Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling instelling commissie vervolgonderzoek rekenschap[Regeling vervallen per 23-11-2005.]

Geldend van 09-07-2004 t/m 22-11-2005

Regeling instelling commissie vervolgonderzoek rekenschap

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Gelet op artikel 6, eerste en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges;

Besluiten:

Artikel 1 [Vervallen per 23-11-2005]

Er is een commissie vervolgonderzoek rekenschap, hierna te noemen de commissie.

Artikel 2 [Vervallen per 23-11-2005]

De commissie heeft tot taak:

  • a. met gebruikmaking van de uitkomsten per instelling van het zogenaamde zelfreinigend onderzoek naar de omgang met de bekostigingsregeling, dat in 2002 bij alle instellingen in de sectoren WO, HBO en BVE is uitgevoerd, te onderzoeken of bij die instelling één of meer van de in het rapport Ruimte voor Rekenschap (Kamerstukken II 2002-2003, 28 248, nr. 22) in de categorie rood I tot en met V ingedeelde handelwijzen zijn toegepast;

  • b. per instelling voor elk van de onder a bedoelde handelwijzen te beschrijven waaruit deze bestaat, hoeveel studenten of deelnemers dit betreft en welke opleiding en opleidingsvorm het betreft;

  • c. in die gevallen waarin sprake is van een handelwijze in de categorie rood V bij de beschrijving van de onder b bedoelde gegevens uit te gaan van het feit dat op basis daarvan een terugvorderingsactie zal worden gestart en een berekening te maken van het bedrag dat de instelling op grond van die handelwijze heeft ontvangen alsmede op basis van de berekeningen van alle desbetreffende handelwijzen het totaalbedrag dat per sector daarmee gemoeid is vast te stellen;

  • d. voor die instellingen waarbij handelwijzen in de categorie rood IV en V zijn aangetroffen, de feitelijke toedracht van die handelwijzen te beschrijven;

  • e. na bespreking van de voorlopige bevindingen met de instelling ten behoeve van de rapportage bedoeld onder h per instelling een eindrapport op te stellen over de bevindingen van het in dit artikel omschreven onderzoek;

  • f. bij vermoedens van strafbare feiten daarvan aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hierover tegelijkertijd te informeren;

  • g. voor 1 september 2003 een tussenrapportage uit te brengen aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen waarin het proces en de voortgang van het tot dan toe uitgevoerde onderzoek zijn beschreven;

  • h. voor 1 januari 2004 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een eindrapportage uit te brengen over de bevindingen voortvloeiend uit het in dit artikel omschreven onderzoek.

Artikel 3 [Vervallen per 23-11-2005]

De commissie heeft tevens tot taak:

  • a. op basis van het rapport Ruimte voor Rekenschap per instelling de oranje handelwijzen te kwalificeren als behorend tot de categorie rood of groen;

  • b. aanbevelingen te doen over de interpretatie van de wet- en regelgeving, over aanpassing van de wet- en regelgeving of over andere vormen van communicatie waarmee helderheid kan worden geschapen over ervaren onduidelijkheden in de wet- en regelgeving, die aan het ontstaan van de desbetreffende oranje handelwijzen ten grondslag liggen;

  • c. voor 15 juni 2003 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een rapport te verstrekken waarin de onder a bedoelde kwalificatie en de onder b bedoelde aanbevelingen zijn vastgelegd.

Artikel 3a [Vervallen per 23-11-2005]

  • 1 De commissie heeft in aansluiting op de taak, genoemd in artikel 2, de opdracht het daarin bedoelde onderzoek voort te zetten bij de 7 instellingen ten aanzien van die instellingen in de sectoren HBO en BVE waarvan geen eindconclusie is opgenomen in het eindrapport zoals bedoeld onder h van dat artikel.

  • 2 De commissie rapporteert over de resultaten van dit onderzoek per instelling. De rapporten betreffende de afzonderlijke instellingen behoeven niet gelijktijdig te worden uitgebracht.

  • 3 Indien het voortgezette onderzoek in vergelijking met de eindrapportage, bedoeld in het eerste lid, leidt tot het vaststellen van nog niet eerder vastgestelde onregelmatigheden of de commissie aanleiding geeft tot het doen van nieuwe aanbevelingen en adviezen brengt zij naast de rapportage per instelling een afsluitende algemene rapportage uit.

Artikel 3b [Vervallen per 23-11-2005]

  • 1 De commissie onderzoekt de mogelijkheden van toepassing van artikel 227a van het Wetboek van Strafrecht in die gevallen waarin naar het oordeel van de Commissie sprake is dat een instelling opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt ter verkrijging van bekostiging of subsidie waarop de desbetreffende instelling geen aanspraak had. De commissie treedt hierbij in overleg met het Openbaar Ministerie

  • 2 Indien toepassing van artikel 227a van het Wetboek van Strafrecht in het kader van haar onderzoek tot de mogelijkheden behoort, gaat de commissie voor alle door haar onderzochte instellingen na of de resultaten van haar onderzoek aanleiding geven tot het doen van aangifte op grond van vermoeden van handelen als bedoeld in artikel 227a van het Wetboek van Strafrecht. Zij adviseert de staatssecretaris terzake.

Artikel 4 [Vervallen per 23-11-2005]

Indien de commissie de in deze regeling gestelde rapportagetermijnen dreigt te overschrijden dan wel wanneer zij knelpunten ontmoet tijdens de uitvoering van het onderzoek, stelt zij de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen daarvan direct in kennis. De Commissie vermeldt hierbij welke knelpunten zich voordoen. Bij dreigende overschrijding van de rapportagetermijnen meldt de Commissie de oorzaak van de overschrijding en geeft zij een indicatie van de termijn waarop de rapportage wel zal zijn afgerond.

Artikel 5 [Vervallen per 23-11-2005]

  • 1 De commissie maakt voor het in artikel 2 onder a bedoelde onderzoek gebruik van accountants die werkzaam zijn bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en accountants die werkzaam zijn bij accountantsbureaus waarmee door dat ministerie een mantelcontract is afgesloten.

  • 2 De commissie ziet erop toe dat een externe accountant die in het verleden werkzaam is geweest voor een bepaalde instelling niet betrokken wordt bij het onderzoek aan dezelfde instelling.

  • 3 De commissie bepaalt op welke periode het onderzoek betrekking zal hebben, met dien verstande dat zo mogelijk wordt gekozen voor de inschrijfgegevens vanaf 1 oktober 1996 tot en met 1 oktober 2002, maar dat in elk geval wordt uitgegaan van de inschrijfgegevens vanaf 1 oktober 1998 tot en met 1 oktober 2002.

Artikel 6 [Vervallen per 23-11-2005]

  • 1 De commissie verricht haar werkzaamheden in onafhankelijkheid zonder last of ruggespraak.

  • 2 Zij kan desgewenst voor haar werkzaamheden een beroep doen op alle kennis die in welke vorm dan ook op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen respectievelijk het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aanwezig is omtrent haar werkterrein. De medewerking wordt niet dan op grond van wettelijke belemmeringen geweigerd.

Artikel 7 [Vervallen per 23-11-2005]

  • 1 De commissie heeft een secretaris.

  • 2 De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

  • 3 Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.

  • 4 De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de commissie.

  • 5 De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen benoemt, bevordert, schorst en ontslaat, na overleg met de voorzitter van de commissie, de secretaris en de andere medewerkers.

  • 6 Indien ambtenaren, in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen tot secretaris of medewerker zouden worden benoemd, zijn zij tegenover anderen dan de commissie verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen in het verband van de werkzaamheden van de commissie bekend is geworden.

Artikel 8 [Vervallen per 23-11-2005]

De commissie brengt geen andere rapportages uit dan die genoemd in artikel 2, onder g en h, artikel 3a en artikel 3, onder c, tenzij de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen daarom verzoekt.

Artikel 9 [Vervallen per 23-11-2005]

De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.

Artikel 10 [Vervallen per 23-11-2005]

De leden van de commissie ontvangen een vergoeding voor hun werkzaamheden conform het Vergoedingenbesluit adviescolleges (Stb. 1996, 583) alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten volgens de bestaande rijksregelingen.

Artikel 11 [Vervallen per 23-11-2005]

De commissie wordt opgeheven met ingang van de eerste dag van de derde maand nadat zij de laatste rapportage heeft uitgebracht.

Artikel 12 [Vervallen per 23-11-2005]

De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder als aangewezen is, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Artikel 13 [Vervallen per 23-11-2005]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van de eerste dag van de zesde maand nadat de commissie de laatste raportage heeft uitgebracht.

Artikel 14 [Vervallen per 23-11-2005]

Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling instelling commissie vervolgonderzoek rekenschap.

Deze regeling zal met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

A.D.S.M. Nijs

De

Minister

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties a.i.,

J.P.H. Donner