Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs

Geldend van 25-06-2003 t/m heden

Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs

1. Opbouw accreditatiekader

Het accreditatiekader voor bestaande opleidingen in het hoger onderwijs bestaat uit:

  • een beoordelingskader, bestaande uit onderwerpen, facetten en criteria

  • beslisregels

  • criteria voor beoordeling van de gevolgde werkwijze en van het rapport van de Visiterende en Beoordelende Instantie (VBI)1

  • een beschrijving van de werkwijze bij accreditatie van bestaande opleidingen.

Ten behoeve van de accreditatie wordt de opleiding beoordeeld aan de hand van zes onderwerpen.2

Deze onderwerpen zijn:

  • doelstelling van de opleiding

  • programma

  • inzet van personeel

  • voorzieningen

  • interne kwaliteitszorg

  • resultaten.

De genoemde onderwerpen worden beoordeeld aan de hand van facetten en daarbij behorende criteria (zie hoofdstuk 2).

Optioneel kan een instelling de VBI verzoeken om een beoordeling van bijzondere kwaliteitskenmerken van de opleiding, waarover in het accreditatierapport een aantekening kan worden opgenomen. De beoordeling van bijzondere kwaliteitskenmerken is niet van invloed op de uitkomst van de accreditatie (zie hoofdstuk 3).

Bij de beoordeling door de VBI wordt een beoordelingsschaaltoegepast en wordenbeslisregels gehanteerd die gebaseerd zijn op een weging van de criteria (zie hoofdstuk 4).

Accreditatie is afhankelijk van validering door de NAO van de externe beoordeling door de VBI. Hiertoe zijn criteria vastgesteld voor beoordeling van de gevolgde werkwijze en het rapport van de VBI (zie hoofdstuk 5).

Voor de accreditatie van bestaande opleidingen in het hoger onderwijs is een stappenplan op hoofdlijnen vastgesteld (zie hoofdstuk 6).

2. Beoordelingskader 3

2.1. Doelstellingen opleiding

Facetten

Criteria

Domeinspecifieke eisen

De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk)

Niveau: Bachelor en Master

De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene, internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master

Oriëntatie HBO/WO

De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in HBO en WO:

HBO:

  • De eindkwalificaties zijn mede ontleend aan de door (of in samenspraak met) het relevante beroepenveld opgestelde beroepsprofielen en/of beroepscompetenties

  • Een HBO-bachelor heeft de kwalificaties voor het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar in een specifiek beroep of samenhangend spectrum van beroepen waarvoor een HBO-opleiding vereist is of dienstig is

  • Een HBO-master heeft de kwalificaties voor het niveau van zelfstandig en/of leidinggevend beroepsbeoefenaar in een beroep of spectrum van beroepen, dan wel het niveau van het functioneren in een multidisciplinaire omgeving waarin een HBO-opleiding vereist is of dienstig is

WO:

  • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline, de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld

  • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt

  • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multi- en interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is

2.2. Programma

Facetten

Criteria

Eisen HBO/WO

Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een HBO- of een WO-opleiding:

HBO:

  • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats via vakliteratuur, aan de beroepspraktijk ontleend studiemateriaal en via interactie met de beroepspraktijk en of (toegepast) onderzoek

  • Het programma heeft aantoonbare verbanden met actuele ontwikkelingen in het vakgebied/de discipline

  • Het programma waarborgt de ontwikkeling van beroepsvaardigheden en heeft aantoonbare verbanden met de actuele beroepspraktijk

WO:

  • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines

  • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën

  • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek

  • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen

Relatie tussen doelstellingen en inhoud programma

  • Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties, qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen

  • De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma

  • De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken

Samenhang programma

Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma

Studielast

Het programma is studeerbaar doordat factoren, die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen

Instroom

Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten:

  • HBO-bachelor: VWO, HAVO, middenkaderopleiding of specialistenopleiding (WEB) of daarmee vergelijkbare kwalificaties 4, blijkend uit toelatingsonderzoek

  • WO-bachelor: VWO, HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties, blijkend uit toelatingsonderzoek

  • HBO- en WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie

Duur

De opleiding voldoet aan formele eisen m.b.t. de omvang van het curriculum:

  • HBO-bachelor: 240 studiepunten

  • WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten

  • HBO-master: minimaal 60 studiepunten

  • WO-master: minimaal 60 studiepunten, afhankelijk van de opleiding

Afstemming tussen vormgeving en inhoud

  • Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen

  • De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept

Beoordeling en toetsing

  • Door de beoordelingen, toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd

2.3. Inzet van personeel

Facetten

Criteria

Eisen HBO/WO

De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een HBO- of een WO-opleiding:

HBO:

  • Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door personeel dat een verbinding legt tussen de opleiding en de beroepspraktijk

WO:

  • Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied

Kwantiteit personeel

Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen

Kwaliteit personeel

Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma

2.4. Voorzieningen

Voorzieningen

Facetten

Criteria

Materiële voorzieningen

De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren

Studiebegeleiding

  • De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang

 
  • De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten

2.5. Interne kwaliteitszorg

Facetten

Criteria

Evaluatie resultaten

De opleiding wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen

Maatregelen tot verbetering

De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen

Betrekken van medewerkers, studenten, alumni en beroepenveld

Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken

2.6. Resultaten

Facetten

Criteria

Gerealiseerd niveau

De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen

Onderwijs-rendement

  • Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen

  • Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers

3. Bijzondere kwaliteitskenmerken

Accreditatie is gericht op de basiskwaliteit. Daarbij wordt de instelling beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader uit hoofdstuk 2. Om een instelling de gelegenheid te geven zich te profileren kan de instelling daarnaast de NAO verzoeken om een oordeel te geven over bijzondere kenmerken van kwaliteit. Dit kan leiden tot een aantekening in het accreditatierapport dat daadwerkelijk sprake is van bijzondere kenmerken. Het oordeel over bijzondere kwaliteitskenmerken heeft geen invloed op de accrediteringsbeslissing van de NAO.

De bijzondere kenmerken moeten voldoen aan de volgende criteria:

Facetten

Criteria

Differentiatie en profilering

Het kenmerk levert een betekenisvolle bijdrage aan de differentiatie en profilering in het hoger onderwijs

Kwaliteit

Het kenmerk leidt tot een bijzondere kwaliteit van de opleiding

Concretisering

De gevolgen van het kenmerk voor de kwaliteit van het onderwijs (instroom, onderwijsprogramma, onderwijsproces, output, voorzieningen, kwaliteit staf) zijn geoperationaliseerd

Onderscheidend karakter

Het kenmerk is onderscheidend voor de opleiding in relatie tot relevante opleidingen in het Nederlandse hoger onderwijs

4. Beslisregels accreditatie

4.1. Beoordeling facetten

De VBI’s gebruiken bij hun beoordeling van de facetten uit het beoordelingskader de volgende schaal:

  • excellent

  • goed

  • voldoende

  • onvoldoende.

4.2. Beoordeling opleiding

Voor een positief eindoordeel door de VBI moet het oordeel over elk onderwerp tenminste voldoende zijn. Het oordeel per onderwerp komt tot stand op basis van weging van oordelen over de afzonderlijke facetten van dat onderwerp door de VBI. 5De VBI moet inzichtelijk maken hoe de beoordeling van de verschillende facetten heeft geleid tot het samenvattend oordeel over een onderwerp, met andere woorden hoe zij - gegeven de criteria uit dit accreditatiekader en het eigen referentiekader - op basis van de analyse per facet tot het oordeel per onderwerp is gekomen.

Bij het eindoordeel over kwaliteit van de opleiding dient de VBI aan te geven hoe dit is gebaseerd op de feiten, haar analyse van de feiten en de beoordeling van de opleiding op basis van dit accreditatiekader en haar eigen referentiekader.

Wanneer er sprake is van verschillende varianten van een opleiding (voltijd, deeltijd en duaal), dan moet uit de beoordeling blijken dat voor elke variant de basiskwaliteit is gewaarborgd op grond van de criteria uit dit beoordelingskader om te komen tot een positief eindoordeel over de opleiding.

Indien een opleiding onder één CROHO-registratie wordt aangeboden op meerdere locaties, kan de opleiding alleen voor accreditatie in aanmerking komen als uit het oordeel van de VBI blijkt dat elke locatie voldoet aan de in dit kader genoemde criteria voor basiskwaliteit.

5. Beoordeling gevolgde werkwijze en rapport VBI

De VBI brengt in opdracht van de instelling een rapport uit over de kwaliteit van de opleiding. De NAO beoordeelt het rapport van de VBI om te bezien of op basis daarvan een beslissing over accreditatie van de opleiding kan worden genomen.

In het rapport wordt tevens de gevolgde werkwijze beschreven, zodat de NAO deze kan beoordelen. Er wordt onder andere getoetst of het door de VBI gehanteerde referentiekader in ieder geval de onderwerpen en facetten uit het accreditatiekader bestaande opleidingen van de NAO omvat. Verder dient de VBI de in het accreditatiekader beschreven beslisregels adequaat toe te passen. Ook is het gewenst dat het kwaliteitsoordeel van de VBI mede gebaseerd is op een vergelijking met verwante andere opleidingen en zo mogelijk met internationaal gehanteerde normen voor opleidingen in het desbetreffende domein.

Het rapport van de VBI moet voldoende evidentie bevatten dat de opleiding al dan niet aan de criteria voor basiskwaliteit voldoet. Het rapport behandelt minimaal de zes in dit accreditatiekader genoemde onderwerpen, waarbij per onderwerp aan alle facetten aandacht wordt besteed. Voor ieder facet wordt een oordeel op de vierpuntsschaal gegeven, op basis waarvan per onderwerp een oordeel wordt gegeven. De oordelen worden zo goed mogelijk onderbouwd met feiten en analyses. Het rapport wordt afgerond met een samenvattend oordeel over de opleiding.

Het rapport dient tevens inzicht te verschaffen in de kwaliteit van het panel van deskundigen dat de opleiding heeft beoordeeld. Daarbij wordt in elk geval informatie gegeven over de omvang en samenstelling van het panel naar ingebrachte kennis en ervaring, de onafhankelijkheid van de panelleden en de deskundigheid en gezaghebbendheid van de panelleden.

De NAO beoordeelt het rapport van de VBI aan de hand van criteria, die enerzijds zijn afgeleid van het accreditatiekader en anderzijds betrekking hebben op de door de VBI gehanteerde methode. Deze criteria worden omschreven in een toetsingskader voor de werkwijze van visiterende en beoordelende instanties.6

6. Werkwijze accreditatie bestaande opleidingen

  • 1. Uitgangspunten voor de accreditatie zijn de wet en de onderwerpen, facetten, criteria en beslisregels uit dit accreditatiekader.

  • 2. Op verzoek van een instelling organiseert een VBI een externe beoordeling. Het daarbij te gebruiken referentiekader dekt tenminste de onderwerpen, facetten en criteria uit dit accreditatiekader.

  • 3. De instelling voert een zelfevaluatie uit. Het zelfevaluatierapport geeft een beschrijving en een evaluatie van de opleiding aan de hand van ten minste de onderwerpen, facetten en criteria uit dit accreditatiekader. Daarbij worden de verschillende varianten van de opleiding (voltijd, deeltijd en/of duaal) apart beschreven en geëvalueerd.

    In de zelfevaluatie wordt verder aangegeven wat volgens de instelling het niveau (Bachelor of Master) en de oriëntatie (HBO of WO) van de opleiding is. Dit wordt duidelijk beargumenteerd. Tevens wordt aangegeven of het een initiële dan wel een postinitiële opleiding betreft.

  • 4. De instelling geeft de VBI opdracht op basis van haar zelfevaluatie de kwaliteit van de opleiding te beoordelen. De VBI visiteert de opleiding en verifieert het oordeel uit de zelfevaluatie. Hierbij beoordeelt de VBI ook de kwaliteit van de zelfevaluatie. Verder stelt de VBI vast of de kwaliteit van de opleiding voldoet aan de criteria voor basiskwaliteit en spreekt vervolgens een samenvattend oordeel uit, dat wordt gemotiveerd in een rapport.

  • 5. De instelling dient een aanvraag in bij de NAO voor accreditatie van de opleiding. In deze aanvraag worden de volgende kenmerken van de opleiding beschreven:

    • niveau (Bachelor of Master)

    • oriëntatie (HBO of WO)

    • varianten (voltijd, deeltijd en/of duaal)

    • initieel of postinitieel

    • vestigingsplaatsen.

      Bij deze aanvraag wordt het rapport van de VBI gevoegd. Dit rapport moet voldoende actueel zijn: de beoordeling moet betrekking hebben op de situatie van maximaal één jaar voor het indienen van de aanvraag.

  • 6. De NAO beoordeelt het rapport van de VBI en het daarin uitgesproken integrale oordeel en toetst dit aan het accreditatiekader. In voorkomende gevallen kan de NAO verzoeken om aanvullende informatie. Het besluit van de NAO over accreditatie is binnen drie maanden beschikbaar. Het voornemen tot dit besluit wordt eerst schriftelijk meegedeeld aan de instelling, die dan binnen de beslistermijn van 3 maanden van de NAO twee weken de mogelijkheid heeft om te reageren.

    Indien de opleiding voldoet aan de criteria uit het accreditatiekader wordt deze geaccrediteerd voor de duur van zes jaar. Als de beschikbare informatie uit het rapport van de VBI naar het oordeel van de NAO ontoereikend is om een oordeel uit te spreken, kan het besluit worden uitgesteld. De bestaande accreditatie van de opleiding loopt dan door tot de NAO een besluit heeft genomen.

  • 7. Voor de instelling staan de wettelijke mogelijkheden van bezwaar en beroep tegen het besluit open.

  • 8. De NAO geeft publieke bekendheid aan het resultaat van de accreditatie met vermelding van de graad (Bachelor/Master, HBO/WO).

Bijlage 1. Toelichting

Algemeen

Inleiding

Accreditatie is ’het verlenen van een keurmerk dat aangeeft dat aan bepaalde kwalitatieve maatstaven wordt voldaan’. Accreditatie vormt het sluitstuk van de beoordeling van de kwaliteit van opleidingen door het verlenen van een formeel kwaliteitskeurmerk. Dat wordt toegekend na toetsing door de NAO van een externe beoordeling die in opdracht van de instelling door een Visiterende en Beoordelende Instantie (VBI) is uitgevoerd. Het aangrijpingspunt voor accreditatie is de opleiding. Het initiatief voor accreditatie ligt bij de instelling.

Met de ondertekening van de Bologna-verklaring hebben alle Europese landen besloten om, in het licht van het steven naar een Europese onderwijsruimte, een onderwijsmodel in twee cycli in te voeren. Daaraan gekoppeld worden in veel landen accreditatiestelsels ingevoerd, zodat niveau en kwaliteit van de opleiding kunnen worden vastgesteld, waardoor de toegankelijkheid voor buitenlandse universiteiten en studenten sterk wordt vergroot.

Accreditatie komt niet in de plaats van de huidige externe kwaliteitszorg, maar vormt daar een aanvulling op. De externe kwaliteitszorg is vooral een instrument voor de instellingen (verbeterfunctie). Accreditatie is een voorwaarde voor bekostiging (voor bekostigde instellingen), erkenning van getuigschriften, het afgeven van graden en studiefinanciering voor aan de opleiding ingeschreven studenten. Het accreditatiestelsel sluit aan bij het bestaande systeem van externe kwaliteitszorg in HBO en WO, dat een goede (internationale) reputatie heeft en beschikt over een breed draagvlak in het veld.

De beoordeling van de opleiding heeft betrekking op de in de wet genoemde aspecten, die in het accreditatiekader als ’onderwerpen’ zijn aangeduid. Deze onderwerpen zijn geconcretiseerd in een aantal facetten, die vervolgens door middel van een criterium van een norm worden voorzien.

De beoordeling heeft betrekking op een afzonderlijke opleiding. In tegenstelling tot de huidige praktijk bij visitatie van opleidingen hoeven in de toekomst verwante opleidingen niet meer tegelijkertijd en gezamenlijk te worden beoordeeld. Instellingen kunnen er ook voor kiezen om verwante opleidingen gezamenlijk te laten visiteren door een VBI. Welke keuze de instellingen ook maken, de VBI zal een oordeel per opleiding moeten geven dat medegebaseerd is op vergelijking met andere opleidingen. Daarbij kan benchmarking een alternatief zijn voor gezamenlijke visitatie van opleidingen.

Speciale aandacht vraagt accreditatie van zogenaamde ’brede bachelors’, die combinaties vormen van een aantal bestaande opleidingen. Als instellingen de verschillende CROHO-registraties van de betrokken opleidingen willen behouden, kunnen de opleidingen wel gezamenlijk gevisiteerd worden, maar zullen ze alle afzonderlijk beoordeeld en geaccrediteerd moeten worden. Als de instelling voor de brede bachelor een nieuwe CROHO-registratie wil aanvragen, zal de opleiding beoordeeld worden op grond van de toets nieuwe opleidingen (zie Toetsingskader nieuwe opleidingen hoger onderwijs).

Accreditatiekader

Uitgangspunt is dat de instelling zelf aangeeft of zij de opleiding geaccrediteerd wil zien als Bachelor-HBO, Bachelor-WO, Master-HBO of Master-WO. De accreditatie van bestaande opleidingen wordt gebaseerd op een beoordeling van de volgende onderwerpen:

  • doelstellingen van de opleiding

  • programma

  • inzet van personeel

  • voorzieningen

  • interne kwaliteitszorg

  • resultaten.

Wat betreft de oriëntatie van opleidingen (HBO of WO) is in de praktijk sprake van een continuüm dat loopt van zuiver onderzoeksgerichte tot zuiver beroepsgerichte opleidingen. Er zijn niet alleen verschillen tussen HBO en WO, maar ook binnen de sectoren zelf. Met het oog op de gewenste accreditatie bepaalt de instelling of de opleiding wordt aangemeld voor toetsing als een HBO- dan wel als een WO-opleiding. Bij de accreditatie wordt de opleiding alleen beoordeeld op de oriëntatie die de instelling zelf heeft aangegeven.

Bij de beschrijving van de opleiding in de zelfevaluatie dient de instelling rekening te houden met de eisen die vanuit het internationale vakgebied en het afnemend beroepenveld aan een opleiding in het specifieke domein worden gesteld. De NAO stelt overigens zelf geen aparte criteria vast voor domeinspecifieke elementen. Dat wordt overgelaten aan de opleidingen en de VBI.

De VBI beoordeelt de kwaliteit van de opleiding aan de hand van drie vragen:

  • 1 Voldoet de opleiding aan de domeinspecifieke kwaliteitseisen (uit het vakgebied/de discipline of het beroepsveld) aangaande de onderwerpen in het accreditatiekader?

  • 2 Sluiten de domeinspecifieke kwaliteitseisen aan bij de (internationaal) gehanteerde beschrijvingen van HBO en WO en Bachelor en Master?

  • 3 Voldoet de opleiding aan de criteria van het accreditatiekader van de NAO?

De opleiding wordt dus in de eerste plaats getoetst aan domeinspecifieke kwaliteitseisen die zo mogelijk zijn vastgelegd in een (internationaal) referentiekader. De domeinspecifieke kwaliteitseisen worden op hun beurt getoetst aan algemene criteria voor HBO en WO en voor Bachelor en Master. De VBI moet derhalve zowel de domeinspecifieke kwaliteit als de algemene kwaliteit van de opleiding kunnen beoordelen. Dat stelt eisen aan de samenstelling van de beoordelingscommissie van de VBI. Bovendien moet de VBI beschikken over een referentiekader aan de hand waarvan ze de opleiding beoordeelt. Dat maakt het ook mogelijk om aan de NAO duidelijkheid te verschaffen over de activiteiten van de beoordelingscommissie in elke stap van het proces.

Rol van de VBI’s

Het accreditatiekader van de NAO voor bestaande opleidingen is globaal geformuleerd en laat ruimte voor eigen keuzes van instellingen en voor een eigen uitwerking door de VBI. De VBI verifieert de zelfevaluatie van de opleiding, mede op basis van visitatie (eigen waarnemingen en gesprekken met studenten, medewerkers, alumni en het afnemende beroepenveld). De NAO valideert het rapport van de VBI en neemt op basis daarvan een beslissing over accreditatie van de opleiding.

Het kwaliteitsstelsel hoger onderwijs maakt onderscheid tussen visitatie, verificatie, validering en accreditatie , waarbij de taak van de NAO in beginsel beperkt blijft tot de laatste twee. Het oordeel van de NAO is in principe gebaseerd op de door de instelling aangereikte informatie, waarvan het rapport van de VBI een belangrijk onderdeel uitmaakt. De NAO ziet er op toe dat de VBI’s hun werk goed doen. Dit geeft ook de mogelijkheid om bij klachten van instellingen over de (kwaliteit van) VBI’s tot een onafhankelijke uitspraak te komen.

Bij de visitatie en de beoordeling hanteert de VBI een eigen referentiekader. Daarin wordt het accreditatiekader van de NAO geconcretiseerd en vertaald naar domeinspecifieke eisen voor de desbetreffende opleiding. De VBI moet dus (doorgaans via een panel van deskundigen) beschikken over expertise over de (internationale) eisen die aan de opleiding worden gesteld. Daarnaast moet de VBI in staat zijn de opleiding met andere relevante opleidingen (nationaal en internationaal) te vergelijken (’benchmarks’).

De NAO geeft de VBI de ruimte om de domeinspecifieke eisen te definiëren. De globaliteit van het kader laat ook ruimte om de invulling door de VBI’s periodiek aan te passen aan de nieuwste ontwikkelingen en inzichten, zowel domeinspecifiek als meer algemeen voor het hoger onderwijs. De VBI maakt deze aanpassingen zichtbaar in haar eigen referentiekader, dat door de NAO wordt beoordeeld met behulp van het accreditatiekader. Daarmee biedt het accreditatiekader ruimte voor innovaties zonder een bepaalde onderwijskundige benadering tot norm te verheffen. Om die laatste reden zijn bijvoorbeeld de met de opleiding te bereiken eindkwalificaties niet in termen van competenties geformuleerd.

Toelichting per hoofdstuk

Hoofdstuk 1. :Opbouw accreditatiekader

Het accreditatiekader bestaat uit inhoudelijke criteria en criteria voor de gevolgde werkwijze en het rapport van de VBI. De criteria voor beoordeling van bijzondere kwaliteitskenmerken hebben een andere status dan de overige criteria, omdat het oordeel hierover geen invloed heeft op de accreditatiebeslissing.

Hoofdstuk 2. :Beoordelingskader

De NAO toetst de beoordeling van de VBI aan de hand van de criteria zoals weergegeven in het accreditatiekader.

Ad 2.1. :Doelstellingen van de opleiding

De doelstellingen van de opleiding worden uitgedrukt in te bereiken eindkwalificaties van studenten. Het is mogelijk, maar niet noodzakelijk dat de eindkwalificaties zijn geformuleerd in termen van competenties.

Bij de beoordeling van het karakter van de opleiding worden de doelstellingen van de opleiding getoetst aan domeinspecifieke kwaliteitseisen en algemene criteria voor Bachelor- en Master- en HBO- en WO-opleidingen.

De eindkwalificaties zijn afhankelijk van het karakter van de opleiding (Bachelor of Master, HBO of WO, domeinspecifiek). In alle gevallen geldt dat de eindkwalificaties moeten aansluiten bij internationaal gehanteerde beschrijvingen voor Bachelor en Master in het HBO of WO voor het desbetreffende domein (voor het niveau Bachelor en Master kan daarbij gebruik worden gemaakt van de zogenaamde Dublin descriptoren - zie bijlage 2). In deze eindkwalificaties van studenten moeten recente ontwikkelingen in het vakgebied en wensen uit de beroepspraktijk tot uitdrukking komen. Het onderwerp internationalisering, dat niet als afzonderlijk onderwerp of facet in het kader is opgenomen, maakt onderdeel uit van de domeinspecifieke vereisten van de opleiding. Reden hiervoor is dat de mate waarin internationalisering onderdeel is van de basiskwaliteit per opleiding verschilt.

Ad 2.2. :Programma

In het opleidingsprogramma moeten de nagestreefde domeinspecifieke eindkwalificaties overtuigend zijn geconcretiseerd. Tevens moeten instromende studenten met de voorgestelde inhoud en vormgeving van dat programma (inclusief de leerdoelen binnen dat programma) de eindkwalificaties kunnen bereiken binnen de termijn die daarvoor staat. Voor een beoordeling van de vertaling van de doelstellingen in het programma is een inhoudelijke beoordeling van het studiepakket en van de onderwijskundige opzet gewenst, gegeven de specifieke keuze voor Bachelor of Master, HBO of WO en het desbetreffende domein. Ten opzichte van de Bachelor zal de Masteropleiding gekenmerkt worden door verdieping en/of verbreding. In het HBO zal de nadruk liggen op de inbreng van kennis en ervaring vanuit de actuele beroepspraktijk, in het WO is een inhoudelijke uitwisseling tussen onderwijs en (actueel) onderzoek het onderscheidende kenmerk. Daarbij moet een WO-Master de vaardigheden hebben om zelfstandig onderzoek op te zetten en uit te voeren. Aangezien ook het HBO is gestart met vormen van onderzoek (vgl. lectoren, kenniskringen) is de uitwisseling met (toegepast) onderzoek ook in de criteria voor het HBO opgenomen. Aan de andere kant is bij sommige WO-opleidingen de beroepsgerichtheid essentieel, naast de relatie met het onderzoek. Daarom is hiervoor een apart criterium opgenomen voor de desbetreffende opleidingen. Om de opleidingen in deze context te kunnen beoordelen zullen degenen die de toetsing uitvoeren moeten beschikken over domeinspecifieke deskundigheid.

Aan het HBO wordt de eis gesteld dat opleidingen aansluiten bij de beroepspraktijk. Dat kan op verschillende manieren worden vormgegeven, variërend van een substantiële praktijkleerperiode in de meeste Bacheloropleidingen tot aansluiting van de opleiding op werkervaring van de student in een aantal Masteropleidingen.

Ook de inrichting van het programma is voorwerp van beoordeling. Daarbij gaat het om de samenhang tussen de doelstellingen en de inhoud van het programma, de samenhang tussen de onderdelen binnen het programma, de studielast c.q. studeerbaarheid, de aansluiting op de instroom, de afstemming tussen vorm en inhoud, de beoordeling/toetsing (inclusief de beoordeling van de examens) en de organisatie van het studieprogramma. De in het kader opgenomen facetten sluiten aan bij de vragen in de huidige visitaties door de HBO-raad en de VSNU. De criteria sluiten aan bij het kwaliteitsniveau zoals dat nu in de praktijk van de meeste opleidingen in het hoger onderwijs is bereikt en dat ook voor de overige opleidingen goed is te realiseren. Steeds wordt beoordeeld of het programma bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen. Daarbij zijn formuleringen gebruikt die voldoende ruimte laten voor actuele ontwikkelingen aangaande de genoemde facetten. Zo wordt gesproken van ’beoordelingen en toetsingen’, waaronder ook vormen van assessment en toetsing van studentactiviteiten in duaal onderwijs kunnen vallen.

De kwaliteit van het programma zal ook moeten blijken uit de aansluiting van het programma op de kwalificaties van instromende studenten. Hierbij zijn de wettelijke vereisten voor HBO en WO van belang, zoals weergegeven in het accreditatiekader. Deze vereisten, die niet gelden voor de Open Universiteit Nederland, moeten ook tot uitdrukking komen in een effectieve aansluiting van het programma op het gemiddelde bereikte niveau van de desbetreffende schoolverlaters of andere toegelaten instromers op grond van een toelatingsonderzoek. Deze laatstgenoemde groep omvat onder meer buitenlandse studenten en zij-instromers.

Ad 2.3. :Inzet van personeel

De inzet van personeel is een belangrijke conditie voor kwaliteit en een indicatie voor het onderscheid tussen HBO en WO. Voor het HBO gaat het met name om kennis en ervaring van docenten aangaande de uitwisseling met de beroepspraktijk, voor het WO om het actief bedrijven van wetenschappelijk onderzoek. Bij de daartoe in aanmerking komende WO-opleidingen dienen docenten ook te beschikken over kennis van en inzicht in de desbetreffende beroepspraktijk.

De instelling zal verder moeten aangeven hoeveel personeel wordt ingezet voor de opleiding (staf-student-ratio) en wat de kwaliteit van dit personeel is. De VBI beoordeelt of dit voldoende is. Met het facet ’kwaliteit personeel’ worden de kwalificaties in bredere zin bedoeld, dus niet alleen de vakspecifieke kennis maar ook ervaring en vaardigheden. Deze kunnen bijvoorbeeld in een curriculum vitae of portfolio zijn neergelegd.

Ad 2.4. :Voorzieningen

De voorzieningen moeten toereikend zijn voor realisatie van het programma. Informatievoorziening aan studenten en studiebegeleiding moeten bovendien aansluiten bij de behoeften van studenten.

Vaak zal het gaan om faciliteiten zoals mediatheken, laboratoria, atelierruimte of vakspecifieke databanken. De aard en het niveau van deze voorzieningen verschilt met het karakter van de opleiding. In de beoordeling wordt nagegaan of deze in overeenstemming zijn met het algemeen geldende kwaliteitsniveau voor dergelijke voorzieningen.

Ad 2.5. :Interne kwaliteitszorg

De instelling moet aantonen dat kwaliteit structureel wordt bewaakt en verbeterd. De kwaliteit van de kwaliteitszorg vormt de beste garantie dat de opleiding bezig is met het in beeld brengen van zwakke plekken en maatregelen neemt om die aan te pakken. Daarmee is kwaliteitszorg de beste waarborg voor behoud en verbetering van de in de accreditatie geconstateerde kwaliteit. Om die reden kent de NAO veel gewicht toe aan kwaliteitszorg. Juist vanwege het feit dat de door de NAO geformuleerde criteria globaal zijn, heeft kwaliteitszorg de status van apart onderwerp gekregen. Op langere termijn kan de beoordeling van de kwaliteitszorg op opleidingsniveau lichter uitvallen als blijkt dat de kwaliteitszorg op instellingsniveau aan de maat is.

De betrokkenheid van medewerkers, studenten, alumni en het beroepenveld is een wezenlijk kenmerk van interne kwaliteitszorg. Deze betrokkenheid zal moeten blijken uit de wijze waarop de genoemde groepen worden geraadpleegd, hun rol in de besluitvorming en de doorwerking van hun aanbevelingen in de opleiding. Gedacht kan worden aan het functioneren van periodiek docentenoverleg, studentenevaluaties en de de rol van de opleidingscommissie (verplicht in het bekostigd onderwijs) en van de beroepenveldcommissie. Het is aan de VBI’s om te beoordelen of deze vormen van betrokkenheid ook inhoud krijgen en resultaten opleveren.

Ad 2.6. :Resultaten

Uiteindelijk gaat het er om of de beoogde doelstellingen ook gerealiseerd zijn. Dat wordt vastgesteld door de gerealiseerde resultaten te vergelijken met de beoogde resultaten, naar niveau, oriëntatie en domeinspecifieke kenmerken. Daarnaast moeten de rendementen aanvaardbaar zijn.

Hoofdstuk 3. :Bijzondere kwaliteitskenmerken

Naast accreditatie, gericht op basiskwaliteit, bestaat de wettelijke mogelijkheid om een aantekening te verkrijgen voor bijzondere kenmerken van de opleiding (WHW art. 5a.10). Hiervoor worden de volgende criteria gehanteerd: de kenmerken moeten bijdragen aan kwaliteit en aan differentiatie en profilering van het hoger onderwijs, concreet uitgewerkt zijn in het programma en een onderscheidend (niet noodzakelijk uniek) karakter hebben ten opzichte van relevante opleidingen in het Nederlandse hoger onderwijs. Bij beoordeling van bijzondere kwaliteitskenmerken ligt de bewijslast bij de instelling, die de VBI moet overtuigen van het bijzondere karakter. Voorbeelden van bijzondere kwaliteitskenmerken zijn internationalisering, een onderscheidend onderwijsconcept of een bijzondere relatie met de omgeving.

Hoofdstuk 4. :Beslisregels toetsing

De VBI geeft een samenvattende beoordeling van de kwaliteit van de opleiding met een positieve of negatieve totaalconclusie aangaande de basiskwaliteit van de opleiding. De NAO heeft beslisregels opgesteld die beschrijven op welke wijze de VBI’s stapsgewijs tot deze eindconclusie komen. Voor een positief eindoordeel moet de opleiding op alle onderwerpen uit het accreditatiekader voldoende scoren. De VBI moet haar afwegingen op alle niveaus - facetten, onderwerpen en eindoordeel - inzichtelijk maken, zodat duidelijk is waarop de eindconclusie is gebaseerd en hoe de verschillende facetten tegen elkaar zijn afgewogen.

Voor de beoordeling op facetniveau wordt een vierpuntsschaal gehanteerd. De waarderingen ’onvoldoende’ en ’voldoende’ zijn het eerste markeringspunt voor de beoordeling van de VBI. De waarderingen ’goed’ en ’ excellent’ laten zien dat de kwaliteit uitstijgt boven de basiskwaliteit. Door de VBI kan de waardering ’goed’ of ’ excellent’ gebruikt worden als compensatie van een facet binnen hetzelfde onderwerp met de waardering ’onvoldoende’. Het is niet de bedoeling dat de VBI’s louter instrumenteel omgaan met deze mogelijkheid van compensatie. Inhoudelijke afwegingen blijven noodzakelijk. Facetten die ernstig onvoldoende scoren komen niet voor compensatie in aanmerking. Op niveau van een onderwerp moet een opleiding altijd voldoende scoren. De VBI zal de bij compensatie gemaakte afwegingen dan ook altijd inzichtelijk moeten maken, zodat de NAO deze afwegingen kan volgen en beoordelen.

De waardering ’excellent’ is als score op de beoordelingsschaal opgenomen mede om ’best practices’ in beeld tebrengen die een voorbeeldwerking kunnen hebben voor andere- opleidingen.

Veel opleidingen worden in meerdere varianten (voltijd, deeltijd en/of duaal) aangeboden. Omdat de kwaliteit van deze varianten uiteen kan lopen, bijvoorbeeld op het gebied van samenhang, studiebegeleiding, inzet van docenten en aansluiting op instroom, geldt als voorwaarde voor accreditatie dat de basiskwaliteit van al deze varianten gewaarborgd is. De accreditatie vindt echter plaats op het niveau van de hele opleiding en niet op dat van de afzonderlijke varianten.

Een vergelijkbare beslisregel wordt gevolgd in een situatie waarin een opleiding wordt aangeboden op meerdere locaties. Wanneer sprake is van één CROHO-registratie voor verschillende locaties moet de basiskwaliteit van elke locatie gewaarborgd zijn. Op deze manier is er ook sprake van gelijke rechtsgevolgen als bij opleidingen waarbij verschillende locaties elk een eigen CROHO-registratie hebben en dus apart geaccrediteerd worden.

Hoofdstuk 5. :Beoordeling gevolgde werkwijze en rapport VBI

De VBI verantwoordt haar werkwijze in het rapport. De NAO beoordeelt de gevolgde werkwijze van de VBI aan de hand van het rapport van de VBI. Daarbij laat de NAO zich leiden door het toetsingskader Werkwijze Visiterende en Beoordelende Instanties. Onafhankelijkheid, deskundigheid en gezaghebbendheid van de beoordelingscommissie van de VBI staan daarbij centraal. Bij deskundigheid gaat het zowel om kennis van het eigen vakgebied als om inzicht in de methodiek van kwaliteitsbeoordeling en de onderwijskundige aspecten. De NAO zal de VBI ook beoordelen op de inbreng van studenten, zowel in de werkwijze van de VBI (in hoeverre is met studenten van de opleiding gesproken) als in samenstelling van de beoordelingscommissie.

De VBI moet haar conclusies beargumenteren aan de hand van haar eigen referentiekader en de analyse van de feiten. Vergelijking van de opleiding met andere opleidingen, bij voorkeur internationaal, moet deel uitmaken van de werkwijze van de VBI.

De NAO beoordeelt de gevolgde werkwijze en het rapport van de VBI bij elke afzonderlijke accreditatie. De beoordeling door de NAO sluit aan bij de criteria die de NAO in het algemeen hanteert bij het op een lijst plaatsen van VBI’s die voldoen aan de eisen van de NAO.

Hoofdstuk 6. :Werkwijze accreditatie bestaande opleidingen

De werkwijze van de NAO bij de accreditatie van bestaande opleidingen volgt de eisen en termijnen van de wet. Essentieel bij deze werkwijze is de initiatiefrol van de instelling. Deze bepaalt het karakter van de opleiding (Bachelor of Master, HBO of WO). Het indienen van een aanvraag brengt het accreditatieproces op gang.

In de tekst van het hoofdstuk zijn de daaruit voortvloeiende stappen beschreven. Hierbij is ook aangegeven welke eisen de NAO stelt aan de beschrijving en evaluatie van de opleiding in de zelfevaluatie. Dit moet ertoe bijdragen dat de VBI efficiënt de opleiding kan beoordelen. De zelfevaluatie is overigens niet openbaar en hoeft niet aan de NAO te worden aangeboden. Daardoor wordt voorkomen dat de zelfevaluatie te sterk in het teken van de verantwoordingsfunctie komt te staan en de verbeterfunctie in het gedrang komt. Voor de NAO moet het rapport van de VBI voldoende informatie bieden om haar beslissing op te baseren. Hierbij wordt wel de eis gesteld dat de VBI de kwaliteit van de zelfevaluatie heeft getoetst. Bij twijfel staat voor de NAO alsnog de weg open om aanvullende informatie op te vragen en zo de conclusies van de VBI te verifiëren. Ook kan de instelling op eigen initiatief de zelfevaluatie aan de NAO toezenden.

Alvorens het accreditatiebesluit vast te stellen stelt de NAO het instellingsbestuur binnen de termijn van 3 maanden waarbinnen de NAO tot een besluit moet komen in de gelegenheid binnen twee weken zijn zienswijze over het voorgenomen accreditatiebesluit naar voren te brengen.

De NAO zendt na definitieve vaststelling het accreditatiebesluit onverwijld aan het instellingsbestuur en maakt het besluit tegelijkertijd openbaar door middel van plaatsing op de website van de NAO.

Daarbij bestaat ook de mogelijkheid van bezwaar en beroep:

Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift door een belanghebbende bij de NAO. De termijn voor het indienen van bezwaar bedraagt zes weken. In het kader van de behandeling van het bezwaar vindt een hoorzitting plaats. De NAO beslist binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift. De beslissing op bezwaar kan voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. Hiervan wordt schriftelijk mededeling gedaan.

Tegen een beslissing op bezwaar van de NAO staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van beroep bedraagt zes weken. De Afdeling doet in beginsel zes weken na de zitting uitspraak. Deze termijn kan met ten hoogste zes weken worden verlengd.

Hangende de bezwaar- en/of beroepsprocedure kan aan de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bijlage 2

Omschrijving niveau bachelors en masters ('Dublin descriptoren')
 

Kwalificaties Bachelor

Kwalificaties Master

Kennis en inzicht

Heeft aantoonbare kennis en inzicht van een vakgebied, waarbij wordt voortgebouwd op het niveau bereikt in het voortgezet onderwijs en dit wordt overtroffen; functioneert doorgaans op een niveau waarop met ondersteuning van gespecialiseerde handboeken, enige aspecten voorkomen waarvoor kennis van de laatste ontwikkelingen in het vakgebied vereist is

Heeft aantoonbare kennis en inzicht, gebaseerd op de kennis en het inzicht op het niveau van Bachelor en die deze overtreffen en/of verdiepen, alsmede een basis of een kans bieden om een originele bijdrage te leveren aan het ontwikkelen en/of toepassen van ideeën, vaak in onderzoeksverband

Toepassen kennis en inzicht

Is in staat om zijn/haar kennis en inzicht op dusdanige wijze toe te passen, dat dit een professionele benadering van zijn/haar werk of beroep laat zien, en beschikt verder over competenties voor het opstellen en verdiepen van argumentaties en voor het oplossen van problemen op het vakgebied

Is in staat om kennis en inzicht en probleemoplossende vermogens toe te passen in nieuwe of onbekende omstandigheden binnen een bredere (of multidisciplinaire) context die gerelateerd is aan het vakgebied; is in staat om kennis te integreren en met complexe materie om te gaan

Oordeelsvorming

Is in staat om relevante gegevens te verzamelen en interpreteren (meestal op het vakgebied) met het doel een oordeel te vormen dat mede gebaseerd is op het afwegen van relevante sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke of ethische aspecten

Is in staat om oordelen te formuleren op grond van onvolledige of beperkte informatie en daarbij rekening te houden met sociaal-maatschappelijke en ethische verantwoordelijkheden, die zijn verbonden aan het toepassen van de eigen kennis en oordelen

Communicatie

Is in staat om informatie, ideeën en oplossingen over te brengen op een publiek bestaande uit specialisten of niet-specialisten

Is in staat om conclusies, alsmede de kennis, motieven en overwegingen die hieraan ten grondslag liggen, duidelijk en ondubbelzinnig over te brengen op een publiek van specialisten of niet-specialisten

Leervaardigheden

Bezit de leervaardigheden die noodzakelijk zijn om een vervolgstudie die een hoog niveau van autonomie veronderstelt aan te gaan

Bezit de leervaardigheden die hem of haar in staat stellen een vervolgstudie aan te gaan met een grotendeels zelfgestuurd of autonoom karakter

  • ^ [1]

    Tot dusverre is in de besluitvorming en in beleidsdocumenten de aanduiding ' VVI' (Visiterende en Validerende Instantie) gebruikt. Gezien de validerende taak van de NAO kan deze naam tot verwarring leiden. Daarom is door de NAO gekozen voor de aanduidling Visiterende en Beoordelende Instantie (VBII).

  • ^ [2]

    In de WHW art. 5.8, lid 2 wordt hiervoor het begrip ' aspect van kwaliteit' gehanteerd.

  • ^ [3]

    Als de opleiding in verschillende varianten wordt aangeboden (voltijd, deeltijd en duaal) dient waar relevant in de beoordeling duidelijk te worden dat voor elke variant afzonderlijk de basiskwaliteit volgens de criteria uit dit beoordelingskader is gewaarborgd.

  • ^ [4]

    Voor de Open Universiteit zijn deze instroomeisen niet van toepassing

  • ^ [5]

    In de praktijk wordt de beoordeling van de opleiding in het algemeen onder verantwoordelijkheid van de VBI door een externe (visitatie)commissie uitgevoerd.

  • ^ [6]

    Dit kader wordt momenteel - in concept - met betrokken partijen besproken.