalte: [Vervallen per 11-11-2007]

3.2.1.1. Ruw eimt: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    3,2 eenheden voor opgegeven gehalten van 20% en meer,

  • -

    16% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 20% (tot 12,5%)

  • -

    2 eenheden voor opgegeven gehalten van minder dan 12,5%.

3.2.1.2. Ruw vet: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    2,5 eenheden van het opgegeven gehalte

3.2.2. Indien het geconstateerde gehalte hoger is dan het opgegeven gehalte: [Vervallen per 11-11-2007]

3.2.2.1. Vocht: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    3 eenheden voor de opgegeven gehalten van 40% en meer

  • -

    7,5% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 40% (tot 20%)

  • -

    1,5 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 20%.

3.2.2.2. Ruwe as: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1,5 eenheid van het opgegeven gehalte

3.2.2.3. Ruwe celstof: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1 eenheid van het opgegeven gehalte

3.2.3. Indien het geconstateerde verschil niet overeenkomt met het in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 bedoelde verschil: [Vervallen per 11-11-2007]

3.2.3.1. Ruw eiwit: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    het tweevoudige van de voor deze stof volgens paragraaf 3.2.1.1. toegelaten tolerantie

3.2.3.2. Ruw vet: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    een identieke tolerantie als vermeld voor deze stof volgens punt 3.2.1.2.

3.2.3.3. Ruw as, ruwe celstof: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    het drievoudige van de voor deze stoffen volgens de paragrafen 3.2.2.2 en 3.2.2.3 toegelaten tolerantie

3.3. Kenmerken volgens Verordening PDV diervoeders 2003, hoofdstuk 3 (voedermiddelen) [Vervallen per 11-11-2007]

3.3.1. Ruw eiwit: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    2 eenheden voor opgegeven gehalten van 20% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehaltevoor de opgegeven gehalten van minder dan 20% (tot 10%).

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 10%.

3.3.2. Totaal suikers, reducerende suikers, saccharose, lactose (melksuiker) en glucose (dextrose): [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    2 eenheden voor opgegeven gehalten van 20% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 20% (tot 5%),

  • -

    0,5 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 5%.

3.3.3. Zetmeel en inuline: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    3 eenheden voor opgegeven gehalten van 30% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehaltevoor de opgegeven gehalten van minder dan 30% (tot 10%),

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 10%.

3.3.4. Ruw vet: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1,8 eenheden voor opgegeven gehalten van 15% en meer,

  • -

    12% van het opgegeven gehaltevoor de opgegeven gehalten van minder dan 15% (tot 5%).

  • -

    0,6 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 5%.

3.3.5. Ruwe celstof: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    2,1 eenheid voor opgegeven gehalten van 14% en meer,

  • -

    15% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 14% (tot 6%),

  • -

    0,9 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 6%.

3.3.6. Vocht en ruw as: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1 eenheid voor opgegeven gehalten van 10% en meer,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte voor de opgegeven gehalten van minder dan 10% (tot 5%),

  • -

    0,5 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 5%.

3.3.7. Natrium calciumcarbonaat (krijt), calcium, magnesium, fosfor, zuurgetal en in petroleumether onoplosbare bestanddelen: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    1,5 eenheid voor opgegeven gehalten (waarden) van 15% (15) en meer, naar gelang van het geval,

  • -

    10% van het opgegeven gehalte (waarde) voor opgegeven gehalten (waarden) van minder dan 15% (15), naar gelang van het geval, tot 2% (2),

  • -

    0,2 eenheid voor opgegeven gehalten (waarden) van minder dan 2% (2), naar gelang van het geval.

3.3.8. In HCI onoplosbare as en chloriden, uitgedrukt in NaCI [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    10% voor het opgegeven gehalte voor opgegeven gehalten van 3% of meer,

  • -

    0,3 eenheid voor opgegeven gehalten van minder dan 3%.

3.3.9. Caroteen, Vitamine A, xanthofyl: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    30% van het opgegeven gehalte.

3.3.10. Methionine, lysine en vluchtige stikstofbasen: [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    20% van het opgegeven gehalte.

3.4. kenmerken volgens verordening pdv diervoeders 2003. hoofdstuk 8 (ongewenste stoffen en producten) [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    nog nader in te vullen

3.5. Kenmerken volgens Verordening PDV diervoeders 2003. hoofdstuk 4 (bijzondere stikstofthoudende producten) [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    nog nader in te vullen

4. Kenmerken volgens Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003 [Vervallen per 11-11-2007]

4.1. diervoeders met meer dan 14% vocht [Vervallen per 11-11-2007]

4.1.1. voor fosfor: [Vervallen per 11-11-2007]

0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;

10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;

0,10% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%;

4.1.2. voor ruw eiwit: [Vervallen per 11-11-2007]

1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;

9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;

0,90% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%.

4.2. diervoeders met 14% vocht en minder: [Vervallen per 11-11-2007]

4.2.1. voor fosfor: [Vervallen per 11-11-2007]

0,54% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;

9,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;

0,09% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%;

4.2.2. voor ruw eiwit: [Vervallen per 11-11-2007]

1,60% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;

8,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;

0,80% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%.

4.3. te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters: [Vervallen per 11-11-2007]

Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:

Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 4.1 en 4.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.

Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 4.1 en 4.2 is vastgesteld.

Bijlage V. : Procedure voor bemonstering, monsterbehandeling, analyse en keuring van diervoeders voor microbiologisch onderzoek [Vervallen per 11-11-2007]

Als analyselaboratoria voor het microbiologisch onderzoek van monsters, genomen ingevolge deze bijlage worden aangewezen:

  • -

    LabCo B.V. te Europoort

  • -

    RIKILT-DLO te Wageningen

  • -

    CCL Nutricontrol B.V. te Veghel

1. Droge voedermiddelen en diervoeders [Vervallen per 11-11-2007]

1.1. Monstername van bulkgoederen [Vervallen per 11-11-2007]

Voor de monsterneming dient gebruik te worden gemaakt van:

  • -

    een steriele plastic zak die van binnen naar buiten gekeerd om de hand wordt genomen of

  • -

    een steriele plastic lepel waarmee van de productstroom middels 2 monsters van 100 tot 500 gram product worden gemaakt.

1.2. Monstername van zakgoed [Vervallen per 11-11-2007]

Voor de bemonstering dient gebruik gemaakt te worden van een steriele lepel waarmee per schep 25 tot 50 gram product wordt genomen. Er dienen zoveel scheppen te worden genomen dat 2 monsters worden verkregen van minimaal 100 gram.

Voor elk nieuw te bemonsteren product dient opnieuw een steriele lepel te worden gebruikt.

1.3. Handling en identificatie van monsters [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    Monsters dienen zodanig te worden verpakt dat er geen nabesmetting optreedt.

  • -

    Monsterverpakkingsmateriaaldient steriel te zijn.

  • -

    De monsters dienen te worden verzegeld.

  • -

    1 duplomonster wordt achtergelaten bij het bedrijf.

  • -

    Monsters dienen niet te worden gekoeld om condensvorming te vermijden.

  • -

    Binnen 14 dagen na monstername dient het monster aangeleverd te zijn aan het laboratorium. Het resultaat van het onderzoek wordt door het laboratorium gerapporteerd aan het BCD.

2. Moist voedermiddelen en diervoeders [Vervallen per 11-11-2007]

2.1. Bevroren toestand [Vervallen per 11-11-2007]

2.1.1. Monstername diervoeder [Vervallen per 11-11-2007]

Het diervoeder dient in bevroren toestand te blijven. Als monstereenheid wordt een consumentenverpakking genomen (monstergrootte 100-500 gram). Per product (soort) worden 2 monsters genomen en wordt elk monster verpakt in een steriele plastic zak.

2.1.2. Monstername voedermiddel [Vervallen per 11-11-2007]

Onder steriele omstandigheden wordt in het bedrijf een monster bereid van 100-500 gram.

2.1.3. Handling en identificatie van monsters [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    Monsters dienen zodanig te worden verpakt dat er geen nabesmetting optreedt. ln ieder geval microbiologisch en luchtdicht gesloten.

  • -

    De monsters dienen te worden verzegeld.

  • -

    1 duplomonster wordt achtergelaten bij het bedrijf.

  • -

    Monsters dienen binnen 6 uur na monstername aan het laboratorium te worden afgeleverd. Tijdens transport dienen de monsters te worden opgeslagen in koelboxen met diepvrieselementen. De monsters mogen niet ontdooien.

  • -

    Het laboratorium zet het monster binnen 24 uur na ontvangst in voor analyse.

  • -

    Het laboratorium rapporteert het resultaat van het onderzoek aan het BCD.

2.2. Blikgoed [Vervallen per 11-11-2007]

2.2.1. Monstername [Vervallen per 11-11-2007]

Van een batch worden willekeurig 2 blikken genomen.

2.2.2. Handling en identificatie van de monsters [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    Het identificatieformulier dient te worden gebruikt als begeleidend document het monster.

  • -

    De monsters dienen te worden verzegeld.

  • -

    1 duplomonster wordt achtergelaten bij het bedrijf.

  • -

    Binnen 14 dagen na monstername dient het monster te zijn aangeleverd aan het laboratorium. Het laboratorium rapporteert over het resultaat aan het BCD.

  • -

    Het microbiologisch onderzoek vindt plaats overeenkomstig Besluit Vvr microbiologische criteria huisdiervoeders 1997.

  • -

    In ieder geval wordt binnen de aangegeven houdbaarheidsterrnijn het monster ingezet op het laboratorium.

2.3. Gekoeld [Vervallen per 11-11-2007]

2.3.1. Monstername diervoeder [Vervallen per 11-11-2007]

Als monstereenheid wordt een consumentenverpakking genomen (monstergrootte 100-500 gram). Per product(soort) worden 2 monsters genomen en wordt elk monster verpakt in een steriele plastic zak.

2.3.2. Monstername voedermiddel [Vervallen per 11-11-2007]

Onder steriele omstandigheden wordt een monster bereid van 100-500 gram.

2.3.3. Handling en identificatie van monsters [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    Monsters dienen zodanig te worden verpakt dat er geen nabesmetting optreedt. In ieder geval microbiologisch en luchtdicht gesloten.

  • -

    De monsters dienen te worden verzegeld.

  • -

    1 duplomonster wordt achtergelaten bij het bedrijf.

  • -

    Monsters dienen binnen 6 uur na monstername aan het laboratorium te worden afgeleverd. Tijdens transport dienen de monsters te worden opgeslagen in koelboxen met diepvrieselementen. De omgevingstemperatuur in deze koelboxen dient bij voorkeur tussen 0 en 7 graden Celsius gehouden te worden.

  • -

    Het laboratorium dient bij ontvangst van de monsters deze op te slaan bij een omgevingstemperatuur tussen 0 en 4 graden Celsius. Binnen 24 uur na aankomst op het laboratorium dient het monster te worden ingezet. Het laboratorium rapporteert het resultaat aan het BCD.

2.4. overige soorten voedermiddelen of diervoeders [Vervallen per 11-11-2007]

2.4.1. Monstername diervoeder [Vervallen per 11-11-2007]

Als monstereenheid wordt een consumentenverpakking genomen (monstergrootte 100-500 gram). Per product(soort) worden 2 monsters genomen en wordt elk monster verpakt in een steriele plastic zak.

2.4.2. Monstername voedermiddel [Vervallen per 11-11-2007]

Onder steriele omstandigheden wordt een monster bereid van 100-500 gram.

2.4.3. Handling en identificatie van monsters [Vervallen per 11-11-2007]

  • -

    Monsters dienen zodanig te worden verpakt dat er geen nabesmetting optreedt. In ieder geval microbiologisch en luchtdicht gesloten.

  • -

    De monsters dienen te worden verzegeld.

  • -

    1 duplomonster wordt achtergelaten bij het bedrijf.

  • -

    Monsters dienen tijdens transport en opslag te worden gehouden onder microbiologisch verantwoorde condities.

  • -

    Binnen 14 dagen na monstername dient het monster aangeleverd te zijn aan het laboratorium. Het laboratorium rapporteert het resultaat aan het BCD. In ieder geval wordt binnen de aangegeven houdbaarheidstermijn het monster ingezet op het laboratorium.

3. Te gebruiken analysemethoden [Vervallen per 11-11-2007]

Het laboratorium dient gebruik te maken van analysemethoden zoals vastgelegd in de bundel “Onderzoekmethoden diervoeder" van het productschap.

4. Identificatie en instructie laboratorium [Vervallen per 11-11-2007]

Van ieder monster wordt de volgende informatie vastgelegd:

  • a. Naam van de onderneming

  • b. Naam van de inspecteur

  • c. Datum van monstername

  • d. Nummer verzegeling

  • e. Plaats van monstername

  • f. (Handels)naam van het product:

  • g. Soort product:

    • -

      voedermiddel

    • -

      moist, semi-moist, bevroren, gekoeld en/of droog

    • -

      hondevoeder of kattevoeder

  • h. Of het product een hitte behandeling heeft ondergaan met als doelstelling bacteriereductie te bewerkstelligen. Hierbij wordt eveneens aangegeven of deze hittebehandeling door de ondernemer of door de toeleverancier is uitgevoerd.

Per monster wordt aan het laboratorium aangegeven welk microbiologisch onderzoek overeenkomstig de bundel “Onderzoekmethoden diervoeder" dient te worden uitgevoerd. Mogelijke onderzoekskenmerken zijn:

  • -

    Salmonella

  • -

    Enterobacteriaceae

  • -

    Gisten en schimmels

  • -

    Totaal kiemgetal

  • -

    Bombage

Het resultaat van het onderzoek wordt door het BCD medegedeeld aan de ondernemer en aan de PDV-databank Ongewenste stoffen en producten.

Bijlage VI. : Procedure controle energiewaarde [Vervallen per 11-11-2007]

1. Doel [Vervallen per 11-11-2007]

Het kunnen controleren van grove misleiding in de gedeclareerde energiewaarde van diervoeders. In Verordening PDV diervoeders 2003 zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de energiewaardevermelding ingeval dit (op facultatieve basis) plaatsvindt.

2. Administratieve controle [Vervallen per 11-11-2007]

  • 2.1 Middels administratieve controle wordt nagegaan in hoeverre de energiewaarde is berekend overeenkomstig de methodiek en rekenregels zoals gepubliceerd in de CVB-Veevoedertabel.

  • 2.2 Wanneer in het mengvoeder voedermiddelen zijn verwerkt, die niet zijn opgenomen in de actuele versie van de CVB-Veevoedertabel, dient het bedrijf inzichtelijk te maken hoe op verantwoorde wijze tot berekening van de voederwaarde is gekomen.

  • 2.3 Wanneer het bedrijf van mening is dat een verwerkte partij niet overeenkomt met één van de in de CVB-Veevoedertabel opgenomen kwaliteiten, dient het bedrijf inzichtelijk te maken hoe op verantwoorde wijze tot berekening van de voederwaarde is gekomen.

3. Controle middels bernonstering en analyse [Vervallen per 11-11-2007]

  • 3.1 De bij de administratieve controle van het bedrijf verkregen gehaltes aan ruw eiwit, ruw vet, ruwe celstof, ruwe as en vocht van het mengvoeder worden vergeleken met het door de controle-instantie bemonsterde en geanalyseerde mengvoeder. De afwijking wordt vastgesteld als geanalyseerde waarde minus berekende waarde.

  • 3.2 Afwijkingen bij de 2.1 geconstateerde vergelijking worden als volgt doorgerekend tot afwijking in voederwaarde per kg mengvoeder:

    • 3.2.1 VEM

      component

      afwijking(g/kg)

      x correctiefactor (VEM/9)

      = correctie VEM

      ruw eiwit

       

      0

       

      ruw vet

       

      1,9

       

      ruwe celstof

       

      -1,0

       

      ruwe as

       

      -1,2

       

      Vocht

       

      -1,2

       
           

      Totaal is afwijking in VEM

    • 3.2.2 OE(lh)

      component

      afwijking (g/kg)

      x correctiefactor (MJ/kg)

      = correctie OE(lh)

      ruw eiwit

       

      0

       

      ruw vet

       

      +0.025

       

      ruwe celestof

       

      -0.039

       

      ruwe as

       

      -0.015

       

      vocht

       

      -0.015

       
           

      Totaal is afwijking in OE(lh)

    • 3.2.3 OE(slk)

      component

      afwijking (g/kg)

      x correctiefactor (MJ/kg)

      = correctie OE(slk)

      ruw eiwit

       

      0

       

      ruw vet

       

      +0.021

       

      ruwe celestof

       

      -0.039

       

      ruwe as

       

      -0.015

       

      vocht

       

      -0.015

       
           

      Totaal is afwijking in OE(slk)

  • 3.3 Tolerantie

    De te hanteren tolerantie bij afwijking van de vermelde energiewaarde ten opzichte van de bij controle vastgestelde waarde als bedoeld in paragraaf 3.2, wordt als volgt door de controlerende instantie vastgesteld:

    component

    tolerantie overeen- komstig bijlage lV (berekend als g/kg voor het betrokken voeder)

    x correctie- factor

    = tolerantie energie- waarde

    gekwadrateerd

    ruw eiwit

    § 3.1.1.1

         

    ruw vet

    § 3.1.1.4

         

    ruwe as

    § 3.1.2.2

         

    ruwe celstof

    § 3.1.2.3

         

    vocht

    § 3.1.2.1

         
           

    Som van de kwadraten

    De te hanteren tolerantie wordt berekend uit de maximaal toegestane afwijkingen van de analysecomponenten. Deze maximale afwijkingen worden vermenigvuldigd met de energiecorrectiefactoren voor de componenten en vervolgens gekwadrateerd. De tolerantie wordt berekend uit de wortel van de som van deze kwadraten.

    Voorbeeld voor tolerantie VEM naar beneden

    component

    Samenstelling (g/kg)

    tolerantie overeenkomstig bijlage IV 3

    tolerantie overeenkomstig bijlage IV4 (g/kg)

    x correct- factor

    = tolerantie energie- waarde

    gekwadrateerd

    ruw eiwit

    160

    10%

    16

    0

    0

    0

    ruw vet

    50

    8 gram

    -8

    1,9

    -15,2

    237

    ruwe as

    60

    10%

    6

    -1,2

    -7,2

    51,8

    ruwe celstof

    100

    15%

    15

    -1,0

    -15

    225

    vocht

    100

    10%

    10

    -1,2

    -12

    144

               

    6525

  • ^ [1]

    Indien het verwachte gehalte van de te onderzoeken parameter minimaal 0.1% bedraagt kan volstaan worden met een hoeveelheid van 2 kg

  • ^ [2]

    Indien het verwachte gehalte van de te onderzoeken parameter minimaal 0.1% bedraagt kan volstaan worden met een hoeveelheid van 2 kg

  • ^ [3]

    Hulpkolommen voor het berekenen van de toegestane afwijkingen in g/kg

  • ^ [4]

    Maximaal toegestane afwijking voor dit voedermiddel.

  • ^ [5]

    De te hanteren tolerantie op energiewaarde naar beneden is in dit voorbeeld √652 = 25,5 VEM