Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit PDV protocollen MINAS-regeling 2003[Regeling vervallen per 01-01-2006.]

Geldend van 29-06-2003 t/m 31-12-2005

Besluit PDV protocollen MINAS-regeling 2003

De voorzitter van het Productschap Diervoeder heeft, namens het bestuur,

gelet op artikel 5, derde en zevende lid, van Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003 op 11 juni 2003 het volgende besluit vastgesteld.

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2006]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van het Verordeningsblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst.

Den Haag, 11 juni 2003

J.H.M. Kienhuis

voorzitter

Bijlage 1. Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen MINAS-regeling [Vervallen per 01-01-2006]

1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1.1 Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. Een deelnemer aan de zgn. MINAS-erkenningsregeling (Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003) dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de bedrijfsinterne controle monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.

  • 1.2 Het bedrijf moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een bedrijfseigen bemonsteringsprotocol.

2. Doel [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2.1 Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.

3. Plaats bemonstering [Vervallen per 01-01-2006]

  • 3.1 Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:

    • ● Er is geen restlading meer in de vrachtauto aanwezig.

    • ● Na het laden wordt het product zo snel mogelijk en rechtstreeks afgeleverd bij de veehouder. De tijdsperiode tussen bemonstering en aflevering mag langer zijn indien het bedrijf ten genoegen van het Productschap Diervoeder aantoont dat deze langere tijdsperiode geen invloed heeft op de te meten gehalten.

    • ● Na het bemonsteren vindt er geen bijlading meer plaats.

    • ● Sommige producten zakken sterk uit, onder meer afhankelijk van de tijd gedurende welke het product in de opslagtank is opgeslagen. Andere producten bevatten lichtere fracties (vetten, vezels, etc.) die gaan opdrijven. Het is gewenst dat in voorkomende gevallen voorafgaand en tijdens het beladen geroerd wordt om een goed representatief monster te nemen.

  • 3.2 Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij de veehouder de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.

  • 3.3 In het onder 1. vereiste bedrijfseigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.

4. Monsternameprocedure [Vervallen per 01-01-2006]

5. Algemeen [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.1.1 De bemonstering wordt uitgevoerd door of namens het bedrijf door een gemachtigd monsternemer.1 Zie hiervoor bijlage 1

  • 4.1.2 Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden. Deze systematiek sluit volledig aan bij EG-richtlijn 76/371 en is ook vastgelegd in bijlage 1 van het Besluit PDV bemonsterings- en keuringsprocedure diervoedersector 1998.

  • 4.1.3 De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.

6. Het nemen van de ondermonsters [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.2.1 Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.

  • 4.2.2 De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1.

    Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.

  • 4.2.3 Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van het Productschap Diervoeder aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.

  • 4.2.4 Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om "uitzeven" van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½" of ¾" kogelkraan).

  • 4.2.5 Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.

  • 4.2.6 De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).

  • 4.2.7 Ook kan - naar analogie van het bemonsteren van mest - gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.

7. Het verzamelmonster en het eindmonster [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.3.1 Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.

  • 4.3.2 Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna een of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.

8. Labelgegevens [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.4.1 Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld

    • ● Naam van het product/voer + evt. code

    • ● Datum + tijdstip van bemonstering

    • ● Kenteken vrachtauto

    • ● Plaats bemonstering

    • ● (Eventueel een monstercode)

    • ● Naam en paraaf monsternemer

  • 4.4.2 De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.

  • 4.4.3 Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.

9. Verzending [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.5.1 Het bedrijf stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium dient erkend te zijn in het kader van het Besluit Vvr erkenningsregeling laboratoria bedrijfsinterne controle diervoedersector 1996 Labcode-regeling voor de verrichtingen Droge stof, Ruw eiwit en Fosfor2.

  • 4.5.2 Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium3. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest het bedrijf het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

  • 4.5.3 Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van het Productschap Diervoeder aan te tonen dat dit zo is.

    Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

10. Monsteradministratie [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.6.1 Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd

    • ● Naam van het producthoer + evt. code

    • ● Datum en tijdstip bemonstering

    • ● Naam monsternemer

    • ● Plaats bemonstering

    • ● Kenteken vrachtauto

    • ● Eventuele overige identificatiegegevens

    • ● Naam van leverancier/producent

    • ● Naam van de afnemer van de partij

    • ● Partijgrootte

    • ● De voor MINAS gehanteerde waarden

    • ● De analyse-uitslagen, uitgedrukt in het product en de droge stof in g/kg

    • ● Overige van belang zijnde gegevens en bijzonderheden.

      Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.

Bijlage 1. : Machtiging als monsternemer [Vervallen per 01-01-2006]

Om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen MINAS- regeling te kunnen optreden, moet een daartoe bevoegde functionaris van het bedrijf een verzoek indienen. U dient daartoe onderstaand formulier volledig in te vullen, en samen met de gevraagde documenten te zenden aan het Productschap Diervoeder, Postbus 29739, 2502 LS Den Haag.

De machtiging wordt afgegeven door de secretaris van het Productschap Diervoeder.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Verzoek tot machtiging als monsternemer

Hierbij verzoekt registratienummer van het bedrijf opnemen (is uniek)

Bedrijfsnaam

Adres

Postcode + Plaats

Land

de onderstaande persoon te machtigen als monsternemer in het kader van Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen MINAS-regeling.

Personalia

Naam

Voorna(a)m(en) (voluit)

Adres

Postcode + Plaats

Geboortedatum

Nationaliteit

Functie binnen het bedrijf

Soort identiteitsbewijs

(kopie meesturen)

Nummer identiteitsbewijs

Ondergetekenden verklaren bovengenoemde gegevens naar waarheid te hebben ingevuld. Tevens verklaren ondergetekenden volledig op de hoogte te zijn van de inhoud van het Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen MINAS-regeling en dienovereenkomstig te zullen handelen

Handtekening te machtigen monsternemer

Handtekening bevoegde functionaris en firmastempel

Datum

Plaats

Bijlage 2. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen MINAS-regeling [Vervallen per 01-01-2006]

1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2006]

De Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003 (de MINAS-regeling) eist dat het gedeclareerde gehalte aan ruw eiwit, fosfor en droge stof gebaseerd wordt op o.a.

  • -

    resultaten van analytisch onderzoek van voedermiddelen en voeders, en

  • -

    op berekeningen, uitgaande van bekende gehalten van de in het mengvoeder verwerkte voedermiddelen. Dit laatste geldt voor mengvoeders.

In 2001 is in de MINAS-regeling de mogelijkheid opgenomen dat nadere richtlijnen voor minimale analysefrequenties voor onderzoek in (vochtrijke) voeders worden vastgesteld.

In artikel 5, lid 1 van de verordening is vereist dat het werkelijke gehalten vermeld moet worden. In artikel 5, lid 7, staat dat richtlijnen voor het vaststellen van te declareren gehalte kunnen worden voorgeschreven. In artikel 5, lid 2, eerste gedachtestreepje en lid 3 wordt gesproken over nadere richtlijnen op het punt van bemonstering en analysefrequentie.

2. Doel [Vervallen per 01-01-2006]

Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te declareren MINAS-gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek.

Tevens wordt aangegeven hoe het MINAS-erkende bedrijf het te declareren gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.

3. Uitgangspunten [Vervallen per 01-01-2006]

Het uitgangspunt is dat het MINAS-erkende bedrijf per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte berekent het bedrijf per product per locatie4 uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde)

De analysefrequentie hangt af van

  • -

    het gehalte aan ruw eiwit en fosfor, en

  • -

    de variatie in het gehalte aan droge stof resp. ruw eiwit en fosfor in de droge stof.

4. Werkwijze [Vervallen per 01-01-2006]

4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde). [Vervallen per 01-01-2006]

  • 4.1.1 Het MINAS-erkende bedrijf definieert zijn product(en) en legt dit vast, Belangrijk zijn uiteraard de voor MINAS belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt het bedrijf de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.

Nieuw product

  • 4.1.2 Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:

    • 4.1.2.1 Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent het bedrijf op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.

    • 4.1.2.2 Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt het bedrijf nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.

    • 4.1.2.3 Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1 2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.

    • 4.1.2.4 Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.

Bestaand product

  • 4.1.3 Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent het bedrijf op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.

Opmerkingen

  • 4.1.4 Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij het MINAS-erkende bedrijf kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.

  • 4.1.5 Een bedrijf dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie)5, die is vastgelegd in het Besluit bemonsterings-en keuringsprocedure 1998.

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdende gemiddelde) [Vervallen per 01-01-2006]

Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte

  • 4.1.2. Nadat het bedrijf volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.

  • 4.1.3. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de MINAS-tolerantie (vastgelegd in het Besluit bemonsterings-en keuringsprocedure 1998) met behulp van de figuur6 in bijlage 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.

  • 4.1.4 De benodigde aantallen legt het bedrijf vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprograrnma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.

  • 4.1.5 Na elk monsteronderzoek stelt het bedrijf uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de MINAS-administratie en -etikettering.

  • 4.1.6 Na afloop van de periode van 12 maanden stelt het bedrijf opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.

Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor

  • 4.1.7 Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag het bedrijf ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.

  • 4.1.8 Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag het bedrijf ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.

Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hete jaar beschikbaar komen

  • ● Het bedrijf onderzoekt minimaal 5 monsters op de relevante MINAS-kenmerken (=ds/vocht, RE en P) en berekent het gemiddelde en standaarddeviatie van deze kenmerken.

  • ● Vervolgens onderzoek het bedrijf minimaal 1 maal per maand een monster op de MINAS- kenmerken wanneer het product < 6 maanden per jaar beschikbaar komt.

  • ● Voor het overige werkt het bedrijf zoveel mogelijk volgens de richtlijnen die in dit protocol zijn genoemd.

Opmerkingen m.b.t. producten die voorkomen in de meststoffenwet

  • ● Gehalten van producten die vermeld worden in tabel 2 van bijlage D kunnen worden overgenomen.

Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte. [Vervallen per 01-01-2006]

Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de Standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).

Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan bet berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.

Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de voor MINAS bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.

PLAATJE TOEVOEGEN

Figuur 1. Benodigd aantal analyses (n) bij een gegeven verhouding tussen standaarddeviatie (sd) en MINAS-tolerantie.

  • ^ [1]

    Het gaat hier niet om een beëdigd monsternemer. De machtiging beoogt waarborgen te verschaffen dat monsters conform dit protocol worden genomen. Verder geeft deze schriftelijke verklaring een voldoende mate van onpartijdigheid.

  • ^ [2]

    De DS-bepaling mag ook via een afgeleide methode (bv. infrarood- of halogeendroogmethode) plaatsvinden, mits de apparatuur regelmatig (minimaal 1x/week) aantoonbaar wordt gecalibreerd.

  • ^ [3]

    Men kan bijv. afspraken met het laboratorium maken over het ophalen van het monster.

  • ^ [4]

    Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie ook 4.1.4. en 4.1.5.

  • ^ [5]

    berekend over het gemiddelde van de totale dataset

  • ^ [6]

    De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de MINAS-toleranties valt.