Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling ESF-1 Flevoland voor onderwijsinstellingen 2000-2006[Regeling vervalt per 01-01-2018.]

Geldend van 20-12-2013 t/m heden

Subsidieregeling ESF-1 Flevoland voor onderwijsinstellingen 2000-2006

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen, Mede namens de staatssecretaris van landbouw, natuurbeheer en visserij;

Gelet op:

artikel 4, eerste lid, van de Wet overige OCenW-Subsidies

Overwegende dat de Subsidieregeling ESF-1 (7 juni 2001, kenmerk EUR/01.091149/A, (Stc. 2001, nr. 138) regels stelt over de besteding van de middelen die op grond van de Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, kenmerk C(2000)1507, d.d. 27 juli 2000 voor de periode 2000-2006 uit het Europees Sociaal Fonds aan Nederland zijn toegewezen voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in het kader van doelstelling 1 in de regio Flevoland in Nederland als vastgelegd in het ter zake door de Commissie goedgekeurde Enkelvoudig Programmeringsdocument;

Overwegende dat nadere regels dienen te worden vastgesteld omtrent de besteding van de middelen die in het kader van de Subsidieverordening ESF-1 aan de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen ter beschikking worden gesteld als aanvulling op de reguliere bekostiging voor de uitvoering van projecten door onderwijsinstellingen;

Besluit

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister:

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

b. praktijkonderwijs:

het onderwijs bedoeld in artikel 10f en in artikel 125, tweede lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

c. WEB:

de Wet educatie en beroepsonderwijs;

d. school:

een school of afdeling waaraan praktijkonderwijs wordt verzorgd;

e. instelling:

een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 en 1.3.3, een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 of een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de WEB;

f. landelijk orgaan:

een landelijk orgaan als bedoeld in artikel 1.5.1 van de WEB;

g. aanvrager:

de rechtspersoon waarvan een school, een instelling of een landelijk orgaan uitgaat, die een project aanvraagt;

h. startkwalificatie:

een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b, van de WEB of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 2. Doel van de regeling

De minister verleent op aanvraag projectsubsidie aan aanvragers van projecten met betrekking tot de volgende onderwerpen:

  • a. bestrijding van het voortijdig schoolverlaten;

  • b. versterking van de beroepsbegeleidende leerweg;

  • c. het praktijkonderwijs, arbeidsintegratie.

Artikel 3. Subsidieplafond

Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verleend voor zover de middelen die in het kader van het ESF-1 Beleidskader, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Subsidieverordening ESF-1 van de Provincie Flevoland aan de minister ter beschikking zijn gesteld, daartoe strekken.

Artikel 4. Beoogde prestaties van de projecten

  • 1 Projecten bestrijding voortijdig schoolverlaten hebben ten doel dat deelnemers aan het project gedurende de hele looptijd van het project onderwijs gericht op een startkwalificatie volgen, blijkend uit de deelnemersadministratie, dan wel gedurende de looptijd van het project een startkwalificatie behalen.

  • 2 Projecten versterking beroepsbegeleidende leerweg hebben ten doel dat deelnemers aan het project een beroepspraktijkvormingplaats verwerven, blijkend uit een beroepspraktijkvormingsovereenkomst, en tenminste één deelkwalificatie behalen.

  • 3 Projecten praktijkonderwijs hebben ten doel dat deelnemers aan het project bij afloop van het project een arbeidsplaats hebben verworven, blijkend uit een arbeidsovereenkomst of een aanstellingsbesluit.

Artikel 5. Berekening van het subsidiebedrag

  • 1 De subsidie bedraagt, behoudens het tweede en het derde lid, 45% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

  • 2 Indien het aantal deelnemers dat blijkens de deelnemersadministratie bij de start van het project is geregistreerd, lager is dan het in de subsidieaanvraag geschatte aantal deelnemers aan het project, wordt de subsidie naar rato verlaagd.

  • 3 Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:

    • a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 50% of meer maar minder dan 60% van de deelnemers: met 10%;

    • b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 20%;

    • c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 30%;

    • d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 30% van de deelnemers: met 50%;

    • e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 70%;

    • f. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.

  • 4 Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, derde lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:

    • a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 10%;

    • b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 20%;

    • c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 30%;

    • d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 50%;

    • e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.

  • 5 Indien door omstandigheden van macro-economische aard de beoogde prestaties van een project niet zijn gehaald, kan de minister, na overleg met de Commissaris van de Koningin in de provincie Flevoland, besluiten om het derde of vierde lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.

Artikel 6. Eisen ten aanzien van de projecten

  • 1 Projecten kunnen starten op 1 augustus van een jaar.

  • 2 Een project bestrijding voortijdig schoolverlaten is gericht op deelnemers die:

    • a. de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt,

    • b. voor wie naar het oordeel van de instelling een verhoogd risico van voortijdig schoolverlaten bestaat indien voor hen geen extra activiteiten worden ondernomen,

    • c. die aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder a of b van de WEB in de beroepsopleidende leerweg,

    • d. die ongediplomeerd zijn dan wel slechts in het bezit zijn van een diploma voorbereidend beroepsonderwijs verkregen op grond van een eindexamen waarbij één of meer vakken volgens het A-programma, vier of meer vakken volgens het B-programma zijn geëxamineerd of in het bezit zijn van een getuigschrift basisberoepsgerichte leerweg vmbo, en niet in het bezit zijn van een overgangsbewijs van het derde naar het vierde leerjaar HAVO/VWO, en

    • e. die door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project en aangemeld bij ’het RMC-meldpunt’.

  • 3 Een project versterking beroepsbegeleidende leerweg is gericht op deelnemers die:

    • a. naar het oordeel van de aanvrager daadwerkelijk extra ondersteuningsactiviteiten nodig hebben om aan de beroepsbegeleidende leerweg te kunnen deelnemen,

    • b. aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid

      onder a of b, van de WEB in de beroepsbegeleidende leerweg en

    • c. door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project.

  • 4 Een project praktijkonderwijs is gericht op deelnemers van 15 jaar of ouder die:

    • a. naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs, ondersteuning ten tijde van de periode dat de deelnemers als leerling voor het praktijkonderwijs staan ingeschreven en begeleiding na het verlaten van de school nodig hebben ten behoeve van de arbeidsintegratie, en

    • b. door de school zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project.

  • 5 Een project versterking beroepsbegeleidende leerweg kan uitsluitend worden uitgevoerd door een instelling en een landelijk orgaan gezamenlijk.

  • 6 Een project heeft een looptijd van ten hoogste 2 jaar.

  • 7 De projectorganisatie dient dusdanig te zijn ingericht dat aannemelijk is dat met de uit te voeren activiteiten het beoogde doel van het project haalbaar is.

  • 8 De kosten van het project staan in een redelijke verhouding tot de daarvan te verwachten resultaten.

  • 9 De projectresultaten dienen ter overdracht om niet aan andere scholen, instellingen en landelijke organen ter beschikking te worden gesteld.

  • 10 Subsidie wordt uitsluitend verleend ten behoeve van deelnemers die woonachtig zijn in de provincie Flevoland.

  • 11 Geen subsidie wordt verleend voor projecten die medegefinancierd worden uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven.

  • 12 In bijlage 1 behorende bij deze regeling zijn de typen activiteiten benoemd waaraan de subsidie kan worden besteed.

Artikel 7. Subsidieaanvraag

  • 1 Een aanvrager die een project wil uitvoeren, dient tenminste 12 weken vóór de beoogde startdatum van het project een subsidieaanvraag in met gebruikmaking van de door de minister beschikbaar gestelde elektronische formats en formulieren.

  • 2 De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving. In de projectbeschrijving zijn tenminste opgenomen:

    • a. de beoogde prestatie van het project;

    • b. de begrote kosten;

    • c. een schatting van het aantal deelnemers bij de start van het project;

    • d. een beschrijving van de aanpak, waarin opgenomen de te verrichten activiteiten in relatie tot de verwachte resultaten;

    • e. een beschrijving van de projectorganisatie;

    • f. indien van toepassing de partners uit de verschillende sectoren met wie het project is opgezet.

  • 3 De aanvraag van de aanvrager van een project beroepsbegeleidende leerweg gaat vergezeld van een door aanvrager en de andere partij ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin tenminste de taken van partijen met betrekking tot het project en afspraken met betrekking tot de verdeling van het subsidiebedrag zijn opgenomen.

  • 4 De aanvraag wordt in behandeling genomen nadat de aanvrager alle krachtens deze regeling gevraagde gegevens ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 8. Subsidieverlening

Een subsidieaanvraag voor een project bestrijding van het voortijdig schoolverlaten, versterking beroepsbegeleidende leerweg of praktijkonderwijs wordt toegewezen indien de subsidieaanvraag en het project voldoen aan de bij deze regeling gestelde eisen. Een subsidieaanvraag wordt toegewezen aan projecten zolang de middelen toereikend zijn.

Artikel 9. De beschikking tot subsidieverlening

In de beschikking tot subsidieverlening wordt het maximumbedrag aan subsidie bepaald dat tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door de aanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.

Artikel 10. Bevoorschotting

  • 1 Aan de aanvrager worden voorschotten op de subsidie verleend.

  • 2 Voorschotbetalingen worden als volgt gedaan:

    • a. een eerste voorschot, ten bedrage van 30% van het maximaal toegekende subsidiebedrag, wordt direct uitbetaald nadat van de aanvrager van het project bericht is ontvangen dat de uitvoering van het project waarvoor de subsidie werd toegekend is aangevangen;

    • b. verdere voorschotten, waarbij het eerste voorschot wordt aangevuld tot ten hoogste 80% van het maximaal toegekende subsidiebedrag, kunnen op verzoek worden verstrekt.

  • 3 Alvorens een voorschot als bedoeld in het tweede lid onder b, te verlenen kan de minister van de aanvrager verlangen dat de voortgangsrapportage wordt voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Een dergelijk voorschot wordt niet verleend indien de realisatie van het project achterblijft bij de ramingen als vervat in de bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving, of wanneer er twijfel is aan een correcte uitvoering van het project.

Artikel 11. Voorschriften projectadministratie

  • 1 De aanvrager dient een inzichtelijke en controleerbare deelnemersadministratie en een financiële administratie met betrekking tot het project en een administratie van de ontvangen en te ontvangen subsidie per deelnemer bij te houden of te doen bijhouden.

  • 2 De deelnemersadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde deelnemersprestaties, bedoeld in artikel 4.

  • 3 De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten en in de integrale financiering van het project, uitgesplitst naar subsidie op grond van deze regeling en cofinanciering. De cofinanciering betreft uitsluitend de reguliere bekostiging van de school onderscheidenlijk instelling op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk de WEB.

  • 4 De administratie dient aldus te zijn opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate tussentijdse rapportages en dient voldoende mogelijkheden te bieden voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

  • 5 Bij de vastlegging van de gegevens worden in ieder geval de eisen in acht genomen die in bijlage 2 bij dit besluit ter zake worden gesteld.

  • 6 De aanvrager draagt er zorg voor dat alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project bewaard blijven tot het jaar 2017. Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke vervolging of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorste, maakt de minister de gevolgen voor de bewaartermijn bekend in de Staatscourant.

  • 7 De aanvrager zal aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen desgevraagd inzage in of informatie uit deze administratie geven of doen geven. Tevens zal hij de voornoemde personen desgevraagd informatie verschaffen over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.

Artikel 12. Voortgangsrapportage

  • 1 Een aanvrager dient 3x per jaar, telkens op 1 februari, 1 juni en 1 oktober, een rapportage in over de voortgang van het project. In deze rapportage dient te worden aangegeven welke resultaten zijn gerealiseerd en

    wat de prognose is voor de resterende periode van het project.

  • 2 De rapportages dienen uiterlijk drie weken na de in het eerste lid genoemde data te worden ingediend, onder gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld formulier.

  • 3 Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de aanvrager hiervan onverwijld mededeling aan de minister.

Artikel 13. Eindrapportage, verzoek tot subsidievaststelling

  • 1 Een aanvrager dient binnen twee maanden na beëindiging van het project een verzoek tot subsidievaststelling in door overlegging van een eindrapportage die een beschrijving geeft van de realisatie van het project in relatie tot de projectbeschrijving, bedoeld in artikel 7, tweede lid.

  • 2 De eindrapportage, waarvan het verzoek tot subsidievaststelling deel uit maakt, wordt ingediend met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig het als bijlage 3 bij deze regeling gevoegde model.

  • 3 De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger.

  • 4 De minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de accountantsverklaring.

  • 5 De subsidieontvanger bedingt bij de accountant, dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het controleprotocol, neergelegd in bijlage 4 bij deze regeling.

  • 6 Subsidievaststelling vindt plaats binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek tot subsidievaststelling.

Artikel 14. Overige verplichtingen van de aanvrager

  • 1 Een aanvrager informeert de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project en verleent medewerking aan door de minister of door de Provincie Flevoland georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers en het grote publiek. In publicaties betreffende het project worden het bedrag van de subsidie alsmede het Europees embleem opgenomen.

  • 2 Een aanvrager verleent op verzoek van de minister medewerking aan de totstandkoming van een

    gegevensverzameling ten behoeve van de door derden te verrichten evaluaties en draagt er zorg voor dat ook onderaanvragers en deelnemers aan projecten verplicht worden daaraan medewerking te verlenen.

Artikel 15. Toezicht

  • 1 Een aanvrager is verplicht alle medewerking te verlenen aan toezicht op de naleving door of namens de minister, de Commissaris van de Koningin Provincie Flevoland en de Europese Commissie.

  • 2 Een aanvrager is verplicht ervoor zorg te dragen dat een zelfde medewerking aan toezicht op de naleving wordt verleend door derden die bij het project betrokken zijn.

  • 3 Bij het uitvoeren van toezicht is het bepaalde in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16. Evaluatie

De werking van deze regeling wordt in 2003 geëvalueerd.

Artikel 17. Invoeringsbepalingen

In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt een subsidieaanvraag voor een project dat gestart is op 1 augustus 2001 of 1 januari 2002, ingediend binnen vier weken na publicatie van deze regeling.

Artikel 18. Laatste startdatum van een project

Op 1 augustus 2006 kan voor de laatste maal een project starten op grond van deze regeling.

Artikel 19. Inwerkingtreding en vervallen regeling

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekend gemaakt en werkt terug tot en met 1 augustus 2001.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2018.

Artikel 20. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF-1 Flevoland voor onderwijsinstellingen 2000-2006.

Artikel 21. Bekendmaking

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze

plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

De

staatssecretaris

van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

drs. A.D.S.M. Nijs, MBA

Bijlage 1. Typen activiteiten (thema’s), bedoeld in artikel 6, twaalfde lid, Subsidieregeling ESF-1 voor onderwijsinstellingen 2000-2006

Bestrijding voortijdig schoolverlaten

De in het kader van een project te verrichten activiteiten voor Bestrijding voortijdig schoolverlaten zijn gegroepeerd in een negental thema’s:

  • 1. Uitbouwen en coördineren van het instrument individuele trajectbegeleiding (ITB) en (allochtone) leerlingbegeleiding;

  • 2. Uitbouwen van de mogelijkheden van individuele leerroutes;

  • 3. Ontwikkeling van procedures en instrumenten voor intake en assessment;

  • 4. Uitbouwen van netwerken rond de school;

  • 5. Verzorgen van specifieke programmatorische arrangementen tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het secundaire beroepsonderwijs;

  • 6. Ontwikkeling van zorgteams;

  • 7. Afstemming op gemeentelijke actieplannen voor de bestrijding van voortijdig Schoolverlaten;

  • 8. Het met het lokale/regionale bedrijfsleven voorzien in deelkwalificaties voor nieuwe segmenten van de plaatselijke arbeidsmarkt en het bieden van opvoedings- en schoolondersteuning aan ouders voor risicojongeren;

  • 9. Het bieden van opvoedings- en schoolondersteuning aan ouders voor risicojongeren.

Versterking beroepsbegeleidende leerweg

De in het kader van een project te verrichten activiteiten voor Versterking beroepsbegeleidende leerweg zijn gegroepeerd in een achttal thema’s:

  • 1. Extra praktijkbegeleiding;

  • 2. Extra praktijktraining;

  • 3. Werving specifieke leerbedrijven;

  • 4. Opleiding praktijkleerbedrijven;

  • 5. Opleiding praktijkleermeesters;

  • 6. Extra trajectbegeleiding;

  • 7. Extra werving en PR;

  • 8. Extra toetsing.

Praktijkonderwijs

De in het kader van een project te verrichten activiteiten voor praktijkonderwijs zijn gegroepeerd in een zevental thema’s:

  • 1. Arbeidskundig onderzoek;

  • 2. Netwerkvorming in relatie tot arbeidsintegratie;

  • 3. Leerlingwerkplaatsen in directe samenwerking met branches en bedrijven;

  • 4. Branchegerichte cursussen voor leerlingen, gericht op civiel effect: certificering;

  • 5. Informatietechnologische programma’s, in aanvulling op de rijksregeling, voor de onderwijskundige ondersteuning van de arbeidsintegratie en in relatie tot de overige thema’s;

  • 6. Scholingsprogramma’s arbeidsintegratie voor docenten;

  • 7. Vormgeven en intensiveren van begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde stagebegeleiding, op basis van een overeenkomst.

Bijlage 2. Eisen met betrekking tot vast te leggen gegevens per project onder vermelding van het door de door de minister toegekend projectnummer

  • de aanvragende en uitvoerende instanties en dergelijke;

Per deelnemer aan het project dienen de volgende gegevens te zijn vastgelegd:
  • naam, adres, postcode, woonplaats

  • geboortedatum

  • geslacht

  • al dan niet woonachtig in doelstelling-1 gebied (koppeling met postcode)

  • allochtone afkomst deelnemers:

  • BBL en VSV: vaststelling conform de Uitvoeringsregeling WEB

  • Praktijkonderwijs: vaststelling conform Regeling personele vergoeding culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen Wet voortgezet onderwijs

  • opleidingsniveau voor en na toepassing van maatregel:

  • BBL en VSV: aantal behaalde deelkwalificatie(s), conform Wet educatie beroepsonderwijs

  • praktijkonderwijs: plaatsing op de arbeidsmarkt

Per deelnemer dient een intakeformulier aanwezig te zijn waaruit blijkt dat de deelnemer voldoet aan de kenmerken zoals opgenomen in artikel 6 en waarin opgenomen de activiteiten die voor de deelnemer worden ondernomen, alsmede een ESF-deelnemersverklaring.

Per deelnemer BBL en VSV dient een exemplaar van de onderwijsovereenkomst aanwezig te zijn.

Per deelnemer praktijkonderwijs dient een copie van het bewijs van inschrijving aanwezig te zijn.

Bijlage 3. Modellen voor de accountantsverklaring

Er zijn 3 modellen voor een accountantsverklaring. Bij een goedkeurende accountantsverklaring wordt model A gehanteerd. Indien bij de controle van de eindrapportage onjuistheden zijn geconstateerd die niet op afdoende wijze zijn gecorrigeerd kan de accountant geen goedkeurende verklaring verstrekken. In dergelijke gevallen dient de accountant een afkeurend oordeel te geven, volgens model B. Indien bij de controle van de eindrapportage onzekerheden van materieel belang zijn blijven bestaan die niet noodzakelijkerwijs hadden moeten leiden tot een correctie van de declaratie (bijvoorbeeld bij onduidelijkheid over de juiste interpretatie van subsidievoorwaarden) en die daardoor niet hoefden te leiden tot het geven van een afkeurende verklaring kan de accountant evenmin een goedkeurende verklaring verstrekken. In dergelijke gevallen dient de accountant een verklaring met beperking te geven, volgens model C.

A. Model goedkeurende accountantsverklaring

Aan: (Naam opdrachtgever)

Accountantsverklaring ESF-1 voor onderwijsinstellingen

afgegeven ten behoeve van de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen

Opdracht

Ingevolge uw opdracht hebben wij de bijgevoegde, door ons per pagina gewaarmerkte, eindrapportage/voortgangsrapportage1met bijlagen inzake de uitvoering van het project met registratienummer ... met betrekking tot het onderwerp bestrijding voortijdig schoolverlaten/versterking van de beroepsbegeleidende leerweg/praktijkonderwijs, arbeidsintegratie2,

waarvoor bij beschikking van …, kenmerk …., subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen, gecontroleerd. Deze eindrapportage/voortgangsrapportage3 is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de instelling. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake deze eindrapportage/voortgangsrapportage4 te verstrekken.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht overeenkomstig de bepalingen van het controleprotocol ESF-3 voor onderwijsinstellingen (en - indien van toepassing - de nadere aanwijzingen van de minister van OCenW zoals vastgelegd in de brief van ….. kenmerk … of zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening) en overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat zekerheid wordt verkregen dat de eindrapportage /voortgangsrapportage5 geen onjuistheden van materieel belang, zoals bedoeld in paragraaf 1.3 van het controleprotocol, bevat. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Bevindingen

Bij onze controle hebben wij vastgesteld dat: (De accountant dient de bevindingen op te nemen in een afzonderlijk op te stellen rapport van bevindingen, waarnaar kan worden verwezen).

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat de eindafrekening voldoet aan de eraan te stellen eisen. Dit impliceert tevens dat:

  • de in de eindafrekening opgenomen kosten zijn gemaakt en betaald en tevens subsidiabel zijn, alsmede betrekking hebben op het project waarvoor de subsidie is toegezegd;

  • de aan de kosten ten grondslag liggende verplichtingen zijn aangegaan gedurende de contractueel afgesproken periode

  • de kosten juist zijn berekend met inachtneming van de in de overeenkomst opgenomen algemene en bijzondere voorwaarden

  • ten behoeve van de voor een bijdrage in aanmerking komende kosten een afzonderlijke (project)administratie is gevoerd waarin alle gegevens zijn verwerkt die voorkomen in de aanvraag- en rapportageformulieren

  • uit de gevoerde (project)administratie blijkt dat de rapportage en declaratie ten aanzien van de door (naam huishouding) gedeclareerde interne (loon)kosten voldoen aan de gestelde vereisten

  • de opgaven van de aan het project bestede mensuren juist zijn;

  • verrekenbare BTW niet in de eindafrekening is opgenomen;

  • de bij de eindafrekening gevoegde opgave van andere dan van de kant van de Provincie toegezegde en/of verstrekte bijdragen in de rechtstreeks aan het project toegerekende kosten juist en volledig is

  • de aan het project toe te rekenen ontvangsten in mindering zijn gebracht op de uitgaven

  • de in de overeenkomst en in het controleprotocol genoemde (project)voorwaarden zijn nageleefd.

De eindafrekening is door ons gewaarmerkt en sluit met een totaal bedrag van € ........

Deze accountantsverklaring is afgegeven ten behoeve van de provincie Flevoland

(ondertekening)

(plaatsnaam, datering)

B. Model afkeurende accountantsverklaring

Aan: (Naam opdrachtgever)

Accountantsverklaring ESF-1 voor onderwijsinstellingen

afgegeven ten behoeve van de minister van onderwijs cultuur en wetenschappen

Opdracht

Ingevolge uw opdracht hebben wij de bijgevoegde, door ons per pagina gewaarmerkte, eindrapportage/voortgangsrapportage6 met bijlagen inzake de uitvoering van het project met registratienummer ... met betrekking tot het onderwerp bestrijding voortijdig schoolverlaten/versterking van de beroepsbegeleidende leerweg/praktijkonderwijs, arbeidsintegratie7,

waarvoor bij beschikking van …, kenmerk …. subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen, gecontroleerd. Deze eindrapportage/voortgangsrapportage8 is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de instelling. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake deze eindrapportage/voortgangsrapportage9 te verstrekken.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht overeenkomstig de bepalingen van het controleprotocol ESF-3 voor onderwijsinstellingen (en - indien van toepassing - de nadere aanwijzingen van de minister van OCenW zoals vastgelegd in de brief van ….. kenmerk … of zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening) en overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat zekerheid wordt verkregen dat de eindrapportage /voortgangsrapportage10 geen onjuistheden van materieel belang, zoals bedoeld in paragraaf 1.3 van het controleprotocol, bevat. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Bevindingen

Bij onze controle hebben wij vastgesteld dat: (Bevindingen aangeven die hebben geleid tot een afkeurend oordeel. Tevens de omvang van het bedrag aangeven dat niet juist is dan wel waarvan de juistheid niet kan worden vastgesteld. De accountant dient de bevindingen op te nemen in een afzonderlijk op te stellen rapport van bevindingen, waarnaar kan worden verwezen).

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat de eindafrekening met bijlagen niet voldoet aan de eraan te stellen eisen en derhalve niet juist is.

De eindafrekening sluit met een totaal bedrag van € ........

Deze accountantsverklaring is afgegeven ten behoeve van de provincie Flevoland

(ondertekening)

(plaatsnaam, datering)

C. Model accountantsverklaring met beperking

Aan: (naam opdrachtgever)

Accountantsverklaring ESF-1 voor onderwijsinstellingen

afgegeven ten behoeve van de minister van onderwijs cultuur en wetenschappen

Opdracht

Ingevolge uw opdracht hebben wij de bijgevoegde, door ons per pagina gewaarmerkte, eindrapportage/voortgangsrapportage11 met bijlagen inzake de uitvoering van het project met registratienummer ... met betrekking tot het onderwerp bestrijding voortijdig schoolverlaten/versterking van de beroepsbegeleidende leerweg/praktijkonderwijs, arbeidsintegratie12,

waarvoor bij beschikking van …, kenmerk …. subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen, gecontroleerd. Deze eindrapportage/voortgangsrapportage13 is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de instelling. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake deze eindrapportage/voortgangsrapportage14 te verstrekken.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht overeenkomstig de bepalingen van het controleprotocol ESF-3 voor onderwijsinstellingen (en - indien van toepassing - de nadere aanwijzingen van de minister van OCenW zoals vastgelegd in de brief van ….. kenmerk … of zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening) en overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat zekerheid wordt verkregen dat de eindrapportage /voortgangsrapportage15 geen onjuistheden van materieel belang, zoals bedoeld in paragraaf 1.3 van het controleprotocol, bevat. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Bevindingen

Bij onze controle hebben wij vastgesteld dat: (Bevindingen aangeven die hebben geleid tot de verklaring met beperking. Tevens de omvang van het bedrag aangeven waarvan de juistheid niet kan worden vastgesteld. De accountant dient de bevindingen op te nemen in een afzonderlijk op te stellen rapport van bevindingen, waarnaar kan worden verwezen).

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat de eindafrekening, onder voorbehoud van (omschrijving van de onzekerheid) voldoet aan de eraan te stellen eisen. Dit impliceert tevens dat:

  • de in de eindafrekening opgenomen kosten zijn gemaakt en betaald en tevens subsidiabel zijn, alsmede betrekking hebben op het project waarvoor de subsidie is toegezegd;

  • de aan de kosten ten grondslag liggende verplichtingen zijn aangegaan gedurende de contractueel afgesproken periode

  • de kosten juist zijn berekend met inachtneming van de in de overeenkomst opgenomen algemene en bijzondere voorwaarden

  • ten behoeve van de voor een bijdrage in aanmerking komende kosten een afzonderlijke (project)administratie is gevoerd waarin alle gegevens zijn verwerkt die voorkomen in de aanvraag- en rapportageformulieren

  • uit de gevoerde (project)administratie blijkt dat de rapportage en declaratie ten aanzien van de door (naam huishouding) gedeclareerde interne (loon)kosten voldoen aan de gestelde vereisten

  • de opgaven van de aan het project bestede mensuren juist zijn;

  • verrekenbare BTW niet in de eindafrekening is opgenomen;

  • de bij de eindafrekening gevoegde opgave van andere dan van de kant van de Provincie toegezegde en/of verstrekte bijdragen in de rechtstreeks aan het project toegerekende kosten juist en volledig is

  • de aan het project toe te rekenen ontvangsten in mindering zijn gebracht op de uitgaven

  • de in de overeenkomst en in het controleprotocol genoemde (project)voorwaarden zijn nageleefd.

De eindafrekening is door ons gewaarmerkt en sluit met een totaal bedrag van € ........

Deze accountantsverklaring is afgegeven ten behoeve van de provincie Flevoland

(ondertekening)

(plaatsnaam, datering)

Bijlage 4. Controleprotocol ESF-1 voor onderwijsinstellingen

1. Algemeen

1.1. Doel en reikwijdte van het controleprotocol

Dit controleprotocol geeft aanwijzingen voor en een toelichting op de door de accountants uit te voeren controlewerkzaamheden in het kader van de projecten, waarvoor subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 2000-2006. Dit controleprotocol is geen werkprogramma. De accountant belast met de controle van de eindrapportage of een voortgangsrapportage dient zorg te dragen voor een op de situatie toegesneden werkprogramma, waarbij aan de specifieke AO-kenmerken van een project, alsmede aan de controletolerantie, voldoende aandacht wordt geschonken.

1.2. Doel en reikwijdte van de accountantscontrole

In het kader van de controle op de uitvoering van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 20002006 dient de eindrapportage voorzien te zijn van een verklaring van een accountant. De eindrapportage en de daarbij afgegeven accountantsverklaring zijn de basis voor het vaststellen van de definitieve subsidie. De minister kan verlangen dat ook een voortgangsrapportage van een accountantsverklaring wordt voorzien. De voortgangsrapportage en de daarbij afgegeven accountantsverklaring zijn dan de basis voor het vaststellen van een voorschot. De eind-/voortgangsrapportage bevat een financiële verantwoording bij een subsidieafrekening of voorschotverzoek. De accountantsverklaring geeft zowel een oordeel over de juistheid van de eindrapportage/voortgangsrapportage, alsmede over de rechtmatigheid hiervan. Het is van essentieel belang dat de strekking van de accountantsverklaring duidelijk is en dat de eventueel geconstateerde problemen goed worden weergegeven. De geconstateerde bevindingen worden door de accountant opgenomen in een rapport van bevindingen. Voor de accountantsverklaring zijn modellen vastgesteld. Deze modellen zijn als bijlage 3 bij de Subsidieregeling ESF-1 Flevoland voor onderwijsinstellingen 2000-2006 opgenomen.

1.3. Materialiteit

Europese regelgeving schrijft voor dat alle afwijkingen van de regelgeving groter dan Euro 4.000 gemeld moeten worden aan de Europese Commissie. Deze verplichte melding vindt plaats aan de zogenoemde fraude commissie van de Europese Commissie (OLAF). Dit houdt in dat de controle zodanig dient te worden opgezet dat alle fouten van meer dan Euro 4.000 worden geconstateerd. Uiteraard geldt voor de accountant het zogenaamde axiomatische voorbehoud. Teneinde een goedkeurende accountantsverklaring af te kunnen geven is het noodzakelijk dat alle geconstateerde fouten in de eindrapportage/voortgangsrapportage worden gecorrigeerd. Indien een correctie niet of niet afdoende wordt aangebracht, dient dit tot uitdrukking te worden gebracht door middel van het verstrekken van een niet goedkeurende accountantsverklaring (afkeurende verklaring of verklaring met beperking). In het rapport van bevindingen dienen de geconstateerde, niet gecorrigeerde, fouten of voor de accountant niet controleerbare posten, nader te worden geanalyseerd en dienen de gevolgen voor de eindrapportage/tussentijdse rapportage nader te worden gekwantificeerd.

2. Opdrachtbevestiging

De minister wenst zekerheid te verkrijgen dat de controlerend accountant tijdig op de hoogte is gesteld van de inhoud van dit controleprotocol. Binnen vier weken nadat door de minister een beschikking tot subsidieverlening is afgegeven dient een kopie van de opdrachtbevestiging of een andere schriftelijke mededeling, waarin de toepassing en naleving van dit controleprotocol door de controlerend accountant wordt bevestigd, te worden ingezonden. De tekst van deze opdrachtbevestiging is opgenomen in de bijlage bij dit controleprotocol. Zolang bovengenoemde stukken niet in het bezit zijn van de minister wordt de behandeling van verzoeken tot eindafrekening van de aanvrager opgeschort.

3. Werkzaamheden van de accountant

3.1. Algemeen

De accountant maakt onderscheid tussen de volgende werkzaamheden:

  • werkzaamheden voorafgaand aan de uitvoering van het project (preventieve werkzaamheden);

  • interim controle;

  • eindcontrole.

Gezien het feit dat 2000 en 2001 overgangsjaren zijn en de accountants pas in een laat stadium ingeschakeld zijn wordt voor 2000 en 2001 van de accountant verwacht dat hij alleen de werkzaamheden m.b.t. de eindcontrole verricht.

3.2. Preventieve werkzaamheden

Voor de preventieve werkzaamheden is van belang dat de externe accountant reeds in een vroeg stadium, bijvoorbeeld in de voorbereidende fase, bij de totstandkoming van de projectaanvraag, wordt betrokken. In deze voorbereidende fase beoordeelt de accountant de voorgenomen administratieve organisatie en daarin vervatte maatregelen van interne controle (AO/IC) teneinde vast te stellen of deze voorgenomen AO/IC voldoet aan de in de regelgeving gestelde eisen om te kunnen komen tot een goedkeurende accountantsverklaring. De uitkomsten van deze beoordeling worden schriftelijk aan de opdrachtgever gerapporteerd evenals de eventuele aanbevelingen die daarbij zijn gedaan. De opdrachtgever verstrekt de minister een afschrift van deze rapportage.

3.3. Interim controle

De interim controle heeft mede tot doel vast te stellen of de voorgestelde AO/IC daadwerkelijk bestaat en dat de werking daarvan gedurende de te controleren periode gewaarborgd is. Voor zover tijdens de preventieve werkzaamheden door de accountant aanbevelingen zijn gedaan met betrekking tot de AO/IC onderzoekt de accountant of deze aanbevelingen zijn opgevolgd. Uiterlijk zes maanden nadat met de uitvoering van een project is gestart, rapporteert de accountant zijn bevindingen met betrekking tot het onderzoek naar de AO/IC in de vorm van een zogenaamde managementletter. De minister ontvangt een afschrift van deze rapportage. Indien de AO/IC bij latere controles van tussentijdse declaraties onderwerp van onderzoek door de accountant is, worden de bevindingen naar aanleiding van deze controles eveneens door middel van een afschrift van de schriftelijke rapportage door de opdrachtgever ter kennis van de minister gebracht. Ook door andere controlerende instanties belast met het ESF (o.a. de provincie Flevoland en instanties van de EU) kunnen interim controles worden doorgevoerd.

3.4. Eindcontrole

3.4.1. Algemeen

Hetgeen in deze paragraaf wordt opgenomen met betrekking tot de eindcontrole, is eveneens van toepassing op de controle die door de accountant wordt verricht met betrekking tot een voortgangsrapportage, indien daarbij door de minister een accountantsverklaring wordt verlangd. Ter zake van de eindcontrole dient de accountant bij de uitvoering van de accountantscontrole op de eindrapportage inzake ESF-1 vast te stellen dat aan de onderstaande punten is voldaan. Hierbij wordt opgemerkt dat de naleving van de gehele subsidieregeling object van controle is.

3.4.2. Algemene voorwaarden

  • a. Er is een beschikking tot subsidieverlening van de minister op grond waarvan de eindrapportage kan worden ingediend, tenzij de minister heeft medegedeeld dat deze beschikking nog niet is afgegeven en desondanks toch een eindraportage opgesteld mag worden.

  • b. De eindrapportage is volledig en juist ingevuld.

  • c. De eindrapportage is rekenkundig juist.

  • d. De eindrapportage stemt overeen met de onderliggende administratie en overige bescheiden van de subsidieaanvrager en/of instellingen.

  • e. Alle in de eindrapportage verantwoorde uitgaven voldoen aan de ten aanzien van ESF-subsidies gestelde voorwaarden.

  • f. Er is een door de instelling ingevuld en ondertekend, door de minister voorgeschreven, Rapport van Bevindingen, genaamd RVBEPA, aanwezig. De accountant dient daarbij te controleren of het door de instelling ingevulde Rapport een juiste weergave van zaken geeft.

3.4.3. Administratieve voorschriften

De accountant gaat na of alle administratieve voorschriften zijn nageleefd. De belangrijkste voorwaarde is het voeren van een administratie, die waarborgt dat de volgens de subsidieregeling te verstrekken gegevens op een ordelijke, transparante en controleerbare wijze geregistreerd worden.

3.4.4. Subsidiabele kosten

De accountant gaat na of de in de eindrapportage verantwoorde kosten juist en rechtmatig zijn. Hieraan is voldaan indien de accountant constateert dat:

  • a. de in de eindrapportage verantwoorde kosten naar hun aard passen binnen de aanvraag met bijbehorende begroting waarop de beschikking is ontvangen;

  • b. de in de eindrapportage verantwoorde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, voor de uitvoering van het project noodzakelijk zijn en ten laste van de aanvrager zijn gebleven;

  • c. de in de eindrapportage verantwoorde kosten subsidiabel zijn overeenkomstig EG verordening 1685/2000 (artikel 9 lid 1);

  • d. de in de eindrapportage verantwoorde kosten geen kosten betreffen die niet subsidiabel zijn;

  • e. de gemengde kosten (kosten voor zowel subsidiabele als niet-subsidiabele deelnemers) op een controleerbare en aanvaardbare wijze zijn toegerekend.

3.4.5. Deelnemers

De deelnemers aan het project dienen te voldoen aan de kenmerken zoals omschreven in artikel 6 van de Subsidieregeling ESF-1 voor onderwijsinstellingen.

3.4.6. Financiering

De financiering van de activiteiten dient aan de financiële administratie ontleend te kunnen worden. Deze financiering bestaat uit:

  • a. publiekrechtelijke bijdrage(n)

  • b. ESF-subsidie.

De accountant dient de financiering op volledigheid te controleren.

3.4.7. Subsidieberekening

De accountant gaat na of de berekening van de ESF-1 subsidie:

  • a. rekenkundig juist is;

  • b. conform de subsidiegrondslag is vastgesteld;

  • c. niet meer bedraagt dan de subsidie zoals aangegeven in de beschikking.

3.4.8. Afronding en rapportage

Indien tijdens de accountantscontrole blijkt dat er fouten in de eindrapportage voorkomen, dan dienen deze gecorrigeerd te worden. Bij het nalaten van de correctie van deze fouten kan de accountant geen goedkeurende accountantsverklaring afgeven. De accountant hanteert voor de weergave van de bevindingen van zijn controlewerkzaamheden het van toepassing zijnde model accountantsverklaring. Naast de accountantsverklaring dient door de accountant in de volgende gevallen een rapport van bevindingen ten behoeve van de minister te worden opgesteld:

  • a. indien het oordeel van de accountant leidt tot een niet goedkeurende accountantsverklaring;

  • b. indien sprake is van een goedkeurende verklaring met bevindingen die geen afbreuk doen aan de strekking van de verklaring.

Dit rapport van bevindingen dient gelijktijdig met de accountantsverklaring afgegeven en ingediend te worden. De minister gebruikt dit rapport van bevindingen in het kader van de beoordeling van de uitgevoerde werkzaamheden alsmede de hierbij geconstateerde bevindingen. Er is geen model ontwikkeld voor dit rapport van bevindingen. Wel dienen ten minste de volgende onderwerpen in het rapport van bevindingen behandeld te worden:

  • Beoordeling van de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC);

  • Controlebevindingen;

  • Aard en omvang van de geconstateerde fouten;

  • Wel /niet gecorrigeerd in de eindrapportage;

  • Juiste/onjuiste weergave van zaken door de instelling in het door de instelling zelf opgestelde Rapport van Bevindingen genaamd RVBEPA;

  • Belangrijke bevindingen en aanbevelingen ter verbetering van de AO/IC, indien sprake is van een accountantsverklaring bij een voortgangsrapportage;

  • Motivering van de afgegeven accountantsverklaring.

3.4.9. Ongedeelde verantwoordelijkheid

Voor zover voor de controle van de eindrapportage gebruik wordt gemaakt van de werkzaamheden van andere accountants, draagt de accountant die verantwoordelijk is voor de accountantsverklaring bij de eindrapportage, er zorg voor dat de aanvrager hiervan op de hoogte wordt gesteld en wijst de aanvrager op het feit dat alle relevante verplichtingen uit dit controleprotocol ook aan de accountant(s), belast met de controle van de eindrapportage van (een) deel project(en), bekend worden gemaakt en dat deze laatste accountant(s) hun werkzaamheden verrichten met inachtneming van dit protocol. Deze laatstgenoemde categorie accountants dient schriftelijk aan de opdrachtgever te bevestigen dat zij van alle verplichtingen uit dit protocol op de hoogte zijn en dat zij deze zullen naleven. Voor deze bevestiging dient gebruik te worden gemaakt van de opdrachtbevestiging volgens de bijlage bij dit protocol.

4. Reviews

De minister kan steekproefsgewijs reviews dan wel monitoring onderzoeken uit (laten) voeren teneinde na te gaan of de accountantscontrole met een deugdelijke grondslag en met inachtneming van dit controleprotocol is uitgevoerd. Deze reviews komen niet in de plaats van andere controles dan wel reviews uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer, de Europese Commissie en/of de Europese Rekenkamer.

De accountant belast met de controle van de eindrapportage stemt er mee in dat de controledossiers in het kader van bovengenoemde reviews integraal aan de reviewers ter beschikking worden gesteld. Voorts zal deze accountant, schriftelijk dan wel mondeling, alle gevraagde gegevens verstrekken waarom in het kader van voornoemde review wordt verzocht. Het vorenstaande geldt onverkort voor de in de eerste alinea genoemde monitoring onderzoeken.

5. Mogelijke vragen

De accountant moet vaststellen dat de Subsidieregeling ESF-1 voor onderwijsinstellingen 2000-2006 integraal is nageleefd. Bij een aantal bepalingen van de regeling kunnen vragen rijzen over de benodigde reikwijdte en diepgang van de controle op de naleving. Wellicht ten overvloede worden enkele aspecten hieronder nader toegelicht; deze opsomming is niet limitatief.

5.1. Controle op de toerekening van kosten

Er moet worden vastgesteld dat de in eindrapportage opgenomen kosten uitsluitend zijn gemaakt voor de in bijlage 1 genoemde activiteiten (artikel 6 lid 12).

5.2. Controle op het behoren tot de doelgroep

5.2.1

Voor deelnemers aan het project bestrijding voortijdig schoolverlaten moet vast worden gesteld dat deze de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt ( artikel 6 lid 2 a.). De opgave van de deelnemer van zijn geboortedatum op het intakeformulier mag als juist worden beschouwd.

5.2.2

Deelnemers aan het project bestrijding voortijdig schoolverlaten moeten op het intake formulier aangeven wat hun vooropleiding is. Op basis van het intake formulier stelt de accountant vast of aan de bepaling van artikel 6, lid 2 d over de maximale vooropleiding is voldaan.

5.2.3

Voor deelnemers aan het project bestrijding voortijdig schoolverlaten moet de accountant vaststellen dat de instelling de deelnemer heeft aangemeld bij het RMC-meldpunt (artikel 6 lid 2 e). Hij mag uitgaan van de copie van de aanmeldingsbrief aan het RMC met het bijbehorende deelnemersbestand.

5.2.4

Voor deelnemers aan het project praktijkonderwijs moet vast worden gesteld dat zij 15 jaar of ouder zijn (artikel 6 lid 4). De opgave van de deelnemer van zijn geboortedatum op het intakeformulier mag als juist worden beschouwd.

5.3. Controle op het bereiken van de doelstelling

5.3.1

Voor deelnemers aan het project bestrijding voortijdig schoolverlaten moet worden vastgesteld dat zij gedurende de hele looptijd van het project onderwijs hebben gevolgd dat is gericht op een startkwalificatie, of dat zij gedurende de looptijd van het project een startkwalificatie hebben behaald (artikel 4 lid 1). Dit moet blijken uit de deelnemersregistratie (zie ook artikel 11).

5.3.2

Voor deelnemers aan het project versterking beroepsbegeleidende leerweg moet worden vastgesteld dat zij gedurende de looptijd van het project tenminste één deelkwalificatie hebben behaald (artikel 4 lid 2).

5.3.3

Voor deelnemers aan het project versterking beroepsbegeleidende leerweg moet worden vastgesteld dat een beroepspraktijkvorming overeenkomst aanwezig is waaruit blijkt dat zij gedurende de looptijd van het project een beroepspraktijkvorming plaats hebben verworven (artikel 4 lid 2).

5.4.4

Voor deelnemers aan het project praktijkonderwijs moet uit een arbeidsovereenkomst of een aanstellingsbesluit blijken dat zij aan het eind van het project een arbeidsplaats hebben verworven (artikel 4 lid 3).

5.4. Overige aanwijzingen voor de controle

5.4.1

Voor deelnemers aan alle drie de projecten moet worden vastgesteld dat zij woonachtig zijn in de provincie Flevoland (artikel 6, lid 10). Hierbij mag worden uitgegaan van de opgave door de deelnemer van zijn adres op het intakeformulier.

5.4.2

Voor deelnemers aan alle drie de projecten moet worden vastgesteld dat een door de deelnemer ondertekend intakeformulier is ingevuld ”waaruit blijkt dat de deelnemer voldoet aan de kenmerken zoals opgenomen in artikel 6 en waarin opgenomen de activiteiten die voor de deelnemer worden ondernomen” (bijlage 2).

5.4.3

Voor deelnemers aan alle drie de projecten moet worden vastgesteld dat een door de deelnemer ondertekende ESF deelnemers verklaring aanwezig is (artikel 14, tweede lid).

5.4.4

In artikel 11, lid 5 en bijlage 2 bij de subsidieregeling worden gegevens genoemd die moet worden vastgelegd in de deelnemersadministratie en in de eindrapportage moeten worden opgenomen. Het gaat er om:

  • of een deelnemer al dan niet allochtoon is (het begrip allochtoon is gedefinieerd);

  • of een deelnemer al dan niet woonachtig is in doelstelling -1 gebied (dit begrip is ook gedefinieerd).

Bij de controle mag ervan worden uitgegaan dat de gegevens op het intakeformulier juist zijn.

Bijlage bij het controleprotocol ESF-1 voor onderwijsinstellingen

Opdrachtbevestiging

Elke accountant c.q. accountantsorganisatie kan zijn opdrachtbevestiging (gebaseerd op de Richtlijnen voor de Accountantscontrole) inrichten naar zijn eigen inzicht. Ten behoeve van de controle op de uitvoering van de Subsidieregeling ESF-1 Flevoland voor onderwijsinstellingen dient de accountant ten minste de navolgende paragrafen in zijn opdrachtbevestiging op te nemen.

”Hierbij bevestigen wij de door (naam instelling) aan ons verstrekte opdracht tot controle van de eind-/voortgangsrapportage16 inzake de uitvoering van het project waarvoor middels een projectaanvraag gedateerd ... een verzoek om verlening van subsidie is gedaan/waarvoor door de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen (OCenW) bij beschikking van … kenmerk … tot een maximumbedrag van € …….... subsidie is verleend17. Ten behoeve van de uitvoering van onze controlewerkzaamheden zult u ervoor zorgdragen dat er een administratie wordt gevoerd, die op een zodanig wijze is ingericht, dat op basis daarvan kan worden gecontroleerd of aan de bepalingen van de regelgeving met betrekking tot ESF-1 subsidies is voldaan. U zult ons alle gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het uitvoeren van onze controlewerkzaamheden ter beschikking stellen en desgevraagd informatie verschaffen over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project. Wij zijn bekend met het bestaan van het controleprotocol. Voorts zijn wij ermee bekend dat een kopie van de opdrachtbevestiging naar de minister van OCenW gezonden zal worden ter bevestiging van de toepassing van het controleprotocol. (ondertekening) (plaatsnaam, datering)
  • ^ [1]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [2]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [3]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [4]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [5]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [6]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [7]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [8]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [9]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [10]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [11]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [12]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [13]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [14]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [15]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [16]

    Doorhalen wat niet van toepassing is

  • ^ [17]

    Doorhalen wat niet van toepassing is