Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vragen en antwoorden over het besluit van 23 juli 2002, nr. CPP2002/2257M, inzake [...] op het BTW-compensatiefonds met ingang van 1 januari 2003[Regeling vervallen per 26-06-2009.]

Geldend van 18-12-2002 t/m 25-06-2009

Vragen en antwoorden over het besluit van 23 juli 2002, nr. CPP2002/2257M, inzake heffing van omzetbelasting ten aanzien van de uitvoering van bestemmings- en saneringsplannen; overgangsregeling in verband met de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds met ingang van 1 januari 2003

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

In verband met de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds met ingang van 1 januari 2003 is op 23 juli 2002 een besluit gepubliceerd over de heffing van omzetbelasting ten aanzien van de uitvoering van bestemmings- en saneringsplannen en de overgangsregeling in verband met de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds (CPP2002/2257M; V-N 2002/38.29) (hierna: het besluit). Vanuit de praktijk zijn een aantal vragen gesteld over de toepassing van het besluit. Onderstaand geef ik hierbij de vragen en de daarbij behorende antwoorden.

1. Onderdeel 1 van het besluit; Inleiding [Vervallen per 26-06-2009]

1.1. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Vanaf welk tijdstip is sprake van ‘in exploitatie zijnde bestemmingsplannen’?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

Het tijdstip waarop een bestemmingsplan in exploitatie is genomen is niet op eenduidige wijze aan te geven. Een en ander zal moeten worden beoordeeld naar de zich voor ieder afzonderlijk plan voordoende feiten en omstandigheden. In het algemeen zal sprake moeten zijn van een samenstel van handelingen gericht op de exploitatie van een bestemmingsplan. Dit samenstel van handelingen kan zowel betrekking hebben op de uitvoering van het bestemmingsplan (kostenzijde) als op de levering van bouwgronden (opbrengstzijde).

2. Onderdeel 2 van het besluit; Algemene handelwijze in verband met de intrekking van BTW-28 [Vervallen per 26-06-2009]

2.1. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

De BTW die gemeenten na 1 januari 2003 in rekening gebracht krijgen ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen dienen zij (behoudens de regels met betrekking tot oneigenlijk anticipatiegedrag) steeds via het compensatiefonds te declareren en dus niet langer via de reguliere BTW-aangifte. Gemeenten hebben de keuze de werking van BTW-28 voort te laten duren tot en met het jaar 2007 dan wel te kiezen voor afrekening ineens naar de prospectieve toestand per 31 december 2002. In het eerste geval vindt dan de eindafrekening BTW-28 plaats bij afsluiting van het plan, doch uiterlijk eind 2007. In ieder geval vindt dan de eindafrekening plaats via de retrospectieve methode.

Is het juist dat met de inkomsten en uitgaven van het plan ná 31 december 2007 geen rekening meer wordt gehouden, dus afrekening op basis van de daadwerkelijke ontvangsten en uitgaven tot en met 2007?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

Nee, deze conclusie is niet juist. Gemeenten kunnen er voor kiezen de ontwikkelingen ná 31 december 2002 van invloed te doen zijn op de mate waarin de vóór 1 januari 2003 ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen aan de gemeente in rekening gebrachte omzetbelasting voor aftrek in aanmerking komt. Hoewel de regeling van BTW-28 in beginsel is gebaseerd op de retrospectieve methode (eerst teruggaaf van omzetbelasting ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen als cumulatie van belasting zich daadwerkelijk voordoet), wordt deze teruggaaf in de praktijk in het algemeen bepaald op basis van de prospectieve methode. Onderdeel 2 van het besluit sluit hierbij aan, zodat gemeenten die van deze keuzemogelijkheid gebruik maken ultimo 2007 de mate van kostendekkendheid van de op 31 december 2002 en ook dan nog in exploitatie zijnde bestemmingsplannen bepalen op basis van de prospectieve methode. Naast de feitelijke ontwikkelingen tot en met 31 december 2007 zijn derhalve ook de verwachtingen met betrekking tot de ontwikkeling van de kosten en opbrengsten ná 31 december 2007 van invloed op de mate waarin de vóór 1 januari 2003 ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen aan de gemeente in rekening gebrachte omzetbelasting voor aftrek in aanmerking komt.

Voor bestemmingsplannen die op 31 december 2002 in exploitatie zijn en die vóór 31 december 2007 worden afgesloten, wordt de mate van kostendekkendheid bepaald op basis van gerealiseerde exploitatieresultaat van een plan. Het aldus bepaalde percentage is van toepassing op de vóór 1 januari 2003 ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen aan de gemeente in rekening gebrachte omzetbelasting.

2.2. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Is het zo dat indien niet per 31 december 2002 wordt afgerekend, er voor de periode na 2007 toch ook op basis van de prospectieve methode zal moeten worden afgerekend voor zover op 31 december 2007 het bestemmingsplan nog niet definitief is afgerond?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

Ja, zie het antwoord op vraag 2.1.

2.3. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Hoe dient de beperking tot 2007 in verband met de termijn voor ambtshalve teruggaaf te worden gezien tegenover de in de praktijk regelmatig met de belastingdienst gemaakte afspraak dat van beide zijden wordt afgezien van verjaringstermijnen?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

In gevallen waarin de inspecteur met een gemeente een overeenkomst heeft gesloten waarin partijen zich over en weer verbinden af te zien van een beroep op de verjaringstermijn én de gemeente onderdeel 2 van het besluit toepast, heeft dat in beginsel tot gevolg dat de gemeente ook na het jaar 2007 de mogelijkheid blijft behouden om in voorkomend geval een verzoek om ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting in te dienen met betrekking tot de jaren gelegen vóór 2003 en de inspecteur met betrekking tot die jaren de mogelijkheid heeft tot naheffing over te gaan. Ik ben van mening dat gemeenten noch de Belastingdienst zijn gebaat bij handhaving van dergelijke overeenkomsten (in beginsel tot het moment waarop alle op 31 december 2002 in exploitatie zijnde bestemmingsplannen definitief zijn afgesloten). Het betekent immers dat de aanwezige expertise bij beide partijen voor een steeds geringer wordend belang in stand moet worden gehouden. De consequentie voor de gemeente is bovendien dat zij ook ná 2007 voor een deel van haar bestemmingsplannen de administratie, gedurende wellicht vele jaren, nog overeenkomstig de uitgangspunten van BTW-28 moet blijven inrichten.

Van de zijde van de Belastingdienst bestaat op grond van het voorgaande dan ook de bereidheid de desbetreffende overeenkomsten per 31 december 2007 te beëindigen. De ter zake bevoegde inspecteurs zullen hiertoe in overleg treden met de gemeenten waarop het voorgaande van toepassing blijkt te zijn.

3. Onderdeel 3 van het besluit; Definitieve beëindiging van BTW-28 met ingang van 1 januari 2003 [Vervallen per 26-06-2009]

3.1. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Indien gemeenten kiezen voor de eindafrekening in 2003 naar de prospectieve toestand per 31 december 2002, dan dienen alle inkomsten en uitgaven van het plan in de toekomst (dus ook de inkomsten en uitgaven ná 31 december 2007) bij de beoordeling mee te wegen. Ik leid deze conclusie af uit de voorlaatste alinea van onderdeel 3: ‘ontwikkelingen in de kosten en opbrengsten van een bestemmingsplan ná 31 december 2002’. Is deze conclusie juist?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

Deze conclusie is juist. Op basis van reële verwachtingen met betrekking tot de ontwikkelingen van de kosten en opbrengsten van een bestemmingsplan gedurende de resterende exploitatieperiode van dat plan ná 31 december 2002, dient te worden vastgesteld tot welk percentage de gemeente voor ieder individueel plan vermoedelijk in staat zal zijn de kosten van aanleg van gemeenschapsvoorzieningen in de met omzetbelasting belaste grondverkopen door te berekenen. Tot het aldus bepaalde percentage komt de tot en met 31 december 2002 aan de gemeente ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen in rekening gebrachte omzetbelasting voor aftrek in aanmerking.

4. Onderdeel 4 van het besluit; Handelwijze met betrekking tot BTW-28, onderdelen 4 en 12 [Vervallen per 26-06-2009]

4.1. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Hoe dient er omgegaan te worden met de BTW op gemeentelijke voorbereidingskosten die tot ultimo 2003 worden gemaakt voor een bestemmingsplan dat pas in 2003 ‘in exploitatie’ gaat?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

De BTW op dergelijke kosten komt voor teruggaaf in aanmerking overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 4 van het besluit. Omdat het bestemmingsplan nog niet in exploitatie is genomen, betekent dit dat de aftrek van voorbelasting die plaats vindt op grond van onderdeel 4 van het besluit een definitief karakter draagt. Ontwikkelingen in het kosten- en opbrengstenniveau van een dergelijk, ná 31 december 2002 in exploitatie genomen bestemmingsplan, hebben hierop derhalve geen invloed meer.

Ik merk hierbij op dat voor zover de in de vraagstelling bedoelde kosten verband houden met de vaststelling van een bestemmingsplan alsmede de voorbereiding van die vaststelling, een gemeente niet optreedt als ondernemer in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet. De voorbelasting die betrekking heeft op die voorbereiding en vaststelling komt mitsdien niet voor aftrek in aanmerking, ook niet op basis van BTW-28 of het besluit (zie het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1987, nr. 23.777, BNB 1987/194).

5. Onderdeel 5 van het besluit; BTW-28 onderdeel 13 (projectontwikkelaars) [Vervallen per 26-06-2009]

5.1. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Hoe moet worden omgegaan met de uitvoering van deelplannen of fasen waarbij bijvoorbeeld bij de eerste overdracht van gemeenschapsvoorzieningen sprake is van een tekort en bij de tweede overdracht niet meer?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

BTW-28 gaat, behoudens de slotzin van onderdeel 11, uit van een benadering per bestemmingsplan. De positie van deelplannen of fasen dient derhalve te worden beoordeeld in het licht van het volledige bestemmingsplan.

Uit de vraag leid ik overigens af dat er mogelijk misverstand bestaat met betrekking tot onderdeel 13 van BTW-28 indien een volledig (zie in dit verband ook het antwoord op vraag 5.5) door een projectontwikkelaar uitgevoerd bestemmingsplan te zijnen aanzien met verlies wordt afgesloten. Ter zake merk ik het volgende op.

In onderdeel 13 van BTW-28 wordt onder meer gesteld ‘ (...). Aangezien er echter van mag worden uitgegaan dat de kosten van de aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen door de hiervoor bedoelde ondernemer volledig aan derden zullen worden doorberekend ...’. Deze passage brengt tot uitdrukking dat een projectontwikkelaar bij het sluiten van een overeenkomst tot uitvoering van een bestemmingsplan niet op voorhand een verlies zal accepteren. Indien nadien, veelal door omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet waren te voorzien, het project ten aanzien van de projectontwikkelaar toch met verlies wordt afgesloten, wordt op de aftrek van voorbelasting, die de projectontwikkelaar op grond van onderdeel 13 van BTW-28 heeft geëffectueerd, niet teruggekomen. In laatstbedoelde situatie vindt evenmin heffing van overdrachtsbelasting op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) plaats.

5.2. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Het besluit ziet uitsluitend op de toepassing van artikel 15, vierde lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer. Er ontbreekt echter een bepaling zoals in BTW-28 dat het (op)leveren van gemeenschapsvoorzieningen onder de kostprijs ook voor de BTW is toegestaan, zonder dat dit leidt tot een BTW-naheffing bij de projectontwikkelaar. Zonder een dergelijke bepaling zullen projectontwikkelaars toch gedwongen worden de gemeenschapsvoorzieningen tegen kostprijs aan de gemeenten (op) te leveren?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

In het besluit wordt in onderdeel 5, kopje Omzetbelasting, tweede alinea, de heffing van omzetbelasting met betrekking tot overeenkomstig onderdeel 13 van BTW-28 uitgevoerde bestemmingsplannen, zij het in enigszins gewijzigde vorm, gecontinueerd. Indien overigens aan alle voorwaarden wordt voldaan, betekent een en ander dat ten aanzien van de projectontwikkelaar wordt volstaan met heffing van omzetbelasting over de met betrekking tot de overdracht van de gemeenschapsvoorzieningen in acht te nemen vergoeding (zie in dit verband ook het antwoord op vraag 5.6.).

5.3. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

De laatste alinea van onderdeel 5 van het besluit, kopje Omzetbelasting, ziet op de situatie dat het plan niet kostendekkend is. In dat geval kan de ondernemer (projectontwikkelaar) de hem in rekening gebrachte BTW als voorbelasting in aftrek brengen ‘naar de mate waarin de kosten van de aldaar bedoelde voorzieningen in de vergoeding zijn begrepen’. Hoe verhoudt dit onderdeel zich met het uitgangspunt in de BTW-heffing van het subjectieve vergoedingenbegrip indien er van mag worden uitgegaan dat partijen een zakelijke prijs met elkaar zijn overeengekomen?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

Het betreft hier een versoepeling van een in het desbetreffende onderdeel gestelde voorwaarde voor de toepassing van een goedkeuring. Om die reden staat de aangehaalde passage naar mijn opvatting ook niet op gespannen voet met het subjectieve vergoedingenbegrip dat, in het algemeen gesproken, aan artikel 8 van de Wet ten grondslag ligt.

5.4. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

In onderdeel 5 is goedgekeurd dat ook aftrek van omzetbelasting kan plaatsvinden voor gemeenschapsvoorzieningen die niet in de grondprijzen behoren te worden doorberekend (bijvoorbeeld een stadskantoor). Voor de overdrachtsbelasting wordt goedgekeurd dat met betrekking tot het toepassen van artikel 15, vierde lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer het tot heden gevoerde beleid zal worden gecontinueerd. Dat beleid heeft betrekking op de overdracht van gemeenschapsvoorzieningen, waarvan de omzetbelasting ingevolge BTW-28 in de grondprijzen is doorberekend en niet op de omzetbelasting die drukt op bijvoorbeeld een stadskantoor.

Betekent dit, dat ter zake van de overdracht van voorzieningen waarvan de kosten niet in de grondprijzen behoren te worden doorberekend, artikel 15, vierde lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer van toepassing is, indien deze voorzieningen worden geleverd tegen een bedrag, inclusief de verschuldigde omzetbelasting, dat lager is dan de in dat artikel lid bedoelde waarde?

Wordt hiervoor een nadere maatregel afgekondigd?

Dezelfde vragen worden gesteld met betrekking tot gemeenschapsvoorzieningen die in het verlengde liggen van gemeenschapsvoorzieningen met uitsluitend planbetekenis (de zogenoemde bovenwijkse voorzieningen).

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

In onderdeel 13 van BTW-28 wordt onder meer opgemerkt: ‘…keur ik goed dat bedoelde vermeerdering van de vergoeding c.q. toepassing van het bedoelde besluit achterwege blijft, mits van aanspraak op aftrek van voorbelasting wordt afgezien ten aanzien van de eventuele aanleg van gemeenschapsvoorzieningen, waarvan de kosten overeenkomstig hetgeen onder 8, is vermeld in het geheel niet behoren te worden doorberekend in de grondprijzen …’. Deze passage houdt naar mijn opvatting onder meer in dat ook voorzieningen waarvan de kosten in het geheel niet behoren te worden doorberekend in de grondprijzen, feitelijk wel in die grondprijzen kunnen worden doorberekend om vervolgens tegen een symbolische vergoeding of om niet aan een gemeente te worden overgedragen. De faciliteit van onderdeel 13 blijft dan in stand, mits de projectontwikkelaar afziet van aftrek van voorbelasting met betrekking tot deze voorzieningen. Derhalve omvat het tot heden gevoerde beleid met betrekking tot de toepassing van artikel 15, vierde lid, WBR evenzeer de situatie waarin de kosten van gemeenschapsvoorzieningen die niet in de grondprijzen behoren te worden doorberekend, feitelijk wel in de grondprijzen worden doorberekend en welke voorzieningen vervolgens om niet of tegen een symbolische vergoeding aan de gemeente worden overgedragen. De omstandigheid dat in het besluit wordt goedgekeurd dat de omzetbelasting met betrekking tot meergenoemde voorzieningen na de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds bij de projectontwikkelaar in beginsel voor aftrek in aanmerking komt, brengt naar mijn opvatting dan ook geen wijziging in het tot heden gevoerde beleid voor de overdrachtsbelasting.

Met betrekking tot voorzieningen die in het verlengde liggen van de voorzieningen met uitsluitend planbetekenis (de zogenoemde bovenwijkse voorzieningen) merk ik op dat deze voorzieningen reeds in het besluit op één lijn zijn gesteld met de voorzieningen met uitsluitend planbetekenis. Verwezen zij naar onderdeel 4.2 van het besluit.

5.5. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

In onderdeel 5 van het besluit wordt ons inziens een nieuwe voorwaarde aan BTW-28 toegevoegd, namelijk dat het uitvoeren van een volledig bestemmingsplan onder meer betekent dat alle met de exploitatie van het bestemmingsplan samenhangende kosten door de projectontwikkelaar worden gedragen, hetgeen aldus moet worden uitgelegd dat er geen sprake mag zijn van bijdragen aan de projectontwikkelaar, noch in geld noch in natura. Als dit altijd al de uitleg van de tekst van BTW-28, punt 13, zou zijn geweest, waarom is dan artikel 15, vierde lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer met name ingevoerd in verband met de overdracht van gemeenschapsvoorzieningen tegen een symbolische vergoeding bij bestemmingsplannen met een ‘fiscaal tekort’ ten einde de ‘te lage BTW-druk te compenseren’?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

Vooropgesteld zij dat artikel 15, vierde lid, WBR niet met name is ingevoerd in verband met de overdracht van gemeenschapsvoorzieningen tegen een symbolische vergoeding bij bestemmingsplannen met een fiscaal tekort teneinde een te lage BTW-druk te compenseren. Artikel 15, vierde lid, WBR heeft een beduidend ruimere werking (zie wetsvoorstel 24 172, nr.3, onderdeel 2.6. Overdrachtsbelasting). De desbetreffende bepaling komt bij de overdracht van gemeenschapsvoorzieningen aan de gemeente om niet of tegen een vergoeding beneden de kostprijs, kort samengevat, eerst aan de orde, indien de kosten van aanleg van die voorzieningen niet of niet volledig, hetzij via doorberekening in de grondprijzen, hetzij door beperking van de aftrek bij de gemeente, met omzetbelasting worden belast.

De opvatting dat in onderdeel 5 van het besluit een nieuwe voorwaarde aan BTW-28 wordt toegevoegd deel ik niet. Het uitgangspunt in onderdeel 13 van BTW-28 is immers dat een projectontwikkelaar een volledig bestemmingsplan realiseert. Het gebruik van het woord ‘volledig’ impliceert dat de projectontwikkelaar alle noodzakelijke werkzaamheden met betrekking tot de realisatie van een plan zelf uitvoert of namens hem laat uitvoeren. Dat sluit dus in beginsel iedere situatie uit waarin een gemeente op directe of indirecte wijze bijdraagt in de kosten van een bestemmingsplan, dan wel een deel van het plan zelf uitvoert. Desalniettemin kan toepassing van artikel 15, vierde lid, WBR onder bepaalde voorwaarden toch achterwege blijven. In dit verband verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.6. van dit besluit.

5.6. Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

Er wordt goedgekeurd dat toepassing van artikel 15, vierde lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer achterwege blijft bij de (op)levering van gemeenschapsvoorzieningen aan de gemeente tegen een symbolische vergoeding, mits sprake is van een ‘fiscaal sluitend’ plan. Echter indien er sprake is van een ‘fiscaal tekort’ blijft toepassing van artikel 15, vierde lid, WBR ook achterwege onder de voorwaarde dat aan de gemeente een BTW-factuur wordt uitgereikt ter grootte van dat tekort. Wat is de ratio van de laatstgenoemde voorwaarde? Het maakt na de komst van het BTW-compensatiefonds in beginsel toch niet meer uit of een plan BTW-technisch sluitend is of niet? Waarom dan toch nog blijven vasthouden aan een bij de projectontwikkelaar ‘fiscaal sluitend plan’?

Vraag [Vervallen per 26-06-2009]

In onderdeel 5 van het besluit wordt onder het kopje Omzetbelasting goedgekeurd dat ‘… niet langer behoeft te worden voldaan aan de voorwaarde dat de desbetreffende ondernemer het bestemmingsplan in geografisch en financieel opzicht volledig uitvoert, …’. Onder het kopje Overdrachtsbelasting is deze goedkeuring niet opgenomen. Waar voor de omzetbelasting een goedkeuring wordt gegeven welke aansluit bij de praktijk, lijkt in de overdrachtsbelasting te worden vastgehouden aan de uitvoering van een volledig bestemmingsplan, waardoor in de praktijk – zonder nadere maatregelen – in veel gevallen artikel 15, vierde lid, WBR van toepassing zal zijn.

Moet naar doel en strekking van het besluit niet ook voor de overdrachtsbelasting de eis vervallen dat sprake is van de uitvoering van een volledig bestemmingsplan?

Antwoord [Vervallen per 26-06-2009]

Beide vragen hebben betrekking op de reikwijdte van de voor de heffing van overdrachtsbelasting bestaande faciliteit, op grond waarvan, bij uitvoering van een bestemmingsplan door een projectontwikkelaar, onder bepaalde voorwaarden op de overdracht van gemeenschapsvoorzieningen aan de gemeente om niet of tegen een symbolische vergoeding, toepassing van artikel 15, vierde lid, WBR achterwege blijft (zie kamerstukken II 1994/95, wetsvoorstel 24.172, nr. 7). Met name gaat het om de reikwijdte van deze faciliteit na invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds. Ik merk daarover het volgende op.

De ratio van deze faciliteit is, dat als een projectontwikkelaar of dergelijke ondernemer een bestemmingsplan volledig uitvoert en de kosten van aanleg van gemeenschapsvoorzieningen in de met omzetbelasting belaste verkopen van grond en opstallen doorberekent en vervolgens die voorzieningen om niet of tegen een symbolische vergoeding aan de gemeente overdraagt, ten aanzien van de gemeente een voor de heffing van omzetbelasting identieke situatie ontstaat als wanneer de gemeente het bestemmingsplan zelf zou hebben gerealiseerd. In dit geval blijft heffing van overdrachtsbelasting op grond van de verleende faciliteit achterwege.

De invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds brengt in het voorgaande geen verandering.

De hiervoor beschreven situatie stemt volledig overeen met de regeling die is opgenomen in BTW-28, onderdeel 13. In de praktijk komen evenwel ook situaties voor waarin de uitvoering van een bestemmingsplan door een projectontwikkelaar anders verloopt.

Daarbij kan allereerst worden gedacht aan de situatie waarin partijen bij het sluiten van de overeenkomst overeenkomen dat de gemeenschapsvoorzieningen tegen een bepaalde, andere dan symbolische maar beneden de kostprijs van die voorzieningen gelegen vergoeding aan de gemeente zullen worden overgedragen. De daarmee gepaard gaande leveringen worden dan op de voet van de Wet in de heffing van omzetbelasting betrokken. Hierdoor ontstaat ten aanzien van de gemeente een omzetbelastingdruk welke in grote lijnen overeenkomt met de situatie waarin de gemeente het plan zelf zou hebben uitgevoerd. Gezien de ratio van de voor de heffing van overdrachtsbelasting getroffen faciliteit, kan ook nu heffing op grond van artikel 15, vierde lid, WBR achterwege blijven. Invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds brengt ook in deze situatie geen verandering met zich mee.

Hetzelfde geldt voor situaties waarin weliswaar niet expliciet een vergoeding ter zake van de overdracht van de gemeenschapsvoorzieningen is overeengekomen maar sprake is van een directe of indirecte financiële bijdrage door de gemeente die wel als zodanig kan worden aangemerkt. De gevolgen zijn gelijk aan het hiervoor beschreven geval waarin met betrekking tot de overdracht van de gemeenschapsvoorzieningen bij het sluiten van de overeenkomst tot uitvoering van het bestemmingsplan een vergoeding is overeengekomen. Derhalve blijft ook dan toepassing van artikel 15, vierde lid, WBR achterwege. Ook nu geldt dat daarin vanaf 1 januari 2003 geen verandering optreedt.

Indien echter, op grond van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, zou komen vast te staan dat de bijdrage in de kosten van het plan niet kwalificeert als vergoeding in de zin van de Wet, dan ontstaat een situatie waar toepassing van artikel 15, vierde lid, WBR niet achterwege kan blijven. Zoals hiervoor al is aangegeven blijft immers heffing van overdrachtsbelasting slechts achterwege indien de volledige kosten van aanleg van gemeenschapsvoorzieningen, hetzij via doorberekening in de grondprijzen, hetzij door beperking van de aftrek bij de gemeente, met omzetbelasting worden belast. Daarvan is de hier geschetste situatie geen sprake.

De vraag is dan of de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds aanleiding vormt in de hier bedoelde gevallen met betrekking tot de overdrachtsbelasting vanaf 1 januari 2003 een ander standpunt in te nemen. Ik ben van mening dat dit niet het geval is, omdat voor een juiste werking van de Wet op het BTW-compensatiefonds (met name voor de bepaling van de omvang van het fonds en de uitname uit het gemeentefonds) het bereiken van een juiste omzetbelastingdruk ten aanzien van de gemeente ook vanaf 1 januari 2003 van belang is.

Soortgelijke situaties kunnen zich voordoen indien de gemeente, in de hoedanigheid van ondernemer in de zin van de Wet, bepaalde kosten, verband houdende met het bestemmingsplan, voor haar rekening neem of indien het bestemmingsplan in geografisch opzicht ten dele door de gemeente wordt uitgevoerd.

In het eerste geval (de gemeente neemt een deel van de kosten voor haar rekening, zie ook voetnoot 4) ontstaat voor de projectontwikkelaar meer ruimte voor doorberekening van de kosten van aanleg van de gemeenschapsvoorzieningen en voor de gemeente een lagere omzetbelastingdruk, ten opzichte van de situatie waarin de gemeente dan wel de projectontwikkelaar het volledige bestemmingsplan zou hebben ontwikkeld.

In het tweede geval (de gemeente voert in geografisch opzicht een deel van het bestemmingsplan zelf uit) zal ten aanzien van de gemeente een lagere omzetbelastingdruk ontstaan, indien, met betrekking tot het door de gemeente ontwikkelde deel van het bestemmingsplan, de in de hoedanigheid van ondernemer door de gemeente gemaakte kosten, de opbrengsten uit met omzetbelasting belaste grondverkopen overtreffen.

Uit praktische overwegingen kan ik mij er overigens mee verenigen, dat in gevallen als bedoeld in deze alinea, heffing van overdrachtsbelasting desalniettemin achterwege blijft, onder de voorwaarde dat de gemeente afziet van het haar ingevolge artikel 15 van de Wet toekomende recht op aftrek van voorbelasting, voor zover die voorbelasting de in die gevallen verschuldigde omzetbelasting overtreft en maximaal tot het bedrag aan omzetbelasting dat aan de gemeente in rekening zou zijn gebracht, indien de projectontwikkelaar de door hem gerealiseerde gemeenschapsvoorzieningen tegen kostprijs zou hebben geleverd. Op deze niet op de voet van artikel 15 van de Wet in aftrek gebrachte omzetbelasting, is vervolgens de Wet op het BTW-compensatiefonds van toepassing, als ware de omzetbelasting aan de gemeente in rekening gebracht anders dan in het kader van de onderneming.