Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Mijnbouwregeling

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Mijnbouwregeling

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Handelende in overeenstemming met de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op de op 13 september 1983 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst inzake samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (Trb. 1983, 159; laatstelijk Trb. 1990, 100), de artikelen 9, derde lid, 11, vierde en vijfde lid, 14, 32, 40, zesde lid, 63, vierde lid, 122, 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet, en de artikelen 4, vierde lid, 7, eerste lid, 12, tweede lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid, 19, eerste lid, 20, eerste lid, 23, tweede lid, 29, 44, eerste lid, 45, eerste lid, 51, vijfde en zesde lid, 52, zesde en achtste lid, 53, derde lid, 66, eerste lid, 73, 77, 80, tweede en vierde lid, 81, derde lid, 82, vierde lid, 83, eerste en derde lid, 93, derde lid, 114 en 144 van het Mijnbouwbesluit;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen, vergunningen en ontheffingen en overige bepalingen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. besluit: Mijnbouwbesluit;

  • b. minister: Minister van Economische Zaken;

  • c. DIN: door het Deutsche Institut für Normaliserung uitgegeven norm;

  • d. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

  • e. hydraulische eenheid: een hydraulisch verbonden poriënruimte waar drukdoorgave met technische middelen kan worden gemeten en die is afgebakend door stromingsbarrières zoals storingen, zoutkoepels, lithologische grenzen, of door wigvormige uitloop of dagzomende aardlagen van de formatie;

  • f. richtlijn nr. 2009/31/EG: richtlijn nr. 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 (PbEG L 140) van het Europese Parlement en de Raad;

  • g. ETRS89 systeem: European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323);

  • h. EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen: verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PbEU 2007, L 136);

  • i. EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L353);

  • j. biocidenverordening: verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L 167).

Artikel 1.1.2

Waar in deze regeling producten dienen te voldoen aan een bepaalde norm of eis, worden daaraan gelijkgesteld producten die voldoen aan normen of eisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die tenminste een gelijkwaardig niveau waarborgen.

§ 1.2. Vergunningen en ontheffingen

Artikel 1.2.1

  • 1 Aanvragen om vergunningen, ontheffingen of andere besluiten bij of krachtens de wet en aanvragen om wijziging daarvan, worden ingediend bij de minister, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald. De aanvraag kan langs elektronische weg als bedoeld in artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht worden ingediend.

  • 2 De bij de aanvraag behorende stukken worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag.

  • 3 Indien de aanvrager gegevens eerder heeft verstrekt, of indien gegevens reeds op andere wijze in bezit zijn van de minister, kan daar naar worden verwezen, tenzij deze gegevens gewijzigd zijn.

  • 4 Op verzoek van de minister worden, in aanvulling op de gegevens die in dit hoofdstuk worden vermeld, tevens andere gegevens verstrekt of ter inzage gegeven, indien dat voor beoordeling van de aanvraag van belang is.

Artikel 1.2.2

  • 1 Indien bij een aanvraag ingevolge dit hoofdstuk een plaats, traject of gebied moet worden vermeld, wordt dit uitgedrukt in:

    • a. het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting, indien de plaats, het traject of het gebied zich aan de landzijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn bevindt, en

    • b. geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem, indien de plaats, het traject of het gebied zich aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn bevindt.

  • 2 Van een gebied wordt het oppervlak vermeld, uitgedrukt in km2.

  • 3 Een plaats of een traject wordt, onder vermelding van de coördinaten daarvan, aangegeven op een kaart.

  • 4 De ligging van een gebied wordt, onder vermelding van de coördinaten van de hoekpunten daarvan, aangegeven op een kaart.

  • 5 De kaarten, bedoeld in het derde en vierde lid, worden in viervoud overgelegd en zijn getekend op een schaal van 1:50.000.

§ 1.3. Opsporings-, winnings- en opslagvergunning

Artikel 1.3.1

  • 1 Bij de aanvraag om een opsporingsvergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet vermeldt de aanvrager:

    • a. voor welk tijdvak de vergunning wordt gevraagd;

    • b. voor welk gebied de vergunning wordt gevraagd, en

    • c. of de aanvraag betrekking heeft op de opsporing van delfstoffen onder vermelding van de delfstof, waarop de aanvraag betrekking heeft, de opsporing van aardwarmte dan wel de opsporing van een CO2-opslagcomplex.

  • 2 De aanvrager verstrekt bij de aanvraag voorts:

    • a. de gegevens, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

    • b. indien de aanvraag betrekking heeft op koolwaterstoffen, tevens de gegevens, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;

    • c. een programma waarin is aangegeven welke verkenningsonderzoeken en opsporingsactiviteiten de aanvrager voornemens is uit te voeren, het daarbij behorende tijdschema en welke technieken daarbij worden gebruikt;

    • d. een geologisch rapport, dat ten minste bevat:

      • 1°. een opgave van de voor de onderbouwing van de aanvraag gebruikte verkenningsonderzoeken en andere geologische gegevens, de interpretatie van deze gegevens en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyse;

      • 2°. een beschrijving van de locale en regionale geologie;

      • 3°. indien het een vergunning voor koolwaterstoffen betreft: een beschrijving van de verwachte hoeveelheid aanwezige delfstof per mogelijk aanwezig voorkomen;

    • e. andere gegevens die de aanvrager heeft gebruikt bij de onderbouwing van de aanvraag.

  • 3 Indien de aanvraag wordt ingediend door meerdere aanvragers gezamenlijk, worden de in het tweede lid, onderdelen a en b, bedoelde gegevens ten aanzien van iedere aanvrager afzonderlijk verstrekt. Tevens wordt aangegeven onder welke voorwaarden de samenwerking tussen de aanvragers plaatsvindt.

Artikel 1.3.2

  • 1 In een aanvraag om een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen voor een gebied aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn wordt opgegeven voor welk gebied, bestaande uit een of meer blokken als aangegeven op de kaart, welke als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd, de vergunning wordt aangevraagd. De desbetreffende op de kaart aangegeven bloknummers worden daarbij vermeld.

  • 2 Indien de aanvraag een blok betreft waarvoor voor een deel al een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen is verleend, geldt de aanvraag uitsluitend het nog niet gegunde deel van het blok. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.3.3

  • 2 Indien de aanvraag om een winningsvergunning voor koolwaterstoffen betrekking heeft op een gebied aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn, is artikel 1.3.2 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Indien de aanvraag een winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, verstrekt de aanvrager naast de gegevens, bedoeld in het eerste lid:

    • a. een raming van de verwachte hoeveelheid en de samenstelling van de aanwezige delfstoffen en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;

    • b. structuurkaarten van de bovenzijde van de reservoirlagen waarin de aanwezigheid van koolwaterstoffen is aangetoond of wordt vermoed;

    • c. een opgave van de overige gegevens waarop de in onderdeel a bedoelde ramingen zijn gebaseerd;

    • d. een beschrijving van de onderzoeksmethoden die tot de in de onderdelen a en b bedoelde gegevens hebben geleid, en

    • e. een meerjarenprogramma waarin de te verrichten winningsactiviteiten worden beschreven, alsmede de technieken die daarbij worden gebruikt, daaronder begrepen de in het kader van de winning noodzakelijke behandeling van de gewonnen delfstoffen en het vervoer daarvan tot het punt waar die delfstoffen aan een ander worden overgedragen.

  • 4 Het meerjarenprogramma omvat mede een op de vermoedelijke periode van winning betrekking hebbende opgave van de ramingen van:

    • 1°. de jaarlijkse produktie;

    • 2°. de investeringen per jaar, en

    • 3°. de lopende kosten per jaar.

  • 5 Indien de aanvraag een winningsvergunning voor aardwarmte betreft, is het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 6 Indien een aanvraag een winningsvergunning voor delfstoffen anders dan koolwaterstoffen betreft, verstrekt de aanvrager naast de gegevens, bedoeld in het eerste lid:

    • a. een opgaaf van de verwachte hoeveelheid delfstof die de aanvrager wil winnen en de samenstelling van het te winnen delfstof;

    • b. een beschrijving van de structuur van de delfstoflaag waaruit de aanvrager wil winnen en de ligging van de delfstoflaag ten opzichte van andere aardlagen;

    • c. een beschrijving van de onderzoeksmethoden die tot de in de onderdelen a en b bedoelde gegevens hebben geleid, en

    • d. een programma overeenkomstig het programma, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, en vierde lid.

Artikel 1.3.3a

Bij de aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen overlegt de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van de technische en financiële mogelijkheden de beschikbare informatie betreffende de veiligheids- en milieuprestaties van de aanvrager, onder meer met betrekking tot zware ongevallen, voor zover van toepassing op de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.

Artikel 1.3.4

  • 1 Bij de aanvraag om een opslagvergunning als bedoeld in artikel 25 van de wet verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:

    • a. het tijdvak waarvoor de vergunning wordt gevraagd;

    • b. het gebied waarvoor de vergunning wordt gevraagd, en

    • c. de stoffen waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 3 Bij de aanvraag verstrekt de aanvrager tevens:

    • a. een programma waarin de te verrichten opslagactiviteiten worden beschreven, alsmede de technieken die daarbij worden gebruikt;

    • b. een kaart van de ondergrond waar opslag plaatsvindt;

    • c. een beschrijving van de risico's voor de veiligheid, en

    • d. de mogelijkheid van winning van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte in het gebied.

Artikel 1.3.4a

  • 1 Onverminderd artikel 1.3.4 verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een vergunning voor het permanent opslaan van CO2 bovendien:

    • a. een karakterisering en beoordeling van het potentiële opslagcomplex met inbegrip van de afdichtende laag en het omliggende gebied, inclusief de hydraulisch verbonden gebieden, uitgevoerd en onderbouwd op de voet van Bijlage I van de richtlijn nr. 2009/31/EG;

    • b. de beoogde plaats van de injectiefaciliteiten;

    • c. de totale hoeveelheid stoffen die zal worden opgeslagen uitgedrukt in kton;

    • d. een opgave van de afzonderlijke bestanddelen van de stoffen die worden opgeslagen en hun aandeel in de totale hoeveelheid van stoffen die worden opgeslagen, en

    • e. de gegevens waarop de beoogde maximum toelaatbare snelheid en druk bij injectie van CO2 en de beoogde maximum toelaatbare druk van de opgeslagen CO2 zijn gebaseerd.

  • 4 De aanvraag bevat het ontwerp voor een monitoringsplan als bedoeld in artikel 29f van het besluit dat voldoet aan Bijlage II, onderdeel 1, van richtlijn nr. 2009/31/EG. Het ontwerp strekt tot:

    • a. het vergelijken van het feitelijk en het gemodelleerd gedrag van het CO2 en andere opgeslagen stoffen en het formatiewater in het voorkomen;

    • b. het detecteren van significante onregelmatigheden;

    • c. het detecteren van CO2 en andere stoffen;

    • d. het detecteren van significante negatieve effecten voor het omliggende milieu en voor met name het drinkwater, de omwonende bevolking en de gebruikers van de biosfeer in de omgeving;

    • e. het evalueren van de doeltreffendheid van eventuele getroffen corrigerende maatregelen als bedoeld in het vijfde lid, en

    • f. het actualiseren van de veiligheids- en integriteitsbeoordeling van het opslagcomplex op korte en lange termijn, met inbegrip van de beoordeling van de vraag of het opgeslagen CO2 volledig en permanent is ingesloten.

  • 6 De aanvraag bevat:

    • a. de voor de ramingen, bedoeld in artikel 29j, tweede lid, van het besluit benodigde gegevens vergezeld van adequate cijfermatige onderbouwing en toelichting en mogelijke vorm van zekerheid die zal worden gesteld;

    • b. het ontwerp voor een plan ter voorkoming of beperking van schade door bodembeweging indien het voorkomen voor het permanent opslaan van CO2 gelegen is aan de landzijde van de lijn die in de bijlage bij de wet is vastgelegd door bodembeweging als bedoeld in artikel 29h van het besluit gebaseerd op een risico-analyse over bodembeweging, en

    • c. informatie die aantoont dat is gezorgd voor professionele en technische ontwikkeling en training van de exploitant en van alle personeel voorafgaande, tijdens en na beëindiging van de injectie van CO2.

Artikel 1.3.4b

Bij een aanvraag om een vergunning voor het permanent opslaan van CO2 in te trekken, verstrekt de vergunninghouder de minister:

  • a. een verslag dat aantoont dat:

    • 1°. het opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft,

    • 2°. het feitelijke gedrag van het geïnjecteerde CO2 in overeenstemming is met het gemodelleerde gedrag,

    • 3°. er geen detecteerbare lekken zijn,

    • 4°. de opslaglocatie evolueert naar een toestand van lange termijn stabiliteit, en

  • b. een geactualiseerde versie van de documenten, bedoeld in de artikelen 29c, 29d, 29f en 29g, van het besluit.

Artikel 1.3.5

  • 1 Een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen voor een gebied aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn kan slechts worden verleend voor een gebied, bestaande uit een of meer blokken als aangegeven op de kaart die als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd.

  • 2 Indien voor een deel van een blok reeds een door een ander gehouden opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen geldt, kan een opsporingsvergunning als in het eerste lid bedoeld betrekking of mede betrekking hebben op dat deel van het blok, waarvoor geen opsporings- of winningsvergunning geldt.

  • 3 Indien in een deel van een blok zich een voorkomen bevindt waarvoor reeds een door een ander gehouden opslagvergunning geldt, kan een opsporingsvergunning als in het eerste lid bedoeld betrekking of mede betrekking hebben op dat deel van het blok, waarvoor geen opslagvergunning geldt.

Artikel 1.3.6

Het gebied als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de wet waarvoor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen wordt verleend, is, voor zover dat met een doelmatige en voortvarende opsporing en winning van koolwaterstoffen verenigbaar en op grond van de aantoning uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is, in overeenstemming met de ingediende aanvraag.

Artikel 1.3.7

  • 3 Bij de beslissing omtrent toestemming tot overdracht van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen zijn de artikelen 1.3.8 tot en met 1.3.10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.3.8

  • 1 Een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen wordt geweigerd indien de technische mogelijkheden van de aanvrager niet toereikend zijn voor een goede uitvoering van het opsporingsonderzoek of de winning in het gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.

  • 2 Bij de beoordeling van de technische mogelijkheden van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:

    • a. de geologische en mijnbouwkundige kennis van de aanvrager;

    • b. de ervaring met opsporing en winning van de aanvrager, alsmede de wijze waarop deze activiteiten door hem zijn uitgevoerd;

    • c. de technische mogelijkheden van de rechtspersonen, waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is of die behoren tot de groep, waartoe de aanvrager behoort, voor zover blijkt dat deze technische mogelijkheden ter beschikking staan of zullen staan van de aanvrager.

  • 3 Indien de aanvraag wordt ingediend door meerdere aanvragers gezamenlijk, worden bij de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, de gegevens betrokken ten aanzien van elk van hen afzonderlijk, of, voor zover de aard van de gegevens dat meebrengt, ten aanzien van hen gezamenlijk. Tevens wordt daarbij betrokken de wijze waarop de samenwerking tussen hen zal plaatsvinden.

Artikel 1.3.9

  • 1 Een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen wordt geweigerd indien de financiële mogelijkheden van de aanvrager niet toereikend zijn voor een goede uitvoering van het opsporingsonderzoek of de winning in het gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, en voor het nakomen van de verplichtingen, die daaruit voortvloeien.

  • 2 Bij de beoordeling van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:

    • a. de financiële middelen, waarover de aanvrager beschikt;

    • b. de wijze, waarop de aanvrager voornemens is het opsporingsonderzoek of de winning te financieren;

    • c. de financiële mogelijkheden van de rechtspersonen, waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is of die behoren tot de groep, waartoe de aanvrager behoort, voor zover blijkt dat deze financiële mogelijkheden ter beschikking staan of zullen staan van de aanvrager.

Artikel 1.3.10

  • 1 Een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen wordt geweigerd indien de manier waarop de aanvrager voornemens is het opsporingsonderzoek of de winning in het gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten het belang van een doelmatige en voortvarende opsporing en winning in onvoldoende mate verzekert.

  • 2 Bij de beoordeling van de manier waarop de aanvrager voornemens is het opsporingsonderzoek of de winning te verrichten, kunnen onder meer worden betrokken:

    • a. de mate waarin het programma, bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid, onderdeel c, onderscheidenlijk artikel 1.3.3, derde lid, onderdeel e, en vierde lid, bijdraagt aan een doelmatige en voortvarende opsporing en winning;

    • b. de geologische onderbouwing van het in onderdeel a bedoelde programma;

    • c. de praktische uitvoerbaarheid van het in onderdeel a bedoelde programma;

    • d. de doelmatigheid in de bedrijfsvoering en de verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager eerder heeft blijkgegeven.

Artikel 1.3.11

  • 1 Ingeval toepassing van de artikelen 1.3.8 tot en met 1.3.10 niet leidt tot weigering van de opsporings- of winningsvergunning en door een of meer anderen overeenkomstig artikel 15, derde lid, van de wet een aanvraag is ingediend voor een soortgelijke vergunning voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied, wordt de vergunning geweigerd indien de verlening van de vergunning aan een andere aanvrager in het belang is van een doelmatige en voortvarende opsporing en winning.

  • 2 Bij de beoordeling van de gevolgen voor een doelmatige en voortvarende opsporing en winning kunnen onder meer worden betrokken:

    • a. de mate waarin de aanvrager kan en wil bijdragen aan een doelmatige en voortvarende opsporing en winning van koolwaterstoffen;

    • b. de mogelijkheden van de aanvrager om de opsporing of winning tegen zo laag mogelijke kosten te doen plaatsvinden.

  • 3 Artikel 1.3.8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 1.4. Aanvraag mijnbouwmilieuvergunning

Artikel 1.4.1

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder aanvraag: een aanvraag om een mijnbouwmilieuvergunning als bedoeld in artikel 40 van de wet.

Artikel 1.4.2

Een aanvraag wordt in zesvoud ingediend.

Artikel 1.4.3

  • 1 In of bij de aanvraag vermeldt de aanvrager:

    • a. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging of de coördinaten van het mijnbouwwerk;

    • b. de aard van het mijnbouwwerk;

    • c. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in het mijnbouwwerk en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu, die het mijnbouwwerk kan veroorzaken;

    • d. de voor de activiteiten en de processen, bedoeld in onderdeel c, kenmerkende gegevens met betrekking tot grond- en hulpstoffen, tussen-, neven- en eindproducten;

    • e. de maximale capaciteit van het mijnbouwwerk en het maximale motorische of thermische vermogen van de tot het mijnbouwwerk behorende installaties;

    • f. de tijden en dagen, dan wel perioden waarop het mijnbouwwerk of de te onderscheiden onderdelen daarvan in bedrijf zullen zijn;

    • g. de aard en omvang van de belasting van het milieu die het mijnbouwwerk tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt;

    • h. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van:

      • 1°. het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen in het mijnbouwwerk;

      • 2°. het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttige toepassing van de afvalstoffen die in het mijnbouwwerk ontstaan;

      • 3°. het opslaan van de afvalstoffen in het mijnbouwwerk;

      • 4°. het zich ontdoen van de afvalstoffen die in het mijnbouwwerk ontstaan;

    • i. de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken:

      • 1°. tijdens het in werking zijn van het mijnbouwwerk of de te onderscheiden onderdelen daarvan, waarbij, voor zover van toepassing, onderscheid wordt gemaakt tussen proefdraaien, normaal bedrijf, schoonmaak-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden;

      • 2°. ten gevolge van voorvallen als bedoeld in artikel 82 van het besluit, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten;

    • j. de wijze waarop gedurende het in werking zijn van het mijnbouwwerk de belasting van het milieu die het mijnbouwwerk veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd, en

    • k. de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot het mijnbouwwerk die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn.

  • 2 De minister kan bepalen dat het eerste lid, onderdelen i, j en k, buiten toepassing blijft, indien die gegevens niet nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, gezien de aard of de omvang van de gevolgen die het mijnbouwwerk voor het milieu kan veroorzaken.

  • 3 De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

Artikel 1.4.4

Indien het mijnbouwwerk waarvoor de mijnbouwmilieuvergunning wordt aangevraagd, naar zijn aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij vermeldt daarbij tevens zo mogelijk het tijdstip waarop het mijnbouwwerk buiten werking zal worden gesteld.

Artikel 1.4.5

Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van de minister bij de aanvraag de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen.

Artikel 1.4.6

De minister stelt de volgende bestuursorganen in de gelegenheid binnen vier weken advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag indien het mijnbouwwerk is gelegen op het land of de territoriale zee:

  • a. de directeur-generaal Milieubeheer, indien sprake is van lozingen in de bodem;

  • b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen;

  • c. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op minder dan 200 meter van de plaats waar het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen;

  • d. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de plaats waar het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid te verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door het mijnbouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen;

  • e. gedeputeerde staten van de provincie, waarin het mijnbouwwerk is gelegen;

  • f. de inspecteur-generaal der mijnen;

  • g. de hoofdingenieur-directeur van de betrokken regionale directie van Rijkswaterstaat;

  • h. de directeur Kustwacht, indien het mijnbouwwerk in de territoriale zee is gelegen.

Artikel 1.4.7

De minister stelt de volgende bestuursorganen in de gelegenheid binnen vier weken advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag indien het mijnbouwwerk is gelegen op het continentaal plat:

  • a. de inspecteur-generaal der mijnen;

  • b. de hoofdingenieur-directeur van de betrokken regionale directie van Rijkswaterstaat;

  • c. de directeur-generaal Milieubeheer, indien sprake is van lozingen in de bodem;

  • d. de directeur Kustwacht.

§ 1.5. Aanvraag vergunningen en ontheffingen bij verkenningsonderzoek

Artikel 1.5.1

Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het besluit verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:

  • a. het tijdvak waarvoor de vergunning wordt gevraagd;

  • b. het gebied waarvoor de vergunning wordt gevraagd, en

  • c. de wijze waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht en de technieken en hulpmiddelen die daarbij worden gebruikt.

Artikel 1.5.2

Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 22 van het besluit verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:

  • a. het tijdvak waarvoor de vergunning wordt aangevraagd;

  • b. het gebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd;

  • c. de aard, aanduiding en hoeveelheid van de ontplofbare stoffen;

  • d. de wijze van gebruik van de in onderdeel c bedoelde stoffen, en

  • e. de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van schade.

§ 1.6. Aanvraag vergunningen en ontheffingen mijnbouwwerken

Artikel 1.6.1

Bij de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, van het besluit verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:

  • a. het tijdvak waarvoor de ontheffing wordt gevraagd;

  • b. de plaats waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, en

  • c. de datum waarop de mijnbouwinstallatie wordt geplaatst, en

  • d. voorzieningen die worden getroffen met het oog op het belang van de scheepvaart en de landsverdediging.

Artikel 1.6.2

Bij de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 51, vijfde lid, van het besluit geeft de aanvrager aan waarom een helikopterdek niet noodzakelijk is.

Artikel 1.6.3

  • 2 Bij de aanvraag geeft de aanvrager aan waarom geluids- en lichtbakens niet noodzakelijk zijn.

§ 1.7. Aanvraag vergunning pijpleidingen en kabels

Artikel 1.7.1

  • 1 Bij de aanvraag om een vergunning tot aanleg van een pijpleiding als bedoeld in artikel 94 van het besluit verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:

    • a. het tijdvak waarvoor de vergunning wordt gevraagd;

    • b. het traject van de pijpleiding;

    • c. de wijze waarop de pijpleiding wordt aangelegd en de diepte waarop de pijpleiding in de bodem wordt gelegd;

    • d. de resultaten van het onderzoek van het voorgenomen traject in een strook van 600 meter, waarvan de as van de strook samenvalt met het gekozen traject, en waarin is beschreven:

      • 1°. het profiel van de zeebodem;

      • 2°. de aanwezige obstakels;

      • 3°. de ligging van bestaande pijpleidingen en kabels;

      • 4°. de grondmechanische eigenschappen;

      • 5°. de stratigrafie van de zeebodem, en

      • 6°. de analyse en kwaliteit van de bodemmonsters en sonderingen;

    • e. een rapport van het voorontwerp van de pijpleiding waarin is beschreven:

      • 1°. de eigenschappen en diameter van de pijpleiding;

      • 2°. de stoffen die erin worden vervoerd;

      • 3°. een analyse van de veiligheids- en milieurisico's, en

      • 4°. de tijd gedurende welke de pijpleiding wordt gebruikt voor het vervoer van die stoffen.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in viervoud ingediend.

Artikel 1.7.2

  • 1 Bij de aanvraag om een vergunning tot aanleg van een kabel als bedoeld in artikel 106 in samenhang met artikel 94 van het besluit verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:

    • a. het tijdvak waarvoor de vergunning wordt gevraagd;

    • b. het traject van de kabel;

    • c. de eigenschappen van de kabel;

    • d. de samenstelling van de kabel, en

    • e. het doel waarvoor de kabel zal worden gebruikt.

  • 2 Het traject van de kabel wordt op een kaart ingetekend.

§ 1.8

Artikel 1.8.1

Bij de aanvraag tot splitsing om een vergunning als bedoeld in artikel 135 van het besluit, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. de vergunning waarvan splitsing wordt gevraagd;

  • b. een aanduiding van de vergunninggebieden die door splitsing ontstaan;

  • c. de reden voor splitsing;

  • d. een kaart waarop de voorkomens van delfstoffen of aardwarmte dan wel voor opslag in het vergunninggebied zijn aangegeven;

  • e. de personen die overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet worden aangewezen voor de afzonderlijke vergunningen die na splitsing zullen ontstaan.

Artikel 1.8.2

Bij de aanvraag om samenvoeging van twee of meer vergunningen als bedoeld in artikel 137 van het besluit, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. de vergunningen waarvan samenvoeging wordt gevraagd;

  • b. de reden voor samenvoeging;

  • c. een kaart waarop de voorkomens van delfstoffen of aardwarmte dan wel voor opslag in de samen te voegen vergunninggebieden zijn aangegeven, en

  • d. de persoon die overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet dient te worden aangewezen voor de vergunning die door samenvoeging zal ontstaan.

Artikel 1.8.3

Bij de aanvraag tot afsplitsing van een vergunning als bedoeld in artikel 143, achtste lid, van de wet, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. de vergunning waarvoor afsplitsing wordt gevraagd;

  • b. een aanduiding van de gebiedsdelen die door afsplitsing ontstaan;

  • c. de reden voor afsplitsing;

  • d. een kaart waarop de voorkomens van delfstoffen zijn aangegeven;

  • e. de personen die overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet worden aangewezen voor de afzonderlijke vergunningen die na afsplitsing zullen ontstaan.

§ 1.9. Aanvraag vergunning winning kalksteen of ander gebruik groeve

Artikel 1.9.1

Bij de aanvraag om een vergunning tot winning van kalksteen als bedoeld in artikel 146 van het besluit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. het tijdvak waarvoor de vergunning wordt gevraagd;

  • b. een kaart van de bovengrond waaronder de groeve zich zal uitstrekken, waarop is aangegeven:

    • 1°. alle gebouwen, land-, spoor- en waterwegen boven het gebied van de groeve;

    • 2°. de plaats waar de activiteiten zullen plaatsvinden, en

    • 3°. de ingangen tot de groeve;

  • c. een kaart van de ondergrond waarin de groeve zich zal uitstrekken, waarop is aangegeven de ligging, hoogte en breedte van de te realiseren tunnels, schachten of andere ondergrondse werken en het reeds bestaande ondergrondse gangenstelsel, voor zover aanwezig;

  • d. een beschrijving van de wijze waarop de winning zal plaatsvinden;

  • e. de afmeting van de pilaren;

  • f. de maatregelen bij het aantreffen van aardpijpen;

  • g. de maatregelen bij het kruisen van tunnels, schachten of andere ondergrondse werken;

  • h. andere maatregelen dan bedoeld in onderdelen f en g die worden getroffen ter bescherming van de veiligheid met oog op instorting, en i. een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de metingen naar de gesteentemechanische veiligheid van de groeve worden gedaan.

Artikel 1.9.2

Bij de aanvraag om een vergunning tot gebruik van een groeve voor een ander doeleinde als bedoeld in artikel 151 van het besluit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. het tijdvak waarvoor de vergunning wordt gevraagd;

  • b. een kaart van de boven- en de ondergrond van de groeve, waarop het voorgenomen gebruiksgebied is aangegeven, met daarbij de gegevens, genoemd in artikel 1.9.1, onderdelen b en c;

  • c. een omschrijving van het doeleinde waarvoor de groeve zal worden gebruikt;

  • d. een beschrijving van de voorgenomen wijzigingen van de groeve voor het voorgenomen gebruik;

  • e. een beschrijving van de wijze waarop de niet gebruikte delen worden afgesloten;

  • f. een beschrijving van de wijze waarop en frequentie waarmee de metingen naar de gesteentemechanische veiligheid in de groeve worden gedaan, en

  • g. een beschrijving van de maatregelen ter bescherming van de veiligheid met oog op instorting.

§ 1.10. Restrictiegebieden

Artikel 1.10.1

De delen van de territoriale zee en het continentaal plat, bedoeld in artikel 16 van het besluit, bestaan uit de delen van territoriale zee en het continentaal plat die gelegen zijn ten zuiden van de lijn die gevormd wordt door de punten 171, 172, 173, 174, 189, 215, 216, 224 en 225, aangeduid in bijlage 4 bij deze regeling en die niet liggen in:

  • a. het aanloopgebied Hoek van Holland, de ankergebieden en de overige gebieden, aangeduid in bijlage 4, en

  • b. het gemeentelijk ingedeeld gebied.

Artikel 1.10.2

De delen van de territoriale zee en het continentaal plat, bedoeld in artikel 17 van het besluit, bestaan uit de overige gebieden, aangeduid in bijlage 4.

Artikel 1.10.3

De delen van de territoriale zee en het continentaal plat, bedoeld in artikel 18 van het besluit, bestaan uit de ankergebieden, aangeduid in bijlage 4.

Artikel 1.10.4

De rede van Hoek van Holland, bedoeld in artikel 20 van het besluit, komt overeen met het aanloopgebied Hoek van Holland, aangeduid in bijlage 4.

Artikel 1.10.5

De gebieden, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit zijn de in bijlage 4 aangeduide:

  • a. ankergebieden;

  • b. aanloopgebied Hoek van Holland, en

  • c. overige gebieden.

Artikel 1.10.6

De gebieden, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit zijn de gebieden, aangeduid in bijlage 4.

Artikel 1.10.7

De delen van oppervlaktewater, bedoeld in artikel 19 van het besluit, en de gebieden, bedoeld in artikel 44 van het besluit, zijn de gebieden, aangeduid in bijlage 5 bij deze regeling.

§ 1.11. Werkplan

Artikel 1.11.1

Een werkplan als bedoeld in artikel 4 van het besluit bevat voor een vergunningsgebied:

  • a. een overzicht van de voornaamste mijnbouwactiviteiten die de komende vijf jaren worden voorzien;

  • b. een overzicht van de mijnbouwactiviteiten die het eerstkomende jaar worden voorzien, inhoudende:

    • 1°. een beschrijving van voorgenomen verkenningsonderzoek;

    • 2°. een beschrijving van aan te leggen boorgaten, putreparaties en stimulaties;

    • 3°. een beschrijving van de constructiewerkzaamheden, zoals nieuwbouw, wijzigingen van bestaande mijnbouwwerken en aanleg van pijpleidingen;

    • 4°. een opgave van activiteiten in het kader van de externe veiligheid, waaronder de te houden oefeningen;

    • 5°. een samenvatting van de activiteiten, bedoeld in onderdelen 1° tot en met 4°.

  • c. een actueel organisatieschema met vermelding van de voor de mijnbouwactiviteiten verantwoordelijke personen;

  • d. kaarten of tekeningen van de oppervlakte en structuur van de ondergrond ter toelichting van de gegevens, bedoeld in onderdeel b, onder 2° tot en met 4°;

  • e. een tijdschema waarin de activiteiten, bedoeld in onderdeel b, onder 2° tot en met 5°, worden weergegeven;

  • f. voor zover van toepassing:

    • 1°. de naam van de onderneming die verkenningsonderzoek verricht;

    • 2°. de naam van het mijnbouwwerk waarmee boorgaten worden aangelegd, en

    • 3°. de namen van de locaties waar boorgaten worden aangelegd.

§ 1.12. Veiligheidszone

Artikel 1.12.1

Het verbod, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de wet geldt niet voor een schip dat de veiligheidszone binnenvaart of daar blijft:

  • a. in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, de reparatie, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels of pijpleidingen in of in de nabijheid van die veiligheidszone,

  • b. om diensten te verlenen voor of personen of goederen te vervoeren van of naar de installatie,

  • c. ten behoeve van toezicht op de naleving en de handhaving van wettelijke voorschriften,

  • d. om levens of eigendommen te redden, of het doen van pogingen daartoe,

  • e. gedwongen door de weersomstandigheden,

  • f. wanneer het in nood verkeert of

  • g. als het toestemming heeft van de exploitant of de eigenaar van de installatie.

Artikel 1.12.2

De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 43, vierde lid van de wet, verstrekt aan de Minister:

  • a. de geografische coördinaten van de mijnbouwinstallatie waarop de aanvraag van toepassing is;

  • b. de begrenzing van de zone waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de wet van toepassing is, indien deze zone zich niet kan uitstrekken tot een zone van 500 meter rondom de mijnbouwinstallatie;

  • c. een kaart waarin de positie van de mijnbouwinstallatie is aangegeven met daarbij de veiligheidszone en de bijzonderheden van het omliggende gebied;

  • d. de verwachte periode waarvoor de ontheffing van toepassing dient te zijn;

  • e. de maatregelen die aanvullend worden genomen om eventuele risico’s, voortvloeiend uit de specifieke positie van de mijnbouwinstallatie, zoveel mogelijk te minimaliseren.

Hoofdstuk 2. Verkenningsonderzoek

§ 2.1. Verkenningsonderzoek in oppervlaktewater

Artikel 2.1.1

Indien verkenningsonderzoek plaatsvindt in oppervlaktewater met gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen, wordt met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van dat volume geleidelijk.

§ 2.2. Verkenningsonderzoek met gebruik van ontplofbare stoffen

Artikel 2.2.1

De paragrafen 2.2. tot en met 2.8. zijn van toepassing op verkenningsonderzoek met gebruik van ontplofbare stoffen.

Artikel 2.2.2

De uitvoering van werkzaamheden met ontplofbare stoffen geschiedt overeenkomstig een schriftelijke instructie. Deze instructie en de wijzigingen ervan worden voor de aanvang van de werkzaamheden op verzoek van de inspecteur-generaal der mijnen aan hem ter beschikking gesteld.

Artikel 2.2.3

  • 1 Het plaatsen van ladingen ontplofbare stoffen geschiedt uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang.

  • 2 Het plaatsen van ladingen ontplofbare stoffen in de bodem van oppervlaktewateren geschiedt uitsluitend indien het zicht ten minste 300 m bedraagt.

Artikel 2.2.4

  • 1 Verkenningsonderzoek wordt niet verricht binnen een afstand van 100 m van hoofdwaterkerende dijken.

  • 2 Verkenningsonderzoek wordt zodanig uitgevoerd dat de afstand op maaiveldhoogte tussen lading en gebouwen of soortgelijke kunstwerken meer dan 50 m is. Indien zich kwetsbare objecten binnen het uitwerkingsoppervlak van het onderzoek bevinden is DIN 4150, deel 3, uitgave 1999-02, van toepassing dan wel een daarmee vergelijkbare norm die tenminste eenzelfde resultaat biedt.

  • 3 De minister kan van het eerste en tweede lid ontheffing verlenen, indien de onderzoeker aantoont dat schade wordt voorkomen.

§ 2.3. Opslag van ontplofbare stoffen

Artikel 2.3.1

Ontplofbare stoffen en ontstekers worden bewaard in hiertoe geschikte en bestemde vonkvrije kisten.

Artikel 2.3.2

Indien ontstekers zich buiten een ontstekerkist bevinden, is het zendgedeelte van een aanwezige zendinstallatie uitgeschakeld, tenzij het zendvermogen van die installatie niet groter is dan één Watt of de in gebruik zijnde ontstekers vanwege hun constructie ongevoelig zijn voor elektromagnetische straling.

§ 2.4. Het boren van schietgaten

Artikel 2.4.1

  • 1 De diepte van een schietgat is, gemeten vanaf het maaiveld tot aan de bovenkant van de lading, tenminste het aantal meters als vermeld achter de hieronder vermelde hoeveelheid ontplofbare stoffen:

    a. 50 t/m 100 gram

    2,0 meter

    b. 101 t/m 200 gram

    2,5

    c. 201 t/m 300 gram

    3,0

    d. 301 t/m 400 gram

    4,0

    e. 401 t/m 500 gram

    5,0

    enzovoort tot 1000 gram

    enzovoort tot 10,0

  • 2 De diepte van een schietgat bij ladingen van 1000 gram of groter bedraagt tenminste 10 m.

Artikel 2.4.2

De voor een schietgat benodigde ontplofbare stoffen en ontstekers worden tijdens het boren van de schietgaten op een afstand van ten minste 10 m daarvan en onder toezicht bewaard.

§ 2.5. Het gereed maken van de lading

Artikel 2.5.1

Bij activiteiten met ontplofbare stoffen zijn alleen die personen aanwezig, die daarmee zijn belast.

Artikel 2.5.2

  • 1 Ontplofbare stoffen en ontstekers worden gescheiden van elkaar van de plaats waar ze worden bewaard naar de schietgaten gebracht, tenzij gebruik wordt gemaakt van hiertoe geschikte, vonkvrije kisten.

  • 2 Het gereedmaken van de lading geschiedt in de directe nabijheid van de schietgaten en onmiddellijk vóór het inbrengen in de schietgaten.

Artikel 2.5.3

Tijdens werkzaamheden met ontplofbare stoffen wordt niet meer dan één lading tegelijk gereed gemaakt.

Artikel 2.5.4

Zolang een lading nog niet op zijn plaats in het schietgat is aangebracht, wordt geen volgende lading gereedgemaakt.

Artikel 2.5.5

Ontplofbare stoffen worden slechts in de vorm en de verpakking, waarin zij door de fabrikant zijn geleverd, gebruikt.

§ 2.6. Het laden van schietgaten

Artikel 2.6.1

Een ontstekingscircuit van een lading wordt met een daarvoor geschikt meetinstrument getest.

Artikel 2.6.2

Indien bij het trekken van de pijp waarmee een schietgat wordt geboord, de pijp blijft vastzitten of de lading meekomt, wordt de pijp niet verder getrokken en wordt de lading afgevuurd.

Artikel 2.6.3

Ladingen worden beveiligd tegen het verwijderen door onbevoegden.

Artikel 2.6.4

Schietgaten worden over de gehele lengte opgevuld met daarvoor geschikt materiaal.

§ 2.7. Niet tot ontploffing gekomen ladingen

Artikel 2.7.1

  • 1 Indien een lading niet tot ontploffing is gekomen en gebleken dat het ontstekingscircuit in takt is, wordt de lading zo mogelijk alsnog tot ontploffing gebracht.

  • 2 Indien een lading niet tot ontploffing is gekomen en gebleken dat het ontstekingscircuit niet in takt is, wordt de in het eerste lid bedoelde poging ondernomen door het afvuren van een geschikte lading in een nieuw schietgat dat is geboord op tenminste 0,5 m afstand van het oorspronkelijk schietgat tot de diepte van de bovenkant van de niet ontplofte lading.

§ 2.8. Rapportage

Artikel 2.8.1

De schietmeester houdt een schietregister bij, waarin van dag tot dag zijn vermeld:

  • a. het aantal en de soort van de gebruikte patronen en ontstekers, onder vermelding van de datum van gebruik en de gebruikte hoeveelheid;

  • b. het aantal ladingen dat tot ontploffing is gebracht;

  • c. het aantal ladingen dat niet tot ontploffing is gekomen, en

  • d. de bijzonderheden, die zich bij activiteiten met ontplofbare stoffen hebben voorgedaan.

Hoofdstuk 3. Het winnen en het opslaan van stoffen

Artikel 3.1

Voor de opgave van hoeveelheden stoffen, bedoeld in de artikelen 24, 25, 26 en 27 van het besluit, worden de volgende eenheden gebruikt:

  • a. vaste stoffen: in m3 of tonnen;

  • b. vloeibare stoffen, anders dan pekel: in tonnen en in m3 bij een absolute druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 15 graden Celsius;

  • c. gasvormige stoffen: in 1000 m3 bij een absolute druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 0 graden Celsius;

  • d. pekel: in m3.

Artikel 3.2

  • 1 Het register over CO2-stromen, bedoeld in artikel 31f van de wet, bevat met ingang van de dag van eerste injectie van stoffen een opgave van:

    • a. de hoeveelheden stoffen uitgedrukt in kton die per uur zijn geleverd, geïnjecteerd of weggelekt en

    • b. de samenstelling van de stoffen en iedere wijziging in de samenstelling ervan met vermelding van de datum en tijdstip van wijziging;

  • 2 De samenstelling van de stoffen bevat een opgave van de afzonderlijke stoffen en hun volume- en gewichtsaandeel met een voldoende nauwkeurigheid met het oog op de belangen van milieu en veiligheid.

  • 3 Het register wordt tenminste wekelijks bijgewerkt.

Hoofdstuk 4. Het binnenkomen of verlaten van de Nederlandse wateren van een bestaande productie-installatie

Artikel 4.1

De termijn, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van het besluit, bedraagt acht weken.

Hoofdstuk 5. Herkenningstekens, geluidsbakens en lichtbakens

Artikel 5.1

Tenminste een van de herkenningstekens, bedoeld in artikel 52, vierde lid, onderdelen a en b, van het besluit is, ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, bij dag en nacht zichtbaar.

Artikel 5.2

  • 2 De geluidsbakens zijn niet lager dan 6 m en niet hoger dan 30 m boven gemiddeld zeeniveau geplaatst.

  • 3 Bij een zicht van minder dan 3600 m geven de geluidsbakens een synchroon geluidssignaal af overeenkomend met dat van de Morse-letter U, met een periode van 30 seconden, verdeeld als volgt: signaal 3/4 seconde, stilte 1 seconde, signaal 3/4 seconde, stilte 1 seconde, signaal 2½ seconde, stilte 24 seconden.

Artikel 5.3

  • 1 Een boven het oppervlaktewater uitstekende mijnbouwinstallatie is voorzien van een of meer witte lichten.

  • 2 De lichten branden van zonsondergang tot zonsopkomst en wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt. De lichten branden synchroon en hebben een Morsekarakter overeenkomend met dat van de Morse-letter U, met een periode van 15 seconden, verdeeld als volgt: helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder 1½ seconde, duister 11½ seconde.

  • 3 De lichten hebben elk een sterkte van ten minste 1400 candelas.

  • 4 De lichten zijn zodanig geplaatst, dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, tenminste één licht zichtbaar is. De lichten zijn niet lager dan 12 m en niet hoger dan 30 m boven gemiddeld zeeniveau geplaatst.

  • 5 De lichtbundel is in het verticale vlak zodanig verdeeld, dat het licht vanaf de grootste afstand van zichtbaarheid tot in de onmiddellijke nabijheid van de mijnbouwinstallatie op een hoogte van 5 meter boven gemiddeld zeeniveau zichtbaar is.

  • 6 De Minister van Verkeer en Waterstaat kan op verzoek van de uitvoerder afwijkende eisen stellen voor het plaatsen van de lichten voor de periode van plaatsing of verwijdering van de mijnbouwinstallatie.

Artikel 5.4

  • 1 1. Een boven het oppervlaktewater uitstekende mijnbouwinstallatie met een grootste horizontale afmeting van meer dan 15 meter is tevens voorzien van op de uiteinden van de installatie aangebrachte vaste witte lichten.

  • 2 De lichten branden van zonsondergang tot zonsopkomst of wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt.

  • 3 De lichten hebben elk een sterkte van ten minste 200 candelas.

  • 4 De lichten zijn zodanig geplaatst dat de scheepvaart vanuit iedere aanloopkoers tenminste twee lichten kan waarnemen.

  • 5 De verplichting voor het plaatsen van lichten als bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien de in artikel 5.3 bedoelde lichten op die uiteinden zijn geplaatst.

  • 6 In geval de mijnbouwinstallatie samengesteld is uit meerdere delen die ieder in het oppervlaktewater geplaatst zijn en fysiek met elkaar verbonden, zijn een of meerdere extra lichten geplaatst tussen de uiteinden van de mijnbouwinstallatie.

Artikel 5.5

  • 1 Een mijnbouwinstallatie met een hoogte van meer dan 30 meter boven gemiddeld zeeniveau is tevens voorzien van een vast, rood licht op het hoogste punt van de installatie.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde licht is zo geplaatst dat het zichtbaar is vanuit ieder punt boven de horizon.

  • 3 Een mijnbouwinstallatie met een hoogte van meer dan 45 meter boven het gemiddeld zeeniveau is tevens voorzien van een zodanig aantal vaste, rode lichten, die halverwege tussen het in het eerste lid genoemde licht en het gemiddeld zeeniveau zijn geplaatst, dat vanuit ieder punt boven de horizon ten minste één daarvan zichtbaar is.

  • 4 De lichten, bedoeld in het eerste en derde lid, branden van zonsondergang tot zonsopkomst en wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt.

  • 5 De lichten, bedoeld in het eerste en derde lid, hebben elk een sterkte van ten minste 10 candelas.

Hoofdstuk 6. Communicatiemiddelen en meteorologische apparatuur

§ 6.1. Algemeen

Artikel 6.1.1

Dit hoofdstuk is van toepassing op mijnbouwinstallaties die boven het wateroppervlak uitsteken.

§ 6.2. Communicatiemiddelen

Artikel 6.2.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. telecommunicatiemiddel: een inrichting of samenstel van inrichtingen, bestemd voor overdracht, uitzending of ontvangst van gegevens van welke aard dan ook door middel van kabels, langs radio-elektrische weg of door middel van optische of andere elektromagnetische systemen;

  • b. radiotelefonie-inrichting: een radio-elektrische zend- en ontvanginrichting met inbegrip van de antenne-inrichting en het voedingsgedeelte;

  • c. DSC: een techniek (digital selective calling) waarbij met gebruikmaking van digitale codes door een radiostation een verbinding tot stand wordt gebracht en informatie wordt uitgewisseld met een of meer andere stations en die voldoet aan de van toepassing zijnde aanbevelingen van het Internationale Comité inzake Radioaangelegenheden (CCIR);

  • d. maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting: een radiotelefonie-inrichting voor gebruik op de kanalen bestemd voor de maritieme dienst in de frequentieband tussen 156 en 162.650MHz (marifoon);

  • e. MF-radiotelefonie-inrichting: een radiotelefonie-inrichting voor nood-, spoed- en veiligheidsdoeleinden met gebruik van DSC alsmede voor het gebruik op de frequenties bestemd voor de maritieme dienst in de frequentieband tussen 1605 en 2850 kHz;

  • f. VHF-DSC-wachtontvanger: een radio-elektrische ontvanginrichting die geschikt is om een ononderbroken DSC-wacht te houden op kanaal 70;

  • g. MF-DSC-wachtontvanger: een radio-elektrische ontvanginrichting die geschikt is om een ononderbroken DSC-wacht te houden op de frequentie van 2187,5 kHz;

  • h. VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst: een radiotelefonie-inrichting voor het gebruik op de kanalen bestemd voor de aëronautische dienst in de frequentieband tussen 118 en 137 MHz;

  • i. HF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst: een radiotelefonie-inrichting voor het gebruik op de kanalen bestemd voor de aëronautische dienst in de frequentieband tussen 3 en 5 MHz;

  • j. directe verbinding met het openbaar telefoonnet: een automatisch werkende telefoonvoorziening op een mijnbouwinstallatie waarmee onder normale omstandigheden te allen tijde telefoonverbindingen kunnen worden gevormd tussen de betrokken mijnbouwinstallatie en het Nederlands openbaar telefoonnet;

  • k. niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie: een mijnbouwinstallatie vanaf welke rechtstreekse communicatie mogelijk is met de vaste wal, vaartuigen en luchtvaartuigen;

  • l. afhankelijke mijnbouwinstallatie: een mijnbouwinstallatie vanaf welke anders dan door een directe verbinding met het openbare telefoonnet slechts door tussenkomst van een niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie communicatie mogelijk is met de vaste wal, vaartuigen en luchtvaartuigen;

  • m. gevaarlijk gebied: hetgeen daaronder wordt verstaan in de norm NEN-EN-IEC 60079-10, "Electrisch materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen", deel 10: Indeling van gevaarlijke gebieden; juli 1997;

  • n. zeegebied A1: een gebied binnen het radiotelefoniebereik van tenminste een VHF-radiokuststation, waarin een ononderbroken DSC-alarmering beschikbaar is;

  • o. zeegebied A2: een gebied, met uitzondering van het zeegebied A1, binnen het radiotelefoniebereik van tenminste een MF-radiokuststation, waarin een ononderbroken DSC-alarmering beschikbaar is.

Artikel 6.2.2

De bepalingen die van toepassing zijn op mijnbouwinstallaties in het zeegebied A1 gelden ook voor mijnbouwinstallaties die geplaatst zijn in binnenwateren.

Artikel 6.2.3

  • 1 Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

    • b. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

    • c. een VHF-DSC-wachtontvanger, en

    • d. een hulpmiddel voor het op instrumenten aanvliegen van helikopters.

  • 2 Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied Al zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. twee maritieme VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC;

    • b. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

    • c. een VHF-DSC-wachtontvanger, en

    • d. een hulpmiddel voor het op instrumenten aanvliegen van helikopters.

  • 3 Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

    • b. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

    • c. een MF-radiotelefonie-inrichting of een satelliet telefoon die geheel onafhankelijk is van de hierboven genoemde directe verbinding met het openbaar telefoonnet;

    • d. een VHF-DSC-wachtontvanger;

    • e. een MF-DSC-wachtontvanger, en

    • f. een hulpmiddel voor het op instrumenten aanvliegen van helikopters.

  • 4 Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

    • b. twee MF-radiotelefonie-inrichtingen;

    • c. een VHF-DSC-wachtontvanger;

    • d. een MF-DSC-wachtontvanger;

    • e. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

    • f. een HF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst, en

    • g. een hulpmiddel voor het op instrumenten aanvliegen van helikopters.

  • 5 Van de in het eerste tot en met vierde lid VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst kan er één van een draagbaar type zijn.

Artikel 6.2.4

  • 1 Een bemande afhankelijke vast opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC, en

    • b. een VHF-DSC-wachtontvanger of een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel.

  • 2 Een bemande afhankelijke vast opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. twee maritieme VHF-radiotelefonie-inrichtingen waarvan tenminste één met DSC, en

    • b. een VHF-DSC-wachtontvanger of een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel.

  • 3 Een bemande afhankelijke vast opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC, en

    • b. een VHF-DSC-wachtontvanger of een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel.

  • 4 Een bemande afhankelijke vast opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

    • b. een MF-radiotelefonie-inrichting;

    • c. een VHF-DSC-wachtontvanger of een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel, en

    • d. een MF-DSC-wachtontvanger.

Artikel 6.2.5

  • 1 Indien een mijnbouwinstallatie is voorzien van een verblijf dat permanent is ingericht voor de voorlopige verzorging van gewonden of zieken, is dit verblijf uitgerust met een telecommunicatiemiddel waarmee rechtstreeks een tweezijdige telefonische of radio-telefonische verbinding met de vaste wal mogelijk is.

  • 2 Het telecommunicatiemiddel is voorzien van een microfoon, een telefoon en een luidspreker. De bediening van de microfoon, de bediening van de zend- en ontvangschakelaar en het aan- en uitschakelen van de luidspreker moeten in dit verblijf kunnen plaatsvinden.

Artikel 6.2.6

  • 1 Indien een of meer personen aanwezig zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 of A2 met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet is deze uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC, en

    • b. een VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.

  • 2 Indien een of meer personen aanwezig zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is deze uitgerust met:

    • a. twee maritieme VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC, en

    • b. een VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.

  • 3 Indien een of meer personen aanwezig zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet, maar binnen het VHF-bereik van een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie, is deze uitgerust met:

    • a. twee maritieme VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC, en

    • b. een VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.

  • 4 Indien een of meer personen aanwezig zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet en buiten het VHF-bereik van een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie, is deze uitgerust met:

    • a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

    • b. een VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst, en

    • c. een MF-radiotelefonie-inrichting.

Artikel 6.2.7

  • 1 Indien een of meer personen aanwezig zijn op een niet-bemande afhankelijke voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet, is deze uitgerust met een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC.

  • 2 Indien een of meer personen aanwezig zijn op een niet-bemande afhankelijke voor de winning bestemde vast opgestelde mijnbouwinstallatie zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is deze uitgerust met twee maritieme VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC.

Artikel 6.2.8

  • 1 Indien meerdere personen aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie, is één persoon belast met de bediening van de in deze paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen. De persoon die in noodsituaties is belast met de bediening van de communicatiemiddelen wordt in zulke situaties niet belast met andere taken.

  • 2 Een radiotelefonie-inrichting wordt bediend door personen die met goed gevolg een door de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld examen ter verkrijging van een certificaat van bediening voor de desbetreffende radiotelefonie-inrichting hebben afgelegd.

Artikel 6.2.9

  • 1 De in deze paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen zijn zo aangelegd en worden zo onderhouden dat zij in goede staat verkeren en goed werken.

  • 2 Indien een van de communicatiemiddelen niet of niet goed werkt, wordt dit onverwijld hersteld of vervangen.

  • 3 De in deze paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen zijn:

    • a. op een bemande mijnbouwinstallatie vast opgesteld, en

    • b. op een niet-bemande mijnbouwinstallatie bij gebruik vast opgesteld.

Artikel 6.2.10

  • 1 Behoudens het tweede lid worden alle op een mijnbouwinstallatie aanwezige communicatiemiddelen en bijbehoren aangelegd en gebruikt buiten een gevaarlijk gebied.

  • 2 Indien de aanleg of het gebruik van een communicatiemiddel en bijbehoren binnen een gevaarlijk gebied niet kan worden vermeden, voldoen dit communicatiemiddel en bijbehoren aan de eisen, gesteld in het Besluit explosieveilig materieel.

  • 3 De in deze paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen worden zo geplaatst dat:

    • a. het binnendringen van water zoveel mogelijk wordt voorkomen, en

    • b. deze gemakkelijk toegankelijk zijn voor inspectie, reparatie en onderhoud.

Artikel 6.2.11

  • 1 Een bedieningsruimte voor een radiotelefonie-inrichting is zo ingericht dat een goede berichtenwisseling niet kan worden gestoord door hinderlijk lawaai.

  • 2 In de bedieningsruimte is een instructie aanwezig met duidelijke beschrijvingen van de normale radiotelefonieprocedures, van de radiotelefonie noodprocedures alsmede van de te gebruiken frequenties of kanalen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde ruimte is voorzien van een noodverlichting die op een zodanige plaats vast is aangebracht dat de bedieningsinstrumenten van de radiotelefonie-inrichtingen en de in het tweede lid bedoelde beschrijvingen goed worden verlicht.

  • 4 In de in het eerste lid bedoelde ruimte evenals erbuiten in de directe nabijheid van de toegangsdeur is een draagbaar blusapparaat opgesteld, gevuld met een brandblusmiddel dat elektrische stroom niet geleidt en de werking van de voorgeschreven telecommunicatiemiddelen zo min mogelijk verstoort.

  • 5 In de in het eerste lid bedoelde ruimte bevinden zich uitsluitend personen die daarin van dienstwege aanwezig zijn.

Artikel 6.2.12

Het geluidssignaal dat door de VHF-DSC-wachtontvanger, de MF-DSC-wachtontvanger of een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel als bedoeld in artikel 6.2.4 wordt afgegeven, kan te allen tijde worden gehoord door de dienstdoende radiotelefonist.

Artikel 6.2.13

  • 1 Een mijnbouwinstallatie is uitgerust met een of meer noodkrachtbronnen die bij uitval van de normale krachtbron zorgdragen voor de gelijktijdige voeding van alle in deze paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen, de noodverlichting en eventuele apparatuur die het geluidssignaal, bedoeld in artikel 6.2.12, doorgeeft.

Artikel 6.2.14

  • 1 Een noodkrachtbron kan onder alle omstandigheden gedurende tenminste zes uur het volledig benodigde vermogen leveren, ook indien de voorgeschreven communicatiemiddelen, de noodverlichting en het geluidssignaal, bedoeld in artikel 6.2.12, gelijktijdig in werking zijn, uitgaande van een zend/ontvangverhouding van 1:1.

  • 2 Een noodkrachtbron en de daarbij behorende schakel- en verdeelinrichtingen zijn zo aangelegd dat bij het uitvallen van de overige krachtbronnen op de mijnbouwinstallatie de in deze paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen, de noodverlichting en het geluidssignaal, bedoeld in artikel 6.2.12, naar behoren kunnen blijven functioneren.

  • 3 De normale krachtbron en de noodkrachtbron zijn elektrisch van elkaar gescheiden of kunnen op een eenvoudige wijze van elkaar worden gescheiden. Het niet naar behoren functioneren van de normale krachtbron heeft geen invloed op de beschikbaarheid van de noodkrachtbron.

Artikel 6.2.15

  • 1 Op een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie is aanwezig:

    • a. "List of Coast Stations, List IV", uitgegeven door de Internationale Unie voor Telecommunicatie (IUT);

    • b. "List of Ship Stations, List V", uitgegeven door de IUT;

    • c. "List of Call Signs and Numerical Identities of Stations Used by the Maritime Mobile and Maritime Mobile-Satellite Services, List VIIA", uitgegeven door de IUT;

    • d. International Aeronautical and Maritime Search and Rescue Manual Volume III (IAMSAR III) en de lijst van reddingsseinen, bedoeld in artikel 98, eerste lid, van het Schepenbesluit 1965;

    • e. het "Handboek algemene maritieme radiocommunicatie", en f. het "Handboek beperkte maritieme radiocommunicatie".

  • 2 Indien een mijnbouwinstallatie is uitgerust met een satellietcommunicatie-inrichting is tevens op een daarvoor geschikte plaats aanwezig het voor de betrokken inrichting relevante "INMARSAT Maritime Communications Handbook", uitgegeven door de Internationale Maritieme Satelliet Organisatie.

  • 3 Indien een mijnbouwinstallatie niet is uitgerust met een MF-radiotelefonie-inrichting is de aanwezigheid van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde lijst en het in dat lid, onderdeel e, genoemde boek niet verplicht.

§ 6.3. Meteorologische en oceanografische apparatuur

Artikel 6.3.1

  • 1 De apparatuur bedoeld in artikel 52, derde lid, van het besluit is geschikt voor het waarnemen en registreren van:

    • a. horizontaal zicht, in bijzonder het meteorologische optisch bereik;

    • b. mate van bewolking en hoogte wolkenbasis;

    • c. actueel weer, met inbegrip van de neerslag;

    • d. windrichting en -snelheid; e. temperatuur van de lucht en van het zeewater;

    • f. relatieve vochtigheid, dan wel dauwpunttemperatuur;

    • g. luchtdruk, en

    • h. hoogte, periode, dan wel spectrum en richting van de golven.

  • 2 De apparatuur, bedoeld in het eerste lid, is betrouwbaar, werkt nauwkeurig en is op een geschikte plaats opgesteld. De apparatuur en opstelling behoeven voor gebruik de goedkeuring van de directeur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.

  • 3 Met de in het eerste lid genoemde apparatuur worden op continuebasis waarnemingen verricht, op grond waarvan tenminste eenmaal per tien minuten een waarneemrapport, met daarin het tijdstip van waarnemen, wordt opgemaakt. Dit rapport wordt binnen vijf minuten doorgegeven aan de directeur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut met gebruikmaking van een standaardformaat. Als standaardformaat wordt gebruikt de Manual on codes/international codes van de World Meteorological Organisation No. 306, dan wel een vergelijkbare, door de directeur goedgekeurde standaard.

Hoofdstuk 7. Onderzoek naar sterkte mijnbouwinstallaties en wijze van verwijdering van onder het oppervlaktewater gelegen mijnbouwinstallaties

Artikel 7.1

Dit hoofdstuk heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die voor de winning of de opslag zijn bestemd.

Artikel 7.2

  • 1 Het onderzoeksprogramma, bedoeld in artikel 53, eerste en tweede lid, van het besluit bevat een overzicht van:

    • a. de onderdelen van de mijnbouwinstallatie;

    • b. het jaar waarin die onderdelen worden onderzocht op technische integriteit, en

    • c. indien bepaalde onderdelen niet jaarlijks op technische integriteit worden onderzocht, een motivering daarvan.

  • 2 Het onderzoeksprogramma is gericht op de volgende onderdelen:

    • a. een inspectie van de zeebodem om:

      • 1°. de mate van uitschuring ten opzichte van een vast referentiepunt vast te stellen; de toelaatbare mate van uitschuring dient binnen de grenzen van de ontwerpcriteria te blijven;

      • 2°. te constateren of er afval dan wel vreemde voorwerpen op de bodem liggen, die invloed kunnen uitoefenen dan wel gevaar kunnen opleveren voor de constructie;

    • b. een inspectie van de onderwaterstaalconstructie en daarmee verbonden pijpleidingen om te constateren dat:

      • 1°. alle constructiedelen aanwezig zijn en niet beschadigd of gecorrodeerd;

      • 2°. alle pijpleidingen op hun plaats zitten, op de juiste manier geborgd en niet beschadigd of gecorrodeerd zijn;

      • 3°. het corrosiebestrijdingssysteem aanwezig is en in goede staat verkeert; indien de staat van de pijpleidingborgklemmen niet afdoende kan worden beoordeeld, worden deze plaatsen eerst schoongemaakt alvorens zij worden geïnspecteerd;

    • c. een inspectie om de mate van onderwater aangroeiing aan de staalconstructie en daarmee verbonden pijpleidingen vast te stellen. Indien de aangroeiing de maximale dikte overschrijdt, zoals opgenomen in de oorspronkelijke ontwerpberekeningen, dient deze aangroeiing te worden verwijderd;

    • d. een inspectie van verrichte reparaties of getroffen noodvoorzieningen;

    • e. een inspectie van de putgeleidebuizen en de dragende staalconstructie boven water en in het zogeheten spatgebied alsmede de ondersteuningen van daarmee verbonden pijpleidingen, corrosiebeschermingssystemen, trappen en bordessen die zich in de wind- en waterzone bevinden;

    • f. de mate van de werking van het corrosiebeschermingssysteem en:

      • 1°. bij onvoldoende werking van het corrosiebeschermingssysteem worden diktemetingen uitgevoerd ter vaststelling van de mate van corrosie in de niet voldoende beschermde gebieden alsmede een onderzoek om de oorzaak van de corrosie vast te stellen;

      • 2°. indien de mate van corrosie de in de ontwerpberekeningen opgenomen corrosietoeslagen overschrijdt, worden maatregelen genomen in overleg met de ter zake deskundige instelling;

      • 3°. indien aan de primaire constructiegedeelten of putgeleidebuizen onder en boven water corrosie is geconstateerd, worden eveneens wanddiktemetingen verricht alsmede een algemeen onderzoek om de oorzaak van de corrosie vast te stellen;

    • g. inspectie en onderzoek van een aantal kritische lassen van knooppunten, zoals van tevoren in het vijfjarig inspectieplan is aangegeven, alsmede een onderzoek naar de materiaaldikte van knooppunten en aansluitende verbindingen.

Artikel 7.3

De uitvoerder doet tenminste acht weken voor de verwijdering van een geheel onder oppervlaktewater gelegen mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63 van het besluit mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen omtrent:

  • a. het vermoedelijke tijdstip van verwijdering;

  • b. de wijze waarop het verwijderen van de mijnbouwinstallatie en van schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet plaats zal vinden, en

  • c. de wijze waarop zal worden aangetoond dat de plaats waarop de mijnbouwinstallatie op de zeebodem stond vrij van schroot en ander materiaal is.

Hoofdstuk 8. Boorgaten en putten

Afdeling 8.1. Algemeen

Artikel 8.1.1

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. put: boorgat dat na aanleg, inrichting en afwerking in gebruik is genomen;

    • b. spuitend produceerbare put: een put waaruit door in de productieve laag of lagen heersende drukken zonder kunstmatige opvoermethoden kan worden geproduceerd;

    • c. niet-spuitend produceerbare put: een put waaruit slechts kan worden geproduceerd met gebruikmaking van kunstmatige opvoermethoden;

    • d. spuitkruis (x-mas tree): bovengrondse afwerking met afsluiters en zijuitlaten, al dan niet geïntegreerd, die wordt geïnstalleerd nadat het boorgat is aangelegd;

    • e. hoofdbedieningsverdeelwerk: samenstel van opslagvaten, voorraadtank, pompen en verdeel- en regelkleppen met inbegrip van de leidingen met behulp waarvan de boorgatbeveiliging wordt bediend;

    • f. bedieningspaneel: hulpmiddel voor het op afstand bedienen van het hoofdbedieningsverdeelwerk;

    • g. compressielichaamafsluiter: gereedschap waarin zich een elastisch lichaam bevindt, dat zodanig kan worden vervormd door uitzetting, dat het een boorgat kan afsluiten, ook waar boorgereedschap aanwezig is;

    • h. afgehangen verbuizing: een verbuizing die afhangt in een eerder aangebrachte verbuizing en niet doorloopt naar het aardoppervlak;

    • i. mechanische plug: een op afstand te bedienen constructie die in een boorgat wordt ingelaten tot op een vooraf bepaalde plaats en, na activering, het boorgat volledig en duurzaam afdicht;

    • j. drukhoudende serie der verbuizing: verbuizing bedoeld om ingesloten drukken uit het boorgat te beheersen.

  • 2 Voorts wordt in deze afdeling onder zeebodem mede begrepen: de bodem van oppervlaktewater.

Afdeling 8.2. Werkprogramma's voor boorgaten en putten alsmede rapportages voor boorgaten

§ 8.2.1. Werkprogramma voor aanleg van boorgaten

Artikel 8.2.1.1

  • 1 Een werkprogramma voor de aanleg van een boorgat bevat:

    • a. voor boorgaten op zee:

      • 1°. de letter- en nummeraanduiding van het blok waarin het boorgat zal worden aangelegd;

      • 2°. het nummer en/of naam van het boorgat:

      • 3°. de plaats van het aanzetpunt van het boorgat uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem;

      • 4°. een opgave van de hoogte van de boortafel of van een ander, nader aan te geven, referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde waterstand als de zeebodem;

    • b. voor boorgaten op land:

      • 1°. de naam van de gemeente waarin het boorgat zal worden aangelegd;

      • 2°. de benaming van het boorgat;

      • 3°. de plaats van het aanzetpunt daarvan uitgedrukt in het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

      • 4°. een opgave van de hoogte van het maaiveld in meters ten opzichte van N.A.P alsmede de hoogte van de boortafel of in plaats van de boortafel een ander, nader aan te geven referentiepunt in meters ten opzichte van N.A.P.

  • 2 Voorts bevat het werkprogramma ten minste:

    • a. de precieze locatie waar een boorgat het voorkomen zal binnendringen en de voorgenomen diepte van het boorgat;

    • b. een schematische opgave van:

      • 1°. de selectiecriteria waarop de verbuizingsdiepten zijn gekozen, rekening houdend met de maximaal toelaatbare instromingsvolumes bij de verwachte formatiesterkten;

      • 2°. de geologische formaties, welke vermoedelijk zullen worden doorboord;

      • 3°. de verbuizingsdiepten van nabijgelegen boorgaten met hun gebruikte spoelingsgewichten, temperatuur en formatiesterktetesten vergeleken met die van het aan te leggen boorgat met de gecorreleerde stratigrafische kolom;

      • 4°. de in het boorgat te verwachten poriëndrukken en bezwijkdrukken van het gesteente met de beoogde boorspoelingsdrukken, en

      • 5°. elke plaats waar:

        • spoelingverliezen kunnen optreden;

        • een plastisch gesteente te verwachten is, of

        • koolwaterstofaccumulatie aanwezig kan zijn;

    • c. het type van de te gebruiken boorinstallatie;

    • d. een beschrijving:

      • 1°. de wijze van isolatie van de zoet- en zoutwaterlagen onder opgave van:

        • de lokale grondwaterhydrologie;

        • de identificatie van zoet- en zoutwaterlagen;

        • de beoogde isolatie na het doorboren van de zoet- en zoutwaterlagen;

        • de wijze van verificatie van de nieuwe isolatie na doorboring;

      • 2°. met tekeningen van elke verbuizingsserie met vermelding van de diameter;

      • 3°. van de soort materiaal, het gewicht per lengte eenheid, en de diepte waarop het inbouwen van elk serie wordt voorzien, en

      • 4°. van de voorgenomen diameter van het boorgat over het boortraject tot elk van de onder 2° bedoelde diepten;

    • e. een opgave van alle voorkomende belastingsituaties van iedere serie van de verbuizing onder correctie van invloeden door corrosie, slijtage en vermoeiing alsmede de ontwerp- en veiligheidsfactoren die worden gebruikt om de verbuizing zeker te stellen bij deze belastingsituaties;

    • f. een schematische opgave van het triaxiale spanningsanalysediagram waarin wordt aangetoond dat de berekende triaxiale spanningen voor alle voorkomende belastingssituaties met de bijbehorende veiligheidsfactoren niet kunnen leiden tot plastische vervorming van iedere serie van de verbuizing;

    • g. een opgave van de aan te brengen cementatie van elke verbuizingsserie met vermelding van de voorgenomen diepte van de top van de annulaire cementkolom;

    • h. een opgave van de beproevingsdruk van elke verbuizingsserie;

    • i. een opgave van de te houden petrofysische metingen;

    • j. een opgave van de toe te passen methodes van formatiesterkte testen;

    • k. een opgave van de te nemen kerntrajecten;

    • l. een opgave van de te gebruiken boorspoeling alsmede een gedetailleerde toelichting op de gemaakte keuze;

    • m. een opgave van de bij de aanleg van het boorgat te gebruiken chemicaliën, hun hoeveelheden alsmede een beschrijving van het gebruik van die chemicaliën waaruit blijkt dat wordt voldaan aan:

      • 1°. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de bij of krachtens titel 9.3 van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften;

      • 2°. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en de bij of krachtens titel 9.3a van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften en

      • 3°. de biocidenverordening en de bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften;

    • n. indien een boorgruisreiningingssysteem zal worden gebruikt: een opgave van het systeem dat zal worden gebruikt alsmede van de eventueel daarbij te gebruiken chemicaliën;

    • o een situatietekening van het voorgenomen verloop van het boorgat en een opgave van de met betrekking tot het verloop van het boorgat toe te passen meettechniek;

    • p. indien het boorgat op zodanige plaats nabij een of meer, al dan niet buiten gebruik gestelde, bestaande boorgaten zal worden aangelegd dat gevaar voor het boorgat of een ander reeds bestaand boorgat niet is uitgesloten: een berekening van de te verwachten minimale afstand alsmede de te verwachten minimale scheidingsfactoren op basis van de gebruikte meetinstrumenten;

    • q. een beschrijving van de ten behoeve van elke verbuizingsserie te gebruiken beveiligingsinstallatie, met vermelding van:

      • 1°. het type van elk onderdeel waaruit de installatie bestaat, en

      • 2°. de maximale druk die elk onderdeel kan weerstaan en die waarop elk onderdeel wordt getest;

    • r. indien het boorgat wordt getest een beschrijving van:

      • 1°. de te volgen werkwijze;

      • 2°. de inrichting van het boorgat, en

      • 3°. de daarmee samenhangende bovengrondse uitrusting;

    • s. een opgave van de te gebruiken technische hulp- en andere beveiligingsinstallaties en van de tijdstippen waarop deze worden opgesteld, en

    • t. een beschrijving met tekening van de voorgenomen afwerking van het boorgat.

Artikel 8.2.1.2

  • 1 Het werkprogramma voor de aanleg van een boorgat is tenminste vier weken voor de aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.

  • 2 Ingrijpende wijzigingen worden in een werkprogramma niet aangebracht dan nadat hiervan schriftelijk mededeling is gedaan aan de inspecteur-generaal der mijnen.

  • 3 Indien onvoorziene omstandigheden verhinderen dat de voorafgaande schriftelijke mededeling tijdig wordt gegeven, wordt de inspecteur-generaal der mijnen van de wijziging onmiddellijk telefonisch of anderszins in kennis gesteld, welke kennisgeving onmiddellijk schriftelijk wordt bevestigd.

§ 8.2.2

Artikel 8.2.2.1

  • 1 Een dagrapport van het verloop van elk boorgat wordt tijdens werkdagen uiterlijk om 09.00 uur volgend op de dag waarop het rapport betrekking heeft ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen gebracht.

  • 2 Het dagrapport bevat de gegevens, aangegeven in bijlage 11, en is in overeenstemming met die bijlage ingericht.

Artikel 8.2.2.2

Het eindrapport over de aanleg, reparatie en buitengebruikstelling van een boorgat bevat de gegevens, aangegeven in bijlage 12, en is in overeenstemming met die bijlage ingericht.

§ 8.2.3. Werkprogramma voor reparatie van putten

Artikel 8.2.3.1

  • 1 Een werkprogramma voor de reparatie van een put bevat:

    • a. voor putten op zee:

      • 1°. de letter en nummeraanduiding van het blok waarbinnen de te repareren put zich bevindt;

      • 2°. het nummer en/of naam van de put;

      • 3°. de plaats van het aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem en

      • 4°. een opgave van de hoogte van de boortafel of van een ander, nader aan te geven referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde waterstand als de zeebodem;

    • b. voor putten op land:

      • 1°. de naam van de gemeente waarbinnen de te repareren put zich bevindt;

      • 2°. de benaming van de put;

      • 3°. De plaats van het aanzetpunt van de put uitgedrukt in het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting en

      • 4°. een opgave van de hoogte van zowel het maaiveld als de boortafel of een ander, nader aan te geven referentiepunt, een en ander in meters ten opzichte van N.A.P.

  • 2 Voorts bevat het werkprogramma ten minste:

    • a. de reden van de reparatie alsmede een kort overzicht van het gedrag van en problemen met de put sinds de aanleg of, indien deze eerder is gerepareerd, de laatste reparatie;

    • b. de datum van de oorspronkelijke afwerking of van de laatste reparatie;

    • c. een schets van de deviatie, indien van toepassing;

    • d. een opgave van het referentievlak van waaruit de dieptematen worden opgegeven;

    • e. een beschrijving met tekeningen van:

      • 1°. de productieverbuizing met specificaties;

      • 2°. de cementatiediepte, en

      • 3°. de diepte van de top van de annulaire cementkolommen;

    • f. over de integriteitsbeheersing van de put een beschrijving van:

      • 1°. de deugdelijkheid van de aanwezige annulaire cementkolommen onder opgave van de hiertoe uit te voeren integriteitsmetingen, en

      • 2°. de wijze waarop de integriteit van de put voor en na de diverse activiteiten wordt zeker gesteld;

    • g. een beschrijving met tekeningen van de afwerking boven of onder oppervlaktewater, inclusief specificaties van het spuitkruis;

    • h. een beschrijving van de ondergrondse afwerking van de put;

    • i. de verwachte maximale ingesloten bovengrondse druk en de drukken in de diverse annulaire ruimtes;

    • j. de formatiedruk en de referentiediepte;

    • k. de ondergrondse en bovengrondse temperatuur van de put;

    • l. de inhoud van de opvoerserie en van de annulaire ruimten;

    • m. het productiemechanisme;

    • n. de maximale productiecapaciteit (open flow potential);

    • o. de naam of typeaanduiding van de installatie waarmee de putreparatie wordt uitgevoerd alsmede de naam van de drilling contractor;

    • p. een beschrijving van de te gebruiken beveiligingsinstallatie voor de afsluiting van de put in de diverse fasen;

    • q. een chronologisch overzicht van de voorgenomen opeenvolgende reparatiewerkzaamheden, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met van tevoren aangenomen alternatieve mogelijkheden voorzien van in het bijzonder een toelichting op uit veiligheidsoverwegingen of anderszins kritische operaties;

    • r. gezien de ligging van de te repareren put en voor zover van toepassing: de methode waarop putten in de nabijheid worden veiliggesteld;

    • s. een opgave van de afwerking van de put na de reparatie;

    • t. de geschatte tijdsduur van de reparatie, en

    • t. een beschrijving van de stoffen en hoeveelheden stoffen die bij de reparatie worden geïnjecteerd met een vermelding van de registratie en autorisatie van de stof, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan:

      • 1°. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de bij of krachtens titel 9.3 van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften;

      • 2°. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en de bij of krachtens titel 9.3a van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften en

      • 3°. de biocidenverordening en de bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften.

Artikel 8.2.3.2

  • 1 Het werkprogramma voor de reparatie van een put is tenminste twee weken vóór de aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 8.2.3.3

Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op boorgaten.

§ 8.2.4. Werkprogramma voor buiten gebruik stellen van putten

Artikel 8.2.4.1

  • 1 Een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een put bevat:

    • a. voor putten op zee:

      • 1°. de letter- en nummeraanduiding van het blok waarbinnen de buiten gebruik te stellen put zich bevindt;

      • 2°. het nummer en/of naam van de put;

      • 3°. De plaats van het aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem

      • 4°. een opgave van de hoogte van de boortafel of van een ander nader aan te geven referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde waterstand als de zeebodem;

    • b. voor putten op land:

      • 1°. de naam van de gemeente waarbinnen de buiten gebruik te stellen put zich bevindt;

      • 2°. de benaming van de put;

      • 3°. de plaats van het aanzetpunt van de put daarvan uitgedrukt in het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting en

      • 4°. een opgave van de hoogte van zowel het maaiveld als de boortafel of een ander, nader aan te geven referentiepunt, een en ander in meters ten opzichte van N.A.P.

  • 2 Voorts bevat het werkprogramma ten minste:

    • a. de reden voor het buiten gebruik stellen van de put;

    • b. de datum van de oorspronkelijke afwerking of, indien de put eerder is gerepareerd, de laatste reparatie;

    • c. een schets van de deviatie, indien van toepassing;

    • d. een opgave van het referentievlak van waaruit de dieptematen worden opgegeven;

    • e. een beschrijving met tekeningen van:

      • 1°. verbuizingen;

      • 2°. de cementatiedieptes, en

      • 3°. de dieptes van de top van de annulaire cementkolommen;

    • f. de diepte waarop de put is afgewerkt en de diepte van het geperforeerde deel van de productieverbuizing;

    • g. een beschrijving van de afwerking van de put boven of onder oppervlaktewater, inclusief specificaties van het spuitkruis;

    • h. een beschrijving van de ondergrondse afwerking van de put;

    • i. de verwachte maximale ingesloten bovengrondse druk en de annulaire drukken;

    • j. de formatiedruk en de referentiediepte;

    • k. de ondergrondse en bovengrondse temperatuur van de put;

    • l. de inhoud van de opvoerserie en van de annulaire ruimten;

    • m. de naam of typeaanduiding van de installatie waarmee de put buiten gebruik wordt gesteld alsmede de naam van de drilling contractor;

    • n. een beschrijving van de te gebruiken beveiligingsinstallatie voor de afsluiting van de put;

    • o. een chronologisch overzicht van de opeenvolgende werkzaamheden, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met van tevoren aangenomen alternatieve mogelijkheden voorzien van in het bijzonder een toelichting op uit veiligheidsoverwegingen of anderszins kritische operaties;

    • p. gezien de ligging van de buiten gebruik te stellen put en voor zover van toepassing: de methode waarop putten in de nabijheid worden veiliggesteld;

    • q. een beschrijving met tekeningen van de afwerking van de put na het buitengebruik stellen, en

    • r. de geschatte tijdsduur van het buiten gebruik stellen.

Artikel 8.2.4.2

  • 1 Het werkprogramma voor het buitengebruik stellen van een put is tenminste vier weken vóór de aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 8.2.4.3

Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op boorgaten.

Afdeling 8.3. Regels bij aanleg van boorgaten alsmede gebruik en reparatie van putten

§ 8.3.1. Beveiligingen bij aanleg van boorgaten

Artikel 8.3.1.1

Deze afdeling is niet van toepassing op boorgaten waarmee wordt beoogd de aanwezigheid van zout aan te tonen dan wel te winnen, mits de uitvoerder in het document, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit, heeft aangetoond dat er geen gevaar bestaat voor schadelijke uitstroming van ondergrondse gassen of vloeistoffen.

Artikel 8.3.1.2

  • 1 Gedurende de boorwerkzaamheden die voorafgaan aan het inbouwen en cementeren van de eerste drukhoudende serie der verbuizing worden voorzieningen getroffen voor het direct en met zo gering mogelijke belemmering afvoeren van vrijkomend gas of vrijkomende vloeistof, afkomstig uit een formatie met gas of vloeistof onder een hogere druk dan de boorvloeistofkolom.

  • 2 De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:

    • a. een afsluiter die het boorgat kan afsluiten rondom het boorgereedschap dat zich in het boorgat bevindt, en

    • b. een spoelstuk met een inwendige diameter die tenminste gelijk is aan de in onderdeel a bedoelde afsluiter en tenminste is voorzien van één zijuitlaat met een afsluiter waarvan de bediening gekoppeld is aan de in onderdeel a bedoelde afsluiter, maar waarvan de werking tegengesteld is aan die van deze afsluiter.

  • 3 De voor deze voorzieningen benodigde afvoerleidingen hebben een inwendige diameter van ten minste 250 mm en worden met een zo gering mogelijk aantal bochten geïnstalleerd. Op de plaats van de bochten worden inwendige voorzieningen aangebracht die het eroderen van de leidingen zoveel mogelijk voorkomen.

  • 4 Het hulpmiddel voor de besturing van de voorzieningen wordt op een voor de boormeester goed bereikbare plaats opgesteld.

  • 5 Het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing indien de uitvoerder in het document, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit heeft aangetoond dat bij de boorwerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, geen gevaar bestaat voor schadelijke uitstroming van onderaardse gassen of vloeistoffen.

Artikel 8.3.1.3

  • 1 Het boorgat wordt na het inbouwen en cementeren van de eerste drukhoudende serie der verhuizing voorzien van een beveiligingsinstallatie waarmee het boorgat onder alle omstandigheden kan worden afgesloten.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde beveiligingsinstallatie is opgebouwd uit:

    • a. boorgatafsluiters;

    • b. een hoofdbedieningsverdeelwerk;

    • c. twee bedieningspanelen;

    • d. een smoorverdeelstuk;

    • e. leidingen tussen de hiervoor genoemde onderdelen, en

    • f. boorgereedschapafsluiters.

  • 3 De beveiligingsinstallatie, met uitzondering van het bedieningsgedeelte en de in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdeel a, bedoelde compressielichaamafsluiter, kan te allen tijde tenminste de aan de bovenzijde van het boorgat te verwachten maximale druk weerstaan.

  • 4 Indien enig vermoeden bestaat dat er zwavelwaterstofhoudend gas aanwezig is, is de beveiligingsinstallatie bestand tegen blootstelling aan zwavelwaterstofhoudend gas.

Artikel 8.3.1.4

  • 1 De in artikel 8.3.1.3, eerste lid, bedoelde beveiligingsinstallatie bevat in ieder geval de volgende boorgatafsluiters:

    • a. een compressielichaamafsluiter;

    • b. een schuifafsluiter die een boorgat kan afsluiten rondom het boorgereedschap dat zich in het boorgat bevindt, en

    • c. een schuifafsluiter die een boorgat kan afsluiten waarin zich geen boorgereedschap bevindt.

  • 2 Na het inbouwen en cementeren van de tweede drukhoudende serie der verbuizing wordt, voordat de boorwerkzaamheden worden hervat, de beveiligingsinstallatie uitgebreid met:

    • a. een tweede schuifafsluiter als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en

    • b. een voorziening ten behoeve van de schuifafsluiter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, om boorgereedschap dat zich in het boorgat ter hoogte van deze afsluiter bevindt, door te snijden.

  • 3 De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde afsluiter is geschikt voor het inlaten van boorgereedschap, wanneer in het bovenste gedeelte van het boorgat een hogere dan atmosferische druk heerst.

  • 4 De in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde afsluiters kunnen met behulp van een afstandsbediening worden gesloten en geopend.

  • 5 De in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde afsluiters kunnen worden geborgd tegen onbedoeld openen.

  • 6 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid.

Artikel 8.3.1.5

  • 1 Het hoofdbedieningsverdeelwerk:

    • a. wordt opgesteld op een goed bereikbare plaats gelegen buiten de boorvloer;

    • b. bevat een zodanige hoeveelheid bedieningsvloeistof dat met uitgeschakelde pompen en onder heersende atmosferische condities alle in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde afsluiters gesloten en geopend kunnen worden en vervolgens de afsluiter, bedoeld in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdeel a, en, onderdelen b of c, nogmaals onder heersende atmosferische condities gesloten kunnen worden, en

    • c. wordt zo ingericht en onderhouden dat te allen tijde een zodanige hoeveelheid elektrisch vermogen, luchtdruk en bedieningsvloeistof aanwezig is dat het boorgat kan worden afgesloten.

  • 2 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 8.3.1.6

  • 1 Een van de in artikel 8.3.1.3, tweede lid, bedoelde bedieningspanelen wordt opgesteld op de boorvloer op een voor de boormeester goed bereikbare plaats.

  • 2 Het tweede bedieningspaneel wordt opgesteld op een plaats die ook tijdens calamiteiten voor een ieder goed bereikbaar is.

  • 4 Het bedieningspaneel, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van visuele indicatoren die aangeven in welke stand de bijbehorende verdeelklep in het hoofdbedieningsverdeelwerk staat.

  • 5 Het vierde lid geldt niet, indien het hoofdbedieningsverdeelwerk op de boorvloer is opgesteld op een voor de boormeester goed bereikbare plaats.

Artikel 8.3.1.7

  • 1 Het smoorverdeelstuk is goed bereikbaar.

  • 2 Het smoorverdeelstuk is voorzien van tenminste twee verstelbare knijpstukken:

    • a. welke, wanneer het verdeelstuk in werking is, zonder gevaar afzonderlijk kunnen worden verwisseld, en

    • b. waarvan tenminste een op afstand kan worden versteld.

Artikel 8.3.1.8

  • 1 De van het hoofdbedieningsverdeelwerk deel uitmakende leidingen naar de boorgatafsluiters zijn zo flexibel dat beschadiging door het bewegen van de boorinstallatie niet plaatsvindt.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde leidingen kunnen te allen tijde de maximale druk weerstaan die in het hoofdbedieningsverdeelwerk kan optreden.

  • 3 Het smoorverdeelstuk en de hiermee verbonden aan- en afvoerleidingen zijn zo verankerd dat krachten tengevolge van het aan- en afvoeren van gassen of vloeistoffen kunnen worden opgenomen zonder schade te veroorzaken aan het verdeelstuk of aan de aan- of afvoerleidingen.

  • 4 De leidingen van de beveiligingsinstallatie en de erbij behorende afsluiters voor en direct achter de smoorverdeelstukken kunnen tenminste dezelfde werkdruk weerstaan als de in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde boorgatafsluiters.

Artikel 8.3.1.9

  • 1 Het in de boortafel afgehangen boorgereedschap kan worden afgesloten met behulp van een afsluitmechanisme, dat op de boorvloer aanwezig is op een zodanige plaats dat dit onmiddellijk in of op het boorgereedschap kan worden geplaatst.

  • 2 Het aandrijvend gedeelte van het boorgereedschap is voorzien van twee afsluiters om hol boorgereedschap inwendig af te kunnen sluiten.

  • 3 Indien gebruik gemaakt wordt van een meeneemstang als aandrijvend gedeelte, wordt van de in het tweede lid bedoelde afsluiters één boven en één onder de meeneemstang aangebracht. Indien van een ander aandrijvend gedeelte gebruik wordt gemaakt, is tenminste een van die afsluiters op afstand te bedienen.

Artikel 8.3.1.10

De annulaire ruimte tussen de laatst geplaatste drukhoudende serie der verbuizing en het zich hierin bevindende boorgereedschap is voorzien van tenminste twee zijuitlaten, elk met twee afsluiters die afzonderlijk kunnen functioneren met een zodanige doorlaat van tenminste 50 mm nominaal, dat de te verwachten hoeveelheid vloeistof of gas goed kan worden afgevoerd.

Artikel 8.3.1.11

  • 1 De beveiligingsinstallatie is zo ingericht, dat vloeistoffen ook op een andere wijze dan via het boorgereedschap in het boorgat kunnen worden gepompt, terwijl gelijktijdig gas of vloeistof via het smoorverdeelstuk afgevoerd kan worden.

  • 2 In elke leiding voor het inpompen van vloeistof in het boorgat en voor het afvoeren van gas of vloeistof zijn zo dicht mogelijk bij de boorgatafsluiters twee afsluiters geplaatst. Ten minste een van die afsluiters kan met behulp van het in artikel 8.3.1.6, eerste lid, bedoelde bedieningspaneel worden bediend.

  • 3 De leiding voor het inpompen van vloeistof in het boorgat is voorzien van een terugslagklep.

  • 4 De leiding voor het afvoeren van gas of vloeistof heeft een doorlaat van tenminste 75 mm nominaal.

  • 5 Andere openingen van de boorgatafsluiters dan die waarop een leiding als bedoeld in het tweede lid is aangesloten, worden afgesloten met behulp van:

    • a. twee afsluiters;

    • b. een geheel gesloten plaat, of

    • c. een afsluitplug.

§ 8.3.2. Testen van boorgat- en schuifafsluiters

Artikel 8.3.2.1

Bij een persproef tot de maximale druk die zich naar berekening in de serie der verbuizing kan voordoen, treedt, na het stilzetten van de perspompen en na de stabilisatie van de druk, geen lekkage op gedurende een periode van ten minste:

  • a. 10 minuten, indien het volume dat wordt beproefd 3 m3 of minder bedraagt, of

  • b. 20 minuten, indien het volume dat wordt beproefd groter is dan 3 m3.

Artikel 8.3.2.2

  • 1 De aangesloten boorgatafsluiters, smoorverdeelstukken en leidingen worden op een goede afsluitende werking getest met behulp van een persproef:

    • a. tenminste eenmaal per drie weken gedurende vijf minuten op 2,5 MPa en aansluitend gedurende de periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a of b, op tenminste 50% van de te verwachten maximale druk die aan de bovenzijde van het boorgat onder de meest ongunstige condities kan optreden, en

    • b. gedurende vijf minuten op 2,5 MPa en aansluitend gedurende de periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a of b, op de te verwachten maximale druk die aan de bovenzijde van het boorgat onder de meest ongunstige condities kan optreden:

      • 1°. binnen een week voor het mogelijk aanboren van een formatie waarvan verwacht kan worden dat deze productief is, en overigens

      • 2°. tenminste eenmaal per zes weken.

  • 2 Indien aan de beveiligingsinstallatie reparatiewerkzaamheden zijn verricht of wijzigingen zijn aangebracht, worden de betrokken gedeelten van de installatie en de delen die direct daarmee in verbinding staan getest overeenkomstig het eerste lid.

  • 3 Voor de test van de compressielichaamafsluiter met daarin het boorgereedschap met de kleinste in gebruik zijnde diameter is de testdruk in alle gevallen ten hoogste 70% van de maximaal toelaatbare werkdruk.

  • 4 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 8.3.2.3

  • 1 Alle schuifafsluiters worden wekelijks op hun mechanische werking getest.

  • 2 De aanwezigheid van voldoende bedieningsvloeistof wordt eenmaal per week onder werkdruk getest voor de in gebruik zijnde boorgatafsluiters.

  • 3 Tenminste eenmaal per vier weken worden, met de bedieningsvloeistof onder maximaal gereduceerde druk, de in gebruik zijnde schuifafsluiters getest op hun functioneren.

  • 4 Direct nadat werkzaamheden aan het bedieningsgedeelte van de beveiligingsinstallatie hebben plaatsgevonden, worden de van toepassing zijnde testen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor dat gedeelte en de delen die direct daarmee in verbinding staan herhaald onder de werkdruk, bedoeld in artikel 8.3.1.8, tweede lid.

  • 5 De test, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door afwisselend elk van de bedieningspanelen te gebruiken.

Artikel 8.3.2.4

  • 1 De uitvoerder test voorafgaand aan het gebruik van de boorgatafsluiters met behulp van een persproef gedurende de periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a en b, de combinatie van de boorgatafsluiters, de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie en de verbinding tussen de boorgatafsluiter en de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie tegen de laagste werkdruk van de boorgatafsluiters en de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie.

  • 2 De uitvoerder herhaalt de persproef:

    • a. voorafgaande aan het eerste gebruik van de boorgatafsluiters;

    • b. na een reparatie of vervanging van de boorgatafsluiters;

    • c. direct na het verstrijken van dertien weken waarin de boorgatafsluiters operationeel zijn, en

    • d. vervolgens telkens direct na het verstrijken van zesentwintig weken na de laatst uitgevoerde test.

  • 3 Voor de test van de compressielichaamafsluiter met daarin het boorgereedschap met de kleinste in gebruik zijnde diameter is de testdruk in alle gevallen ten hoogste 70% van de maximaal toelaatbare werkdruk.

Artikel 8.3.2.5

  • 2 Van de in artikel 8.3.2.3 genoemde testen worden de gegevens schriftelijk vastgelegd met gebruikmaking van een formulier, waarvan een model is opgenomen in bijlage 13.

Artikel 8.3.2.6

  • 1 De boorgatafsluiters worden tenminste eenmaal per twaalf gebruiksmaanden of tenminste eenmaal per vierentwintig maanden geïnspecteerd en gecontroleerd met inachtneming van de voorschriften van de fabrikant.

  • 2 Alle delen van een beveiligingsinstallatie worden tenminste eenmaal per vijf jaar gereviseerd conform de aanwijzingen van de fabrikant.

  • 3 Een beschrijving van de in het eerste en tweede lid bedoelde werkzaamheden wordt in een schriftelijk rapport vastgelegd.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde voorschriften en de in het derde lid bedoelde rapporten worden op het boorwerk respectievelijk de mijnbouwinstallatie ter inzage van de inspecteur-generaal der mijnen gelegd. Deze voorschriften en rapporten worden daartoe tenminste zes jaar bewaard.

§8.3.3 Periodieke beveiligingsoefeningen in verband met boorgaten en putten

Artikel 8.3.3.1

  • 1 Wanneer bij een boring of werkzaamheden aan een produceerbare put de putbeveiligingsinstallatie is aangebracht, nemen alle direct bij de werkzaamheden aan de put betrokken personen ten minste eenmaal per week aan een van de onder artikel 8.3.3.2 genoemde putbeveiligingsoefeningen deel.

  • 2 Van personen als in het eerste lid bedoeld en van de door hen gehouden putbeveiligingsoefeningen wordt aantekening gehouden in het dagelijks boorregister.

Artikel 8.3.3.2

  • 1 De oefeningen worden gehouden door tijdens het werk afwisselend een situatie te simuleren die ten doel heeft een ongecontroleerde spuiter tijdig te onderkennen alsmede de juiste handelingen uit te voeren met pijpen in het boorgat.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde oefeningen bestaan ten minste uit:

    • a. het onderkennen van drukverschil, toename of verlies van vloeistof in de put;

    • b. op de juiste hoogte afhangen van de pijpen in de putbeveiligingsinstallatie;

    • c. het aanbrengen van een veiligheidsafsluiter op de pijpen in de put;

    • d. het observeren van het vloeistofniveau in de put;

    • e. het insluiten van de put, en f. het opnemen van de benodigde tijd.

  • 3 Voor de uitvoering van een putbeveiligingsoefening is een procedure opgesteld, die bij de put voorhanden is.

§ 8.3.4. Reparatie van een put

Artikel 8.3.4.1

  • 2 Tijdens het verwijderen en het terugplaatsen van het spuitkruis is een spuitend producerende put tenminste drievoudig beveiligd tegen uitstroming en zijn niet-spuitende, producerende putten tenminste tweevoudig beveiligd.

  • 3 Andere werkzaamheden dan die bedoeld in het eerste lid worden slechts verricht indien de put onder alle omstandigheden onder controle kan worden gebracht en gehouden.

  • 4 De minister kan ontheffing verlenen van het tweede lid.

Afdeling 8.4. Inrichting van putten

Artikel 8.4.1

  • 1 Een spuitend produceerbare put is voorzien van een op een diepte van ten minste 50 meter onder het aardoppervlak of de bodem van oppervlaktewater aangebrachte beveiligingsinstallatie ter voorkoming van het ongecontroleerd spuiten van de put. Deze beveiligingsinstallatie is van boven het aardoppervlak of oppervlaktewater bedienbaar.

  • 2 Zodra bediening van de in het voorgaande lid bedoelde beveiligingsinstallatie niet meer mogelijk is, wordt de put automatisch ingesloten.

  • 3 De goede werking van de beveiligingsinstallatie wordt met behulp van periodieke testen aangetoond. De frequentie van de testen en de resultaten hiervan worden vastgelegd.

  • 4 De voorziening waarmee de opvoerserie is afgehangen (tubing hanger) is uitgevoerd met een inwendig profiel waarin een plug of afsluiter geïnstalleerd kan worden voor het verkrijgen van een volledige afsluiting van de opvoerserie.

  • 5 De minister kan van het eerste lid ontheffing verlenen, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt.

Artikel 8.4.2

  • 1 Van een op het land of boven oppervlaktewater afgewerkte put zijn alle zijuitlaten van de annulaire ruimten, die bedoeld zijn voor het inpompen van vloeistoffen of gassen dan wel voor het afvoeren van vloeistoffen of gassen, voorzien van twee afsluiters met een diameter van nominaal ten minste 50 mm.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde annulaire ruimten zijn voorzien van tenminste één zijuitlaat. Het opvoerseriehuis (tubing head housing) is voorzien van tenminste twee zijuitlaten, elk voorzien van twee afsluiters met een diameter van nominaal ten minste 50 mm.

  • 3 Indien de in het eerste lid bedoelde ruimten tussen twee opeenvolgende verbuizingsseries niet in open verbinding staan met de ondergrond of niet gebruikt worden voor injectie of winning, kan het betreffende huis zijn voorzien van één zijuitlaat met één afsluiter met een diameter van nominaal ten minste 50 mm, met dien verstande dat die afsluiter is voorzien van een flens en afdichtkraan als aansluiting voor een manometer met afblaasmogelijkheid. Elke verdere zijuitlaat wordt overeenkomstig de eerste volzin uitgerust dan wel voorzien van een blinde flens.

  • 4 Afsluiters als bedoeld in het eerste en derde lid kunnen drukvrij worden gemaakt teneinde te worden verwisseld.

Artikel 8.4.3

  • 1 Van een onder oppervlaktewater afgewerkte put staan de ruimten tussen twee opeenvolgende drukhoudende verbuizingsseries niet in open verbinding met de ondergrond. De eerste zin is niet van toepassing op de annulaire ruimte van de productie verbuizingserie, die in open verbinding kan staan met de ondergrond voor expansie door temperatuurschommelingen tijdens productie. De productie annulaire ruimte is dan afgedicht bij de afhangconstructie.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde ruimten zijn afgedicht bij de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie, wordt deze afdichting direct na het installeren op deugdelijkheid beproefd.

  • 3 De ruimte tussen de opvoerserie(s) en de opeenvolgende verbuizing is toegankelijk door middel van een zijuitlaat die ten minste nominaal 50 mm is. Deze zijuitlaat is voorzien van:

    • a. ten minste een op afstand bedienbare afsluiter (bidirectional type) met een diameter van ten minste nominaal 50 mm, indien een permanente verbinding met andere faciliteiten voor de winning van delfstoffen aanwezig is, of

    • b. ten minste twee afsluiters met een diameter van ten minste nominaal 50 mm.

  • 4 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste en derde lid, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt.

Artikel 8.4.4

  • 1 Bij producerende, injecterende en ingesloten putten worden de drukken in de tubing/casing annulus en in de eerste casing/casing annulus gecontroleerd. De geconstateerde afwijkingen in het in de eerste volzin bedoelde drukpatroon worden geregistreerd. Bij een onder oppervlaktewater afgewerkte put is de tweede volzin niet van toepassing op het controleren en registeren van de druk in de annulaire ruimte van de productie verbuizingsserie, die in verbinding staat met de ondergrond en waarbij de annulaire ruimte is afgedicht bij de afhangconstructie.

  • 2 Ten aanzien van annulaire drukken wordt op zo kort mogelijke termijn een diagnose gesteld van de oorzaak van die druk.

  • 3 Indien afwijkingen in annulaire drukken ontstaan als bedoeld in het eerste lid, wordt de inspecteur-generaal der mijnen schriftelijk ingelicht onder het overleggen van een actieprogramma voor het in te stellen onderzoek en eventueel te nemen maatregelen. In urgente gevallen wordt onmiddellijk telefonisch melding van die afwijkingen gedaan.

Artikel 8.4.5

  • 1 Het spuitkruis van een spuitend produceerbare put bestaat ten minste uit:

    • a. twee hoofdafsluiters waarmee de put kan worden afgesloten. De bovenste afsluiter is op afstand bedienbaar, en

    • b. een afsluiter aan de top van het spuitkruis met voorziening voor het aansluiten van een manometer voorzien van afdichtkraan met afblaasmogelijkheid.

  • 2 Indien het spuitkruis onder oppervlaktewater is gelegen, is het voorzien van:

    • a. twee hoofdafsluiters waarmee de put kan worden afgesloten, waarvan de bovenste afsluiter op afstand bedienbaar is;

    • b. ten minste een mogelijkheid tot het aflaten van druk aan de top van het spuitkruis;

    • c. een spuitarm, voorzien van een op afstand bedienbare afsluiter, en

    • d. een injectiearm met een op afstand bedienbare afsluiter, indien een injectiearm is aangebracht.

  • 3 Op afstand bedienbare afsluiters kunnen zonder noemenswaardige vertraging worden geactiveerd.

  • 4 De minister kan ontheffing verlenen van het tweede lid, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt.

Artikel 8.4.6

Het spuitkruis en de spuitstukken tot en met de eerste afsluiter, gelegen na de reduceerklep (smoorstuk) van een put, zijn berekend op een werkdruk die ten minste gelijk is aan de maximaal aan de putmond mogelijk optredende druk.

Artikel 8.4.7

Een onder oppervlaktewater gelegen putafwerking heeft een zodanige constructie dat de putafwerking niet wordt beschadigd door visserijmateriaal en het visserijmateriaal niet door de putafwerking.

Artikel 8.4.8

  • 1 Een spuitend produceerbare put wordt voorzien van een afdichtconstructie die de annulaire ruimte tussen de verbuizing en de opvoerserie(s) zo diep mogelijk afsluit van de productieve zone(s). In het eerste lid wordt na ‘de opvoerserie(s)’ ingevoegd: zo diep mogelijk.

  • 2 De afdichting of een pijpstuk onder deze afdichting wordt zo uitgevoerd dat hierin ter isolatie van de productieve zone of zones naar het spuitkruis ten minste een plug of veiligheidsklep aangebracht kan worden.

  • 3 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.

Artikel 8.4.9

  • 1 In de spuitleiding van een put is een beveiligingsinstallatie aanwezig die de put bij breuk van de leiding automatisch afsluit.

  • 2 Bij beschadiging van het spuitkruis of de spuitleiding van niet-spuitend produceerbare putten wordt de energietoevoer ten behoeve van het opvoermechanisme automatisch afgesloten.

  • 3 Bij een niet-spuitende produceerbare put, waarbij gebruik wordt gemaakt van een gasliftmethode, wordt aan de putaansluiting een beveiligingsinstallatie aangebracht teneinde bij breuk van de gasliftinjectieleiding ongecontroleerde gasuitstroming daaruit te voorkomen.

Artikel 8.4.10

Putten waaruit aardolie wordt geproduceerd met gebruikmaking van een pompinstallatie zijn zo ingericht dat vrijkomend gas in de annulaire ruimte tussen de opvoerserie en de laatste serie der verbuizing zonder gevaar kan worden afgevoerd.

Afdeling 8.5. Het buiten gebruik stellen van putten en boorgaten

§ 8.5.1. Algemeen

Artikel 8.5.1.1

Deze afdeling is mede van toepassing op boorgaten.

Artikel 8.5.1.2

  • 1 Voordat een put buiten gebruik wordt gesteld, is deze gevuld met een vloeistof van een zodanig soortelijk gewicht dat iedere in de put te verwachten druk kan worden weerstaan en van een zodanige samenstelling dat corrosie wordt voorkomen en geen schade kan worden toegebracht aan eventuele delfstofvoorkomens.

  • 2 Elke in de put gebruikte afsluiting is duurzaam en volledig.

  • 3 Waar in deze paragraaf een "cementplug" wordt voorgeschreven, kan een ander middel worden gebruikt, mits dat resulteert in ten minste een gelijkwaardige afsluiting.

§ 8.5.2. Regels over buiten gebruik stellen

Artikel 8.5.2.1

  • 1 Elke afsluiting van een put die buitengebruik wordt gesteld, wordt getest met behulp van:

    • a. een gewichtstest van ten minste 100 kN (10 250 kg),

    • b. een beproevingsdruk van ten minste vijftigmaal 100.000 Pa (vijftig bar) gedurende een tijd van vijftien minuten, of

    • c. onderdruk in de put waarbij geconstateerd wordt dat geen vloeistof of gas vanuit het reservoir de put instroomt.

  • 2 De afsluiting doorstaat de testen goed.

Artikel 8.5.2.2

  • 1 Indien een gedeeltelijk onverbuisde put buiten gebruik wordt gesteld, wordt in de diepste verbuizingsserie vanaf de schoen naar de oppervlakte een afsluiting aangebracht die bestaat uit:

    • a. een cementplug van ten minste honderd meter lengte, of

    • b. een mechanische plug met daarop een cementplug van vijftig meter lengte.

  • 2 Indien een put buiten gebruik wordt gesteld waarvan het onverbuisde deel zich in een reservoir bevindt, wordt dit reservoir met behulp van cementpluggen ter hoogte van of boven het reservoir volledig afgesloten.

  • 3 Indien het in het tweede lid bedoelde onverbuisde gedeelte meer dan één reservoir doorsnijdt, worden deze reservoirs van elkaar geïsoleerd met behulp van cementpluggen. De lengte van de cementplug is 100 meter of gelijk aan de natuurlijke afstand tussen de reservoirs.

Artikel 8.5.2.3

  • 1 Indien een put buiten gebruik wordt gesteld waarvan de verbuizing is geperforeerd, wordt ter hoogte van of boven het geperforeerde gedeelte een afsluiting aangebracht die bestaat uit:

    • a. een cementplug die zich honderd meter uitstrekt boven het geperforeerde gedeelte;

    • b. een mechanische plug, geplaatst zo dicht mogelijk boven het geperforeerde gedeelte, met daarop een cementplug van vijftig meter lengte, of

    • c. een mechanische plug, geplaatst boven het geperforeerde gedeelte, waardoor in de verbuizing een cementplug van vijftig meter lengte over de gehele lengte van het geperforeerde deel is geperst met direct op de mechanische plug een cementplug van vijftig meter lengte.

  • 2 Indien in de verbuizing perforaties ter hoogte van verschillende reservoirs zijn aangebracht, worden deze reservoirs van elkaar geïsoleerd met behulp van één van de afsluitingen, bedoeld in het eerste lid. De cementplug, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, kan in dit geval vijftig meter korter zijn dan in het eerste lid is aangegeven of even lang zijn als de natuurlijke afstand tussen de reservoirs.

Artikel 8.5.2.4

Indien een put buiten gebruik wordt gesteld waarin zich een gecementeerde afgehangen verbuizing bevindt, wordt ter hoogte van de bovenzijde van deze verbuizing een afsluiting aangebracht bestaande uit:

  • a. een cementplug die zich uitstrekt over ten minste vijftig meter onder de bovenzijde van de afgehangen verbuizing tot ten minste vijftig meter daarboven;

  • b. een mechanische plug geplaatst circa tien meter onder de bovenzijde van de afgehangen verbuizing met daarop een cementplug van ten minste zestig meter, of

  • c. twee mechanische pluggen, waarvan één geplaatst dicht onder de bovenzijde van de afgehangen verbuizing en de ander dicht boven dit punt.

Artikel 8.5.2.5

  • 1 In elke annulaire ruimte tussen de series van de verbuizing van een buiten gebruik te stellen put wordt een afsluiting aangebracht over een lengte van tenminste honderd meter vanaf de schoen van de daaraan direct voorafgaande verbuizing. In het in artikel 8.2.4.1 bedoelde werkprogramma wordt aangegeven op welke wijze wordt vastgesteld dat deze afsluiting afdoende is aangebracht.

  • 2 Indien niet aangetoond kan worden dat de annulaire ruimte tussen twee series is afgesloten:

    • a. wordt de kleinste verbuizing die de annulaire ruimte begrenst, over een zo groot mogelijke lengte teruggewonnen, met dien verstande dat de afsnijding van deze serie zo dicht mogelijk boven de schoen van de daaraan direct voorafgaande verbuizing geschiedt, terwijl het gedeelte dat in de put achterblijft overeenkomstig artikel 8.5.2.4 wordt afgesloten, of

    • b. wordt de verbuizing ter hoogte van de daaraan direct voorafgaande schoen geperforeerd, in de annulaire ruimte een cement plug over een lengte van tenminste honderd meter geplaatst en de afsluiting van de annulaire ruimte door een drukproef gecontroleerd.

Artikel 8.5.2.6

Indien een buiten gebruik te stellen put door een reservoir gaat, waarvan de inhoud mogelijk naar het oppervlak kan stromen, wordt ter hoogte van de annulaire afsluiting, bedoeld in artikel 8.5.2.5, eerste lid, die zich het dichtst boven het reservoir bevindt, in zowel de put als alle annulaire ruimten op hetzelfde niveau een cementplug van ten minste honderd meter aangebracht.

Artikel 8.5.2.7

  • 1 De verbuizing van een buiten gebruik te stellen put wordt verwijderd:

    • a. tot ten minste drie meter onder het maaiveld, of

    • b. tot ten minste zes meter onder de zeebodem.

  • 2 In de verbuizing van de buiten gebruik te stellen put wordt zo dicht mogelijk onder het in het eerste lid bedoelde punt een afsluiting aangebracht, bestaande uit:

    • a. een cementplug van ten minste honderd meter, of

    • b. een mechanische plug met direct erop een cementplug van ten minste vijftig meter.

  • 3 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.

Artikel 8.5.2.8

  • 1 Indien redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat een mechanische plug in contact kan komen met een corrosief medium of, indien de mechanische plug dient ter afsluiting van een hogedruk-reservoir als bedoeld in het tweede lid. wordt direct boven die plug een cementplug over een lengte van ten minste vijftig meter geplaatst.

  • 2 Als een hogedruk-reservoir wordt aangemerkt een reservoir waarvan de druk, benodigd om evenwicht te creëren ten tijde van het buiten gebruik stellen, gelijk is aan of hoger dan 1,4 maal de hydrostatische druk, gebaseerd op een soortelijk gewicht van 1,0.

Hoofdstuk 9. Gebruik en lozen van oliehoudende mengsels en chemicaliën

§ 9.1. Oliehoudende mengsels

Artikel 9.1.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. Ospar-akkoord 2005-15: het Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het gedispergeerde oliegehalte van een oliehoudend mengsel;

  • b. toepassing van Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het opgeloste oliegehalte van een oliehoudend mengsel: bepaling van het opgeloste oliegehalte van een oliehoudend mengsel, waarbij in het volgens Ospar-akkoord 2005-15 verkregen gaschromatogram de afzonderlijke oppervlakken van de pieken van benzeen, tolueen, ethylbenzeen en de drie isomeren van xyleen worden gemeten;

  • c. gedispergeerde oliegehalte: het gehalte aan olie, bepaald volgens Ospar-akkoord 2005-15;

  • d. opgeloste oliegehalte: de som van de gehalten aan benzeen, tolueen, ethylbenzeen en de drie isomeren van xyleen, verkregen door de door toepassing van Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het opgeloste oliegehalte van een oliehoudend mengsel gemeten piekoppervlakken te kwantificeren ten opzichte van een serie van standaardoplossingen van genoemde aromaten in n-pentaan;

  • e. totale oliegehalte: de som van het gedispergeerde en opgeloste oliegehalte van een oliehoudend mengsel;

  • f. Ospar-verdrag: verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met bijlagen en aanhangsels (Trb. 1993, 16 en Trb. 1993, 141).

Artikel 9.1.2

  • 1 Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwinstallaties die boven het wateroppervlak uitsteken.

  • 2 Deze paragraaf is van toepassing op de volgende oliehoudende mengsels:

    • a. oliehoudende mengsels die zijn vrijgekomen bij de winning, de zuivering van aardolie, het brengen van aardolie in een opslagtank of het ontzouten van aardolie;

    • b. oliehoudende mengsels die zijn vrijgekomen bij de winning of de zuivering van aardgas, en

    • c. hemel-, schrob- of spoelwater dat olie in welk gehalte dan ook bevat.

  • 3 De uitvoerder draagt er zorg voor dat bij lozing van oliehoudende mengsels de daarin aanwezige gedispergeerde oliegehalten, genoemd in artikel 9.1.5, niet worden overschreden.

Artikel 9.1.3

  • 1 Het debiet van een oliehoudend mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a, b of c, dat wordt geloosd vanaf een mijnbouwinstallatie, wordt gemeten met behulp van een debietmeter die de totale hoeveelheid geloosd oliehoudend mengsel aangeeft met een maximaal toelaatbare fout van vijf procent in plus of in min. De debietmeter wordt stroomafwaarts van de laatste olie/waterscheider geplaatst op een plaats waar de stroming zo homogeen mogelijk is.

  • 2 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid.

Artikel 9.1.4

  • 1 Op een bemande mijnbouwinstallatie wordt per lozingspunt binnen uiterlijk vier uur na het begin van een lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster van het mengsel genomen en geanalyseerd. Nadien geschieden monsterneming en analyse volgens de onderstaande tabel.

    (a) Per lozingspunt

    Frequentie monsterneming en analyse

    oliehoudende mengsels als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onder a en b

     

    Gedispergeerde olie

     

    >= 2000 kilogram gedispergeerde olie per kalenderjaar

    Om de dag

    < 2000 kilogram gedispergeerde olie per kalenderjaar

    1 maal per week

       

    Opgeloste olie

     

    >= 2000 kilogram opgeloste olie per kalenderjaar

    1 maal per week

    >= 200, < 2000 kilogram opgeloste olie per kalenderjaar

    1 maal per kwartaal

    < 200 kilogram opgeloste olie per kalenderjaar

    2 maal per jaar

       

    oliehoudende mengsels als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onder c

     

    Gedispergeerde olie

     

    >= 2000 kg gedispergeerde olie per kalenderjaar

    Om de dag

    < 2000 kg gedispergeerde olie per kalenderjaar

    1 maal per week

       

    Opgeloste olie

    2 maal per jaar

  • 2 Op een niet-bemande mijnbouwinstallatie wordt bij een bezoek van langer dan acht uur van een lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster genomen en geanalyseerd. Bij een verblijf op een niet-bemande mijnbouwinstallatie van vijf etmalen of meer is de tweede volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Onverminderd het tweede lid wordt op een niet-bemande mijnbouwinstallatie van een lozing van een oliehoudend mengsel in ieder geval eens per drie maanden ten minste één representatief monster genomen en geanalyseerd.

  • 4 Een monster wordt stroomafwaarts van de laatste olie/waterscheider genomen. Het monster wordt binnen twaalf uur na het nemen daarvan geanalyseerd indien de analyse op de mijnbouwinstallatie plaatsvindt en binnen zeven dagen indien de analyse elders geschiedt.

  • 5 Voor de bepaling van het gedispergeerde oliegehalte geschiedt de analyse van het monster volgens Ospar-akkoord 2005-15. Analyse van het gedispergeerde oliegehalte volgens een alternatieve methode is toegestaan, mits daarvoor voorafgaande instemming van de minister is verkregen en de resultaten van de analyse worden gekalibreerd volgens Ospar-akkoord 2006-06.

  • 6 Indien uit analyses van het gedispergeerde oliegehalte van een monster bij een lozingspunt van een mijnbouwinstallatie waar per kalenderjaar minder dan 2000 kilogram gedispergeerde olie wordt geloosd en eenmaal per week monsterneming plaatsvindt blijkt, dat gedurende twee opeenvolgende kalendermaanden het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte 30 milligram per liter of meer is, dient onmiddellijk nadien monsterneming om de dag en analyse overeenkomstig de tweede volzin van het vierde lid plaats te vinden. De minister wordt hiervan terstond mededeling gedaan.

  • 7 Indien uit analyses van het gedispergeerde oliegehalte van een monster bij een lozingspunt van een mijnbouwinstallatie waar per kalenderjaar minder dan 2000 kilogram gedispergeerde olie wordt geloosd en waar volgens het zesde lid om de dag monsterneming plaatsvindt, blijkt dat gedurende twee opeenvolgende kalendermaanden het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte minder dan 30 milligram per liter is, kan worden volstaan met monsterneming en analyse van eenmaal per week. De minister wordt hiervan terstond mededeling gedaan.

  • 8 Voor de bepaling van het opgeloste oliegehalte geschiedt de analyse van het monster door toepassing van Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het opgeloste oliegehalte van een oliehoudend mengsel. Analyse van het opgeloste oliegehalte volgens een alternatieve methode, daaronder mede begrepen een methode van kalibreren, is toegestaan, mits daarvoor voorafgaande instemming van de minister is verkregen en de resultaten van de analyse worden gekalibreerd volgens de opgegeven methode.

  • 9 In afwijking van het eerste lid wordt op een bemande mijnbouwinstallatie waarvan de gegevens, bedoeld in artikel 9.1.6, een periode beslaan van minder dan drie aaneengesloten kalendermaanden per lozingspunt binnen uiterlijk vier uur na het begin van een lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster van het mengsel genomen en geanalyseerd en vervolgens om de dag totdat de periode van drie kalendermaanden is gecompleteerd. Nadien is de tweede volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.1.5

  • 1 Het in artikel 80, eerste lid, van het besluit bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van een oliehoudend mengsel:

    • a. waarvan het gedispergeerde oliegehalte niet meer bedraagt dan 100 milligram olie per liter en het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte niet meer dan 30 milligram olie per liter, of

    • b. voor zover het het opgeloste oliegehalte van het mengsel betreft.

  • 3 Het is verboden een oliehoudend mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdeel a, te verdunnen om te kunnen voldoen aan het gestelde in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is het lozen van een oliehoudend mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a en b, met een gedispergeerde oliegehalte van meer dan 100 milligram olie per liter gedurende vier uur toegestaan na het starten van de produktie na een onderbreking, mits de te lozen hoeveelheid olie zoveel mogelijk wordt beperkt. Bij de bepaling van het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte van een oliehoudend mengsel wordt het gedispergeerde oliegehalte van een monster dat genomen is binnen vier uur na het starten van de produktie niet meegerekend.

Artikel 9.1.6

  • 1 Een register wordt bijgehouden over de lozingen van oliehoudende mengsels.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde register is aanwezig op:

    • a. iedere bemande mijnbouwinstallatie en

    • b. de mijnbouwinstallatie vanaf welke leiding wordt gegeven aan de werkzaamheden in geval van een niet-bemande mijnbouwinstallatie.

  • 3 Het in het eerste lid bedoelde register bevat de gegevens per maand en per dag, aangegeven in bijlage 14 bij deze regeling.

  • 4 Een afschrift van het in het eerste lid bedoelde register wordt schriftelijk of elektronisch voor 1 maart van het jaar, volgend op het kalenderjaar waarop het register betrekking heeft, aan de inspecteur-generaal der mijnen toegezonden.

Artikel 9.1.7

  • 1 De in artikel 82, tweede lid, van het besluit bedoelde mededeling wordt onverwijld telefonisch aan de inspecteur-generaal der mijnen en de Kustwacht gedaan en binnen 24 uur per telefax bevestigd door invulling van het "Pollution Observation Report on Polluters and Combatible Spills", zoals opgenomen in het "Bonn Agreement Counter Pollution Manual", hoofdstuk IV, annex 2, 4 oktober 1993.

  • 2 Op een daartoe strekkend verzoek van de inspecteur-generaal der mijnen wordt hem binnen twee weken een rapport toegezonden dat een samenhangend overzicht geeft van alle feiten die hebben bijgedragen tot het voorval.

§ 9.2. Gebruik en lozing van chemicaliën

Artikel 9.2.1

In de paragrafen 9.2 en 9.3 wordt verstaan onder:

  • a. ASTM: American Society for Testing and Materials;

  • b. BCF: bioconcentratie factor, bepaald volgens OECD 305 of ASTM E 1022;

  • c. boorgruis: mengsel van vaste materialen, vrijgekomen tijdens het aanleggen van het boorgat, dat boorvloeistof in welk gehalte dan ook bevat;

  • d. boorvloeistof: vloeistof voor het aanleggen van een boorgat, waaraan stoffen of preparaten in welk gehalte dan ook zijn toegevoegd;

  • e. CHARM-model: het model ter beoordeling van chemische gevaren en risico's, als bedoeld in Ospar-besluit 2000/2;

  • f. chemicaliën: stoffen of preparaten die opzettelijk worden gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen op zee, zoals in elk geval genoemd in Ospar-akkoord 2002-6;

  • g. dieselolie: minerale oliën met een vlampunt kleiner dan 100 graden Celcius, waarvan het gehalte aan monocyclische aromaten meer is dan 0,5% per gewichtseenheid en waarvan het gehalte van polycyclische aromaten meer dan 1 milligram per kilogram bedraagt;

  • h. EC50: de concentratie van een teststof, die resulteert in een 50% respons wat betreft het effect, gemeten door de test, binnen een gedefinieerde blootstellingsperiode;

  • i. HOCNF-formulier: geharmoniseerd notificatie-formulier als bedoeld in Ospar-aanbeveling 2000/5;

  • j. LC50: de mediane letale concentratie;

  • k. OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development;

  • l. OBF-vloeistoffen: laag aromatische en paraffineachtige oliën alsmede vloeistoffen op basis van minerale oliën, die noch synthetisch zijn, noch van een categorie waarvan het gebruik anderszins is verboden;

  • m. OPF-vloeistoffen: organische boorvloeistoffen, welke bestaan uit een emulsie van water en andere toevoegingen, waarin de continue fase bestaat uit een niet met water vermengbare organische vloeistof van dierlijke, plantaardige of minerale oorsprong;

  • n. Osparverdrag: het verdrag, bedoeld in artikel 9.1.1, onderdeel d;

  • o. PEC/PNEC-verhouding: de generieke verhouding tussen de verwachte concentratie in het mariene milieu en de concentratie zonder verwachte effecten van chemicaliën, berekend volgens het CHARM-model, uitgaande van standaardlozingen;

  • p. Plonor-lijst: lijst van stoffen, genoemd in Ospar-akkoord 2004-10, die worden gebruikt en geloosd bij mijnbouwactiviteiten op zee en die aangemerkt worden als geen of geringe schade toebrengend aan het milieu;

  • q. pow: de verdelingscoëfficiënt van een stof tussen N-octanol en water, gemeten of berekend volgens het HOCNF-formulier;

  • r. synthetische vloeistof: een organische vloeistof die is ontstaan bij de synthese van oliën van dierlijke, plantaardige of minerale oorsprong.

Artikel 9.2.2

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik en de lozing van chemicaliën op mijnbouwinstallaties met in begrip van pijpleidingen als bedoeld in artikel 92, onder a, van het besluit op zee.

Artikel 9.2.2a

De uitvoerder draagt er zorg voor dat het gebruik of de lozing van chemicaliën als bedoeld in paragraaf 9.2 beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is bij mijnbouwactiviteiten op zee.

Artikel 9.2.2b

De Minister neemt een aanvraag om ontheffing en een melding als bedoeld in deze paragraaf slechts in behandeling wanneer de chemicaliën waarvoor de ontheffing wordt gevraagd respectievelijk waarvan melding wordt gemaakt zijn geregistreerd overeenkomstig paragraaf 9.3 en voldoen aan:

  • a. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de bij of krachtens titel 9.3 van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften;

  • b. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en de bij of krachtens titel 9.3a van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften en

  • c. de biocidenverordening en de bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften.

Artikel 9.2.3

  • 1 Het gebruik van de volgende chemicaliën is verboden:

    • a. boorvloeistof die op dieselolie is gebaseerd, en

    • b. OPF-vloeistof, indien de OPF-vloeistof wordt gebruikt in het gedeelte van een boorgat met een doorsnede van meer dan 12¼ inch (= 298,9 mm).

  • 2 De minister kan op aanvraag van de uitvoerder ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in het eerste lid, onderdeel b, indien:

    • a. dat noodzakelijk is vanwege veiligheid of geologische omstandigheden, en

    • b. de uitvoerder aantoont dat de beginselen zijn toegepast van de best beschikbare technieken en de beste milieupraktijk, als bedoeld in bijlage 1 bij Ospar-besluit 2000/3.

  • 3 De Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 4 Op gebruik van OPF-vloeistof in een boorgat met een kleinere doorsnede dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn de artikelen 9.2.5 en 9.2.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.2.4

  • 1 De lozing van de volgende chemicaliën is verboden:

    • a. OPF-vloeistoffen, al dan niet gemengd met boorgruis, en

    • b. boorgruis dat vervuild is met synthetische vloeistoffen.

  • 2 De minister kan op aanvraag van de uitvoerder ontheffing verlenen van het verbod gesteld in het eerste lid, onderdeel b, indien uit de aanvraag blijkt dat:

    • a. de schade aan het mariene milieu zoveel mogelijk wordt beperkt, en

    • b. de uitvoerder aantoont dat de beginselen zijn toegepast van de best beschikbare technieken en de beste milieupraktijk, als bedoeld in bijlage 1 bij het Ospar-besluit 2000/3.

  • 3 De Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 9.2.5

  • 2 De aanvraag om ontheffing wordt uiterlijk acht weken voor aanvang van het beoogde gebruik of de beoogde lozing ingediend bij de Minister

  • 3 Bij de aanvraag wordt in elk geval opgegeven, in onderlinge samenhang:

    • a. de locatie waar het gebruik of de lozing zal plaatsvinden,

    • b. de periode of perioden waarin het gebruik of de lozing zal geschieden,

    • c. de verwachte hoeveelheden aan chemicaliën die in de onder b bedoelde periode of perioden zullen worden gebruikt of geloosd,

    • d. de doeleinden waarvoor de te gebruiken of te lozen chemicaliën zullen worden toegepast, en

    • e. het registratienummer dat aan de chemicaliën is toegekend en andere gegevens voor zover deze bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 9.3.2, derde lid, zijn opgenomen.

  • 4 Voorts wordt bij de aanvraag voldoende beargumenteerd ingegaan op veiligheids- en gezondheidsaspecten en financiële factoren die gemoeid zijn met het gebruik of het lozen van chemicaliën alsmede op de technische prestaties van de chemicaliën.

  • 5 De Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 6 De ontheffing wordt verleend voor ten hoogste drie jaar.

  • 7 De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade aan het mariene milieu, veiligheids- en gezondheidsaspecten en de technische prestaties van de chemicaliën.

Artikel 9.2.6

  • 1 Indien een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 9.2.5, tweede lid, betrekking heeft:

    • a. op chemicaliën als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a wordt de aanvraag geweigerd;

    • b. op chemicaliën als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b tot en met e wordt de aanvraag geweigerd indien een vervangend middel beschikbaar is dat minder schadelijk is voor het mariene milieu en de technische prestaties ervan vergelijkbaar zijn met die van de chemicaliën waarvoor de aanvraag werd ingediend.

  • 2 De chemicaliën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn:

    • a. de chemicaliën, genoemd in Ospar-akkoord 2004–12;

    • b. [Red: vervallen;]

    • c. [Red: vervallen;]

    • d. [Red: vervallen;]

    • e. de chemicaliën waarvan de door de uitvoerder berekende PEC/PNEC-verhouding 3 of meer is.

  • 3 Als geen vervangend middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is, kan de Minister voor ten hoogste drie jaar ontheffing verlenen indien het risico op schade aan het mariene milieu dat toelaat. Bij de beoordeling van de aanvraag om ontheffing wordt de door de uitvoerder berekende PEC/PNEC-verhouding van de chemicaliën in aanmerking genomen.

  • 4 Bij de aanvraag geeft de uitvoerder voldoende beargumenteerd aan waarom voor de chemicaliën geen vervangende middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar zijn.

  • 5 [Red: Wijzigt deze regeling.]

Artikel 9.2.6a

Met ingang van 1 januari 2017 wordt een aanvraag om ontheffing om te lozen als bedoeld in artikel 9.2.5, tweede lid, voor:

  • a. chemicaliën die anorganisch zijn en een LC50 of EC50 van minder dan 1 mg/l hebben,

  • b. chemicaliën die een biodegradatie hebben van minder dan 20% gedurende 28 dagen, of

  • c. chemicaliën die voldoen aan twee van de volgende drie criteria:

    • 1°. niet snel bio-afbreekbaar (een biodegradatie in 28 dagen minder dan

      70% (OECD 301A,301E, of een gelijkwaardige test) of minder dan

      60% (OECD 301B, 301C, 301F, 306 of een gelijkwaardige test)),

    • 2°. groot potentieel voor bio-accumulatie log Pow ≥ 3 of BCF > 100 en het molecuulgewicht in aanmerking genomen (M < 600), en

    • 3°. zeer toxisch (LC50 < 10 mg/l of EC50 < 10 mg/l),

geweigerd, tenzij de uitvoerder bij de aanvraag heeft aangetoond dat vanwege technische aspecten of veiligheidsaspecten geen minder schadelijke vervangende middelen beschikbaar zijn. In dat geval kan de minster ontheffing verlenen voor ten hoogste drie jaar.

Artikel 9.2.7

  • 1 Het gebruiken of het lozen van andere chemicaliën dan die genoemd in de artikelen 9.2.5, eerste lid en 9.2.6, tweede lid, is toegestaan, mits de uitvoerder aan de Minister:

    a. dit ten minste acht weken voor de aanvang van het gebruik of de lozing schriftelijk meldt en

    b. heeft aangetoond dat de PEC/PNEC-verhouding van de chemicaliën gelijk is aan of kleiner dan 1.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de PEC/PNEC-verhouding van de chemicaliën, bedoeld in het eerste lid, gelijk of kleiner is dan 3, maar groter dan 1, mits de uitvoerder naar het oordeel van de Minister bij de melding voldoende beargumenteerd is ingegaan op veiligheids- en gezondheidsaspecten en financiële factoren die gemoeid zijn bij het gebruik of het lozen van de chemicaliën alsmede op de technische prestaties ervan en verder heeft aangegeven waarom voor de chemicaliën geen minder schadelijke vervangende middelen beschikbaar zijn.

Artikel 9.2.8

  • 1 Het gebruiken of het lozen van chemicaliën is toegestaan, mits deze chemicaliën:

    • a. uitsluitend bestaan uit stoffen die zijn opgenomen op de Plonor-lijst of

    • b. anorganisch zijn en een LC50 of EC50 van 1 mg/l of meer hebben, mits de uitvoerder dit ten minste acht weken voor de aanvang van het gebruik of de lozing aan de Minister schriftelijk meldt.

Artikel 9.2.9

  • 1 De uitvoerder doet jaarlijks opgaaf van de hoeveelheden en soorten chemicaliën die zijn gebruikt en geloosd.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde opgaaf wordt ingediend bij de inspecteur-generaal der mijnen voor 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de opgaaf betrekking heeft.

§ 9.3. Registratie van chemicaliën

Artikel 9.3.1

Een HOCNF-formulier is een gegeven als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur.

Artikel 9.3.2

  • 1 De Minister draagt zorg voor de registratie van chemicaliën.

  • 2 De Minister kan chemicaliën voor ten hoogste drie jaar in het register opnemen, ingaande op het tijdstip waarop de registratie heeft plaats gevonden.

  • 3 Nadat registratie heeft plaatsgevonden wordt degene die een aanvraag tot registratie als bedoeld in artikel 9.3.3 om registratie heeft aangevraagd hiervan in kennis gesteld waarbij in elk geval het nummer wordt vermeld dat aan de geregistreerde chemicaliën is toegekend.

Artikel 9.3.3

Een aanvraag tot registratie van chemicaliën wordt tezamen met een HOCNF-formulier, ingevuld volgens Ospar-akkoord 2005-13, door de producent of leverancier bij de minister ingediend.

Artikel 9.3.4

De toxiciteitstest waarvan het resultaat wordt opgenomen in het HOCNF-formulier wordt op stofbasis verricht met inachtneming van de Ospar-akkoorden 2005-11 en 2005-12.

Hoofdstuk 10. Pijpleidingen

Artikel 10.1

De eigenschappen, de aanleg en de ligging van alsmede het onderhoud aan een stalen pijpleiding voldoen in elk geval aan de in artikel 93, eerste en tweede lid, van het besluit bedoelde eisen, indien kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan NEN 3650, 1ste druk, van september 1992, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij NEN 3650/C1 van april 1996.

Artikel 10.2

De eigenschappen, de aanleg en de ligging van alsmede het onderhoud aan een flexibele pijpleiding voldoen in elk geval aan de in artikel 93, eerste en tweede lid, van het besluit bedoelde eisen, indien kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan:

  • a. API (American Petroleum Institute) Specification 17J, second edition, november 1999, zoals deze laatstelijk is vastgesteld in juni 2002, en

  • b. NEN 3650, genoemd in artikel 10.1, met uitzondering van het gedeelte omtrent het sterktetechnisch ontwerp.

Hoofdstuk 11. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens

§ 11.1. Te verstrekken gegevens

Artikel 11.1.1

De resultaten van geofysisch onderzoek als bedoeld in artikel 108, onderdeel a, van het besluit bevatten de veldgegevens, de bijbehorende rapporten en de resultaten van de eerste finale bewerking van signaal-, navigatie- en snelheidsgegevens en de bijbehorende rapporten van verkrijging en bewerking alsmede de resultaten van latere herbewerkingen van deze gegevens met bijbehorende rapporten.

Artikel 11.1.2

  • 1 Een profiel van een boorgat, als bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel a, bevat:

    • a. voor boorgaten in oppervlaktewater:

      • 1°. de naam van de mijnonderneming;

      • 2°. de letter- of nummeraanduiding van het blok, voor zover het boorgat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn;

      • 3°. het nummer van het boorgat;

      • 4°. de geografische coördinaten en het geografisch stelsel van de plaats van het boorgat;

      • 5°. de datum van aanvang van de aanleg van het boorgat;

      • 6°. de hoogte van de boortafel of van een ander, nader aan te geven referentiepunt, en

      • 7°. de hoogte van de top van de bodemflens in meters ten opzichte van het middenstandsvlak (gemiddelde waterstand);

    • b. voor boorgaten op land:

      • 1°. de naam van de mijnonderneming;

      • 2°. de naam en het nummer van het boorgat;

      • 3°. de geografische coördinaten en het geografisch stelsel van de plaats van het boorgat;

      • 4°. de datum van aanvang van de aanleg van het boorgat;

      • 5°. de hoogte van de boortafel of van een ander, nader aan te geven referentiepunt, en

      • 6°. de hoogte van de top van de bodemflens in meters ten opzichte van het NAP.

  • 2 Voorts bevat het profiel:

    • a. een overzicht van alle elektrische en andere boorgatmetingen, waarbij de datum van de meting en het gemeten traject worden aangegeven;

    • b. een elektrisch of ander diagram en een lithologische kolom met een diepteschaal van 1:1000 of 1:500, welke op representatieve wijze weergeven de aard van de doorboorde lagen en gesteenten;

    • c. een beschrijving van de doorboorde lithologie;

    • d. ten aanzien van de elektrische metingen: de gebruikte typen elektrische curves met de gebruikte schaalverdeling;

    • e. het type en de eigenschappen van de spoeling per boortraject;

    • f. de spoelingverliezen met vermelding van plaats of traject en hoeveelheid in m3;

    • g. de aangebrachte verbuizingsseries, onder vermelding van de diameter van elke serie en de diepte waarop elke serie is verankerd;

    • h. de top van de cement achter elke verbuizingsserie en het traject teruggewonnen verbuizing;

    • i. de ondergrondse afwerking van het boorgat met vermelding van traject, type verloren verbuizing, perforaties en open gat;

    • j. de in het boorgat aangebrachte pluggen, onder vermelding, indien van toepassing, van de trajecten, waarover deze pluggen zich uitstrekken, en de gegevens van plaatsing;

    • k. de productieve intervallen;

    • l. de totale diepte van het boorgat na voltooiing van de boring in meters ten opzichte van het NAP of het middenstandsvlak en de datum waarop de boring werd voltooid, en

    • m. de deviatiemetingen en een situatietekening met de horizontale afwijking van het boorgat, onder opgave van de verticale diepten.

  • 3 Verder bevat het profiel, voor zover beschikbaar:

    • a. stratigrafische en paleontologische trajecten met grenzen of correlatiepunten;

    • b. indicaties van delfstoffen;

    • c. kerntrajecten en wandkernen;

    • d. formatietesten, onder vermelding van het beproefde traject, en

    • e. de resultaten van de in onderdeel d genoemde testen.

Artikel 11.1.3

De resultaten van de metingen als bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit bevatten de meetgegevens en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de meetgegevens verkregen zijn.

Artikel 11.1.4

De resultaten van verrichte productie- of injectietesten als bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel d, van het besluit bevatten:

  • a. gegevens van druk- en temperatuurmetingen in het boorgat;

  • b. hoeveelheden per tijdseenheid van olie, condensaat, gas en water die zijn geproduceerd of geïnjecteerd;

  • c. gebruiks- en meetcondities;

  • d. gegevens over de gebruikte meetinstrumenten;

  • e. gegevens omtrent de verbuizing en perforaties van de verbuizing, en

  • f. gegevens over de sequentie van meetstappen.

Artikel 11.1.5

De uitvoerder verstrekt van gesteentemonsters als bedoeld in artikel 110, eerste lid, van het besluit:

  • a. een deel van de boorwandkernen;

  • b. een exemplaar van biostratigrafische en palynologische preparaten;

  • c. een segment of een kunstharsplak van de hele lengte van de kern, en

  • d. in geval van boorgruis: tenminste 250 gram daarvan.

Artikel 11.1.6

De uitvoerder doet de minister opgaaf van de verkregen vloeistof- en gasmonsters, bedoeld in artikel 110, tweede lid, binnen vier weken na de verkrijging ervan. Daarbij worden gegevens met betrekking tot de bron, de kwaliteit en het gebruikte meetprogramma vermeld.

§ 11.2. Wijze van gegevens verstrekking aan de minister

Artikel 11.2.1

De gegevens die op grond van de artikelen 11.1.1 tot en met 11.1.6 aan de minister worden verstrekt zijn voorzien van:

  • a. een unieke object-identificatie;

  • b. een aanduiding van de opsporings-, winnings- of opslagvergunning waarmee de gegevens verkregen zijn;

  • c. aanduiding van de locatie en diepte of geografische bereik van de meting, en

  • d. de datum van verwerving.

Artikel 11.2.2

  • 1 Een gesteentemonster als bedoeld in artikel 11.1.5 wordt voorts verstrekt onder aanduiding van:

    • a. het boorgat waaruit het is verkregen;

    • b. de diepte van verkrijging;

    • c. de datum van verkrijging;

    • d. het type;

    • e. indien beschikbaar: een verwijzing naar de logmeting en het volgordenummer bij de boorwandkern;

    • f. het type kernmethode, en

    • g. administratieve gegevens van de opslagkisten.

  • 2 De resultaten van metingen op gesteentemonsters worden, indien beschikbaar, gerapporteerd in elektronische vorm.

§ 11.3. Te gebruiken eenheden

Artikel 11.3.1

Voor de opgave van hoeveelheden stoffen als bedoeld in dit hoofdstuk worden de volgende eenheden gebruikt:

  • a. vaste stoffen in m3 of tonnen;

  • b. vloeibare stoffen anders dan pekel in tonnen en in m3 bij een absolute druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 15 graden Celsius;

  • c. gasvormige stoffen in 1000 m3 bij een absolute druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 0 graden Celsius;

  • d. pekel: m3.

§ 11.4. Aan te wijzen instelling

Artikel 11.4.1

Als instelling als bedoeld in artikel 123, tweede lid, van de wet wordt aangewezen de organisatie, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de TNO-wet, bekend als TNO.

§ 11.5. Jaarplan Staatstoezicht op de mijnen

Artikel 11.5.1

Het jaarplan bedoeld in artikel 128, vierde lid, van de wet wordt jaarlijks voor 1 november ingediend.

Hoofdstuk 11a. Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen

§ 11a.1. Toepassingsbereik

Artikel 11a.1.1

Dit hoofdstuk is van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen.

§ 11a.2. Rapport inzake grote gevaren

Artikel 11a.2.1

  • 1 Een verzoek om instemming met een rapport inzake grote gevaren of een gewijzigd rapport inzake grote gevaren wordt voor zover het rapport betrekking heeft op een niet-productie-installatie of op een productie-installatie die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee en deze productie-installatie is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgestelde lijn, ten minste twaalf weken voor aanvang van de activiteit of uitvoering van de wijziging of ontmanteling ingediend.

  • 2 Een rapport inzake grote gevaren of een gewijzigd rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie op een andere locatie dan bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste twaalf weken voor aanvang van de activiteit of uitvoering van de wijziging of ontmanteling ingediend.

  • 3 De inspecteur-generaal der mijnen beslist binnen twaalf weken op het verzoek bedoeld in het eerste lid.

Artikel 11a.2.2

Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 2, bij richtlijn 2013/30/EU, met uitzondering van punt 14 en met dien verstande dat onder de informatie bij punt 15 wordt verstaan: de informatie over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die wordt verkregen uit een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en die van belang is voor de activiteiten die vanuit de installaties worden geleid.

Artikel 11a.2.3

Een rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 3, bij richtlijn 2013/30/EU, met dien verstande dat onder de informatie bij punt 15 wordt verstaan: de informatie over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die wordt verkregen uit een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en die van belang is voor de activiteiten die vanuit de installaties worden geleid.

Artikel 11a.2.4

Een gewijzigd rapport inzake grote gevaren bevat ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 6, bij richtlijn 2013/30/EU.

§ 11a.3. Intern rampenplan

Artikel 11a.3.1

Een intern rampenplan bevat ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 10, bij richtlijn 2013/30/EU, met dien verstande dat onder ‘extern rampenplan’, bedoeld in punten 2 en 9, wordt verstaan: het Incidentbestrijdingsplan Noordzee, bedoeld in artikel 23 van de Wet bestrijding maritieme ongevallen, het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, of het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 11a.3.2

§ 11a.4. Bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen en het veiligheids- en milieubeheersingssysteem

Artikel 11a.4.1

Het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen bevat ten minste de informatie, genoemd in bijlagen I, onderdeel 8, en IV, bij richtlijn 2013/30/EU en de voorzieningen, bedoeld in bijlage IV, onderdeel 1, bij die richtlijn.

Artikel 11a.4.2

Het veiligheids- en milieubeheersingssysteem bevat ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 9, en IV, bij richtlijn 2013/30/EU en wordt ontwikkeld overeenkomstig deze onderdelen van richtlijn 2013/30/EU.

§ 11a.5. Onafhankelijke verificatie

Artikel 11a.5.1

  • 1 Een exploitant van een productie-installatie of een eigenaar van een niet-productie-installatie draagt er bij de selectie van de onafhankelijke verificateur zorg voor dat wordt voldaan aan de onafhankelijkheidseisen bedoeld in bijlage V, onderdeel 1, bij richtlijn 2013/30/EU.

  • 2 Een exploitant van een productie-installatie of een eigenaar van een niet-productie-installatie zorgt ervoor dat de regeling voor onafhankelijke verificatie voldoet aan de voorwaarden genoemd in bijlage V, onderdeel 2, bij richtlijn 2013/30/EU.

  • 3 In geval van een essentiële wijziging als bedoeld in artikel 45n, derde lid, van de wet worden de resultaten van verdere verificatie aan de inspecteur-generaal der mijnen medegedeeld op diens verzoek.

Artikel 11a.5.2

De beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in artikelen 45c, eerste lid, onderdeel c, en 45g, eerste lid, onderdeel c, van de wet, bevat de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 5, bij richtlijn 2013/30/EU.

Artikel 11a.5.3

Een exploitant van een productie-installatie of een eigenaar van een niet-productie-installatie hanteert de volgende termijnen:

§ 11a.6. Kennisgevingen en informatie-uitwisseling

Artikel 11a.6.1

  • 2 De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 1, van richtlijn 2013/30/EU.

  • 4 Een kennisgeving, bedoeld in het derde lid, bevat ten minste de volgende informatie:

    • a. voor een verplaatsing van een productie-installatie als bedoeld in artikel 45o van de wet: de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 1, van richtlijn 2013/30/EU;

    • b. voor een boorgatactiviteit als bedoeld in artikel 45n van de wet: de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 4, van richtlijn 2013/30/EU;

    • c. voor een gecombineerde activiteit als bedoeld in artikel 45p van de wet: de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 7, van richtlijn 2013/30/EU.

§ 11a.7. Voorzieningen voor toezichthouder

Artikel 11a.7.1

  • 1 De gevallen, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het besluit betreffen

    • a. vervoer tussen 07.00 en 20.00 uur en vervoer met een helikopter, met dien verstande dat ten hoogste aanspraak wordt gemaakt op vier plaatsen;

    • b. voorzien van een verblijfplaats, voor zover ter plaatse de nacht moet worden doorgebracht.

  • 2 Indien bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten ernstige schade dreigt te ontstaan of is ontstaan, kan op aanwijzing van de inspecteur-generaal der mijnen het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vervoer plaatsvinden tussen 0.00 uur en 24.00 uur.

Hoofdstuk 12. Financiële bepaling

Artikel 12.1

  • 1 Het gewogen gemiddelde van de waarde van de in Nederland ingevoerde ruwe olie, bedoeld in de eerste volzin van artikel 63, vierde lid, van de wet, in een bepaald kalenderjaar wordt door de Minister van Economische Zaken op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek berekend door:

    • a. voor iedere maand van het betrokken kalenderjaar het totaal van de in die maand geloste hoeveelheden ruwe aardolie in aantallen vaten te vermenigvuldigen met het gewogen maandgemiddelde van de gemiddelde prijs daarvan uitgedrukt in US-dollars per vat;

    • b. het resultaat van de berekening in onderdeel a uit te drukken in euro's op basis van de gemiddelde €/US-dollarkoers in die maand en

    • c. de maandelijkse resultaten, bedoeld in onderdeel b, te sommeren en te delen door het totaal van de in het betrokken kalenderjaar geloste hoeveelheden ruwe aardolie in aantallen vaten.

  • 2 Indien het gewogen gemiddelde, bedoeld in het eerste lid, in een bepaald kalenderjaar meer bedraagt dan € 25 per vat, maakt de minister dit binnen twee maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar bekend in de Staatscourant.

Hoofdstuk 13. Technische Commissie Bodembeweging

Artikel 13.1

De adviesaanvraag als bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel d, van de wet bevat de volgende gegevens:

  • a. naam en adres van verzoeker;

  • b. dagtekening van het verzoek;

  • c. een zo gedetailleerd mogelijke beschrijving van de schade;

  • d. voor zover mogelijk een schatting van de hoogte van het schadebedrag;

  • e. de geografische aanduiding van de plaats waar de schade is opgetreden;

  • f. het tijdstip waarop de schade waarschijnlijk is opgetreden;

  • g. het tijdstip waarop de schade voor het eerst is vastgesteld;

  • h. de mijnbouwactiviteit die de schade mogelijk heeft veroorzaakt;

  • i. afschrift van de aansprakelijkstelling, bedoeld in artikel 116, eerste lid, van de wet en de definitieve reactie van de mijnbouwonderneming daarop;

  • j. de reden dat geen overeenstemming als bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet, is bereikt met de mijnbouwondernemer, met daarbij afschrift van eventuele correspondentie;

  • k. indien van toepassing het bedrag, bedoeld in artikel 117, vierde lid, van de wet, dat de mijnondernemer bereid was te betalen.

hoofdstuk 14. Overgangsbepalingen

§ 14.1. Overgangsbepalingen met betrekking tot helikopterdekken [Vervallen per 31-10-2009]

Artikel 14.1.1 [Vervallen per 31-10-2009]

§ 14.2. Overgangsbepalingen met betrekking tot boorgaten en putten

Artikel 14.2.1

  • 1 Een ontheffing als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een buitentoepassingverklaring als bedoeld in artikel 8.3.1.1.

  • 2 Een ontheffing als bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een ontheffing als bedoeld in art. 8.3.1.4, zesde lid.

  • 3 Een ontheffing als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een ontheffing als bedoeld in art. 8.3.1.5, tweede lid.

  • 4 Een ontheffing als bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een ontheffing als bedoeld in art. 8.3.2.2, vierde lid.

  • 5 Een ontheffing als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een ontheffing als bedoeld in art. 8.3.4.1, vierde lid.

Artikel 14.2.2