Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds

Geldend van 01-01-2013 t/m heden

Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds

Artikel 1. Uitkering en voorschotten

  • 1 De inspecteur kan een voorschot verlenen indien en voorzover daarom door het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam is verzocht op een opgaaf die duidelijk, stellig en zonder voorbehoud is ingediend.

  • 2 Een publiekrechtelijk lichaam of een regionaal openbaar lichaam kan om een voorschot verzoeken tot het bedrag van de omzetbelasting waarvoor in het tijdvak voor dat publiekrechtelijk lichaam of dat regionaal openbaar lichaam recht op bijdrage is ontstaan ter zake van omzetbelasting die rechtstreeks betrekking heeft op de in het volgende lid bedoelde voorschotposten, verminderd met de in dat tijdvak verschuldigde bijdragen ter zake van omzetbelasting die betrekking heeft op die voorschotposten.

  • 3 De voorschotposten zijn:

    • a. de uitgaven ter zake van de aanleg van bij de gemeente in eigendom blijvende straten, plantsoenen en dergelijke gemeenschapsvoorzieningen, voorzover de aanleg rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van een bestemmingsplan of saneringsplan;

    • b. de kosten bedoeld in artikel 5 van het Besluit Infrastructuurfonds voorzover die betrekking hebben op het aanleggen van infrastructuur die uitsluitend dienstbaar is aan openbaar vervoer;

    • c. de uitgaven voor het verlenen van concessies voor openbaar vervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.

  • 4 Het gezamenlijke bedrag van de over alle tijdvakken in een kalenderjaar verleende voorschotten wordt verrekend met de bijdrage over dat jaar.

Artikel 2. Hoogte van de bijdrage voor regionale openbare lichamen

De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over enig jaar voor een regionaal openbaar lichaam is het saldo van het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het regionaal openbaar lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan en het bedrag van de in dat jaar door het regionaal openbaar lichaam verschuldigde bijdragen, vermenigvuldigd met de voor dat jaar geldende vereveningsfactor, bedoeld in artikel 4.

Artikel 3. Hoogte van de bijdrage voor publiekrechtelijke lichamen

  • 1 De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2003 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen:

    • a. het saldo van het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het publiekrechtelijk lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan en het bedrag van de in dat jaar door het publiekrechtelijk lichaam verschuldigde bijdragen, vermenigvuldigd met de voor dat jaar geldende vereveningsfactor bedoeld in artikel 4;

    • b. de som van de voor dat jaar geldende optelposten bedoeld in artikel 5, verminderd met de voor dat jaar geldende korting bedoeld in artikel 6.

  • 2 De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2004 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen, verminderd met de bijdrage over 2003:

    • a. het saldo van het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het publiekrechtelijk lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan en het bedrag van de in dat jaar door het publiekrechtelijk lichaam verschuldigde bijdragen, vermenigvuldigd met de voor dat jaar geldende vereveningsfactor bedoeld in artikel 4 en vermeerderd met het over 2003 berekende bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;

    • b. de som van de voor dat jaar geldende optelposten bedoeld in artikel 5, verminderd met de voor dat jaar geldende korting bedoeld in artikel 6, vermeerderd met het over 2003 berekende bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 3 De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2005 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen, verminderd met de bijdragen over 2003 en 2004:

    • a. het saldo van het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het publiekrechtelijk lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan en het bedrag van de in dat jaar door het publiekrechtelijk lichaam verschuldigde bijdragen, vermenigvuldigd met de voor dat jaar geldende vereveningsfactor bedoeld in artikel 4 en vermeerderd met de over 2003 en 2004 berekende bedragen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

    • b. de som van de voor dat jaar geldende optelposten bedoeld in artikel 5, verminderd met de voor dat jaar geldende korting bedoeld in artikel 6, vermeerderd met de over 2003 en 2004 berekende bedragen bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

  • 4 De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2006 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van in de volgende onderdelen bedoelde bedragen, verminderd met de bijdragen over 2003, 2004 en 2005:

    • a. het saldo van het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het publiekrechtelijk lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan en het bedrag van de in dat jaar door het publiekrechtelijk lichaam verschuldigde bijdragen, vermenigvuldigd met de voor dat jaar geldende vereveningsfactor bedoeld in artikel 4 en vermeerderd met de over 2003, 2004 en 2005 berekende bedragen bedoeld in het derde lid, onderdeel a.

    • b. de som van de voor dat jaar geldende optelposten bedoeld in artikel 5, verminderd met de voor dat jaar geldende korting bedoeld in artikel 6, vermeerderd met de over 2003, 2004 en 2005 berekende bedragen bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 4. Vereveningsfactoren

Artikel 5. Optelposten voor de minimumuitkering

  • 1 De voor een kalenderjaar voor een publiekrechtelijk lichaam geldende optelposten bedoeld in artikel 3, zijn:

    • a. de vermindering van de uitkering uit het gemeentefonds dan wel het provinciefonds die voor het publiekrechtelijk lichaam over 2004 wordt toegepast in verband met de invoering van het BTW-compensatiefonds;

    • b. het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor de gemeente in het kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan ter zake van de aanleg van bij de gemeente in eigendom blijvende straten, plantsoenen en dergelijke gemeenschapsvoorzieningen, voorzover deze aanleg rechtstreeks verband houdt met de levering van bouwterreinen in het kader van de uitvoering van een bestemmingsplan of saneringsplan, vermenigvuldigd met het kostendekkingspercentage bedoeld in het derde lid, en verminderd met het bedrag van de in dat jaar door het publiekrechtelijk lichaam ter zake van die aanleg verschuldigde bijdragen nadat dit bedrag is vermenigvuldigd met het kostendekkingspercentage;

    • c. het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het publiekrechtelijk lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan ter zake van kosten bedoeld in artikel 6 van het Besluit Infrastructuurfonds die zijn gemaakt voor het aanleggen van infrastructuur die uitsluitend dienstbaar is aan openbaar vervoer, verminderd met het bedrag van de in dat jaar door het publiekrechtelijk lichaam ter zake van die aanleg verschuldigde bijdragen;

    • d. het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het publiekrechtelijk lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan ter zake van het verlenen van concessies voor openbaar vervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000, verminderd met het bedrag van de in dat jaar door het publiekrechtelijk lichaam ter zake van die concessieverlening verschuldigde bijdragen;

    • e. het totaal van de bedragen van de omzetbelasting die samenwerkingsverbanden waarin het publiekrechtelijk lichaam deelneemt over het kalenderjaar op aangifte afdragen, voorzover die samenwerkingsverbanden die omzetbelasting niet zouden hebben moeten afdragen indien de fiscale beleidsregels die voor 2002 golden nog ongewijzigd zouden hebben gegolden, voorzover de afgedragen omzetbelasting toerekenbaar is aan het publiekrechtelijk lichaam.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt de vermindering van de uitkering uit het gemeentefonds dan wel het provinciefonds berekend naar de feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn op 1 oktober van het desbetreffende jaar.

  • 3 Het kostendekkingspercentage bedraagt 83%.

  • 4 Met samenwerkingsverbanden worden gelijkgesteld de bedrijven of diensten van het publiekrechtelijk lichaam die zelfstandig deelnemen aan het maatschappelijke verkeer alsmede de lichamen waarvan uitsluitend het publiekrechtelijk lichaam onmiddellijk of middellijk aandeelhouder, deelnemer of lid is, alsmede lichamen waarvan de bestuurders uitsluitend door het publiekrechtelijk lichaam onmiddellijk of middellijk worden benoemd en ontslagen en waarvan het vermogen bij liquidatie uitsluitend ter beschikking van het publiekrechtelijk lichaam komt.

  • 5 De afgedragen omzetbelasting van een samenwerkingsverband is toerekenbaar aan het publiekrechtelijk lichaam tot het gedeelte van de afgedragen omzetbelasting van dat samenwerkingsverband dat in dezelfde verhouding staat tot de afgedragen omzetbelasting als de netto bijdrage van het publiekrechtelijk lichaam in de kosten van het samenwerkingsverband staat tot de totale netto kosten van het samenwerkingsverband.

Artikel 6. De korting bij toepassing van de minimale uitkering

  • 1 De voor een kalenderjaar voor een publiekrechtelijk lichaam geldende korting bedoeld in artikel 3, bedraagt:

    • a. voor gemeenten € 4,54 maal het aantal inwoners volgens de telling per 1 januari van het kalenderjaar, zoals dat aantal ook wordt gehanteerd bij de uitkering uit het gemeentefonds van die gemeente;

    • b. voor provincies één procent van bruto-uitkering uit het provinciefonds voor de provincie, berekend naar de gegevens zoals die per 1 oktober van het kalenderjaar bekend zijn.

  • 2 Voor de berekening van de bijdragen voor provincies over de kalenderjaren 2004, 2005 en 2006 wordt het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentage verhoogd tot respectievelijk twee, drie en drie.

Artikel 7. Omvang bijdrage en herrekening

  • 1 De omvang van de bijdrage, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het BTW-compensatiefonds, wordt vastgesteld op basis van het werkelijke gebruik dat van de goederen en diensten wordt gemaakt dan wel van het beoogde gebruik indien de goederen en diensten in een later kalenderjaar feitelijk gebruikt gaan worden.

  • 2 Ingeval het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam twee of meer goederen of diensten van dezelfde soort gebruikt, worden deze alle geacht mede te worden gebruikt ten behoeve van activiteiten waarvoor geen recht op bijdrage bestaat, tenzij blijkt welke van die goederen en diensten uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van zodanige activiteiten en welke uitsluitend ten behoeve van activiteiten waarvoor recht op bijdrage bestaat.

  • 3 Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de gegevens van het tijdvak waarin de omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening wordt gebracht dan wel wordt verschuldigd.

Artikel 8. Herziening

  • 1 In afwijking van artikel 7 worden voor de toepassing van de bijdrage afzonderlijk in aanmerking genomen:

    • a. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen;

    • b. roerende zaken waarop voor de vennootschapsbelasting zou kunnen worden afgeschreven indien het publiekrechtelijk lichaam of het regionaal openbaar lichaam aan die belasting zou zijn onderworpen.

  • 2 Met betrekking tot onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen wordt de bijdrage herzien in elk van de negen kalenderjaren, volgende op dat waarin het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam het goed is gaan gebruiken. De herziening geschiedt telkens voor een tiende gedeelte van de bijdrage op basis van de voor het kalenderjaar geldende gegevens bij de opgaaf over dat kalenderjaar.

  • 3 Met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde roerende zaken wordt de bijdrage herzien in elk van de vier kalenderjaren, volgende op dat waarin het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam het goed is gaan gebruiken. De herziening geschiedt telkens voor een vijfde gedeelte van de bijdrage op basis van de voor het kalenderjaar geldende gegevens bij de opgaaf over dat kalenderjaar.

  • 4 De herziening, bedoeld in het tweede en derde lid, blijft achterwege ingeval met betrekking tot het goed of het deel daarvan, waarvan het gebruik is gewijzigd aftrek van omzetbelasting heeft plaatsgevonden of had kunnen plaatsvinden en deze aftrek niet kan worden herzien.

  • 5 De herziening blijft achterwege in het kalenderjaar waarin het bedrag dat op basis van de voor dat jaar geldende gegevens voor bijdrage in aanmerking komt, niet meer dan tien procent verschilt van het, op dat jaar betrekking hebbende, als bijdrage ontvangen bedrag.

Artikel 9. Herziening bij levering

  • 1 Indien een goed als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, in het kalenderjaar van aanschaf, of ingebruikneming, dan wel binnen de in artikel 8, tweede lid, bedoelde herzieningsperiode, al dan niet als ondernemer wordt geleverd, wordt het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam geacht dat goed vanaf het tijdstip van levering tot aan het einde van de vorenbedoelde herzieningsperiode te gebruiken voor activiteiten waarvoor geen recht op compensatie bestaat.

  • 2 Indien een goed als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, in het kalenderjaar van aanschaf, dan wel van ingebruikneming, al dan niet als ondernemer wordt geleverd, wordt het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam geacht dat goed vanaf het tijdstip van levering tot aan het einde van dat jaar te gebruiken voor activiteiten waarvoor geen recht op compensatie bestaat.

  • 3 De herziening bedoeld in het eerste en tweede lid blijft achterwege als het goed wordt overgedragen aan een lichaam als bedoeld in artikel 1, eerste lid, letters c en d, van de Wet op het BTW-compensatiefonds en dat lichaam het goed blijft gebruiken voor handelingen waarvoor recht op compensatie bestaat. In dat geval wordt het overnemende lichaam geacht in de plaats te treden van het overdragende lichaam wat betreft de herziening van het recht op bijdrage voor dat goed.

  • 4 De herziening geschiedt in één keer bij de opgaaf over het kalenderjaar waarin de levering plaatsvindt.

Artikel 10. Formele bepalingen

  • 2 Bij de bepaling van het aantal dagen waarover volgens artikel 9, vijfde lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds belastingrente wordt berekend, wordt een volle kalendermaand gesteld op 30 dagen, met uitzondering van de maand op de laatste dag waarvan het tijdvak waarover de rente wordt berekend eindigt, in welk geval het werkelijke aantal dagen in aanmerking wordt genomen.

  • 3 Het bedrag van de in rekening te brengen belastingrente wordt naar beneden afgerond op hele euro's.

  • 4 Het bedrag van de te vergoeden belastingrente wordt naar boven afgerond op hele euro's.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2003. Zij kan worden aangehaald als Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Financiën,

S.R.A. van Eijck