Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Spoedwet wegverbreding

Geldend op 09-02-2012


  • Wet van 2 juni 2003, houdende regels ter bespoediging en vereenvoudiging van procedures met het oog op het zo spoedig mogelijk vergroten van de capaciteit van een aantal hoofdwegen door middel van een betere benutting en verbreding van die wegen (Spoedwet wegverbreding)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bijzondere wettelijke voorzieningen tot stand te brengen ten behoeve van het zo spoedig mogelijk vergroten van de capaciteit van een aantal hoofdwegen door middel van een betere benutting en verbreding van die wegen teneinde filevorming tegen te gaan;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

  • Artikel 1. (definitie)

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

    • b. wegaanpassingsbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 4.

  • Artikel 2. (reikwijdte)

    • 1. Deze wet is van toepassing op de wegaanpassingsprojecten, opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage.

    • 2. De in het eerste lid genoemde bijlage kan worden gewijzigd bij algemene maatregel van bestuur. Een zodanige algemene maatregel van bestuur kan slechts betrekking hebben op de in de bijlage omschreven aard van het project, de wijziging van het aantal rijstroken en de kilometrering.

    • 3. Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Staten-Generaal.

  • Artikel 3. (verhouding tot Tracéwet en Wet milieubeheer)

    • 1. Ten aanzien van de in de bijlage genoemde wegaanpassingsprojecten is de Tracéwet niet van toepassing.

  • Artikel 3a [Vervallen per 01-01-2012]

  • Hoofdstuk 2. Besluitvorming inzake aanpassing van de in de bijlage, onder a en b, bedoelde wegaanpassingsprojecten

  • Artikel 4. (inhoud wegaanpassingsbesluit)

    • 1. Het wegaanpassingsbesluit bevat ten minste:

      • a. een beschrijving van het betrokken wegaanpassingsproject, waaronder begrepen de te realiseren rijstroken, en van de wijze waarop het zal worden uitgevoerd;

      • b. een beschrijving van de gevolgen van het wegaanpassingsproject voor de daarbij betrokken belangen en van de wijze waarop met die belangen rekening is gehouden;

      • c. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van het wegaanpassingsproject;

      • d. hetgeen nodig is ter uitvoering van ter zake van belang zijnde richtlijnen van de Europese Unie;

      • e. voor zover het betreft de in de bijlage, onder B, opgenomen wegaanpassingsprojecten voor het desbetreffende wegvak een verlaging van de maximum-snelheid van de motorvoertuigen gedurende de periode van openstelling van de extra rijstrook, waarvan de mate en de duur van de verlaging worden bepaald door de ernst van de belasting met betrekking tot geluidhinder en luchtkwaliteit.

    • 2. Het wegaanpassingsbesluit bevat, voor zover van toepassing, voorts:

      • a. een beschrijving van maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard;

      • b. een beschrijving van de werken of bouwwerken die, zonder deel uit te maken van het profiel van een weg, met die weg zijn verbonden en dienen voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik daarvan;

      • c. een opgave van de kabels en leidingen die moeten worden verwijderd voor de uitvoering van het besluit, alsmede, voor zover het betreft waterstaatswerken als bedoeld in artikel 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of artikel 1.1 van de Waterwet, voor zover in beheer bij het rijk, de plaats waar zodanige kabels en leidingen zullen worden gelegd;

      • d. een beschrijving op welke wijze de inpassing van de aan te passen weg in de omgeving zal geschieden, en waar dit in redelijkheid niet kan worden verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen.

    • 3. Ter voldoening aan het eerste lid, onder c, wordt gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20 000.

    • 4. Bij de vaststelling van het wegaanpassingsbesluit wordt gebruik gemaakt van:

      • a. de verkeersgegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken,

      • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken, en

      • c. de inventarisatie van de aanwezige flora en fauna en van de gevolgen van de wegaanpassing daarop en de daarop gebaseerde onderzoeken,

      die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-wegaanpassingsbesluit, met dien verstande dat indien de rapporten waarin die gegevens, onderzoeken en inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het wegaanpassingsbesluit ouder zijn dan twee jaar, het wegaanpassingsbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

    • 5. Het luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van een wegaanpassingsbesluit wordt beperkt tot het gebied dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de eerstvolgende aansluiting op de aan te passen weg en ter weerszijden van dit wegvak tot één kilometer vanuit de meest buiten gelegen rijstroken. Onder aansluiting wordt tevens knooppunt verstaan.

    • 6. Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van de methoden en uitgangspunten voor de beoordeling van effecten van een wegaanpassingsproject.

  • Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2012]

  • Artikel 5. (toepassing Wet geluidhinder)

    • 2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde wegaanpassingsprojecten bevat het wegaanpassingsbesluit:

      • a. de beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder met betrekking tot het gebied dat is begrepen in een wegaanpassingsbesluit;

      • b. de aanduiding van de te treffen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting van de gevel van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder.

    • 3. Onze Minister zendt het ontwerp-wegaanpassingsbesluit, indien het hogere waarden bevat voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder, voordat het ter inzage wordt gelegd aan:

      • a. de gebruikers van de woningen of de woonwagenstandplaatsen, het bevoegd gezag van scholen en de directies van ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen waarvoor een hogere waarde wordt bepaald;

      • b. de ter plaatse bevoegde inspecteur, die door Onze Minister is aangewezen;

      • c. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, indien het betrekking heeft op scholen.

  • Artikel 6. (specifieke bepalingen met betrekking tot geluidhinder)

    • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder akoestische gegevens: de berekening van de 70 dB(A) geluidcontour langs de wegvakken, gebaseerd op de verkeersgegevens over het jaar 2000.

    • 3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde wegaanpassingsprojecten bevat het wegaanpassingsbesluit de akoestische gegevens, alsmede de maatregel, voor zover deze voortvloeit uit het vierde lid.

    • 4. Indien uit de akoestische gegevens blijkt dat sprake is van een overschrijding van 70 dB(A) bij geluidsgevoelige bestemmingen, wordt in het wegaanpassingsbesluit een geluidreducerende wegdeklaag voorgeschreven, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

    • 5. Uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van het wegaanpassingsbesluit stelt Onze Minister ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde wegaanpassingsprojecten een plan op voor de te treffen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg, van de gevel van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de weg overeenkomstig artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Artikel 4, vierde lid, met uitzondering van het bepaalde onder b en c, is van overeenkomstige toepassing op het plan.

    • 6. Het plan bevat voorts de vaststelling van de geluidsbelasting van de gevel van de woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de weg overeenkomstig artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder, zoals deze wordt berekend na het treffen van de maatregelen overeenkomstig het plan.

    • 7. Het plan bepaalt de termijn waarbinnen de in het vijfde lid bedoelde maatregelen in uitvoering worden genomen.

  • Artikel 7. (voorbereidingsprocedure wegaanpassingsbesluit en de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit)

    • 2. Onze Minister draagt ervoor zorg dat zo spoedig mogelijk na het opstellen van een ontwerp van een wegaanpassingsbesluit bij de bevoegde bestuursorganen de aanvragen worden ingediend tot het nemen van de besluiten die nodig zijn met het oog op de uitvoering van het wegaanpassingsbesluit.

    • 3. Onze Minister zendt gelijktijdig het ontwerp-wegaanpassingsbesluit alsmede een afschrift van de aanvragen aan de betrokken bestuursorganen.

  • Artikel 8. (gecoördineerde voorbereiding besluiten)

    • 1. Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde besluiten.

    • 2. Onze Minister kan van andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.

  • Artikel 9. (vaststelling wegaanpassingsbesluit)

    • 1. Onze Minister stelt het wegaanpassingsbesluit vast binnen tien weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Indien krachtens het vierde lid toepassing wordt gegeven aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 of toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid wordt het wegaanpassingsbesluit vastgesteld mede in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie weken na het daartoe strekkende verzoek van Onze Minister overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

    • 2. Indien het wegaanpassingsbesluit niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt vastgesteld, deelt Onze Minister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de reden mee aan de Staten-Generaal.

    • 3. De betrokken bestuursorganen zenden binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ontwerpen van de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit aan Onze Minister.

    • 5. Artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft. Indien die handelingen plaatsvinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet, of daarbuiten in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de besluitvorming over stelt het wegaanpassingsbesluit het belang van bescherming van de waarden van het beschermde natuurmonument.

  • Artikel 9a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

    • 1. Onze Minister is bevoegd om hangende het beroep tegen een wegaanpassingsbesluit, een besluit tot wijziging van dat wegaanpassingsbesluit eerste lid, vast te stellen.

    • 2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, is op het besluit, bedoeld in het eerste lid, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, indien het een wijziging van ondergeschikte aard betreft. Het wijzigingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld uiterlijk tien dagen voor de zitting, die plaatsvindt ten behoeve van de beoordeling van het bestreden besluit.

  • Artikel 10. (vaststelling besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit)

    • 1. De betrokken bestuursorganen nemen de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit binnen zes weken na bekendmaking van het wegaanpassingsbesluit en zenden deze besluiten onmiddellijk toe aan Onze Minister.

    • 2. De in het eerste lid bedoelde termijn treedt in de plaats van de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voor die besluiten bepaalde beslistermijnen.

    • 3. Indien een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente of een waterschap of een ander openbaar lichaam, dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, niet of niet tijdig een ontwerp-besluit op de aanvraag aan Onze Minister zendt, dan wel niet of niet tijdig op de aanvraag beslist, dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van Onze Minister wijziging behoeft, kan Onze Minister een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt zijn besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze Minister voornemens is zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, pleegt hij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

    • 4. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtshalve te nemen besluiten.

    • 5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van andere besluiten dan die ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit, welke zijn gericht op de realisering van het desbetreffende wegaanpassingsproject.

    • 6. Indien bij de toepassing van het derde lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze Minister, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.

  • Artikel 11. (rechtsgevolgen van het wegaanpassingsbesluit)

    • 4. Het wegaanpassingsbesluit geldt niet langer als voorbereidingsbesluit indien voor het in het eerste lid bedoelde gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het wegaanpassingsbesluit van kracht is geworden.

    • 5. Onder een geprojecteerde woning of een ander geprojecteerd geluidsgevoelig object als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een nog niet aanwezige woning of ander geluidsgevoelig object waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toelaat, maar deze nog niet is afgegeven.

    • 7. Indien ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.

    • 10. De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het wegaanpassingsbesluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het wegaanpassingsbesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

    • 11. Indien een bestemmingsplan in strijd is met een onherroepelijk wegaanpassingsbesluit en het bestemmingsplan nog niet is aangepast aan het wegaanpassingsbesluit, is het gemeentebestuur verplicht aan degenen die inzage verlangen in zodanig bestemmingsplan, tevens inzage te verlenen in het ten aanzien van het door dat plan bestreken gebied vastgestelde wegaanpassingsbesluit.

  • Artikel 12. (verval van rechtswege)

    Het wegaanpassingsbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen twee jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.

  • Hoofdstuk 3. Beroep ten aanzien van het wegaanpassingsbesluiten en de besluiten ter uitvoering daarvan

  • Artikel 13. (beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State)

    • 1. Tegen een wegaanpassingsbesluit, een besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede een plan als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • Artikel 14. (termijn voor de rechter)

    • 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op de beroepen tegen de in artikel 13, eerste lid, bedoelde besluiten, met uitzondering van het in artikel 6, vijfde lid, bedoelde plan, binnen twaalf weken na ontvangst van de desbetreffende verweerschriften.

    • 2. In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling bestuursrechtspraak deze termijn met ten hoogste twaalf weken verlengen.

  • Artikel 14a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

    • 1. Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van oordeel is dat het beroep tegen het wegaanpassingsbesluit gegrond is, kan zij een tussenuitspraak doen, waarbij zij Onze Minister in de gelegenheid stelt om de gebreken weg te nemen.

    • 2. In haar tussenuitspraak stelt de Afdeling vast in welk opzicht het beroep gegrond is. Afdeling 8.2.6, met uitzondering van artikel 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De Afdeling vermeldt een termijn binnen welke de gebreken moeten zijn weggenomen. De Afdeling kan door middel van een wijziging van de tussenuitspraak de termijn op verzoek van Onze Minister verlengen.

    • 3. Indien Onze Minister aangeeft geen gebruik te willen maken van de gelegenheid om de gebreken weg te nemen dan wel de termijn die daarvoor geldt, laat verstrijken, wordt het onderzoek geacht te zijn gesloten op de dag van ontvangst van de mededeling van Onze Minister dan wel op de dag dat de bedoelde termijn is verstreken.

    • 4. Onze Minister stelt de Afdeling schriftelijk in kennis van de wijze waarop de gebreken zijn weggenomen.

    • 5. De Afdeling stelt de andere partijen in de gelegenheid binnen een door haar te stellen termijn schriftelijk te reageren op de kennisgeving, bedoeld in het vierde lid.

    • 6. Indien de Afdeling een onderzoek ter zitting nodig acht, deelt zij dit zo spoedig mogelijk aan partijen mede.

  • Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen

  • Artikel 15. (toepassing Belemmeringenwet Privaatrecht)

  • Artikel 16. (toepassing onteigeningswet)

    • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet kan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden.

    • 4. In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het derde lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden.

  • Artikel 17. (schadevergoeding)

    • 1. Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een onherroepelijk wegaanpassingsbesluit, een onherroepelijk besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, of een onherroepelijk plan als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of op andere wijze is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

    • 3. Onze Minister kan nadere regels geven omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding.

  • Hoofdstuk 5. Overige bepalingen

  • Artikel 18 [Vervallen per 24-04-2009]

  • Artikel 19. (evaluatie)

    Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

  • Artikel 20. (wijziging Wet bereikbaarheid en mobiliteit)

    [Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit.]

  • Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

  • Artikel 21. (inwerkingtreding)

    Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

  • Artikel 22. (citeertitel)

    Deze wet wordt aangehaald als: Spoedwet wegverbreding.

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te 's-Gravenhage, 2 juni 2003

    Beatrix

    De Minister van Verkeer en Waterstaat,

    K. M. H. Peijs

    De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

    P. L. B. A. van Geel

    Uitgegeven de vierentwintigste juni 2003

    De Minister van Justitie,

    J. P. H. Donner

  • Bijlage bij de Spoedwet wegverbreding, als bedoeld in artikel 2, eerste lid

    A. Wegaanpassingsprojecten van structurele aard

    Wegnummer

    Omschrijving wegvak

    Aard van het project

    Wijziging aantal rijstroken

    Kilometrering

        

    van

    naar

    van

    tot

     

    A9

    Wijkertunnel Badhoevedorp

         

    1

    A9

    Aansluiting Velsen–Raasdorp

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanpassingen in knooppunt

    2x2

    2x3

    41,0

    49,1

    2

    A9

    Knooppunt Raasdorp–knooppunt Badhoevedorp

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

    1x2

    1x3

    34,9

    38,3

      

    A9

         

    2a

    A9

    Alkmaar–Uitgeest

    aanleg spitsstrook

    2x2

    2x3

    59,0

    70,7

     

    A7

    Oostbaan richting Hoorn

         

    3

    A7

    Zaanstad–Purmerend

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    1x2

    1x3

    4,7

    14,8

     

    A12

    Utrecht–Den Haag

         

    4

    A12

    Zoetermeer–Zevenhuizen

    aanleg plusstrook

    2x2

    2x3

    15,8

    23,0

    5

    A12

    Zevenhuizen–Gouda

    aanleg plusstrook

    2x2

    2x3

    23,0

    27,0

    6

    A12

    Woerden–Gouda

    aanleg plusstrook

    1x3

    1x4

    45,0

    27,0

     

    A12

    Utrecht–Duitse grens

        

    7

    A12

    Utrecht–Bunnik

    aanleg extra rijstrook

    2x3

    2x4

    63,5

    63,5

    67,4 (noordbaan)

    67,6 (zuidbaan)

    8

    A12

    Bunnik–Driebergen

    aanleg extra rijstrook en plusstrook

    2x2

    2x4

    67,4

    67,6

    70,9 (noordbaan)

    71,5 (zuidbaan)

    9

    A12

    Driebergen–Maarsbergen

    aanleg plusstrook

    2x2

    2x3

    70,9

    71,5

    82,0 (noordbaan)

    82,0 (zuidbaan)

    10

    A12

    Veenendaal–Ede

    inrichten linker rijstrook als plusstrook en aanleg weefstroken

    2x2

    2x3

    90,0

    110,6

      

    CRAAG

        

    11

    A9

    Holendrecht–Diemen

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    2x2

    2x3

    4,5

    12,1

    12

    A1

    't Gooi

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    2x2

    2x3

    21,2

    29,6

    13

    A1/A6

    Muiderberg–Almere Stad west Oostbaan

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    1x3

    1x4

    12,0

    41,2

    15,4 (A1)

    48,0 (A6)

    14

    A1

    Diemen–Muiderberg

    uitbreiden wisselstrook

    1x1

    1x2

    6,4

    17,8

      

    A2

         

    14a

    A2

    Holendrecht–Maarssen

    aanleg extra rijstrook

    2x4

    2x5

    34,0

    57,0

    14b

    A2

    Urmond–Maasbracht

    aanleg spitsstrook

    1x2

    1x3

    239,1

    221,7

    14c

    A2/A76

    Urmond–Geleen

    aanleg extra rijstrook en aanpassing knooppunt Kerensheide

    2x2

    2x3

    239,1 (A2)

    4,5 (A76)

      

    A28 Utrecht–Amersfoort

         

    14d

    A28

    Utrecht–Leusden Zuid

    aanleg extra rijstrook

    2x2

    2x3

    0

    17,8

    14e

    A28

    Leusden Zuid–knooppunt Hoevelaken

    aanleg plusstrook en weefstroken en aanpassing knooppunt Hoevelaken

    1x2

    1x3

    17,3

    46,5 (A1) (oostbaan)

       

    aanleg plusstrook en weefstroken

    1x2

    1x3

    27,7

    17,3 (westbaan)

    B. Wegaanpassingsprojecten van semi-permanente aard

    Wegnummer

    Omschrijving wegvak

    Aard van het project

    Wijziging aantal rijstroken

    Kilometrering

        

    van

    naar

    van

    tot

      

    CRAAG

        

    15

    A4

    Knooppunt Badhoevedorp – knooppunt Nieuwe Meer

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

    2x3

    2x4

    0

    4,0

    16

    A10 zuid

    Knooppunt Nieuwe Meer – knooppunt Amstel

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

    2x3

    2x4

    16,0

    20,9

      

    A2/A27

        

    17

    A2/A27

    Everdingen – Lunetten

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

    1x2

    1x3 (deels 1x4)

    57,2

    70,2

     

    A28

    Utrecht–Amersfoort

        
      

    A1

        

    20

    A1

    Hoevelaken–Barneveld zuidbaan

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    1x2

    1x3

    46,0

    54,0

      

    A27

        

    22

    A27

    Gorinchem–Noordeloos

    inrichten linkerrijstrook als plusstrook

    1x2

    1x3

    37,3

    43,0

      

    Prins Clausplein

        

    23

    A4

    Aansluiting Leidschendam Prins Clausplein

    inrichten vluchtstrook als bufferstrook

    1x3

    1x4

    44,0

    46,3

    24

    A12

    Prins Clausplein–Voorburg

    inrichten vluchtstrook als bufferstrook

    1x4

    1x5

    6,4

    5,0

      

    A13

        

    25

    A13

    Zestienhoven–Delft Zuid

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    1x3

    1x4

    17,1

    10,6

      

    A20

        

    26

    A20

    Terbregseplein

    inrichten extra rijstrook als bufferstrook

    1x4

    1x5

    38,9

    34,5

      

    Coenplein

        
      

    A1

        

    28

    A1

    Knooppunt Watergraafsmeer – knooppunt Diemen

    inrichten als bufferstrook

    2x3

    2x4

    8,0

    3,7

      

    A50/A1 Valburg–Heteren/Arnhem–Deventer

        

    29

    A50/A1

    Arnhem Centrum–knooppunt Beekbergen

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    2x2

    2x3

    183,3

    203,0

    30

    A50/A1

    Knooppunt Beekbergen–Deventer Oost

    inrichten linkerrijstrook als plusstrook

    2x2

    2x3

    88,1

    108,6

    31

    A50/A1

    Heteren–Valburg

    inrichten vluchtstrook als spitsstrook

    1x2

    1x3

    158,7

    155,9

      

    A2 Den Bosch–Eindhoven

         

  • Bijlage 2 [Vervallen per 01-01-2012]