Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling nationale programma's voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs[Regeling vervallen per 01-08-2006.]

Geldend van 02-08-2003 t/m 31-07-2006

Subsidieregeling nationale programma's voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op:

  • artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies;

Overwegende

Dat de nationale programma's voor internationalisering binnen de sectoren primair en voortgezet onderwijs, complementair zijn aan de Europese programma's en een belangrijke bijdrage leveren aan de voorbereiding van leerlingen op de internationale samenleving die met de Europese Unie aan het ontstaan is;

Dat de vorige -op 1 januari 2003 vervallen- regeling is geëvalueerd en de minister mede op basis van de uitkomsten van de evaluatie heeft besloten een nieuwe subsidieregeling op te stellen met daarin bijzondere aandacht voor:

  • samenhang en transparantie;

  • streefwaarden;

  • monitoring en verantwoording;

  • 'de Buurlanden' (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) en

  • het gebruik van ICT in het primair onderwijs.

Besluit

Artikel 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-08-2006]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister:

    de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen;

  • b. subsidie:

    subsidie als bedoeld in artikel 2;

  • c. instelling:

    • 1°. een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas,

    • 2°. een school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas,

    • 3°. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, bekostigd uit de openbare kas,

    • 4°. een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, bekostigd uit de openbare kas,

    • 5°. een instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs, waaraan een lerarenopleiding wordt verzorgd,

    • 6°. een instelling die nascholing verzorgt,

    • 7°. een instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten;

  • d. Europees Platform:

    de Stichting Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs, Nassauplein 8, 1815 GM, Alkmaar;

  • e. schooljaar:

    het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend.

Artikel 2. Doelomschrijving [Vervallen per 01-08-2006]

  • 1 De algemene doelstelling van deze regeling is het stimuleren van de internationale oriëntatie van leerlingen en docenten en het bevorderen dat internationale samenwerking tussen scholen in Nederland en scholen in andere Europese landen een vaste plaats krijgt in het schoolbeleid. Gelet op deze doelstelling verstrekt de minister subsidie voor de onderstaande programma's:

    • a. buurlanden:

      het bieden van een mogelijkheid aan scholen in het primair onderwijs hun leerlingen mee te laten doen met internationaliseringsactiviteiten gericht op de buurlanden, met daarbij nadruk op het gebruik van Informatie en Communicatietechnologie (ICT), omschreven in bijlage 1;

    • b. PLUVO:

      het vergroten van de internationale oriëntatie van leerlingen en scholen door het stimuleren van leerlingenuitwisseling respectievelijk het aangaan van vaste partnerschappen tussen Nederlandse scholen en scholen in andere Europese landen, omschreven in bijlage 2;

    • c. PLATO+:

      het vergroten van de Europese of internationale oriëntatie en de daarmee samenhangende deskundigheid van (toekomstige) leerkrachten en schoolleiders, door het stimuleren van nascholing (in ruime zin) in het buitenland, omschreven in bijlage 3;

    • d. PITON:

      het op een hoger niveau brengen van de vaardigheid van leerlingen in de doeltalen Engels, Frans of Duits door het stimuleren van tweetalig onderwijs, versterkt talenonderwijs, vervroegd talenonderwijs en de inzet van 'native speakers' als taalassistenten, omschreven in bijlage 4.

Artikel 3. Aanvraag van de subsidie [Vervallen per 01-08-2006]

  • 1 De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling voor de uitvoering van de programma's bedoeld in artikel 2.

  • 2 De instelling dient de aanvraag in bij het Europees Platform.

  • 3 De subsidie wordt aangevraagd op het daartoe door het Europees Platform verstrekte aanvraagformulier.

  • 4 De grondslagen voor het bepalen van de hoogte van de subsidie zijn opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 4.

Artikel 4. Subsidieplafond [Vervallen per 01-08-2006]

  • 1 Voor subsidieverlening op grond van deze regeling zijn per kalenderjaar, onder voorbehoud dat de begrotingswetgever gedurende de looptijd van deze regeling voldoende middelen ter beschikking stelt, de volgende bedragen beschikbaar voor de programma's, bedoeld in artikel 2:

    • a. 150.000,- Euro voor Buurlanden;

    • b. 1.350.000,- Euro voor PLUVO;

    • c. 1.000.000,- Euro voor PLATO+;

    • d. 400.000,- Euro voor PITON.

  • 2 Indien de begrotingswetgever onvoldoende middelen ter beschikbaar stelt, stelt de minister voor dat kalenderjaar de subsidieplafonds vast.

Artikel 5. Behandeling van de aanvraag [Vervallen per 01-08-2006]

  • 1 De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien de activiteit niet in overeenstemming is met de in de bijlagen 1 tot en met 4 opgenomen omschrijving van te subsidiëren activiteiten of indien er sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6.

  • 2 Bij onvoldoende middelen vindt een selectie plaats op grond van de van toepassing zijnde programmaspecifieke prioriteiten zoals opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 4.

Artikel 6. Weigeringsgronden subsidie [Vervallen per 01-08-2006]

De subsidie wordt geweigerd, indien:

  • a. uit de aanvraag onvoldoende blijkt dat de internationalisering bijdraagt aan het realiseren van leerdoelen van de instelling;

  • b. voor de activiteit tevens gebruik wordt gemaakt van middelen uit EU-fondsen.

Artikel 7. Niet vervullen begrotingsvoorwaarden [Vervallen per 01-08-2006]

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, één en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend én van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 8. Subsidieverplichtingen [Vervallen per 01-08-2006]

Aan de subsidieverlening zijn de in de bijlagen 1 tot en met 4 opgenomen verplichtingen verbonden.

Artikel 9. Voorschotten [Vervallen per 01-08-2006]

De minister kan voorschotten verstrekken tot 80% van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 10. Administratie [Vervallen per 01-08-2006]

De instelling voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit op eenvoudige en duidelijke wijze aangegane verplichtingen en verrichte betalingen omtrent de activiteiten kunnen worden afgelezen. Het Europees Platform kan de administratie van de instelling hierop controleren.

Artikel 11. Verantwoording subsidie [Vervallen per 01-08-2006]

  • 1 De instelling kan de subsidie uitsluitend besteden aan activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2 De instelling dient binnen dertien weken na afloop van de activiteit waarvoor subsidie is verleend, bij het Europees Platform een aanvraag in tot vaststelling van het subsidiebedrag. Hierbij overlegt de instelling een activiteitenverslag en financieel verslag, conform de richtlijnen van het Europees Platform, waaruit blijkt dat de activiteiten hebben plaats gevonden overeenkomstig deze regeling en de beschikking tot subsidieverlening.

  • 3 Het definitieve subsidiebedrag wordt vastgesteld op basis van de onder het vorige lid genoemde verslagen. Bij de vaststelling van het subsidiebedrag geldt het toegekende bedrag als maximum.

Artikel 12. Terugvordering (voorschot) subsidie [Vervallen per 01-08-2006]

De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventueel niet-bestede middelen of overschotten, worden na afloop van de activiteiten teruggevorderd.

Artikel 13. Uitvoering door het Europees Platform [Vervallen per 01-08-2006]

Aan het Europees Platform wordt mandaat verleend om in naam van de minister deze regeling uit te voeren, met uitzondering van de vaststelling van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Artikel 14. Bekendmaking [Vervallen per 01-08-2006]

Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 15. Inwerkingtreding en vervaldatum [Vervallen per 01-08-2006]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is geplaatst en vervalt met ingang van 1 augustus 2006.

Artikel 16. Evaluatie [Vervallen per 01-08-2006]

Deze regeling zal in 2005 door de minister worden geëvalueerd aan de hand van de in de bijlagen 1 tot en met 4 opgenomen streefwaarden en evaluatiepunten.

Artikel 17. Citeertitel [Vervallen per 01-08-2006]

Deze regeling wordt aangehaald als: 'Subsidieregeling nationale programma's voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs'.

De

minister

van onderwijs, cultuur en wetenschappen

M. J. A. van der Hoeven

Bijlage 1. Buurlanden [Vervallen per 01-08-2006]

Programma voor internationalisering via ICT binnen het primair onderwijs

1. Doel

Het bieden van een mogelijkheid aan scholen voor primair onderwijs hun leerlingen op een concrete en actieve manier mee te laten doen met internationaliseringsactiviteiten met de buurlanden, met daarbij nadruk op het gebruik van Informatie en Communicatietechnologie (ICT).

2. Omschrijving activiteiten

Dit programma is gericht op samenwerking met de Buurlanden (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk).

Scholen kunnen zelf hun activiteiten kiezen, mits zij daarbij aan ICT een centrale en herkenbare rol toekennen die verder strekt dan incidenteel e-mailverkeer.

Leerlingenuitwisseling, docentenmobiliteit en andere activiteiten kunnen een aanvulling vormen op deze ICT-contacten. Bij bezoeken die in het kader van leerlingenuitwisseling of docentenmobiliteit aan het buitenland worden gebracht wordt maximaal voor vijf dagen subsidie verstrekt.

Om de inzet van ICT vorm te geven kan een beroep worden gedaan op het Europees Platform voor advies en hulp.

3. Formele vereisten

De aanvraag:

  • bevat een verklaring van de partnerschool of partnerscholen in één van de buurlanden, waaruit de participatie blijkt;

  • bevat een activiteitenplan waarin duidelijk is omschreven wat de te subsidiëren activiteiten zijn en welke rol ICT daarin speelt;

  • bevat een beschrijving van de leerdoelen;

  • geeft een overzicht van de eigen inbreng van de school;

  • bevat een toelichting van de aanvrager omtrent de wijze waarop de activiteit en/of de opbrengsten daarvan, zal doorwerken in de eigen onderwijspraktijk;

  • geeft een overzicht van de eigen inbreng van de school;

  • bevat een begroting van de kosten.

4. Prioriteiten

Bij onvoldoende middelen voor alle aanvragen die aan bovengenoemde criteria voldoen, vindt een afweging plaats op grond van de volgende prioriteiten in de onderstaande volgorde.

  • Het innovatief karakter van de ICT-activiteiten.

  • De samenhang tussen de verschillende activiteiten.

5. Procedure

De aanvraag wordt ingediend vóór 1 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de activiteiten zullen plaatsvinden. Bij voldoende middelen vindt een tweede ronde plaats, met 1 november als uiterste termijn.

6. Subsidiabele kosten

De subsidie bedraagt nooit meer dan 70 procent van de totale subsidiabele kosten, met een maximum van 5.000 Euro per school per jaar. Van dit bedrag is maximaal 2.500 Euro voor ICT en maximaal 2.500 Euro voor de uitwisseling van leerlingen en docentenmobiliteit bestemd.

Subsidiabel voor ICT zijn alleen kosten die rechtstreeks in verband staan met het uit te voeren project. Dit zijn de kosten van:

  • communicatie;

  • aanschaf van hardware;

  • aanschaf van software;

  • aanschaf van leermiddelen;

  • advies en vervanging.

Subsidiabel voor de uitwisseling van leerlingen en voor docentenmobiliteit, zijn alleen kosten die rechtstreeks in verband staan met de ICT-activiteiten van het project.

Dit zijn de kosten van:

  • een uitwisseling van Nederlandse leerlingen. Per leerling maximaal 30 Euro per dag, met een maximum van vijf dagen. Voor leerlingen met een handicap, waarvoor extra kosten onvermijdelijk zijn, geldt een bedrag van maximaal 60 Euro per dag;

  • een begeleidend docent. Per begeleidend docent maximaal 100 Euro per dag, met een maximum van vijf dagen;

  • een bezoek van een docent aan een partnerschool. Per docent maximaal 100 Euro per dag, met een maximum van vijf dagen.

Een school kan in principe niet langer dan drie jaar gebruik maken van dit programma. Er moet worden gestreefd naar eigen financiering na deze periode.

7. Verantwoording

Het onderhavige deelprogramma zal worden geëvalueerd aan de hand van de onderstaande streefwaarden en evaluatiepunten.

Streefwaarden
  • eind 2003: 15 deelnemende scholen

  • eind 2004: 25 deelnemende scholen

  • eind 2005: 30 deelnemende scholen

  • na 2005: 10 scholen die met eigen financiering doorgaan.

Evaluatiepunten
  • Gebruik en effectiviteit van ICT(-middelen, - instrumenten of infrastructuren) bij onderwijskundige samenwerking met scholen in één (of meer) van de buurlanden.

  • De mate waarin ICT als hulpmiddel heeft gefungeerd bij het leerproces van leerlingen en (een beschrijving van) de toegevoegde waarde van ICT hierbij.

  • Gebruik van of virtuele bijdrage aan het projectgedeelte op schooloverstijgende ICT-infrastructuren (bijvoorbeeld Internationaal Plein op Kennisnet, portal European Schoolnet).

  • Verslag op website van de school of - indien niet aanwezig - op een schoolgerelateerde site.

Bijlage 2. PLUVO [Vervallen per 01-08-2006]

Programma voor Leerlingenuitwisseling in het Voortgezet Onderwijs (PLUVO)

1. Doel

Het vergroten van de internationale oriëntatie van leerlingen en scholen, door het stimuleren van leerlingenuitwisseling in het kader van het aangaan van vaste partnerschappen tussen Nederlandse scholen en scholen in andere Europese landen.

2. Omschrijving activiteiten

Binnen het leerlingenuitwisselingsprogramma vinden de volgende activiteiten plaats:

  • a. uitwisselingen van Nederlandse leerlingen (groepen en/of individueel) in het voortgezet onderwijs (praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo) met leerlingen van scholen in één of meer andere landen;

  • b. bijeenkomsten van Nederlandse leerlingen met leerlingen van scholen uit ten minste drie andere landen;

  • c. voorbereidende bezoeken van leerkrachten in het kader van de onder a en b genoemde activiteiten.

De landen die kunnen worden bezocht zijn de EU-landen, kandidaat-lidstaten van de EU, Noorwegen en IJsland.

Bij de uitwisselingen en bijeenkomsten geldt als uitgangspunt dat de Nederlandse leerlingen tenminste vijf dagen in het andere land verblijven en leerlingen uit het buitenland ten minste vijf dagen in Nederland verblijven. Bij een uitwisseling met België, Duitsland, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk, is een korter verblijf mogelijk. Voor de voorbereidende bezoeken geldt dat deze in beginsel niet langer dan één week bedragen.

In het kader van de uitwisselingen en bijeenkomsten verblijven de leerlingen over en weer in gastgezinnen, tenzij er speciale aantoonbare redenen zijn om hiervan af te wijken. Hiervan is sprake als het gaat om leerlingen voor wie verblijf in een gastgezin objectief aanwijsbare en onoverkomelijke problemen oplevert.

3. Formele vereisten

De aanvraag:

  • bevat een verklaring van de partnerschool of partnerscholen;

  • bevat een beleidsdocument waarin de te subsidiëren activiteit herkenbaar aanwezig is;

  • bevat een toelichting van de aanvrager omtrent de wijze waarop de activiteit en/of de opbrengsten daarvan, zal doorwerken in de eigen onderwijspraktijk;

  • bevat een begroting van de kosten.

4. Prioriteiten

Bij onvoldoende middelen voor alle aanvragen die aan bovengenoemde criteria voldoen, vindt een afweging plaats op grond van de volgende prioriteiten, in de onderstaande volgorde:

  • scholen die niet eerder of korter dan drie jaar gebruik hebben gemaakt van de subsidiemogelijkheden genieten voorrang boven scholen die er al 3 jaar of langer dan 3 jaar gebruik van maken;

  • vmbo-klassen en klassen uit het praktijkonderwijs hebben voorrang boven havo/vwo klassen;

  • scholen die eigen leerlingen met een verschillende culturele achtergrond bij de uitwisseling betrekken als bijdrage aan het integratieproces binnen de school, genieten voorrang boven scholen waar dit niet speelt.

Bij individuele bezoeken van leerlingen aan het buitenland hebben aanvragen waarbij een tegenbezoek van een leerling uit het buitenland wordt afgelegd, voorrang.

5. Procedure

De aanvraag wordt ingediend vóór 1 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de activiteiten zullen plaatsvinden. Bij voldoende middelen vindt een tweede ronde plaats, met 1 november als uiterste termijn.

6. Subsidiabele kosten Algemeen

De subsidie bedraagt nooit meer dan maximaal 10.000 Euro per school per jaar en nooit meer dan 70% van de totale kosten. Bij voldoende middelen kunnen de vmbo-afdeling en de havo-vwo-afdeling van één school ieder de maximale subsidie ontvangen, indien beide afdelingen een dusdanig omvangrijk programma hebben dat zij hiervoor in aanmerking komen.

Groepsuitwisselingen

Subsidiabel zijn de reiskosten van Nederlandse leerlingen die in groepsverband naar het buitenland reizen. Hierbij geldt, dat van de reiskosten maximaal 150 Euro per leerling voor subsidie in aanmerking komt.

Voor leerlingen met een handicap, waarvoor extra kosten onvermijdelijk zijn, geldt een bedrag maximaal 300 Euro. Bij voldoende middelen is voor de reiskosten naar Noorwegen, Zweden, Finland en IJsland een toeslag van maximaal 100 Euro per leerling mogelijk.

Individuele uitwisselingen

Subsidiabel zijn de reis- en verblijfkosten van leerlingen, die op individuele basis het buitenland bezoeken. Hierbij geldt voor de reiskosten een maximum van 100% en voor de verblijfkosten een maximum van 50% per leerling. Per leerling komt voor de eerste twee weken maximaal 500 Euro voor subsidie in aanmerking. Voor elke extra week geldt een maximum van 100 Euro per leerling. Totaal wordt maximaal voor een verblijfsduur van zeven weken een subsidie verstrekt met een maximum 1.000 Euro per leerling.

Begeleidende docenten bij uitwisselingen

Subsidiabel zijn de reis- en verblijfkosten van begeleidende Nederlandse docenten. Per docent, voor een verblijf van maximaal vijf dagen, komt maximaal 500 Euro voor subsidie in aanmerking. Voor een korter verblijf (twee tot en met vier dagen) geldt een maximum van 350 Euro.

Voorbereidende bezoeken van docenten

Subsidiabel zijn de reis- en verblijfkosten voor voorbereidende bezoeken door Nederlandse docenten. Per docent wordt voor een verblijf van vijf of meer dagen, maximaal 750 Euro subsidie verleend. Voor een korter verblijf (=twee tot en met vier dagen) geldt een maximum van 500 Euro.

7. Verantwoording

Het onderhavige programma zal worden geëvalueerd aan de hand van onderstaande streefwaarden en evaluatiepunten.

Streefwaarden
  • Internationale mobiliteit leerlingen

    Gestreefd wordt naar een consolidatie van het aantal leerlingen dat de "grens overgaat", dat wil zeggen 10.000 voor havo/vwo-scholen en 4.000 vmbo-leerlingen.

  • Aantal scholen met een buitenlandse partnerschool:

    Gestreefd wordt naar een consolidatie van het aantal scholen, dat wil zeggen 225 scholen.

    Gestreefd wordt naar een toename van het aantal partnerschappen met 45 nieuwe scholen (= toename van 20%).

Evaluatiepunten
  • bestendigheid van schoolpartnerschappen

  • de mate waarin is bijgedragen aan de leerdoelen (steekproef)

8. Partnerschool

Het vinden van een partnerschool is een verantwoordelijkheid van de school zelf. De verschillende databanken, onder meer die van het Europees Platform, kunnen daarbij goede diensten bewijzen. Binnen de mogelijkheden kan het Europees Platform ondersteuning bieden bij het vinden van een partnerschool.

Actieve partnerbemiddeling via het Europees Platform vindt plaats met scholen in verschillende Duitse deelstaten. Op basis van een overeenkomst met Noordrijn-Westfalen kan ook de Duitse partnerschool in deze deelstaat subsidie ontvangen via het Ministerie van Onderwijs aldaar. Bij deze tweezijdige samenwerking en tweezijdige subsidiëring gelden aanvullende voorwaarden waarvoor zij verwezen naar het Europees Platform.

Het onderhavige programma biedt geen subsidiemogelijkheid voor de buitenlandse partner.

Ter informatie: In andere landen ontbreken de subsidiemogelijkheden niet geheel, maar deze worden op lokaal of regionaal niveau verstrekt zonder uniforme regeling.

Bijlage 3. PLATO + [Vervallen per 01-08-2006]

Promotie Lerarenmobiliteit, Arbeidservaring en Training in het onderwijs+

1. Doel

Het vergroten van de Europese c.q. internationale oriëntatie en de daarmee samenhangende deskundigheid van (toekomstige) leerkrachten en schoolleiders, door het stimuleren van nascholing in het buitenland.

2. Omschrijving activiteiten

Het PLATO+ programma maakt mogelijk:

  • a. studiebezoeken aan het buitenland van leerkrachten en schoolleiders van scholen en lerarenopleidingen

  • b. onderwijsstages in het buitenland van studenten van lerarenopleidingen.

Voor studiebezoeken kunnen zowel groeps- als een individuele aanvragen worden ingediend. Voor onderwijsstages geldt de regeling van de groepsaanvragen.

In het kader van de studiebezoeken of onderwijsstages kunnen de lidstaten van de Europese Unie worden bezocht. Voorts kunnen studiebezoeken aan Marokko of Turkije worden gebracht, indien aanvragers bij hun werkzaamheden direct te maken hebben met leerlingen uit het te bezoeken land. Individuele aanvragers kunnen naast genoemde landen ook andere gewenste landen bezoeken indien er sprake is van een evidente onderwijskundige betekenis.

Voor studiebezoeken geldt als uitgangspunt een verblijf in het andere land van minimaal vijf dagen en maximaal drie weken, met een studieprogramma van tenminste vier volledige dagen per week. Kortere studiebezoeken zijn subsidiabel aan België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk of als de duur van een conferentie een kortere duur rechtvaardigt.

Voor onderwijsstages geldt een minimum verblijf van twee weken. Er wordt maximaal voor een verblijfsduur van zeven weken subsidie verstrekt.

Het aantal deelnemers per school voor één activiteit bedraagt in principe maximaal vier. Voor een conferentie, seminar of andere activiteit die in een bepaalde week op een bepaalde plaats wordt gehouden, kunnen maximaal zes Plato-beurzen worden toegekend, tenzij sprake is van een groepsaanvraag.

Nascholingsinstituten, instellingen die behoren tot de onderwijsverzorging en schoolbesturen met minimaal tien scholen onder zich, kunnen voor (toekomstige) leerkrachten primair en voortgezet onderwijs of leerkrachten verbonden aan lerarenopleidingen, groepsaanvragen indienen. In formele zin zijn de scholen van de deelnemers de aanvragers en treden genoemde instituten als bemiddelaar op.

Van een groep is sprake als zeven of meer leerkrachten en/of schoolleiders naar dezelfde bestemming gaan om in een bepaalde week hetzelfde programma te volgen. De aanvraag kan in het verlengde van het nascholings- of begeleidingswerk liggen.

Bij de procedure van de groepsaanvragen gelden de onder kopjes 3 en 4 genoemde criteria en prioriteiten.

Een groepstoekenning geeft de organiserende instantie uitsluitsel over het aantal gereserveerde beurzen; de beurzen zelf gaan in principe naar de scholen van de deelnemers. Indien de doelmatigheid daarvan aangetoond kan worden, kan op verzoek het beursbedrag voor alle deelnemers samen overgemaakt worden naar de organiserende (bemiddelende) instantie, mits deze rechtspersoon is, waarvan de boekhouding wordt gecontroleerd door een externe accountant.

3. Formele vereisten

De aanvraag:

  • bevat een activiteitenplan en een brief of ander bewijsstuk waaruit de medewerking van de buitenlandse partner blijkt;

  • bevat een begroting van de kosten;

  • bevat een toelichting inhoudende de wijze waarop de activiteit een bijdrage levert aan de deskundigheidsbevordering van de deelnemer(s) en de wijze waarop hierover achteraf verantwoording zal worden afgelegd;

  • bevat in het geval van de onder 2 sub a genoemde activiteit een toelichting van de wijze waarop deze activiteit doorwerkt in de eigen onderwijspraktijk;

    gaat bij een individueel bezoek aan een ander land dan onder 2 genoemd, vergezeld van een verklaring of toelichting waarmee de evidente onderwijskundige betekenis wordt aangetoond;

  • gaat bij een groepsaanvraag voor studenten van een lerarenopleiding vergezeld van brieven van de deelnemende studenten, waarin zij hun buitenlandse stage motiveren.

4. Prioriteiten bij groepsaanvragen

Bij groepsaanvragen vindt bij onvoldoende middelen voor alle aanvragen die aan de criteria voldoen, een afweging plaats op grond van de volgende prioriteiten, in de hieronder aangegeven volgorde.

  • De mate waarin het perspectief op doorwerking naar de onderwijspraktijk (na afloop van het studiebezoek) aannemelijk is gemaakt in de aanvraag.

  • Een evenwichtige spreiding over Nederland, naar thema, schooltype en denominatie wordt nagestreefd.

  • Bij aanvragen inzake studiebezoeken of onderwijsstages genieten België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk voorrang.

5. Procedure

Groepsaanvragen worden ingediend vóór 1 mei, voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

Individuele aanvragen kunnen het hele jaar door tot uiterlijk drie weken voor de aanvang van de activiteiten worden ingediend.

Studiebezoek Marokko

Na goedkeuring van een groepsaanvraag dienen programma-onderdelen waarvoor medewerking noodzakelijk is van de Marokkaanse overheid, via het Europees Platform te worden aangemeld bij het Marokkaanse Ministerie van Onderwijs, voor deze medewerking is de intentie om een samenwerking met een school in Marokko op te zetten een vereiste. Het Marokkaanse Onderwijsministerie zal op basis van de opgegeven profielen, scholen in Marokko benaderen die groepen willen ontvangen en daarnaast geïnteresseerd zijn in verdere samenwerking met een Nederlandse school. Daarna verlopen de contacten rechtstreeks tussen de organisatoren en scholen in beide landen.

6. Verdeling budget

Conform het bepaalde in artikel 4 van de regeling wordt voor dit programma gedurende de looptijd van deze regeling jaarlijks maximaal 1.000.000 Euro beschikbaar gesteld.

Dit bedrag wordt als volgt verdeeld:

  • 40% voor het primair onderwijs;

  • 40% voor het voortgezet onderwijs en

  • 20% voor de lerarenopleidingen.

7. Subsidiabele kosten Studiebezoeken leerkrachten en schoolleiders A. Algemeen

Per school (=brinnummer) geldt een maximum van 3.000 Euro per activiteit.

De subsidie per leerkracht/schoolleider bedraagt voor de eerste week van het verblijf in het buitenland maximaal 750 Euro. Voor elke extra week geldt een maximum van 350 Euro.

Subsidiabel zijn reiskosten, noodzakelijke verblijfkosten, eventuele kosten van een cursus of conferentie én kosten van vervanging, onder de hieronder genoemde voorwaarden.

Voorwaarden:

  • alleen de reiskosten langs de meest economische weg;

  • alleen de noodzakelijke verblijfskosten, hierbij geldt een maximum van 70 Euro per dag;

  • kosten van een cursus of conferentie, mits deze binnen de maximumbedragen vallen die per leerkracht/schoolleider worden gehanteerd;

  • kosten van vervanging van lesgebonden uren in het primair onderwijs en in het speciaal voortgezet onderwijs, indien de aanstelling van een vervanger onvermijdelijk is; daarbij geldt een maximum van 750 Euro per week;

  • kosten van vervanging van lesgebonden uren in het voortgezet onderwijs vanaf de tweede week, bij een verblijfsduur langer dan een week; daarbij geldt een maximum van 750 Euro per week.

B. Individuele aanvragen

Voor individuele aanvragen gelden de onder A genoemde voorwaarden.

C. Groepsaanvragen

Voor groepsaanvragen gelden naast de onder A genoemde voorwaarden dat op elke tien deelnemers (die aan de criteria voldoen) één begeleider (b.v. werkzaam bij de organiserende instelling) een beurs kan ontvangen van maximaal 750 Euro.

Onderwijsstages studenten van lerarenopleidingen

Subsidiabel zijn de reis- en verblijfskosten. Hierbij geldt voor de reiskosten een maximum van 100% en voor de verblijfkosten een maximum van 50% per student. Per student kan voor de eerste twee weken maximaal 750 Euro subsidie worden toegekend. Voor elke extra week geldt een maximum van 150 Euro per student. Totaal wordt maximaal voor een verblijfsduur van zeven weken een subsidie verstrekt, met een maximum 1.500 Euro per student. Bij grote aantallen aanvragen voor een subsidie bestaat de mogelijkheid, dat deze maxima worden verlaagd, om zo veel mogelijk studenten de gelegenheid te bieden aan een buitenlandse stage deel te nemen.

8. Verantwoording

Het onderhavige programma zal worden geëvalueerd aan de hand van onderstaande streefwaarden en genoemd evaluatie.

Streefwaarden
  • Studiebezoeken

    Gestreefd wordt naar consolidatie van het huidige aantal studiebezoeken, dat wil zeggen 750 scholen binnen het primair onderwijs en 750 scholen binnen het voortgezet onderwijs (praktijkonderwijs, vmbo en havo/vwo).

  • Onderwijsstages

    Gestreefd wordt naar consolidatie van het huidige aantal onderwijsstages. Dit aantal bedraagt thans 100.

Evaluatiepunt

Objectief vast te stellen toegenomen deskundigheid van (toekomstige) leerkrachten en schoolleiders.

Bijlage 4. PITON [Vervallen per 01-08-2006]

Programma voor Internationaler Talen Onderwijs in Nederland (PITON)

1. Doel

Het op een hoger niveau brengen van de vaardigheid van leerlingen in de doeltalen Engels, Frans of Duits door het stimuleren van tweetalig onderwijs, versterkt talenonderwijs, vervroegd talenonderwijs en de inzet van native speakers als taalassistenten.

2. Omschrijving activiteiten

Binnen dit programma worden ten behoeve van het primair en voortgezet onderwijs taalassistenten en de volgende bijzondere vormen van aansprekend talenonderwijs gesubsidieerd.

Een taalassistent in dit kader is een buitenlander (native speaker) die voor maximaal een jaar naar Nederland is gekomen, op uitnodiging van het Europees Platform. De taalassistent ondersteunt de lessen, maar kan niet de plaats van een leerkracht overnemen.

Tweetalig onderwijs (tto) houdt in dat voor niet-talenvakken, zoals aardrijkskunde of biologie, een andere taal dan het Nederlands als voertaal wordt gebruikt in het reguliere (Nederlandstalige) onderwijs.

Versterkt talenonderwijs (vto) is het aanbieden van extra uren vreemde taalonderwijs boven op de in het curriculum verplichte uren.

Vroeg vreemde-talenonderwijs (vvto) heeft betrekking op het primair onderwijs, waarbij leerlingen op jongere leeftijd dan normaal een moderne vreemde taal aangeboden krijgen. Voor het onderwijs in de Engelse taal gelden daarvoor geen beperkingen. Onderwijs in de Franse en Duitse taal behoeft echter, conform het bepaalde artikel 9 lid 9 van de Wet op het primair onderwijs, de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

3. Formele vereisten

De aanvraag bevat een begroting van de kosten.

De tto, vto, of vvto-aanvraag gaat vergezeld van:

  • een beleidsplan waaruit blijkt dat er sprake is van (toekomstige) structurele inbedding van tto, vto, of vvto binnen het curriculum van de school;

  • een activiteitenplan met een heldere omschrijving van de taalkundige doelstelling;

  • een overzicht van het (te verwachten) totaal aantal deelnemende leerlingen bijgevoegd;

  • een opgave van de inzet van capaciteit en middelen van de school;

  • een opzet voor zelfevaluatie;

  • een haalbaarheidsonderzoek indien het een voorbereidingsjaar betreft;

  • een verklaring dat de school de standaard voor tto-Engels onderschrijft.

De aanvraag voor een taalassistent kan gedurende maximaal een schooljaar worden gehonoreerd indien:

  • de aanvraag vergezeld gaat van een activiteitenplan met een heldere omschrijving van de taalkundige doelstelling;

  • de school beschikt over een gedegen plan voor de begeleiding van de taalassistent.

4. Prioriteiten

Bij onvoldoende middelen om alle aanvragen te honoreren die voldoen aan zowel de formele als ook de kwaliteitscriteria, vindt een afweging plaats op basis van de volgende prioriteiten, in de hieronder aangegeven volgorde:

  • scholen die niet eerder of korter dan drie jaar gebruik hebben gemaakt van de subsidiemogelijkheden genieten voorrang boven scholen die langer dan drie jaar subsidie hebben ontvangen;

  • het tto, vto of vvto programma, heeft betrekking op een andere taal dan het Engels;

  • het tto- of vto-programma heeft betrekking op een andere sector dan het vwo (of gymnasium);

  • scholen die specifieke aan het programma gerelateerde maatregelen treffen voor leerlingen die niet het Nederlands als moedertaal hebben.

5. Procedure

De aanvraag wordt ingediend vóór 1 mei, voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

6. Verdeling budget

Conform het bepaalde in artikel 4 van de regeling wordt voor dit programma gedurende de looptijd van deze regeling jaarlijks maximaal 400.000 Euro beschikbaar gesteld. Van dit bedrag wordt maximaal 250.000 Euro voor tto, vto en vvto en maximaal 150.000 Euro voor taalassistenten bestemd.

7. Subsidiabele kosten

De subsidie bedraagt nooit meer dan 75 procent van de totale subsidiabele kosten. In principe gelden de volgende maxima:

  • 1. tto in het voortgezet onderwijs € 7.500 per schooljaar

  • 2. vto in het voortgezet onderwijs € 4.000 per schooljaar

  • 3. vvto in het primair onderwijs € 5.500 per schooljaar

Deze maxima zullen bij wijze van hoge uitzondering worden toegekend; in veel gevallen zal de subsidie lager zijn.

Voor tto, vto en vvto zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • nascholing docenten in Nederland via een officieel en erkend nascholingsinstituut;

  • aanschaf en/of ontwikkeling van lesmateriaal dat betrekking heeft op het programma;

  • coördinatie van het programma (slechts eenmalig een beperkt bedrag van maximaal € 1.000 Euro in de voorbereidingsfase);

  • ontwikkelkosten als het gaat om eenmalige projecten met concrete resultaten, die ook ten goede kunnen komen aan andere scholen (bijvoorbeeld voor het ontwikkelen van curriculum, vernieuwende samenwerkingsprojecten, toetsen, et cetera).

De subsidie kan dus niet worden aangewend voor bijvoorbeeld: personeelskosten, aanschaf van hardware (computers, printers, video's, etc), public relations en wervingsactiviteiten, eigen bijdragen van leerlingen voor kosten verbonden aan het afnemen en afleggen van examens, eigen bijdrage voor deelname aan netwerken.

Het Europees Platform bekostigt de kosten van inzet van een taalassistent, mits deze beschikbaar is en de school een gedegen plan heeft voor de begeleiding van deze assistent. Wel wordt bij bovengemiddelde huisvestingskosten, een bijdrage van de school gevraagd.

8. Verantwoording

Het onderhavige deelprogramma zal worden geëvalueerd aan de hand van de onderstaande streefwaarden en genoemd evaluatiepunt.

Streefwaarden

tto: toename met 15 scholen (5 per programmajaar)

vto: toename met 3 scholen (1 per jaar)

vvto: toename van 12 scholen (4 scholen per programmajaar)

taalassistenten: consolidatie van het huidige aantal van 20 scholen (buiten boven genoemde)

Evaluatiepunt

Objectief waarneembare hogere vaardigheid van leerlingen in de doeltalen Engels, Frans of Duits.