Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling samenvoeging van scholen voor het voortgezet onderwijs op 1 augustus 2003 [...] met spreidingsnoodzaak in het voortgezet onderwijs[Regeling vervallen per 01-08-2004.]

Geldend van 01-08-2003 t/m 31-07-2004

Regeling samenvoeging van scholen voor het voortgezet onderwijs op 1 augustus 2003 en aanvullende bekostiging bij nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak in het voortgezet onderwijs

Artikel 1. Bekostigingsbasis, verstrekking overgangsbudget of overgangsformatie bij samenvoeging en aanvullende bekostiging bij nevenvestiging met spreidingsnoodzaak [Vervallen per 01-08-2004]

  • 1 Op een samenvoeging op 1 augustus 2003 van een school voor voortgezet onderwijs met een andere school voor voortgezet onderwijs, al dan niet in een scholengemeenschap, is voor de verstrekking van een overgangsbudget of een overgangsformatie voor zover het scholen met een bekostiging op declaratiebasis betreft, de aanvullende bekostiging genoemd in de bijlage behorende bij deze regeling van toepassing.

  • 2 De aanvullende bekostiging van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak als bedoeld in paragraaf II van de bijlage is van overeenkomstige toepassing op nevenvestigingen die op 1 augustus 2003 worden gevormd aan scholen voor voortgezet onderwijs zonder dat er sprake is van een gelijktijdige samenvoeging van scholen.

Artikel 2. Bekendmaking [Vervallen per 01-08-2004]

Deze regeling zal met de bijlage in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3. Inwerkingtreding en vervallen regeling [Vervallen per 01-08-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2003 en vervalt met ingang van 1 augustus 2004.

Artikel 4. Citeertitel [Vervallen per 01-08-2004]

Regeling samenvoeging van scholen voor het voortgezet onderwijs op 1 augustus 2003 en aanvullende bekostiging bij nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak in het voortgezet onderwijs.

De

minister

van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

M.J.A. van der Hoeven

Bijlage Algemene bepalingen en berekening aanvullende bekostiging, overgangsbudget en overgangsformatie bij samenvoeging van scholen in het voortgezet onderwijs per 1 augustus 2003 [Vervallen per 01-08-2004]

Algemeen [Vervallen per 01-08-2004]

In het voortgezet onderwijs zijn drie combinaties van samenvoeging van scholen mogelijk. Dit komt door het gegeven dat een deel van de scholen een lumpsumbekostiging kent en een deel nog het declaratiestelsel (scholen voor praktijkonderwijs).

In deze regeling zijn de drie combinaties van samenvoeging van scholen in het VO beschreven. De verschillen in overgangsberekeningen (budget of formatie) als mede de duur van het overgangsrecht per samenvoeging zijn ontleend aan de voorheen gemaakte afspraken en aspecten van het specifieke beleid.

De volgende indeling is aangehouden:

1. Paragraaf l:

algemene bepalingen die voor alle samenvoegingen gelden in het voortgezet onderwijs. Daar waar er specifieke bepalingen gelden - zoals in het geval er nog sprake is van scholen met een declaratiebekostiging - zijn deze opgenomen in de betreffende paragraaf.

2. Paragraaf II:

aanvullende bekostiging van nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak.

3. Paragraaf III:

overgangsbudget bij samenvoegingen van scholen in het voortgezet onderwijs met lumpsum bekostiging.

4. Paragraaf IV:

overgangsformatie bij samenvoeging van scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging.

5. Paragraaf V:

overgangsbudget bij samenvoegingen tussen scholen met lumpsumbekostiging en scholen met declaratiebekostiging.

De regeling geldt uitsluitend voor de samenvoegingen per 1 augustus 2003.

Waarin deze regeling wordt gesproken over Igpl of fre wordt bedoeld de landelijke gemiddelde personeelslast respectievelijk de formatierekeneenheid.

Paragraaf I [Vervallen per 01-08-2004]

I.1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-08-2004]

Bestuursoverdracht / besturenfusie

Bij een samenvoeging van scholen voor voortgezet onderwijs die onder twee of meer bevoegde gezagsorganen vallen, kan er sprake zijn van:

a. de overdracht van de instandhouding van de school of scholen die als gevolg van de samenvoeging worden opgeheven aan het bevoegd gezag van de overblijvende school (een zogenoemde bestuursoverdracht), of

b. een fusie van de desbetreffende bevoegde gezagsorganen, waardoor de samen te voegen scholen onder één bevoegd gezag vallen. De scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn, moeten uiterlijk op de samenvoegingdatum onder hetzelfde bevoegde gezag vallen.

Een bestuursoverdracht of een besturenfusie moet daarom uiterlijk op 1 augustus 2003 plaatsvinden.

I.2. Bestuursoverdracht in het bijzonder onderwijs [Vervallen per 01-08-2004]

Wettelijke bepalingen

Met het oog op de samenvoeging van de school vindt de bestuursoverdracht plaats met inachtneming van artikel 50 van de WVO. Daarin is bepaald dat een dergelijke overdracht geschiedt bij notariële akte. In deze akte moet onder andere worden opgenomen dat het bevoegd gezag waaraan wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden benoemt met ingang van de datum van samenvoeging.

De betrekkingen en de voorwaarden zijn opgenomen in de akten van benoeming en moeten dus ook in de nieuw op te maken akten van benoemingen opgenomen worden. Door een bestuursoverdracht gaan alle rechten en plichten, die uit de wet voortvloeien, van rechtswege over van het ‘oude’ bevoegd gezag naar het ‘nieuwe’ bevoegd gezag.

Naast artikel 50 van de WVO moet ook worden voldaan aan de verdere eisen die het burgerlijk recht aan een dergelijke overgang stelt.

Gevolgen voor de rechtspositie

Voor het personeel van de school die wordt overgedragen betekent de bestuursoverdracht dus geen wijziging in de rechtspositie. Wel kan uiteraard de rechtspositie wijzigingen ondergaan als gevolg van bijvoorbeeld algemeen geldende rechtspositionele maatregelen. Van ontslag als gevolg van een bestuursoverdracht is dus over het algemeen geen sprake. Met kan natuurlijk wel zo zijn dat op het moment van samenvoeging personeel om andere redenen wordt ontslagen. Een vrijwillig ontslag kan leiden tot een sanctie op de aangevraagde werkloosheidsuitkering. Dit geldt ook voor een betrokken personeelslid dat, zonder voldoende rechtvaardigingsgrond, vanwege een wijziging van de grondslag van de school een op zichzelf passende betrekking weigert. In hoofdstuk 1, onder 4.2, van de voorlichtingspublicatie ‘Passende arbeid en sanctiebeleid’, AB 94000855 van 15 februari 1994 (Gele katern 1994, 6a) is op dit punt het volgende te lezen:

‘In de onderwijssector kan het voorkomen dat een bevoegd gezag op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag eisen stelt aan zijn werknemers, die gelet op de grondslag en doel van de instelling, nodig zijn voor de vervulling van de functie. Een aangeboden betrekking is dan in beginsel niet passend, indien het aanvaarden van die betrekking in verband met deze godsdienstige of levensbeschouwelijke aspecten, gezien de persoonlijke overtuiging van betrokkene, in redelijkheid van hem niet kan worden gevergd. De vraag of er een rechtvaardigingsgrond is voor het weigeren van een op zichzelf passende betrekking is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. De uitkerende instantie beoordeelt of de aangevoerde rechtvaardigingsgrond al dan niet voldoende is.’

In het geval in de rechtspositieregeling personeel als bedoeld in artikel 38a van de WVO nog aanvullende afspraken gelden bij bestuursoverdracht of samenvoeging van scholen met lumpsumbekostiging zijn deze onverkort van toepassing.

I.3. Bestuursoverdracht waarbij openbaar onderwijs is betrokken [Vervallen per 01-08-2004]

Soorten van overdracht

Onder deze categorie vallen de volgende soorten van bestuursoverdrachten:

a. overdrachten van bijzonder naar openbaar onderwijs of andersom;

b. overdrachten van openbaar naar openbaar onderwijs.

Voorwaarden voor samenvoeging

De bestuursoverdracht van een bijzonder school met het oog op de vorming van een openbare school of de overdracht van openbaar school met het oog op de vorming van een bijzondere school dient te geschieden met analoge toepassing van artikel 50 van de WVO. Dit betekent dus onder andere dat het nieuwe bevoegd gezag het personeel van de over te dragen school of afdeling moet overnemen met alle rechten en plichten die van kracht waren in hun dienstverband met het oude bevoegd gezag. De bestuursoverdracht van openbaar onderwijs geschiedt met inachtneming van artikel 42c van de WVO.

Gevolgen voor de rechtspositie

Als gevolg van een bestuursoverdracht kan een openbare school een bijzondere school worden of andersom. Voor het personeel betekent een dergelijke overdracht dat hun status verandert. Zij kunnen de status van ambtenaar krijgen (in de zin van de Ambtenarenwet) in plaats van die van een werknemer naar burgerlijk recht of anders om.

Deze statuswijziging leidt tot enkele wijzigingen in de rechtspositie (bijvoorbeeld andere beroepsmogelijkheden, andere opzegtermijnen.

Een wijziging van status als gevolg van de bestuursoverdracht of samenvoeging van scholen kan alleen worden doorgevoerd door ontslag en gelijktijdige herbenoeming. Het weigeren van deze herbenoeming kan leiden tot een sanctie op de werkloosheidsuitkering die in verband met het ontslag wordt aangevraagd.

1.4. Verplichtingen ten opzichte van eigen uitkeringsgenietenden [Vervallen per 01-08-2004]

Bij een bestuursoverdracht worden alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de over de dragen school/scholen overgenomen door een ‘nieuw’ bestuur.

Een van deze verplichtingen is de verplichting met betrekking tot de zogeheten ‘eigen wachtgelders’ die werkzaam waren op de over te dragen school/scholen. Voor het voortgezet onderwijs is deze verplichting opgenomen in artikel 96 o van de WVO. Verder gelden de ministeriële regelingen die op dit artikel is gebaseerd. Bij een bestuursoverdracht worden deze eigen wachtgelders van het ‘oude’ bevoegd gezag gezien als eigen wachtgelders van het ‘nieuwe’ bevoegd gezag. Als het ‘oude’ bevoegd gezag na de overdracht blijft bestaan, dan blijven deze wachtgelders ook eigen wachtgelders van dat bevoegd gezag (zie ook paragraaf 5.7 van de beleidsregel CFI/FPV-95/1680 van 1 november 1995 'Toepassing bepaling eigen wachtgelder‘, Gele katern 1995, 26).

I.5. Afvloeiingsregeling [Vervallen per 01-08-2004]

Voor de school die na samenvoeging wordt bekostigd volgens het declaratiemodel geldt dat voordat de samenvoeging feitelijk wordt gerealiseerd, de betrokken bevoegde gezagsorganen toepassing moeten geven aan de bepalingen over de afvloeiingsregeling zoals die vermeld zijn in hoofdstuk I-G van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel

I.6. Voorwaarden voor faciliteiten bij samenvoeging [Vervallen per 01-08-2004]

e faciliteiten die in deze regeling zijn genoemd, worden alleen toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

1. Er moet sprake zijn van daadwerkelijke samenvoeging van twee of meer scholen voortgezet onderwijs. De scholen staan onder beheer van één bevoegd gezag, of vallen uiterlijk op het moment van samenvoeging onder één bevoegd gezag als gevolg van een besturenfusie of bestuursoverdracht. In alle gevallen moet 42c dan wel artikel 50 van de WVO in acht worden genomen.

2. Het personeel dat is opgenomen in de formaties van de scholen die bij samenvoeging zijn betrokken moet eerst, voor zover mogelijk, worden geplaatst in de formatie van de nieuwe school.

3. De samenvoeging moet aan Cfi (BRIN) worden gemeld.

I.7. Procedure [Vervallen per 01-08-2004]

Om voor de faciliteiten als bedoeld in deze regeling in aanmerking te komen, behoeft het schoolbestuur geen aanvraag in te dienen. Het agentschap CFI van het ministerie voert de berekeningen uit en voegt - voor zover van toepassing - de budgetten als bedoeld onder II, III en V respectievelijk de formatierekeneenheden als bedoeld onder IV toe aan de voor de nieuwe school berekende lumpsumbekostiging respectievelijk de formatieomvang uitgedrukt in fre's.

Paragraaf II [Vervallen per 01-08-2004]

II.1. Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak [Vervallen per 01-08-2004]

Aanvullende bekostiging van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak

Indien aan een scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo en vbo of een school voor havo en vwo ingevolge artikel 75, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs een nevenvestiging wordt toegestaan, kan deze scholengemeenschap per nevenvestiging die voldoet aan de hierna genoemde voorwaarden beschikken over een aanvullende bekostiging die overeenkomt met de geldswaarde van één formatieplaats directie en één formatieplaats onderwijsondersteunend personeel (conciërge).

De aanvullende bekostiging vindt plaats volgens de landelijke gemiddelde personeelslast (gpl) onderwijsondersteunend personeel en de voor de schoolsoortgroep, waartoe de scholengemeenschap behoort waaraan de nevenvestiging wordt toegekend, geldende landelijke gpl directie.

Een nevenvestiging komt slechts voor de aanvullende bekostiging in aanmerking indien:

1. de beoogde nevenvestiging zich bevindt op een afstand van tenminste 12 kilometer (gemeten over de weg) van de hoofdvestiging en er binnen een afstand van 12 kilometer van de beoogde nevenvestiging geen overig soortgelijk voortgezet onderwijs van de eigen richting (waaronder nevenvestigingen) aanwezig is;

2. de beoogde nevenvestiging op minder dan 12 kilometer van de hoofdvestiging is gelegen maar het bestaande voedingsgebied zich voor een substantieel deel (ten minste 30%) van de leerlingen uitstrekt tot een afstand van meer dan 15 kilometer van de plaats van de hoofdvestiging. Bovendien dient er binnen een afstand van 12 kilometer van de beoogde nevenvestiging geen overig soortgelijk voortgezet onderwijs van de eigen richting (waaronder nevenvestigingen) aanwezig te zijn.

Is de in de punten 1 en 2 beoogde nevenvestiging ontstaan door samenvoeging dan dient in deze situatie de voorheen zelfstandige school of scholengemeenschap, die als een nevenvestiging van een scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo en vbo of een school voor havo en vwo in aanmerking wil komen, op 1 oktober voorafgaande aan de samenvoeging een omvang van ten minste 120 leerlingen te hebben.

Het recht op de aanvullende bekostiging vervalt vanaf het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het leerlingaantal van de desbetreffende nevenvestiging op 1 oktober minder dan 120 bedraagt. Het recht op de aanvullende bekostiging herleeft vanaf het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het leerlingaantal van de desbetreffende nevenvestiging op 1 oktober weer 120 of meer bedraagt.

Het staat het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap in principe vrij de hoofd- en nevenvestiging fysiek te verplaatsen over een afstand van niet meer dan 3 kilometer (over de weg gemeten). Een bovenbedoelde verplaatsing wordt automatisch goedgekeurd als deze is gemeld aan Cfi (zie paragraaf 2.3.1. van de beleidsregel VO/BOB/2001/28140 in Gele katern nr. 18a deel 2 van 25 juli 2001).

De bovenomschreven verplaatsing van een nevenvestiging kan niet alsnog leiden tot een aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak.

Paragraaf III [Vervallen per 01-08-2004]

III.1. Samenvoeging van scholen met lumpsumbekostiging [Vervallen per 01-08-2004]

De bekostiging

De vaststelling van het personele deel van het lumpsumbudget van een op 1 augustus 2003 door samenvoeging ontstane school of scholengemeenschap geschiedt op basis van het gestelde in de artikelen 84 en 85 van de Wet op het voortgezet onderwijs. De normatieve omvang van het aantal formatieplaatsen wordt verkregen op basis van het Formatiebesluit WVO. Hierbij worden alle geldende opslagen zoals bijvoorbeeld voor frictie, seniorenbeleid, schoolprofielbudget en adv-herbezetting en dergelijke meegeteld.

Overgangsbudget bij samenvoeging van scholen met lumpsum bekostiging

De bekostiging die voor de na samenvoeging ontstane school beschikbaar is (A) en, voor zover van toepassing, verhoogd met de bekostiging in paragraaf II. (B), zal in veel gevallen niet gelijk zijn aan de bekostiging die voor de bij de samenvoeging betrokken scholen gezamenlijk beschikbaar zou zijn geweest volgens de per school geldende vaste aantal formatieplaatsen en ratio's en Igpl-en indien de samenvoeging niet zou hebben plaats gevonden (C).

In het geval ook voor de samenvoeging op of na 1-8-2003 reeds sprake was van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak dan dient C per bestaande nevenvestiging met spreidingsnoodzaak te worden verhoogd met de toegekende bekostiging.

Indien voor de na samenvoeging ontstane school de bekostiging A+B kleiner is dan de bekostiging C wordt het verschil gedurende twee schooljaren beschikbaar gesteld.

Gegevensverstrekking

In het geval bij een samenvoeging als bovenbedoeld vooraf sprake is van op- of afsplitsing van een school resp. een afdeling dan is de regeling ’gegevensverstrekking bij op- en afsplitsing vooraf gaand aan fusie, VO/FB 2000/3763 van 3 februari 2000 (Gele Katern 6/7,2000) onverkort van toepassing.

Paragraaf IV [Vervallen per 01-08-2004]

IV.1. Samenvoeging van scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging [Vervallen per 01-08-2004]

Begripsbepalingen

Hieronder wordt een verklaring gegeven van de in deze paragraaf gebruikte begrippen.

Formatiebesluit

Het Formatiebesluit WVO ( deel II)

Formatiebudget

Wat betreft de praktijkscholen: Het formatiebudget zoals genoemd in artikel 13, eerste lid, van het Formatiebesluit WVO. Dit budget bestaat uit de volgende onderdelen:

a. de formatie voor de vervulling van de reguliere taken (zie echter ook de opmerking hieronder);

b. de formatie voor speciale doeleinden;

c. de groeiformatie;

d. de aanvullende formatie: op grond van artikel 85a van de WVO toegekende of declarabel budget uitgedrukt in fre's;

Eventuele oalt-middelen behoren niet tot het formatiebudget en worden daarom buiten beschouwing gelaten. In het kader van deze regeling geldt dit ook voor eventuele overgangsformatie in verband met splitsing van een voormalige svo-school, formatiegarantie en de via overdracht ontvangen formatierekeneenheden. De formatie voor de vervulling van de reguliere taken bestaat uit de normatieve formatie, de frictieopslag en de opslag voor herbezetting adv.

Formatief aanwezige maxirnumschaal

De voor een normatieve functie geldende maximumschaal, waarbij niet van belang is of het personeelslid dat die functie vervult reeds aanspraak maakt op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat hoort bij die functie en maximumschaal.

Fre's voor de schoolleiding

De fre's genoemd in artikel 25, derde tot en met vijfde lid, van het Formatiebesluit.

Fre-verbruik

Het verbruik van fre's voor een functie die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht (zie artikel I-P78 en I-Q205 van het RPBO voor het bij de verschillende functies behorende verbruik).

Normatieve directiefunctie

Een normfunctie als bedoeld in hoofdstuk I-Q van het RPBO waarvan het fre-verbruik gelijk is aan de fre's die voor die functie in het Formatiebesluit beschikbaar worden gesteld.

IV.2. Overgangsformatierekeneenheden in eerste schooljaar na samenvoeging [Vervallen per 01-08-2004]

Berekening

In veel gevallen zal er een verschil zijn tussen:

1. het aantal formatierekeneenheden (fre's) dat met toepassing van het Formatiebesluit op 1 augustus beschikbaar is voor de school voor praktijkonderwijs die na samenvoeging ontstaat, en

2. het totaal aantal fre's dat aan de scholen voor praktijkonden/vijs die bij de samenvoeging betrokken zijn gezamenlijk op de dag voorafgaande aan de samenvoeging (31 juli) beschikbaar was. Als het aantal fre's ad 2 groter is dan het aantal ad 1, dan wordt het verschil gedurende het schooljaar waarin de samenvoeging plaatsvindt in de vorm van overgangsfre's beschikbaar gesteld aan de school die na samenvoeging ontstaat.

Bij de bepaling van de aantallen fre's ad 1 en ad 2 wordt uitsluitend gekeken naar het formatiebudget zoals dat conform de begripsbepaling in paragraaf IV.1 is vastgesteld. Daarbij wordt dus geen rekening gehouden met eventuele aanvullende formatie, formatiegarantie of overgangsformatie in verband met splitsing van een voormalige svo-school.

Vermindering tijdens schooljaar

Het vastgestelde aantal overgangsfre's wordt verminderd met extra formatie die na de samenvoegingdatum wordt toegekend. Deze vermindering vindt uiteraard pas plaats met ingang van de dag waarop over deze extra formatie beschikt kan worden.

Uitzondering bij vaststelling/vermindering overgangsfre's

Bij de vaststelling van het aantal overgangsfre's op en na de samenvoegingdatum blijft formatie buiten beschouwing die niet onder het formatiebudget in de zin van deze regeling valt, zoals:

a. toekenningen in geld (bijvoorbeeld GO- en vakbondsfaciliteiten) en tegemoetkomingen door het Noodfonds en aanvullende middelen ten behoeve van de omzetting naar praktijkonderwijs;

b. oalt-mlddelen;

c. de middelen die worden toegekend in het kader van het gemeentelijke onderwijsachterstandenplan (de gemeentelijke middelen als bedoeld in artikel 269 van de WVO-deel II zoals luidend op 31 juli 2002). Voor een goed begrip wordt erop gewezen dat onder laatstgenoemde middelen niet wordt verstaan de formatie speciale doeleinden voor bestrijding van onderwijsachterstanden. Deze formatie wordt door het Rijk aan de scholen toegekend en valt onder het formatiebudget in de zin van deze regeling;

IV.3. Overgangsformatierekeneenheden in tweede schooljaar na samenvoeging [Vervallen per 01-08-2004]

In het tweede schooljaar na de samenvoeging kan in sommige situaties ook aanspraak bestaan op overgangsfre's.

Berekeningscomponenten

De voor de berekening relevante componenten zijn de volgende.

X = de formatiebudgetten waarop de bij de samenvoeging betrokken scholen conform de volgens paragraaf IV.2 uitgevoerde berekening, op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging, aanspraak maakten, verminderd met de daarin opgenomen fre's voor de schoolleiding.

Y = het fictieve formatiebudget op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging, van de school voor praktijkonderwijs die na samenvoeging ontstaat, verminderd met de daarin opgenomen fre's voor de schoolleiding. Dit formatiebudget is fictief in de zin dat dit wordt vastgesteld als zouden de bij de samenvoeging betrokken scholen en afdelingen op 31 juli al één school voor praktijkonderwijs hebben gevormd. Bij de vaststelling van dit fictieve formatiebudget wordt uitgegaan van de som van de aantallen leerlingen op 1 oktober voorafgaand aan de samenvoeging. Als bij een school sprake is van toepassing van de groeiregeling tijdens het schooljaar voor de samenvoeging worden de leerlingen van de desbetreffende groeitelling gebruikt voor de vaststelling van het formatiebudget.

Z = het formatiebudget waarop de school voor praktijkonderwijs die na de samenvoeging ontstaat op 1 augustus van het tweede schooljaar na de samenvoeging aanspraak maakt, verminderd met de daarin opgenomen fre's voor de schoolleiding.

Q = het aantal overgangsfre's waarop in het tweede schooljaar na de samenvoeging aanspraak kan worden gemaakt.

Voorwaarde voor toekenning

Alleen in de situatie dat Z kleiner is dan X kan aanspraak worden gemaakt op overgangsfre's.

Berekeningswijze

Als aan deze voorwaarde is voldaan, dan moeten voor de vaststelling van Q de volgende berekeningen worden uitgevoerd.

1. Bereken het verschil tussen X en Y en neem daarvan de helft;

2. Bereken het verschil tussen X en Z en neem daarvan de helft.

De uitkomst van deze berekeningen wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal fre's.

Q is gelijk aan de laagste uitkomst van deze twee berekeningen; als de uitkomst van beide berekeningen gelijk is, kan één van de uitkomsten worden gebruikt.

Vermindering tijdens schooljaar

Het vastgestelde aantal overgangsfre's wordt verminderd met de extra formatie die wordt toegekend in het tweede schooljaar na de samenvoeging. Deze vermindering vindt uiteraard pas plaats met ingang van de dag waarop over de extra formatie beschikt kan worden.

Uitzondering bij vaststelling/vermindering

Bij de vaststelling van het aantal overgangsfre's op en na 1 augustus van het tweede schooljaar na de samenvoeging, blijft de formatie buiten beschouwing die niet onder het formatiebudget in de zin van deze regeling valt.

IV.4. Extra overgangsformatie-rekeneenheden directie in het schooljaar waarin de samenvoeging plaatsvindt [Vervallen per 01-08-2004]

Voorwaarde en berekening

De samenvoeging kan ertoe leiden dat voor de directeur en/of lera(a)r(en) tevens adjunct-directeur van de school die na samenvoeging ontstaat, een normatieve directeurs-, respectievelijk adjunct-directeursfunctie beschikbaar komt met een hogere maximumschaal dan de hoogste schaal die in de desbetreffende functie formatief aanwezig was voor de bij de samenvoeging betrokken scholen (zie paragraaf IV.8 voor de inschaling van de betrokken directieleden). In dat geval wordt een vergelijking gemaakt tussen het aantal fre's dat voor en na de samenvoeging bij de desbetreffende functie(s) hoorde. Het verschil wordt gedurende het schooljaar waarin de samenvoeging plaatsvindt, in de vorm van extra overgangsfre's beschikbaar gesteld aan de samengevoegde school. Het aantal fre's dat bij een normatieve directiefunctie hoort, is gelijk aan het voor die functie geldend fre-verbruik.

Grondslag berekening en vermindering extra overgangsfre's

Bepalend voor de vaststelling van de normatief beschikbare directiefuncties (en het bijbehorende fre-verbruik) aan de school voor praktijkonderwijs die na de samenvoeging ontstaat, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het eerste schooljaar na de samenvoegingdatum. De extra overgangsfre's waarop recht bestaat, worden niet verminderd met extra formatie die na de samenvoegingdatum beschikbaar komt.

Bijzondere bepalingen

Wanneer er aan de scholen voor praktijkonderwijs die bij de samenvoeging betrokken zijn op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging geen normatieve adjunct-directeursfuncties beschikbaar waren, kan géén aanspraak worden gemaakt op extra overgangsfre's voor een normatieve adjunct-directeursfunctie die beschikbaar komt aan de school die na samenvoeging ontstaat. In deze situatie moet immers de directeur die geen directeur wordt van de school die na samenvoeging ontstaat in de normatieve functie van leraar tevens adjunct-directeur worden benoemd

IV.5. Rechtspositionele consequenties van samenvoeging en freverbruik na samenvoeging in een school voor praktijkonderwijs [Vervallen per 01-08-2004]

Vaststelling formatie na samenvoeging

Het bevoegd gezag van de school die na samenvoeging ontstaat, stelt de formatie van de nieuwe school vast met inachtneming van de ter zake geldende voorschriften, waaronder tevens de voorschriften voor het DGO en de medezeggenschap. Zoals al is vermeld moet het personeel dat is opgenomen in de formaties van de scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn, voor zover mogelijk worden geplaatst in de formatie van de school die na samenvoeging ontstaat. Daarna worden de scholen in voorkomend geval geacht te zijn opgeheven. Dit houdt in dat bij de toepassing van de voorschriften over de formatievaststelling (zoals die zijn opgenomen in de artikelen I-P76 en I-P77 van het RPBO) de formaties van alle scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn, worden geacht deel uit te maken van de formatie zoals die in het schooljaar voorafgaande aan de samenvoeging gold voor de school die na samenvoeging ontstaat. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bevoegd gezag in de formatie van de school voor praktijkonderwijs die na samenvoeging ontstaat in elk geval de functies moet opnemen van de personeelsleden die reeds in het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging waren opgenomen in de structureel gewenste formatie van de scholen en afdelingen die bij de samenvoeging betrokken zijn en in vaste dienst benoemd waren. Dit betreft ook de nieuwe functies van de ex-directeur(en) en ex-lera(a)r(en) tevens adjunct-directeur (zie ook artikel I-P76, derde lid, van het RPBO). Bij de besteding van de overgangsfre's zal het bevoegd gezag rekening moeten houden met het feit dat deze fre's tijdelijk beschikbaar worden gesteld. Dit kan aanleiding zijn een deel van de formatie als risicodragend aan te merken. Als het wegvallen van overgangsfre's tot formatieve fricties leidt, kan het bevoegd gezag een beroep doen op het Noodfonds. Wel moet in die situaties zijn voldaan aan de voorwaarden in het reglement van dat fonds.

Herplaatsing personeel

De samenvoeging is op zichzelf geen reden voor ontslag, tenzij de samenvoeging gepaard gaat met een wijziging van openbaar naar bijzonder onderwijs, of andersom (zie paragraaf 1.3 van deze regeling). Het personeel dat in vaste dienst is benoemd, blijft in principe benoemd in dezelfde functie (zie artikel I-P76, derde lid, van het RPBO). Deze regel geldt echter niet voor de directeur(en) en de lera(a)r(en) tevens adjunct-directeur voor wie aan de school die na samenvoeging ontstaat - of aan een andere door hetzelfde bevoegd gezag beheerde gelijksoortige school - geen directeursfunctie, respectievelijk adjunct-directeursfunctie beschikbaar is. De rechtspositionele consequenties van de samenvoeging voor deze (ex-)directieleden zullen hieronder in paragraaf IV.6 en IV.7 worden besproken. De samenvoeging als zodanig brengt voor andere personeelsleden dan (ex-)directieleden geen wijziging in de functie met zich mee. Ook niet voor personeelsleden die in voorkomende gevallen in het kader van functiedifferentiatie in een niet-normfunctie zijn benoemd. Dit laat dus onverlet de beëindiging van het dienstverband op het moment van samenvoeging op andere gronden dan aan de samenvoeging ontleend (bijvoorbeeld door de afloop van projectformatie).

Voor een goed begrip wordt erop gewezen dat oalt-leraren bij een samenvoeging van scholen dezelfde positie innemen als het overige personeel van de scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn. Bij een bestuursoverdracht geldt dus ook voor dit personeel dat in een notariële akte moet worden opgenomen dat het bevoegd gezag waaraan wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden benoemt met Ingang van de datum van samenvoeging. Daarnaast geldt ook voor oalt-leraren het voorschrift dat personeel dat is opgenomen in de formaties van de scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn, voor zover mogelijk moet worden geplaatst in de formatie van de school die na samenvoeging ontstaat. Vanzelfsprekend gelden deze voorschriften alleen voor oalt-leraren die benoemd zijn bij de bevoegde gezagsorganen die het betreft. De bepalingen zoals die zijn neergelegd in hoofdstuk V-R en V-S van het RPBO blijven onverkort gehandhaafd. Voor alle duidelijkheid wordt er nog op gewezen dat de voorliggende regeling uitsluitend van toepassing is op personeelsleden die hun rechtspositie ontlenen aan het RPBO.

Beëindiging dienstverband

Uiteraard sluit het bovenstaande niet uit dat het dienstverband op het moment van samenvoeging wordt beëindigd op andere gronden dan die aan de samenvoeging ontleend (bijvoorbeeld afloop van tijdelijk dienstverband, opheffing van de betrekking of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd). Wanneer een dienstverband wordt beëindigd, moeten de normale regels voor opzegging in acht worden genomen. Daarbij staan de gebruikelijke beroepsmogelijkheden open. Wanneer de betrokken personeelsleden aan alle vereisten voldoen, kunnen zij desgewenst in verband met de beëindiging van hun dienstbetrekking aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering. Het Participatiefonds (PF) beoordeelt aan de hand van de zogenaamde instroomtoets, of de met deze uitkering gemoeide kosten door het PF worden vergoed.

IV.6. Salarisgaranties (ex-)directieleden [Vervallen per 01-08-2004]

Begripsbepaling salarisgarantie

Een personeelslid dat op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging was benoemd in de functie van directeur of leraar tevens adjunct-directeur aan één van de bij de samenvoeging betrokken scholen en wiens dienstverband op de samenvoegingdatum wordt voortgezet in dezelfde of in een andere functie bij het bevoegd gezag van de school die na samenvoeging ontstaat, heeft recht op een salarisgarantie. Dit personeelslid behoudt in de functie waarin hij op de samenvoegingdatum wordt benoemd ten minste aanspraak op salariëring volgens het functieniveau (d.w.z. de maximumschaal en het carrièrepatroon) dat op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging voor hem gold. Een personeelslid dat op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging in de functie van directeur was benoemd, heeft in plaats hiervan ten minste recht op salariëring volgens het functieniveau dat op die datum reeds twee jaar formatief voor hem aanwezig was, wanneer dit niveau hoger was dan het niveau dat op die datum voor hem gold (zie paragraaf IV.1 voor een begripsbepaling van ‘formatief aanwezig’).

Geldigheidsduur salarisgarantie

De salarisgarantie geldt zolang het betrokken personeelslid in dezelfde functie benoemd blijft bij het bevoegd gezag van de school die na samenvoeging ontstaat voor de functies waarin personeelsleden als hier bedoeld op de samenvoegingdatum geplaatst kunnen / moeten worden. Ook in de volgende situaties blijft de salarisgarantie behouden:

a. wanneer het personeelslid bij het bevoegd gezag van de school die na samenvoeging ontstaat, op de samenvoegingdatum wordt benoemd in de functie van leraar tevens adjunct-directeur en hij, als gevolg van de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie, niet langer als zodanig benoemd kan blijven (zie artikel I-Q306 jo artikel I-Q307, tweede lid, van het RPBO).

b. wanneer het personeelslid na de datum van samenvoeging bij hetzelfde of bij een ander bevoegd gezag een functie aanvaardt waarvan het salarisniveau meer in overeenstemming is met dat van de functie waarop de garantie is gebaseerd, en wel voor de duur van die benoeming. Wanneer deze benoeming in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de salarisgarantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een andere functie waarvan het salarisniveau ten minste gelijk is aan dat van de op de datum van samenvoeging vervulde functie.

Bij een benoeming als leraar tevens adjunct-directeur is het gestelde in de voorgaande alinea van overeenkomstige toepassing.

c. wanneer de ex-directeur binnen drie jaar na de datum van samenvoeging aan een andere school bij hetzelfde of een ander bevoegd gezag een functie aanvaardt waarvan het salarisniveau niet lager is dan dat van de normfunctie leraar. De salarisgarantie blijft ook behouden als de ex-directeur op de samenvoegingdatum zelf een functie aanvaardt die voldoet aan de eis die hiervoor is genoemd. Van aanvaarding van een functie bij hetzelfde bevoegd gezag aan een andere school is bijvoorbeeld sprake in het volgende geval. In verband met een samenvoeging wordt een ex-directeur benoemd als adjunct-directeur van de samengevoegde school. Dit personeelslid besluit vervolgens een functie als leraar te aanvaarden waarbij de aanwijzing geldt dat hij werkzaamheden zal verrichten aan één of meer andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag.

Als de benoeming in die functie plaatsvindt binnen 3 jaar na de datum van samenvoeging behoudt de betrokkene zijn salarisgarantie. Verder kan zich de situatie voordoen dat een ex-directeur wordt benoemd als leraar aan de samenvoegde school en vervolgens uit hoofde van zijn bestuursaanstelling met werkzaamheden wordt belast aan een of meer andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag. In dat geval blijft de betrokkene in dezelfde functie benoemd. De verandering van school heeft daarom geen gevolgen voor zijn salarisgarantie. De garantie blijft dus ook behouden als die verandering plaatsvindt nadat sinds de samenvoeging drie jaren zijn verstreken.

15-jaarsuitzicht

De aanspraak op bezoldiging volgens een in het kader van het HOS-overgangsrecht vastgesteld 15-jaarsuitzicht blijft onverkort van kracht.

IV.7. Omzetting functie/nieuwe functie ex-directieleden [Vervallen per 01-08-2004]

Directieleden die niet worden benoemd in dezelfde functie

Voor de directeur van een school die bij een samenvoeging betrokken is, die geen directeur wordt van de school die na samenvoeging ontstaat, brengt de samenvoeging mee dat zijn betrekking moet worden opgeheven. Hij heeft met ingang van de samenvoegingdatum recht op een nieuwe functie waarvan het niveau zoveel mogelijk overeenkomt met dat van zijn oude functie. Dit niveau is echter ten minste gelijk aan het niveau van de normfunctie leraar.

Het voorgaande is overeenkomstig van toepassing op de leraar tevens adjunct-directeur die niet in dezelfde functie benoemd kan blijven als gevolg van de formatie die is vastgesteld voor de school die na samenvoeging ontstaat. Zijn benoeming in die functie kan echter zonder voorafgaand ontslag worden gewijzigd in een benoeming als leraar (zie artikel I-Q307, tweede lid, juncto I-Q306 van het RPBO, respectievelijk de salarisgarantie waarop de betrokkene recht heeft).

Handhaving benoeming

Een ontslag van een directeur, of een ontslag dan wel wijziging van de benoeming van een leraar tevens adjunct-directeur, blijft uit wanneer het bevoegd gezag nog één of meer andere gelijksoortige scholen beheert waaraan op de samenvoegingdatum een gelijksoortige directiefunctie vacant is waarvan het niveau gelijk is aan dat van de functie die het overtollige directielid vervulde.

In dat geval zal dat directielid uit hoofde van zijn bestuursbenoeming bij het bevoegd gezag in die vacante functie moeten worden geplaatst.

Vrije keuze directieleden

De positie van de directeuren van de scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn, is gelijk. Het bevoegd gezag is dan ook vrij in de keuze van de directeur van de school die na samenvoeging ontstaat. Die keuze is uiteraard beperkt tot de directeuren van de scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op de leraren tevens adjunctdirecteur van de bij de samenvoeging betrokken scholen. Zij komen bij voorrang in aanmerking voor een functie van leraar tevens adjunct-directeur aan de school die na samenvoeging ontstaat. Het aantal functies (leraar tevens adjunct-directeur) waarvoor zij in aanmerking komen, is ten minste gelijk aan het aantal volgens de normatieve formatie op grond van het Formatiebesluit.

Wanneer een functie in deze formatie onvervuld blijft, moet daarin een directeur worden benoemd die geen directeur wordt van de school die na samenvoeging ontstaat.

Deze verplichting geldt echter niet als het een directeur betreft die op de samenvoegingdatum aan een andere school bij hetzelfde of een ander bevoegd gezag een functie aanvaardt waarvan het salarisniveau niet lager is dan dat van de normfunctie leraar. Een leraar tevens adjunct-directeur die aanspraak maakt op voortzetting van zijn benoeming aan de school die na samenvoeging ontstaat, kan, als het bevoegd gezag daarmee instemt, op de datum van samenvoeging zijn functie zonder gevolgen voor zijn salarisgarantie vrijwillig afstaan aan één van de ex-directeuren.

Bovenschoolse directeur

De mogelijkheid bestaat dat de directeur van een andere school die niet bij de samenvoeging betrokken is tevens directeur wordt van de school die na samenvoeging ontstaat. Voorwaarde voor benoeming van een dergelijke ‘bovenschoolse’ directeur is dat alle directeuren van de scholen die bij de samenvoeging betrokken zijn, hiermee moeten instemmen. Deze voorwaarde geldt echter niet als, niettegenstaande de benoeming van een bovenschoolse directeur, één van de directeuren die bij de samenvoeging betrokken is directeur wordt van de school die na samenvoeging ontstaat.

Wel moet in dat geval sprake zijn van benoeming in de directeursfunctie welke voor die school normatief aanwezig is. In die situatie is de paragraaf over het verhoogd fre-verbruik niet van toepassing.

IV.8. Inpassing/bezoldiging directieleden [Vervallen per 01-08-2004]

Als gevolg van een wijziging in de schoolgrootte op de samenvoegingdatum (1 augustus) kan voor de directeur of leraar tevens adjunct-directeur van de school die na samenvoeging ontstaat een functie met een hogere maximumschaal gaan gelden dan die welke op de dag voor de samenvoeging voor hem gold dan wel formatief beschikbaar was. In dat geval wordt het betrokken directielid -in afwijking van artikel I-Q106 van het RPBO- vanaf de dag van de samenvoeging bezoldigd volgens het carrièrepatroon dat bij die hogere maximumschaal behoort. Bij de inschaling wordt -in afwijking van I-P14, tweede lid, van het RPBO- een bevorderingsperiodiek toegekend.

Betrokkene houdt een blijvende aanspraak op de hogere maximumschaal als deze gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren aan de na de samenvoeging ontstane school beschikbaar is geweest, of als zijn bezoldiging feitelijk volgens die maximumschaal wordt vastgesteld. Grondslag voor de vaststelling van de directiefuncties (en de bijbehorende maximumschalen) die op de samenvoegingdatum normatief beschikbaar zijn aan de school die na samenvoeging ontstaat, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het eerste schooljaar na de samenvoeging. Als de inschaling volgens de salarisgarantie tot een hogere bezoldiging leidt dan de inschaling volgens deze paragraaf, geldt de inschaling volgens de salarisgarantie.

IV.9. Formatierekeneenheden verbruik [Vervallen per 01-08-2004]

Formatierekeneenhedenverbruik (ex-)directieleden

Het fre-verbruik voor een personeelslid als bedoeld in paragraaf IV.6 wordt als volgt vastgesteld.

Gedurende het eerste schooljaar van de samenvoeging is het fre-verbruik gelijk aan het aantal fre's dat behoort bij de functie waarop de salarisgarantie (niet zijnde een HOS-garantie) van dat personeelslid is gebaseerd. Wanneer dat aantal echter lager is dan het aantal fre's dat behoort bij de functie na de samenvoeging, wordt van het laatstbedoelde aantal fre's uitgegaan. Vanaf het tweede schooljaar na de samenvoeging wordt het fre-verbruik - overeenkomstig het bepaalde in artikel I-P78 van het RPBO - vastgesteld op basis van de functie waarin de betrokkene na de samenvoeging is benoemd. Het hoger fre-verbruik voor ex-leraren tevens adjunct-directeur als bedoeld in artikel I-R306 van het RPBO, is niet van toepassing wanneer de normatief beschikbare functies van leraar tevens adjunct-directeur op de samenvoegingdatum zijn toegedeeld. Dit betekent dat de leraar tevens adjunct-directeur wiens benoeming op de samenvoegingdatum is gewijzigd in een benoeming als leraar omdat voor hem geen normatieve adjunct-directeursfunctie beschikbaar was, met ingang van het tweede schooljaar na de samenvoeging het fre-verbruik heeft van een leraar. De salarisgarantie van de betrokkene blijft behouden.

Formatierekeneenhedenverbruik (ex-)directieleden bij benoeming ‘bovenschoolse’ directeur

Wanneer de directeur van een andere school die niet bij de samenvoeging is betrokken tevens (‘bovenschoolse’) directeur wordt van de school die na samenvoeging ontstaat, wordt het fre-verbruik voor de ex-directeuren als volgt vastgesteld. Het fre-verbruik wordt vastgesteld volgens de regels als hiervoor beschreven met dit verschil dat het fre-verbruik voor één van de ex-directeuren ook na afloop van het eerste schooljaar na de samenvoeging ten minste gebaseerd blijft op het aantal fre's dat behoort bij de functie waarop de salarisgarantie van de betrokkene is gebaseerd.

Wanneer de ex-directeuren op de dag voor de samenvoeging functies met verschillende maximumschalen vervulden, wordt deze regel toegepast op de functie met de hoogste maximumschaal. Deze regel blijft van kracht zolang de betrokken ex-directeur feitelijk van zijn salarisgarantie gebruik maakt. De regel vervalt zodra één van de ex-directeuren alsnog directeur wordt van de school die na samenvoeging ontstaat. Deze regel moet voorkomen dat de benoeming van een bovenschoolse directeur in het hierboven bedoelde geval voor het Rijk tot extra kosten leidt.

In vergelijking met de situatie dat geen bovenschoolse directeur zou zijn benoemd, bestaan deze kosten met ingang van het tweede schooljaar na de samenvoeging uit het verschil tussen het fre-verbruik behorende bij de salarisgarantie van de niet-benoemde ex-directeur en het fre-verbruik behorende bij de functie waarin deze ex-directeur na de samenvoeging is benoemd. Deze regel is van toepassing op de ex-directeur met de hoogste salarisgarantie. In een situatie waarin twee of meer ex-directeuren een functie vervulden met dezelfde hoogste maximumschaal moet het bevoegd gezag zelf de ex-directeur aanwijzen waarop de regel van toepassing is. Het bevoegd gezag kan niet meer terugkomen op een eenmaal gemaakte keuze.

Voorbeeld

Twee scholen, school A en school B, worden samengevoegd tot school AB. Aan school AB wordt een bovenschoolse directeur verbonden, die niet afkomstig is van de scholen A of B. De ex-directeuren van school A en B worden op de samenvoegingdatum benoemd als leraar. Op de dag voor de samenvoeging was voor de ex-directeur van school A een normatieve directeursfunctie beschikbaar met maximumschaal 11. Voor de ex-directeur van school B was een directeursfunctie beschikbaar met maximumschaal 12. Beide ex-directeuren hebben recht op een salarisgarantie volgens de maximumschaal die op de dag voor de samenvoeging beschikbaar was. Het fre-verbruik voor beide ex-directeuren wordt in het eerste schooljaar na de samenvoeging gebaseerd op het aantal fre's dat hoorde bij de functie op de dag voor de samenvoeging. Voor de ex-directeur van school A bedraagt dat verbruik 227 fre's (maximumschaal 11). Voor de ex-directeur van school B bedraagt dat verbruik 251 fre's (maximumschaal 12). Met ingang van het schooljaar volgend op het schooljaar waarin de samenvoeging plaatsvond, blijft het fre-verbruik voor de ex-directeur die de functie met de hoogste maximumschaal vervulde (schaal 12), gehandhaafd op het aantal fre's dat bij die functie hoorde, te weten: 251 fre's. Het fre-verbruik voor de andere ex-directeur wordt vanaf dat schooljaar vastgesteld op 195 fre's, zijnde het aantal fre's dat hoort bij de functie van leraar waarin de betrokkene per de samenvoegingdatum is benoemd.

Paragraaf V. Samenvoeging van scholen voor voortgezet onderwijs met lumpsum bekostiging met een school voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging. [Vervallen per 01-08-2004]

V.1. Algemeen [Vervallen per 01-08-2004]

Deze paragraaf bevat de wijze van vaststelling van een overgangsbudget in verband met samenvoeging van een vo-school met een school voor praktijkonderwijs (ex svo) met declaratiebekostiging die op 1 augustus 2003 plaatsvindt. De berekening vindt In tegenstelling tot de samenvoegingen bedoeld in paragrafen III en IV niet plaats op basis van de gegevens in het schooljaar van samenvoeging maar op die van het schooljaar ervoor. Hiermee wordt het mogelijk declaratie-uitkomsten beter om te zetten naar het lumpsum systeem.

Op een afdeling praktijkonderwijs, ontstaan uit een samenvoeging van een vo-school met een school voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging (ex svo), zijn ten aanzien van de bekostiging en rechtspositie de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de WVO, deel l, van toepassing voor zover deze voorschriften betrekking hebben op de school of scholengemeenschap waaraan de afdeling is verbonden. De vaststelling van de vergoeding van een op 1 augustus 2003 door samenvoeging ontstane school of scholengemeenschap geschiedt wat betreft het personele deel ingevolge het Formatiebesluit W.V.O.

V.2. Grondslagen berekening omvang formatie afdeling praktijkonderwijs [Vervallen per 01-08-2004]

1. Voor de afdeling praktijkonderwijs, ontstaan na een samenvoeging als bedoeld onder paragraaf V.1, wordt een vast aantal formatieplaatsen ter beschikking gesteld. Dit aantal formatieplaatsen is voor de verschillende schoolsoortgroepen als volgt:

a. schoolsoortgroep 1:1,23 formatieplaatsen,

b. schoolsoortgroep 4:0,29 formatieplaatsen;

2. De berekening van het leerlingafhankelijke aantal formatieplaatsen van de personeelscategorie leraren genoemd in artikel 3 van het Formatiebesluit W.V.O., geschiedt voor de afdeling praktijkonderwijs met de ratio 1/11,00.

3. De berekende lerarenformatie ten behoeve van het praktijkonderwijs blijft bij de toepassing van artikel 6, tweede lid, van het Formatiebesluit W.V.O., buiten beschouwing.

4. Het aantal leerlingen praktijkonderwijs blijft bij de toepassing van artikel 6, derde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. buiten beschouwing.

V.3. Besteding van vergoeding afdeling praktijkonderwijs overeenkomstig doel [Vervallen per 01-08-2004]

1. Onverminderd de artikelen V.4 en V.5 moet de met toepassing van artikel V.2 berekende personele vergoeding ten behoeve van de lerarenformatie voor het praktijkonderwijs, in ieder geval wat betreft de in het tweede lid bedoelde vergoeding worden besteed aan het onderwijs ten behoeve van de leerlingen van het praktijkonderwijs.

2. De vergoeding bedoeld in het eerste lid betreft de uitkomst van de formule A x B, waarbij:

A = voor het praktijkonderwijs: de som van het aantal formatieplaatsen berekend op grond van artikel V.2, tweede lid, en het vast aantal formatieplaatsen bedoeld in artikel V.2, eerste lid, onder a, dan wel b.

B = de voor de school van toepassing zijnde gemiddelde personeelslast van de lerarenformatie.

V.4. Verhoging personele vergoeding lerarenformatie bij toename aantal leerlingen afdeling praktijkonderwijs [Vervallen per 01-08-2004]

1. Het met toepassing van het artikel V.2 berekende aantal formatieplaatsen voor de leraren wordt opnieuw berekend, indien het verschil tussen:

a. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar waarvoor de bedoelde formatieplaatsen zijn berekend en

b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar voorafgaand aan het onder a bedoelde schooljaar, gelijk is aan of groter dan 14.

2. Indien in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de in het artikel V.2 bedoelde formatieplaatsen zijn berekend, toepassing is gegeven aan artikel V.5, wordt in afwijking van het eerste lid het aantal formatieplaatsen, bedoeld in artikelen V.2 opnieuw berekend, indien het verschil tussen:

a. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar waarvoor de in de artikel V.2 bedoelde formatieplaatsen zijn berekend en

b. het aantal leerlingen op 16 januari van het voorafgaande schooljaar, gelijk is aan of groter dan 14.

3. Aanspraak op vergoeding van het aantal formatieplaatsen berekend met het hogere aantal leerlingen, bedoeld in respectievelijk het eerste lid, onder a, en het tweede lid, onder a, ontstaat met ingang van 1 januari van het schooljaar waarvoor de in artikel V.2 bedoelde formatieplaatsen zijn berekend.

V.5. Herberekening vergoeding voor personeelscategorie leraren bij aanzienlijke tussentijdse toename aantal leerlingen afdeling praktijkonderwijs (ex svo) [Vervallen per 01-08-2004]

1. Indien het verschil tussen:

a. het aantal leerlingen op 16 januari van het schooljaar waarvoor de met toepassing van artikelen V.2 bedoelde formatieplaatsen zijn berekend en

b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het onder a bedoelde schooljaar, gelijk is aan of groter dan 7, wordt het aantal formatieplaatsen voor de lerarenformatie opnieuw berekend.

2. Aanspraak op vergoeding voor de lerarenformatie, berekend met het hogere aantal leerlingen bedoeld in het eerste lid, onder a, ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar volgend op het in het eerste lid bedoelde schooljaar.

V.6. Berekening aantal leerlingen op teldatum t-1 ten behoeve van de samengevoegde school [Vervallen per 01-08-2004]

1. Voor de toepassing van artikel 8, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit W.V.O. wordt ten behoeve van de vergoeding van het eerste schooljaar van de samenvoeging uitgegaan van de som van het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het eerste schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de samenvoeging plaatsvindt, als werkelijk schoolgaand was ingeschreven op de scholen die de samenvoeging aangaan.

2. Voor de school voor vbo, waaraan een afdeling voor praktijkonderwijs is verbonden, blijven het aantal formatieplaatsen voor leraren voor de afdeling praktijkonderwijs bij de toepassing van artikel 6, tweede lid, van het Formatiebesluit W.V.O. en het aantal leerlingen praktijkonderwijs voor de toepassing van artikel 6, derde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. buiten beschouwing.

V.7. Berekening gewogen gemiddelde leeftijd leraren op 1 oktober ten behoeve van het eerste schooljaar van de samenvoeging [Vervallen per 01-08-2004]

1. In afwijking van artikel 14, eerste lid, van bet Bekostigingsbesluit W.V.O. doet het bevoegd gezag van een praktijkschool met declaratiebekostiging ten behoeve van de vergoeding voor het eerste schooljaar van de samenvoeging vóór 20 januari daaraan voorafgaand, mededeling van de in artikel 85, vierde lid, tweede volzin, van de WVO bedoelde gewogen gemiddelde leeftijd van de personeelscategorie leraren van die school op 1 oktober van het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging.

2. De gemiddelde personeelslast van de leraren van de samenvoegde school wordt in het eerste schooljaar van de samenvoeging berekend met toepassing van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 85, vijfde lid, van de WVO.

V.8. Berekening van de personele vergoeding voor het eerste jaar van de samenvoeging in verband met anderstalige leerlingen [Vervallen per 01-08-2004]

De vaststelling van de vergoeding voor de personeelskosten van de samengevoegde school in verband met anderstalige leerlingen vindt, in afwijking van artikel V1, voor het eerste schooljaar van de samenvoeging plaats op grond van de formule A x Z, waarbij:

A = (B + C) x D, waarbij:

B= het aantal formatieplaatsen ten behoeve van het onderwijs aan leerlingen praktijkonderwijs met niet-Nederlandse culturele achtergrond dat berekend wordt voor de school voor praktijkonderwijs, indien deze school in dat schooljaar niet zou zijn samengevoegd.

Dit aantal formatieplaatsen wordt berekend door het met toepassing van artikel 34 van het Formatiebesluit WVO berekende aantal formatierekeneenheden dat voor de school voor praktijkonderwijs wordt vastgesteld ten behoeve van het onderwijs aan leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, indien deze school in dat schooljaar niet zou zijn samengevoegd:

1. voor een scholengemeenschap voor (vwo)/havo/mavo/vbo te delen door de factor 211.

2. voor een scholengemeenschap (ath/vwo/lyceum)/havo/mavo te delen door de factor 221.

3. voor een school voor vbo of mavo, dan wel een scholengemeenschap voor vbo/mavo te delen door de factor 195.

De uitkomst van de deling wordt afgerond op vier decimalen, waarbij de vierde decimaal met 1 wordt verhoogd, indien de vijfde decimaal 5 of hoger is;

C= het ingevolge de vigerende bepalingen berekende aantal formatieplaatsen in verband met anderstalige leerlingen van de afzonderlijke school voor voortgezet onderwijs exclusief de vigerende opslagpercentages, indien deze school in dat schooljaar niet zou zijn samengevoegd met een school voor praktijkonderwijs;

D= de voor het schooljaar van de samenvoeging vigerende opslagpercentages ten behoeve van de formatie anderstalige leerlingen, ingevolge artikel 4, eerste lid onder b, van het Formatiebesluit W.V.O.;

Z= de vigerende gemiddelde personeelslast van de leraren die behoort bij de samengevoegde school.

V.9. Instellingsaccountantscontrole van de cumi-telling en op leerlingenadministratie vereiste documenten [Vervallen per 01-08-2004]

Voor het eerste schooljaar van de samenvoeging geldt bij de controle van de telling van de anderstalige leerlingen, in afwijking van de regeling administratie leerlinggegevens WVO, kenmerk CFI/FJR-95/5648N (Uitleg OCenW-Regelingen 29, 29-11-1995), voor de groep leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, op grond waarvan de in artikel V.8, onder B genoemde formatie wordt berekend, het volgende. De samengevoegde school moet met betrekking tot de gegevens van die groep leerlingen voldoen aan de bepalingen, zoals deze op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging ingevolge de WVO, deel II, zoals luidend op 31 juli 2002, van toepassing waren. Voor de groep anderstalige leerlingen op grond waarvan de in artikel V.8, onder C bedoelde formatie van de afzonderlijke school voor voortgezet onderwijs is berekend, blijven de voorschriften ingevolge de WVO, deel l, zoals luidend op 31 juli 2002, van toepassing.

V.10. Overgangsbudget ten behoeve van scholen voor voortgezet onderwijs met lumpsum bekostiging na samenvoeging met een school voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging [Vervallen per 01-08-2004]

Bij een samenvoeging van een school voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging en een school voor mavo of vbo, al dan niet in een scholengemeenschap met andere scholen, wordt een overgangsbudget vastgesteld als bedoeld in artikel V.11 van deze regeling.

V.11. Berekening en vaststelling overgangsbudget [Vervallen per 01-08-2004]

V.11.1. Verschil in personele bekostiging voor en na de fusie

De vaststelling van het eenmalig vast te stellen personele overgangsbudget van een op 1 augustus door samenvoeging ontstane vo-school of scholengemeenschap met een afdeling praktijkonderwijs geschiedt volgens de formule:

(A + B) - C = D waarbij:

A = De personele uitgaven van de bij de samenvoeging betrokken school voor praktijkonderwijs in het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging. Deze uitgaven zijn de som van:

·. De daadwerkelijk door de school uitgegeven en te declareren loonkosten van het desbetreffende schooljaar. De loonkosten worden door CASO gemeten gedurende het schooljaar voorafgaand aan de datum van samenvoeging. De scholen die niet bij CASO zijn aangesloten, dienen de loonkosten over dat schooljaar zelf op te geven conform een opgave die in de desbetreffende publicatie over de CASO-meting is opgenomen;

·. Het bedrag van de verzilverde formatierekeneenheden. Het betreft het bedrag dal gedurende het schooljaar voorafgaand aan de datum van samenvoeging met de verzilverde formatierekeneenheden gepaard gaat;

·. Het schoolbudget, zoals is vastgelegd in paragraaf 4, onder de letters A tot en met D van de regeling van 8 oktober 2001 (Gele katern 2001, 25) dat de school voor praktijkonderwijs in het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging heeft ontvangen.

B = Het budget voor personele uitgaven van de bij de samenvoeging betrokken vo-school dat gedurende het schooljaar voorafgaand aan de datum van samenvoeging aan de vo-school is verstrekt. Dit budget betreft de personele vergoeding inclusief de aanvullende vergoeding ten behoeve van de anderstalige leerlingen en het nascholingsbudget dat de vo-school gedurende het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging heeft ontvangen.

C = Het budget voor personele vergoeding dat de samengevoegde vo-school zou hebben ontvangen, indien de samenvoeging in het schooljaar voorafgaand aan de daadwerkelijke samenvoeging (het zogenoemde semi-fusie-jaar) plaats zou hebben gevonden. Het budget betreft de personele vergoeding inclusief het vast aantal extra formatieplaatsen en wordt verder aangeduid als semi-fusiebudget. Voor de school wordt het semi-fusie-budget berekend met:

·. de som van het aantal leerlingen van het praktijkonderwijs en vo op 1 oktober van het eerste schooljaar voorafgaand aan het semi-fusie-jaar (t-1) en de som van het aantal leerlingen van het praktijkonderwijs en vo op 1 oktober in het tweede schooljaar voorafgaand aan het semi-fusie-jaar (t-2);

·. de ratio's voor de personeelsformatie directie en onderwijsondersteunend personeel vermeld in artikel 3, tweede en vierde lid, van het Formatiebesluit W.V.O;

·. de ratio voor de personeelsformatie leraren, waarbij voor de leerlingen praktijkonderwijs wordt uitgegaan van de ratio vermeld in artikel V.2, tweede lid, en voor de overige leerlingen de ratio vermeld in artikel 3, derde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. voor de desbetreffende leerlingen;

·. het vast aantal formatieplaatsen voor de school of scholengemeenschap vermeld in artikel 2 van het Formatiebesluit W.V.O;

·. het vast aantal extra formatieplaatsen, vermeld in artikel V2, eerste lid, voor de afdeling praktijkonderwijs;

·. de voor de school van toepassing zijnde gemiddelde personeelslast (gpl) van de desbetreffende personeelscategorieën. De gpl voor de leraren wordt aangepast voor de gewogen gemiddelde leeftijd. De berekening van de gewogen gemiddelde leeftijd geschiedt overeenkomstig de Regeling gewogen gemiddelde leeftijd (voor het schooljaar 2002-2003 betreft dit artikel 1, derde lid, van de regeling van 27 februari 1998, kenmerk VO/FB-1998/7449, OCenW-Regelingen 1998, nr7.);

·. de formatie voor de anderstalige leerlingen. Deze formatie wordt berekend overeenkomstig artikel V.8, met dien verstande dat hierbij wordt uitgegaan van het aantal beschikbaar gestelde formatieplaatsen ten behoeve van de anderstalige leerlingen van de school voor vo in het semi-fusie-jaar en het aantal beschikbaar gestelde formatierekeneenheden van het praktijkonderwijs ten behoeve van de leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond in het semi-fusie-jaar,

·. het nascholingsbudget dat de school zou hebben ontvangen, indien de samenvoeging in dat schooljaar zou hebben plaatsgevonden.

D = het overgangsbudget waarin tevens zijn verwerkt incidentele loonontwikkelingen en algemene salarismaatregelen op de datum van de samenvoeging.

V.11.2. Afbouw en opbouw van het berekende verschil voor en na de fusie

Het met toepassing van V.11.1 berekende verschil in de personele bekostiging (D) kent een gevarieerd opbouw en afbouw traject. Dit traject is als volgt.

·. Indien D als bedoeld onder V.11.1 kleiner is dan nul is er sprake van een structurele vooruitgang in de personele bekostiging. Het berekende verschil D wordt in het eerste, tweede, derde en vierde jaar van en na de samenvoeging voor respectievelijk 100%, 66%, 33% en 0% in mindering gebracht op de structurele bekostiging van de desbetreffende schooljaren;

·. Indien D als bedoeld onder V.11.1 groter is dan nul is er sprake van een structurele achteruitgang. Het berekende verschil D wordt in het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde jaar van en na de samenvoeging voor respectievelijk 100%, 80%, 60%, 40%, 20% en 0% toegevoegd aan de structurele bekostiging van de desbetreffende schooljaren.