Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Wet op het LSOP en het politieonderwijs

Geldend op 01-01-2011


  • Wet van 23 januari 2003, houdende regels met betrekking tot het LSOP Politie onderwijs- en kenniscentrum, de landelijke werving, de selectie, het onderwijs voor de politie, alsmede het overdragen van kennis aan de politie (Wet op het LSOP en het politieonderwijs)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een Wet op het LSOP en het politieonderwijs vast te stellen ter vervanging van de LSOP-wet in verband met de evaluatie van de LSOP-wet, de aanpassing aan de Aanwijzingen voor de regelgeving inzake de zelfstandige bestuursorganen, de concentratie van beheersbevoegdheden op rijksniveau met betrekking tot de regionale politiekorpsen bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de wijziging van de bestuursstructuur en het financieringsstelsel van het LSOP, alsmede de vernieuwing van het politieonderwijs;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Hoofdstuk I. Algemeen

  • Artikel 1

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum;

    • b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • c. initiële opleidingen: de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie aangewezen opleidingen voor ambtenaren van politie, gericht op de voorbereiding van de uitoefening van algemene politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;

    • d. postinitiële opleidingen: de door Onze Minister, en voor zover het vervolgopleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van justitie de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, aangewezen opleidingen voor ambtenaren van politie of andere door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën van personen, gericht op de voorbereiding van de uitoefening van specialistische en leidinggevende politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;

    • e. college van bestuur: het college van bestuur, bedoeld in artikel 5;

    • f. raad van toezicht: de raad van toezicht, bedoeld in artikel 7;

    • g. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de studenten de politietaak bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke politiediensten uitoefenen in het kader van de initiële en postinitiële opleidingen;

    • h. politieonderwijsraad: het advies- en afstemmingsorgaan, bedoeld in artikel 19;

    • i. competentiegerichte eindtermen: als zodanig omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding en ervaring waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het maatschappelijk en beroepsmatig functioneren dient te beschikken, en die in voorkomende gevallen betekenis hebben voor de doorstroming naar vervolgonderwijs;

    • j. deelkwalificatie: een combinatie van competentiegerichte eindtermen, vastgesteld voor een initiële of postinitiële opleiding, die in het licht van de uitoefening van de politietaak waarop de opleiding is gericht een zelfstandige betekenis heeft.

  • Artikel 2

    • 1.Er is een Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum, belast met de in artikel 3, eerste lid, bedoelde taak.

    • 2.Het LSOP bezit rechtspersoonlijkheid.

  • Hoofdstuk II. Taken van het LSOP

  • Artikel 3

    • 1.Het LSOP heeft tot taak:

      • a. het ondersteunen van de landelijke werving en het uitvoeren van de selectie van de studenten voor de initiële opleidingen;

      • b. het ontwikkelen en het verzorgen van de initiële opleidingen;

      • c. het ontwikkelen en het verzorgen van de postinitiële opleidingen;

      • d. het examineren van de studenten die de initiële en postinitiële opleidingen hebben gevolgd;

      • e. het overdragen van kennis aan de Nederlandse politie en het bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de politietaak waarop het onderwijs is gericht, onder meer door het verrichten van onderzoek, en

      • f. het ontwikkelen of het verzorgen van andere dan de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde opleidingen van een door Onze Minister of Onze Minister van Justitie na overleg met Onze andere Minister aan te wijzen categorie van personen.

    • 2.Het LSOP kan andere werkzaamheden uitvoeren, dan die welke rechtstreeks voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde taken, mits die werkzaamheden:

      • a. samenhangen met de in het eerste lid bedoelde taken;

      • b. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten, en

      • c. tegen ten minste kostendekkende prijzen worden verricht.

    • 3.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels over de uit te voeren andere werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, gesteld.

  • Hoofdstuk III. De organen van het LSOP

  • Artikel 4

    De organen van het LSOP zijn het college van bestuur en de raad van toezicht.

  • Artikel 5

    • 1.Het college van bestuur is belast met het bestuur en het beheer van het LSOP. Daartoe oefent het college van bestuur de taken en bevoegdheden uit die niet zijn voorbehouden aan de raad van toezicht.

    • 2.Het college van bestuur vertegenwoordigt het LSOP in en buiten rechte.

    • 3.Het college van bestuur stelt een bestuursreglement vast. In het bestuursreglement worden ten minste vastgelegd:

      • a. de werkwijze van het college van bestuur,

      • b. de samenstelling en de werkwijze van de leiding van de instellingen en vestigingen van het LSOP,

      • c. de wijze waarop het college van bestuur de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden afstemt met die van de raad van toezicht, en

      • d. de wijze waarop de leden van het college van bestuur en van de raad van toezicht het voornemen tot het aanvaarden van een nevenfunctie anders dan uit hoofde van hun functie aan Onze Minister melden.

    • 4.Het bestuursreglement, alsmede de wijzigingen daarvan behoeven de instemming van Onze Minister. Het college van bestuur legt daartoe het bestuursreglement en een document waaruit de opvatting van de raad van toezicht hierover blijkt, voor aan Onze Minister.

    • 5.Het bestuursreglement, alsmede de wijzigingen daarvan worden bekendgemaakt in de Staatscourant.

    • 6.Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens.

  • Artikel 6

    • 1.Het college van bestuur bestaat uit drie leden, onder wie de voorzitter.

    • 2.De leden worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie. Een voordracht wordt niet gedaan dan nadat de raad van toezicht in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.

    • 3.Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt ervoor zorg gedragen dat ten minste één lid ambtenaar is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, en dat onderwijskundige expertise wordt gewaarborgd.

    • 4.De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.

    • 5.Zolang in een vacature van het college van bestuur niet is voorzien, vormen de overblijvende leden het college, met de bevoegdheid van het voltallige college, met dien verstande dat rechtsgeldige besluiten slechts kunnen worden genomen door ten minste twee leden.

  • Artikel 7

    • 1.De raad van toezicht is belast met:

      • a. het bewaken van de doelstelling en de strategie van het LSOP, en

      • b. het toezien op de taakuitoefening door het college van bestuur.

    • 2.Onverminderd artikel 26, behoeven de volgende besluiten van het college van bestuur de instemming van de raad van toezicht:

      • a. besluiten inzake fusie, splitsing, reorganisatie, sluiting of opheffing van instellingen of vestigingen van het LSOP, en

      • b. besluiten inzake het aankopen, bezwaren of vervreemden van onroerende zaken.

    • 3.De raad van toezicht geeft gevraagd en ongevraagd het college van bestuur zijn zienswijze over de taakuitoefening door het college van bestuur.

  • Artikel 8

    • 1.De raad van toezicht bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden, onder wie de voorzitter.

    • 2.De functie van lid van de raad van toezicht is niet verenigbaar met de functie van lid van het college van bestuur.

    • 3.In de raad van toezicht worden geen ambtenaren benoemd voor wie Onze Minister of Onze Minister van Justitie het bevoegd gezag is.

    • 4.De raad van toezicht stelt regels vast omtrent zijn werkwijze. Deze regels behoeven de instemming van Onze Minister.

    • 5.Het college van bestuur draagt zorg voor de ondersteuning van de raad van toezicht.

    • 6.Onze Minister kent de leden van de raad van toezicht, ten laste van het LSOP, een vergoeding toe voor hun werkzaamheden. De leden hebben aanspraak op vergoeding door het LSOP van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.

  • Artikel 9

    • 1.De leden van de raad van toezicht worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.

    • 2.De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.

    • 3.Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad, met de bevoegdheid van de voltallige raad.

  • Hoofdstuk IV. Het personeel

  • Artikel 10

    • 1.Tot het personeel van het LSOP worden in ieder geval gerekend:

      • a. de leden van het college van bestuur,

      • b. de ambtenaren in dienst van het LSOP, en

      • c. de bij het LSOP anders dan met het oog op het ontvangen van onderwijs gedetacheerde ambtenaren van politie.

    • 2.Het personeel van het LSOP, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.

    • 3.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister kunnen ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden aangewezen, die worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.

    • 4.Ambtenaren van politie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden door de korpsbeheerder van het regionale politiekorps of van het Korps landelijke politiediensten op verzoek van het college van bestuur bij het LSOP gedetacheerd. Bijzondere ambtenaren van politie worden door Onze Minister van Justitie op verzoek van het college van bestuur bij het LSOP gedetacheerd.

    • 5.Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, zijn de bij of krachtens artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993 gestelde regels van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen op voordracht van Onze Minister nadere regels worden gegeven, indien dit in verband met enige andere bepaling uit deze wet is vereist. De Wet veiligheidsonderzoeken is van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.

    • 6.Artikel 50, derde lid, van de Politiewet 1993 is van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.

    • 7.Artikel 50, vierde lid, van de Politiewet 1993 is van overeenkomstige toepassing op het LSOP.

  • Hoofdstuk V. Onderwijs

  • Artikel 11

    Het politieonderwijs is gericht op de verwerving van kennis, inzicht, vaardigheden, houding en ervaring, nodig voor de uitoefening van de politietaak. Het politieonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot hun maatschappelijk functioneren.

  • Artikel 12

    Het politieonderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.

  • Artikel 13

    • 1.Het LSOP biedt in samenwerking met de politiekorpsen, met de regionale opleidingencentra, bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en met de instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs aan in de vorm van initiële en postinitiële opleidingen.

    • 2.De niveaus waarop de initiële opleidingen, genoemd in de onderdelen a tot en met c van het derde lid, zich richten, komen overeen met de opeenvolgende niveaus van beroepsuitoefening, als bedoeld in artikel 7.2.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs. De niveaus waarop de initiële opleidingen, genoemd in de onderdelen d en e van het derde lid, zich richten, komen overeen met de niveaus van de opleidingen die op grond van artikel 7:21 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek recht geven op het voeren van de titels bachelor respectievelijk master.

    • 3.De initiële opleidingen richten zich op de volgende niveaus waarop de politietaak kan worden uitgeoefend:

      • a. assistent politiemedewerker (niveau 2),

      • b. politiemedewerker (niveau 3),

      • c. allround politiemedewerker (niveau 4),

      • d. politiekundige (niveau 5),

      • e. politiekundige (niveau 6).

    • 4.Aan de initiële opleidingen kunnen ten behoeve van individuele studenten voorbereidende of ondersteunende activiteiten worden toegevoegd ter bevordering van de toelating tot en het met gunstig gevolg voltooien van de opleiding. Deze activiteiten maken geen deel uit van de opleiding. Voorbereidende en ondersteunende activiteiten zijn bestemd voor studenten wier vooropleiding naar het oordeel van het college van bestuur zonder deze activiteiten onvoldoende uitzicht biedt op het voldoen aan de competentiegerichte eindtermen binnen redelijke tijd.

    • 5.Het college van bestuur is belast met de beoordeling van eerder verworven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding en ervaring, al dan niet blijkend uit eerder behaalde kwalificaties, met het oog op het verlenen van vrijstellingen.

    • 6.De studielast van de initiële opleidingen bedraagt voor de onderscheiden in het derde lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde initiële opleidingen ten minste:

      • a. 2400 studiebelastinguren,

      • b. 4800 studiebelastinguren,

      • c. 6400 studiebelastinguren,

      • d. 6720 studiebelastinguren, en

      • e. 6720 studiebelastinguren.

      Van de studielast kan overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, worden afgeweken.

    • 7.Van elke opleiding maakt een praktisch opleidingsdeel deel uit.

    • 8.Het praktische opleidingsdeel bedraagt voor de initiële opleidingen ten minste 40 % van de studielast, bedoeld in het zesde lid.

    • 9.Het praktische opleidingsdeel wordt verzorgd op grondslag van een standaard onderwijsovereenkomst, gesloten door het college van bestuur en de korpsbeheerder van het regionale politiekorps waarbij de student is aangesteld, of door het college van bestuur en de korpsbeheerder van het Korps landelijke politiediensten. De afspraken in de onderwijsovereenkomst betreffen: de precieze omvang van de periode van het praktische opleidingsdeel, de begeleiding van de student, dat deel van de competentiegerichte eindtermen dat de student tijdens het praktische opleidingsdeel dient te realiseren, en de beoordeling van de student tijdens het praktische opleidingsdeel.

  • Artikel 14

    • 1.Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, wijst de initiële en postinitiële opleidingen aan die voor bekostiging ingevolge artikel 27 in aanmerking komen, en draagt met het oog op de totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van competentiegerichte eindtermen, indien mogelijk onderverdeeld in deelkwalificaties, voor de initiële en postinitiële opleidingen.

    • 2.Op voorstel van de politieonderwijsraad, worden daartoe, indien noodzakelijk, jaarlijks voor 1 september bij ministeriële regeling per aangewezen opleiding de beroepsprofielen, de competentiegerichte eindtermen en indien mogelijk de indeling daarvan in deelkwalificaties alsmede de examenverplichting vastgesteld.

    • 3.Uit het voorstel dient te blijken dat de politieonderwijsraad voldoende acht heeft geslagen op de aansluiting van door het LSOP verzorgde opleidingen bij de opleidingen voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, de beroepsopleidingen, de opleidingen voor hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs.

    • 4.Indien ten aanzien van bepaalde uitvoerende functies of taken bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld met betrekking tot de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding, ervaring of persoonlijke eigenschappen waarover degenen die die functie of taak gaan vervullen, moeten beschikken, neemt Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, deze vereisten in acht bij de vaststelling van de competentiegerichte eindtermen.

    • 5.Op voorstel van de politieonderwijsraad stelt Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, met inachtneming van artikel 13, zesde lid, per opleiding de studieduur en de studielast vast. De studieduur of de studielast kan verschillen voor onderscheiden studenten of groepen van studenten, zo nodig in afwijking van de in artikel 13, zesde lid, genoemde studieduur of studielast.

    • 6.Het college van bestuur draagt er zorg voor dat de opleidingen zodanig zijn ingericht dat de studenten de competentiegerichte eindtermen binnen de vastgestelde studielast kunnen bereiken. Het college van bestuur draagt zorg voor de aanleg, het beheer en de bekendmaking van een centraal register politieopleidingen waarin de competentiegerichte eindtermen van de onderscheiden opleidingen zijn opgenomen.

  • Artikel 15

    • 1.Het college van bestuur stelt tijdig, ten behoeve van de studenten, voor elke door Onze Minister respectievelijk Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie aangewezen opleiding een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling omvat ten minste:

      • a. de competentiegerichte eindtermen,

      • b. de uitwerking van de competentiegerichte eindtermen in de inhoud en inrichting van de opleiding, met inbegrip van de inhoud en inrichting van het praktische opleidingsdeel,

      • c. de inhoud, en in voorkomende gevallen, de indeling in onderdelen van het examen,

      • d. de overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, vastgestelde studieduur en studielast van de opleiding,

      • e. de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen dat gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van het examen of onderdelen daarvan,

      • f. de wijze waarop het examen of onderdelen daarvan worden afgenomen,

      • g. de termijn waarbinnen de uitslag van een examen of examenonderdeel wordt bekendgemaakt en de wijze waarop en de termijn waarbinnen de student inzage verkrijgt in zijn beoordeelde examen of examenonderdeel.

    • 2.De onderwijs- en examenregeling wordt door het college van bestuur tijdig voor de aanvang van het studiejaar bekendgemaakt, zodanig dat de aanstaande student zich een adequaat beeld kan vormen van de inhoud en inrichting van het onderwijs en de examens.

  • Artikel 16

    Elke opleiding wordt afgesloten met een examen dat door het LSOP wordt afgenomen. Het examen omvat een onafhankelijk onderzoek naar de competenties waarover de student bij voltooiing van de opleiding dient te beschikken.

  • Artikel 17

    • 1.Het college van bestuur geeft de studenten de gelegenheid een examen af te leggen en draagt zorg voor de uitvoering van het examen.

    • 2.Ten bewijze dat een examenonderdeel met goed gevolg is afgelegd, wordt een bewijsstuk uitgereikt. Indien het examenonderdeel een deelkwalificatie betreft, wordt een certificaat uitgereikt. Ten bewijze dat een examen met goed gevolg is afgelegd wordt een diploma uitgereikt. Het examen van een opleiding is eerst dan met goed gevolg afgesloten indien zowel het duale opleidingsdeel als het overige deel van het onderricht met goed gevolg is afgesloten.

    • 3.Het college van bestuur stelt ten minste een examencommissie in ten behoeve van de organisatie en het afnemen van de examens voor elke door het LSOP verzorgde opleiding of groepen van opleidingen.

    • 4.Het college van bestuur benoemt de leden van de examencommissie.

    • 5.Ten behoeve van het afnemen van het examen wijst de examencommissie examinatoren aan. Het college van bestuur kan in afwijking van de eerste volzin bepalen dat een of meer examens worden afgenomen door andere examinatoren dan bedoeld in die volzin.

  • Artikel 18

    • 1. Het college van bestuur stelt ten minste een commissie van beroep voor de examens in.

    • 2. Beslissingen van het college van bestuur ter uitvoering van de artikelen 13, zevende lid juncto negende lid, of 17, of beslissingen van de degenen die het examenonderdeel of het examen hebben samengesteld of afgenomen, kunnen worden onderworpen aan het oordeel van de commissie.

    • 3. De commissie bestaat uit een oneven aantal leden, onder wie de voorzitter. De leden worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur. De leden maken geen deel uit van het college van bestuur, en hebben niet het examenonderdeel of het examen samengesteld of afgenomen dat aan het oordeel van de commissie is onderworpen.

    • 5. De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de student in de gelegenheid zal worden gesteld het examen of het examenonderdeel alsnog of opnieuw af te leggen. De beslissing van de commissie wordt bekendgemaakt aan de student, de leiding van de desbetreffende instelling van het LSOP alsmede aan de korpsbeheerder in wiens regio door de student het praktische opleidingsdeel wordt gevolgd.

    • 6. Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. In afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht, is de commissie niet bevoegd in de plaats van het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit een nieuw besluit te nemen. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het examenonderdeel of het examen opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. Het college van bestuur of degene die het examenonderdeel of het examen heeft samengesteld of afgenomen, van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.

    • 7. In zaken waarin het belang van de appellant een onverwijlde voorziening bij voorraad vordert, kan deze bij met redenen omkleed verzoekschrift, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, aan de voorzitter van de commissie van beroep voor de examens een voorlopige voorziening vragen. De voorzitter beslist op dat verzoek na de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.

    • 8. Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

  • Artikel 19

    • 1.Er is een politieonderwijsraad.

    • 2.De politieonderwijsraad bestaat uit dertien leden, onder wie de onafhankelijke voorzitter.

    • 3.De leden van de politieonderwijsraad wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

    • 4.De leden van de politieonderwijsraad worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen.

    • 5.De leden van de politieonderwijsraad worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd.

    • 6.In de politieonderwijsraad hebben, naast de voorzitter, als lid zitting:

      • a. een korpsbeheerder,

      • b. drie hoofdcommissarissen,

      • c. een lid van het openbaar ministerie,

      • d. twee vertegenwoordigers vanuit de politievakorganisaties,

      • e. een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs,

      • f. een vertegenwoordiger van het hoger onderwijs,

      • g. twee leden vanuit het LSOP, en

      • h. een onafhankelijk lid dat deskundig is op het terrein van het beroepsonderwijs.

    • 7.Tevens kunnen zoveel adviserende leden of waarnemers worden benoemd als Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie dienstig oordeelt.

  • Artikel 20

    • 1.De politieonderwijsraad draagt bij aan het ontwikkelen en onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting en afstemming tussen het aanbod van politieonderwijs en de behoefte daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, en mede gelet op van belang zijnde ontwikkelingen in internationaal verband.

    • 2.De politieonderwijsraad draagt zorg voor het ontwikkelen van voorstellen welke opleidingen voor bekostiging door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in aanmerking komen mede in het licht van een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen.

    • 3.De politieonderwijsraad adviseert Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister en Onze Minister van Justitie, omtrent de eisen die moeten worden gesteld aan de plaatsen waar het praktische opleidingsdeel wordt uitgevoerd, en omtrent het aantal plaatsen in de regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten waar het praktische opleidingsdeel wordt uitgevoerd.

    • 4.De politieonderwijsraad heeft tot taak toe te zien op de aansluiting van het politieonderwijs op de kwalificatiestructuur van het beroepsonderwijs zoals neergelegd in de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

    • 5.De politieonderwijsraad geeft Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister en Onze Minister van Justitie, desgevraagd of uit eigen beweging zijn zienswijze.

  • Artikel 21

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de organisatie, de werkwijze en de bekostiging van de politieonderwijsraad.

  • Hoofdstuk VI. Beheer, planning en bekostiging

  • Artikel 22

    • 1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over het beheer van het LSOP.

    • 2.Onze Minister houdt toezicht op het financiële beheer van het LSOP. De artikelen 203, 205 tot en met 211 van de Gemeentewet zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden over deze toepassing nadere, zo nodig afwijkende regels gegeven.

    • 3.Het college van bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het LSOP, voor zover deze niet zijn overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief. Onze Minister kan bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, regels geven over de zorg voor en de bewaring van de archiefbescheiden van het LSOP.

    • 4.Het oprichten of mede-oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen door het LSOP is slechts toegestaan met instemming van Onze Minister.

  • Artikel 23

    Bij ministeriële regeling van Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, worden criteria vastgesteld aan de hand waarvan het college van bestuur na overleg met de politiekorpsen de studenten verdeelt over de instellingen en de vestigingen van het LSOP.

  • Artikel 24

    In het beleidsplan, bedoeld in artikel 43a van de Politiewet 1993, worden door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie tevens de hoofdzaken van het beleid op rijksniveau met betrekking tot de werving, selectie en opleiding van ambtenaren van politie en van andere door Onze Minister of door Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën van personen aangegeven.

  • Artikel 25

    Onze Minister en Onze Minister van Justitie voeren jaarlijks overleg met het college van bestuur over de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

  • Artikel 26

    • 1.Het college van bestuur stelt, met inachtneming van het in artikel 24 bedoelde beleidsplan, ten minste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan vast.

    • 2.Het college van bestuur stelt jaarlijks een begroting voor het volgende kalenderjaar en een meerjarenraming voor de daarop volgende drie jaren vast, alsmede een jaarplan, de organisatie en de formatie voor het volgende kalenderjaar. Het jaarplan en de begroting bevatten een nadere uitwerking van het beleidsplan, bedoeld in het eerste lid.

    • 3.De door het college van bestuur vastgestelde stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeven de instemming van de raad van toezicht. Indien de raad van toezicht zijn instemming aan een of meer van deze stukken onthoudt, legt het college van bestuur deze stukken en een document waaruit de zienswijze van de raad van toezicht hierover blijkt, voor aan Onze Minister die alsdan een besluit neemt.

    • 4.De stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden na de vaststelling ervan door het college van bestuur vóór 15 november aan Onze Minister en in afschrift aan Onze Minister van Justitie gezonden. De stukken worden algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • Artikel 27

    • 1.Onze Minister stelt jaarlijks ten laste van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het LSOP bijdragen ter beschikking.

    • 2.Onverminderd het eerste lid, kan het LSOP geldmiddelen verwerven door het aanvaarden van geldmiddelen van derden in de vorm van schenkingen en legaten, door het aangaan van geldleningen, door inkomsten uit eigen beheer, en uit andere hoofde.

    • 3.Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen regels stellen omtrent de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP aan de politiekorpsen waarbij de studenten die de initiële opleidingen of de aangewezen postinitiële opleidingen volgen, zijn aangesteld.

    • 4.Het LSOP gebruikt de geldmiddelen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, uitsluitend ter vervulling van de taken, voortvloeiend uit artikel 3.

    • 5.Indien blijkt dat de geldmiddelen voor het LSOP aanmerkelijk tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, kan door Onze Minister aan het LSOP een aanvullende bijdrage beschikbaar worden gesteld.

    • 6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister worden regels gegeven betreffende de omvang en de bestemming van het vermogen van het LSOP. Indien het LSOP niet voldoet aan deze regels kan Onze Minister besluiten tot aanpassing van de hoogte van de bijdragen die aan het LSOP beschikbaar worden gesteld.

    • 7.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gegeven over de wijze waarop dit artikel wordt uitgevoerd.

    • 8.Het sluiten van geldleningen, bedoeld in het tweede lid, kan onder voorwaarden geschieden bij Onze Minister van Financiën ten laste van de begroting van Nationale Schuld.

    • 9.Het LSOP houdt zijn liquide middelen rentedragend aan in 's Rijks schatkist.

    • 10.Het sluiten van huur-, verkoop- en lease-overeenkomsten door het LSOP met een waarde gelijk aan of meer dan het bedrag zoals vastgesteld in de nadere voorschriften gesteld krachtens artikel 34 van de Comptabiliteitswet, dan wel voor een periode langer dan tien jaar, geschiedt na verkregen instemming van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

  • Artikel 28

    Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, stelt jaarlijks, nadat de korpsbeheerders, de korpschefs en de hoofdofficieren van justitie in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, en gelet op het advies terzake van de politieonderwijsraad, de voor de taakuitvoering van het LSOP benodigde bijdragen, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, vast.

  • Artikel 29

    • 1.Het college van bestuur stelt jaarlijks een jaarverslag vast van de werkzaamheden van het LSOP, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar, alsmede een jaarrekening. Het college van bestuur stelt de raad van toezicht in de gelegenheid zijn zienswijze over het jaarverslag en de jaarrekening kenbaar te maken.

    • 2.De jaarrekening behoeft de instemming van Onze Minister.

    • 3.De stukken, bedoeld in het eerste lid, worden, vergezeld van een document waaruit de zienswijze van de raad van toezicht over de stukken blijkt, na de vaststelling ervan door het college van bestuur vóór 1 april aan Onze Minister en in afschrift aan Onze Minister van Justitie gezonden. De stukken worden algemeen verkrijgbaar gesteld.

    • 4.Onverminderd het eerste lid, zijn de artikelen 361 tot en met 391 en 405 tot en met 414 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het in aandelen verdeeld zijn van het kapitaal van een vennootschap.

    • 5.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 27, zevende lid, kunnen regels worden gegeven over het te voeren financieel beheer en de verantwoording daarover.

  • Artikel 30

    • 1.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en een beoordeling van de rechtmatigheid, afgegeven door een door de raad van toezicht aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

    • 2.De verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking op de rechtmatige besteding van de middelen van het LSOP. De accountant voegt bij de verklaring tevens een verslag van zijn bevindingen of het beheer en de organisatie van het LSOP voldoen aan eisen van doelmatigheid.

    • 3.Artikel 393, derde tot en met zevende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is op het in te stellen onderzoek van overeenkomstige toepassing.

    • 4.Onze Minister kan de accountantsdienst van zijn ministerie belasten met een onderzoek naar controlewerkzaamheden van de accountant, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister kan de departementale accountantsdienst tevens belasten met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het LSOP. Aan de departementale accountantsdienst wordt desgevraagd inzage gegeven in de boeken en bescheiden en worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

  • Hoofdstuk VII. Inspectiefunctie en kwaliteitszorg

  • Artikel 31

    Onze Minister heeft de bevoegdheid tot het toetsen van de wijze waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP. Onze Minister kan aan het college van bestuur aanwijzingen van algemene aard geven met het oog op de goede uitoefening van zijn taak. De werkzaamheden die in het kader van het toetsen bedoeld in de eerste volzin worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister, en voor zover het werkzaamheden betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, vastgesteld.

  • Artikel 32

    • 1. Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen, met uitzondering van de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie, alsmede op de examinering, is opgedragen aan Onze Minister.

    • 2. Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie alsmede op de examinering, is opgedragen aan Onze Minister die het toezicht uitoefent in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.

  • Artikel 33

    De artikelen 53a tot en met 53c van de Politiewet 1993 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 34

    Het college van bestuur verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan Onze Minister of aan Onze Minister van Justitie de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze in de eerste volzin bedoelde Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • Artikel 35

    Indien de taken van het LSOP, voortvloeiend uit artikel 3, naar het oordeel van Onze Minister worden verwaarloosd, kan deze al die maatregelen nemen die hij met het oog op de continuïteit van de werkzaamheden of beperking van de schade noodzakelijk acht. Onze Minister doet hiervan terstond mededeling aan de Staten-Generaal.

  • Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen

  • Artikel 36

    [Wijzigt de Politiewet 1993.]

  • Artikel 37

    Degenen die op het tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet de leden zijn van de bestuursraad en de directie van het LSOP, bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, en 6, tweede lid, van de LSOP-wet, zijn voor de resterende duur van hun benoeming als zodanig met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de leden van de raad van toezicht onderscheidenlijk het college van bestuur.

  • Artikel 38

    De LSOP-wet wordt ingetrokken.

  • Artikel 39

    Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • Artikel 40

    Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het LSOP en het politieonderwijs.

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te 's-Gravenhage, 23 januari 2003

    Beatrix

    De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

    J. W. Remkes

    De Minister van Justitie,

    J. P. H. Donner

    Uitgegeven de achttiende februari 2003

    De Minister van Justitie,

    J. P. H. Donner