Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitvoeringsregeling IKAP Ministerie van Justitie[Regeling vervallen per 01-01-2004.]

Geldend van 11-12-2003 t/m 31-12-2003

Regeling van de Minister van Justitie houdende nadere regels inzake individuele keuzen in het arbeidsvoorwaardenpakket

De Minister van Justitie,

Gelet op de artikelen 21g en 21i van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, alsmede op het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 augustus 2001 (Stcrt. nrs 120 en 161);

In overeenstemming met het Georganiseerd Overleg Ministerie van Justitie;

Besluit:

Artikel 1. Definities [Vervallen per 01-01-2004]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. ARAR:

Algemeen Rijksambtenarenreglement;

b. BBRA 1984:

Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

c. BBUW:

Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;

d. BTZR:

Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel;

e. ZVR:

Regeling Ziektekostenvoorziening rijkspersoneel;

f. Medewerker:

degene die is aangesteld op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en werkzaam bij het Ministerie van Justitie;

g. Bevoegd gezag:

degene aan wie de personele beheersbeslissing namens de Minister van Justitie op grond van een regeling is gemandateerd;

h. Peildatum:

de eerste van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2, 3 of 7, eerste lid, onderdeel b, heeft ingediend.

Artikel 2. Meer uren werken [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 De medewerker kan eenmaal per kalenderjaar, schriftelijk, een aanvraag als bedoeld in artikel 21c ARAR indienen. Ingevolge genoemd artikel kan per kalenderjaar maximaal 100 uren extra worden gewerkt. Voor de medewerker die in deeltijd werkt en voor de medewerker die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, wordt naar evenredigheid een lager aantal uren als maximum gesteld. Het totaal van het te werken uren vastgesteld op basis van de arbeidsduur als bedoeld in artikel 21, tweede lid, ARAR en het ingevolge dit lid toegewezen aantal meer te werken uren, bedraagt niet meer dan gemiddeld 40 per week.

  • 2 Medewerkers voor wie toepassing is gegeven aan de artikelen 21a (PAS-regeling), 33g (ouderschapsverlof), 34 (buitengewoon verlof van lange duur) of 94a (in geval van deeltijd FPU-ontslag ) ARAR, kunnen geen gebruik maken van de mogelijkheid om in het kader van deze regeling meer uren te werken.

  • 3 Per meer te werken uur zoals bedoeld in artikel 21c ARAR ontvangt de medewerker een vergoeding gelijk aan het salaris per uur dat hij geniet op de peildatum.

  • 4 Eventuele aanpassingen van het salaris met terugwerkende kracht naar een datum op of voor de peildatum leiden niet tot herberekening van de vergoeding.

  • 5 Het is niet mogelijk om binnen hetzelfde kalenderjaar de keuzemogelijkheid meer uren werken te combineren met de keuzemogelijkheid minder uren werken.

  • 6 Een toegewezen aanvraag dient binnen het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft te worden uitgevoerd.

Artikel 3. Minder uren werken [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 De medewerker kan eenmaal per kalenderjaar, schriftelijk, een aanvraag als bedoeld in artikel 21d ARAR indienen. Ingevolge genoemd artikel kan per kalenderjaar maximaal 80 uren minder worden gewerkt. Voor de medewerker die in deeltijd werkt en voor de medewerker die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, wordt naar evenredigheid een lager aantal uren als maximum gesteld.

  • 2 Per minder te werken uur zoals bedoeld in artikel 21d ARAR wordt een inhouding op het salaris van de medewerker toegepast gelijk aan het salaris per uur dat hij geniet op de peildatum.

  • 3 Eventuele latere aanpassingen van het salaris met terugwerkende kracht naar een datum op of voor de peildatum leiden niet tot herberekening van de inhouding.

  • 4 Het is niet mogelijk om binnen hetzelfde kalenderjaar de keuzemogelijkheid minder uren werken te combineren met de keuzemogelijkheid meer uren werken of met de keuzemogelijkheid vakantie-uren verlagen als bedoeld in artikel 22, twaalfde lid, ARAR of bij een arbeidsduur van meer dan gemiddeld 36 uur per week zoals bedoeld in artikel 21, tweede lid, ARAR.

  • 5 In afwijking van het vorige lid kan een medewerker die vóór 1 januari 2002 in het kader van een pc-privéregeling zijn aanspraak op vakantie heeft verlaagd, een keuze maken voor minder uren werken, zij het dat het maximaal aantal uren dat de medewerker minder mag werken, wordt verminderd met het aantal uren waarmee hij zijn aanspraak op vakantie heeft verlaagd.

  • 6 Een toegewezen aanvraag dient binnen het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft te worden uitgevoerd.

Artikel 4. Indienen van de aanvraag [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 Een aanvraag om meer of minder uren te werken als bedoeld in artikel 2 of 3 wordt bij het bevoegd gezag ingediend. Aanvragen voor het lopende kalenderjaar die zijn ingediend na 31 oktober van dat kalenderjaar worden niet meer in behandeling genomen.

  • 2 De aanvraag gebeurt met behulp van het formulier, dat wordt afgedrukt met behulp van de programmatuur die op Justitienet beschikbaar is voor alle medewerkers.

  • 3 De aanvraag geeft aan voor welk aantal hele uren de medewerker meer of minder wil werken en voor welke periode, in hele maanden, de afspraak moet gelden. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen betreffende het indienen van de aanvraag.

  • 4 De medewerker kan vanaf 1 oktober van het lopende kalenderjaar een aanvraag indienen om meer of minder uren te werken, zoals bedoeld in artikel 2 of 3, vanaf 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar. De aanvraag moet in dat geval voor 22 november van het lopende kalenderjaar zijn ingediend.

Artikel 5. Beslissing op de aanvraag [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 Het bevoegd gezag neemt binnen vier weken een beslissing op de aanvragen die zijn ingediend.

  • 2 Het bevoegd gezag kent de aanvraag toe, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich tegen inwilliging van de aanvraag verzet. Het bevoegd gezag wordt geacht de aanvraag in ieder geval toegekend te hebben, indien acht weken nadat de aanvraag is ingediend, ter zake nog geen beslissing is genomen.

  • 3 Het bevoegd gezag dat voornemens is over tot een gehele of gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag op de in het tweede lid vermelde grond voert daarover overleg met de medewerker. De gehele of gedeeltelijke afwijzing van die aanvraag gebeurt schriftelijk en wordt gemotiveerd.

  • 4 De vergoeding als bedoeld in artikel 2, derde lid, dan wel de inhouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt gedurende de periode waarin de medewerker meer, respectievelijk minder uren werkt in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald dan wel toegepast.

  • 5 De periode als bedoeld in artikel 4, vierde lid kan niet eerder aanvangen dan per de eerste van de maand volgend op de dag waarop de aanvraag is toegekend, echter niet eerder dan vanaf 1 januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 6. Opschorting als gevolg van het niet verrichten van arbeid [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 Zodra de medewerker in verband met ziekte gedurende een aaneengesloten periode van vier weken volledig arbeidsongeschikt is, wordt voor de verdere duur van de arbeidsongeschiktheid de uitbetaling van de maandelijkse vergoeding voor meer uren werken als bedoeld in artikel 2 of de inhouding voor minder uren werken als bedoeld in artikel 3, stopgezet.

  • 2 Zodra de medewerker zijn werkzaamheden weer hervat of in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid gedurende een aaneengesloten periode van langer dan vier weken, besluit het bevoegd gezag, na overleg met de medewerker, of en op welke wijze de gemaakte afspraken worden voortgezet.

  • 3 De voorgaande leden worden overeenkomstig toegepast als de medewerker om andere reden dan vanwege arbeidsongeschiktheid geen arbeid verricht.

Artikel 7. Afzien van aanspraken (bronnen) ten behoeve van vastgestelde bestemmingsmogelijkheden (doelen) [Vervallen per 01-01-2004]

  • 2 Overeenkomstig het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bedoeld in artikel 21h, tweede lid, ARAR zijn de bestedingsdoelen:

    • a) Vergoeding voor een personal computer of bijbehorende randapparatuur;

    • b) Vergoeding van een fiets voor het woon-werkverkeer;

    • c) Vergoeding van de kosten van kinderopvang;

    • d) Vergoeding voor studie/opleiding voor een beroep en vakliteratuur;

    • e) Extra pensioenopbouw binnen de ruimte die het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP biedt;

    • f) Aanvullende vergoeding van de kosten van openbaar vervoerbewijzen die mede voor het werk worden gebruikt;

    • g) Vergoeding voor de inrichting van een telewerkruimte.

  • 3 Een eenmaal gemaakte keuze van de medewerker is in beginsel bindend voor het betreffende kalenderjaar. In bijzondere gevallen kan door het bevoegd gezag een verzoek van de medewerker om die keuze te wijzigen worden ingewilligd.

Artikel 8. Nadere voorwaarden voor de aanwending van bronnen voor doelen [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 Een bron als bedoeld in artikel 7, eerste lid, kan slechts voor een doel worden ingezet als deze bron nog niet tot uitbetaling is gekomen.

  • 2 Verlaging van de aanspraak op vakantie-uren heeft niet betrekking op de eventuele aanspraken die in vorige jaren zijn opgebouwd. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats. Voor elk uur waarmee de aanspraak op vakantie-uren is verlaagd ontvangt de medewerker een vergoeding die gelijk is aan het salaris per uur dat hij geniet op de peildatum. Eventuele latere aanpassingen van het salaris met terugwerkende kracht naar een datum op of voor de peildatum leiden niet tot herberekening van de vergoeding.

  • 3 Als het bevoegd gezag het voornemen heeft een beslissing te nemen op grond van de artikelen genoemd in artikel 7, eerste lid, onder e, f of g, stelt deze de medewerker in de gelegenheid een aanvraag, als bedoeld in artikel 7 in te dienen en aan te geven voor welk doel, de eenmalige vergoeding, al dan niet gedeeltelijk, wordt ingezet. Met uitzondering van artikel 7, eerste lid, onder a, kan de medewerker in de overige gevallen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk de eerste van de maand, voorafgaande aan de maand waarin de uitkering wordt gedaan, door middel van het keuzeformulier aangeven voor welk bestedingsdoel de vergoeding wordt ingezet. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen betreffende het indienen van de aanvraag.

  • 4 De toepassing van dit artikel zal in geen geval leiden tot een uitvoeringsdatum die ligt voor 1 januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 9. Reservering van aanspraken [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 Op schriftelijk verzoek van de medewerker kan de aanspraak op een van de in artikel 7, eerste lid, genoemde bronnen worden gereserveerd voor nog nader door de medewerker aan te geven doelen.

  • 2 De aanspraak kan niet tussentijds worden uitbetaald.

Artikel 10. Verrekening of uitbetaling [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 In geval van beëindiging van het dienstverband, anders dan als bedoeld in het vierde lid, alsmede in gevallen waarin toepassing wordt gegeven aan de artikelen genoemd in artikel 2, tweede lid, wordt vastgesteld welke in het kader van deze regeling opgebouwde en in geldswaarde uit te drukken rechten en aangegane verplichtingen tussen bevoegd gezag en medewerker op dat moment bestaan. Indien van toepassing, vindt verrekening dan wel uitbetaling plaats. Daarbij wordt geen rente vergoed of ingehouden.

  • 2 Indien op 31 oktober van het betreffende kalenderjaar door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat de in het kader van deze regeling opgebouwde rechten en aangegane verplichtingen per ultimo van het betreffende kalenderjaar niet met elkaar in evenwicht kunnen zijn gebracht, vindt voor het verschil verrekening dan wel uitbetaling plaats.

  • 3 Bij overlijden van de medewerker wordt gehandeld zoals in het eerste lid is aangegeven, waarbij een eventueel saldo ten gunste van de werkgever niet wordt ingevorderd.

  • 4 In geval van (tijdelijke) verplaatsing in het kalenderjaar binnen het Rijk naar een ander ministerie wordt gehandeld overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 11. Verhaal loonheffing en meldingsplicht [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 De medewerker is verplicht alle omstandigheden die van betekenis zijn voor de uitvoering van de gemaakte afspraken in het kader van deze regeling terstond bij het bevoegd gezag te melden.

  • 2 Indien achteraf blijkt dat door onjuiste informatie van de kant van de medewerker een vergoeding ten onrechte belastingvrij is aangewend, zullen de loonheffing en sociale premies die hierover verschuldigd zijn, alsmede de eventuele boetes, op de medewerker worden verhaald.

Artikel 12. Hardheidsclausule [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 In geval van bijzondere omstandigheden dan wel indien een strikte toepassing van deze regeling naar het oordeel van het bevoegd gezag in strijd zou zijn met de redelijkheid of de billijkheid, kan door het bevoegd gezag van deze regeling worden afgeweken.

  • 2 Indien besluiten als bedoeld in het eerste lid leiden tot wijzigingen van de gangbare uitvoeringspraktijk bij de Dienst Safir, zulks ter beoordeling van het hoofd Safir, wordt het besluit niet genomen dan na instemming van de directeur Personeel & Organisatie.

Artikel 13. Jaarlijks opnieuw aanvragen en afwegen [Vervallen per 01-01-2004]

De medewerker kan aan de wijziging van zijn arbeidsvoorwaardenpakket op grond van deze regeling geen rechten ontlenen voor volgende kalenderjaren.

Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel [Vervallen per 01-01-2004]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.

  • 2 Deze regeling kan worden aangehaald als `Uitvoeringsregeling IKAP Ministerie van Justitie'.

De

Minister

van Justitie,

J.P.H. Donner