Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet

Geldend van 01-07-2011 t/m heden

Besluit van 13 juli 2002, houdende vrijstelling van de verboden, bedoeld in de artikelen 15 en 29 van de Kernenergiewet, alsmede afwijking van het Besluit stralingsbescherming (Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 13 maart 2002, nr. CWW2001/203, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op de artikelen 14, 21, 32, 34 en 75 van de Kernenergiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 1 mei 2002, nr. W07.020122/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 8 juli 2002, nr. CWW 2001/203, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2

Ten aanzien van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen en uitrustingen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, wordt vrijstelling verleend van het in artikel 15 van de wet vervatte verbod.

Artikel 3

Ten aanzien van radioactieve stoffen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid en met betrekking waartoe volgens de desbetreffende militaire voorschriften geheimhouding vereist is, wordt vrijstelling verleend van het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod.

Artikel 4

Ten aanzien van toestellen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid en met betrekking waartoe volgens de desbetreffende militaire voorschriften geheimhouding vereist is, zijn de artikelen 21 en 23 van het Besluit stralingsbescherming niet van toepassing.

Artikel 5

De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op splijtstoffen, ertsen, inrichtingen, uitrustingen, radioactieve stoffen en toestellen die blijkens een verklaring van Onze Minister of van een door hem aangewezen autoriteit in beheer zijn bij een krijgsmacht.

Artikel 6

In de gevallen, waarin artikel 2, 3, 4 of 5 van toepassing is, treft Onze Minister zodanige maatregelen dat de bescherming van de bij en krachtens artikel 15b van de wet aangewezen belangen, voor zover redelijkerwijs mogelijk, is verzekerd.

Artikel 7

In de gevallen, waarin artikel 2, 3, 4 of 5 van toepassing is, houdt Onze Minister een administratie bij omtrent de betrokken splijtstoffen, ertsen, inrichtingen, uitrustingen, radioactieve stoffen of toestellen.

Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2011]

Artikel 9

Van zoekraken, diefstal of ongewilde verspreiding van splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen of toestellen als bedoeld in artikel 2, 3, 4 of 5 doet Onze Minister onmiddellijk mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Artikel 10

Het Vrijstellingsbesluit landsverdediging Kernenergiewet wordt ingetrokken.

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12

Dit besluit wordt aangehaald als: Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 13 juli 2002

Beatrix

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de dertigste juli 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner