Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Uitvoeringswet Internationaal Strafhof

Geldend op 14-04-2012


  • Rijkswet van 20 juni 2002 tot uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen (Uitvoeringswet Internationaal Strafhof)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is om ter uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof voorzieningen te treffen met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

  • Artikel 1

    • 1. Voor de toepassing van deze rijkswet wordt verstaan onder:

      • a. Statuut: het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120);

      • b. Strafhof: het Internationale Strafhof, opgericht bij het Statuut, respectievelijk elk van zijn organen voor de daaraan toegewezen taken;

      • c. consultatie: overleg als bedoeld in artikel 97 van het Statuut, tussen een staat die partij is bij het Statuut, en het Strafhof;

      • d. samenwerking: de samenwerking, bedoeld in deel 9 van het Statuut, tussen het Strafhof en de staten die partij zijn bij het Statuut;

      • e. overlevering: de ter beschikkingstelling van een persoon door Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten aan het Strafhof ten behoeve van een bij het Strafhof tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een hem door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf;

      • f. tenuitvoerlegging: de tenuitvoerlegging van uitspraken van het Strafhof, bedoeld in deel 10 van het Statuut, met inbegrip van de toepassing van voorlopige maatregelen ten behoeve van die tenuitvoerlegging;

      • g. bijstand: de bijstand die Nederland in zijn hoedanigheid van Gastland aan het Strafhof verleent;

      • h. doorvoer: het begeleid vervoer over Nederlands grondgebied van personen, afkomstig van een vreemde staat en met als bestemming het Strafhof, dan wel afkomstig van het Strafhof en met als bestemming een vreemde staat;

      • i. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

      • j. Wetboek van Strafvordering: het Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van het Koninkrijk.

    • 2. In deze wet wordt mede verstaan onder:

      • a. Nederlands grondgebied of Nederlands gebied: het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

      • b. in Nederland: in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

      • c. Nederlandse ambtenaren: ambtenaren van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

      • d. Nederlands recht: het geldende recht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

    • 3. Onder officier van justitie, hulpofficier van justitie en opsporingsambtenaar wordt uitsluitend voor de toepassing van de artikelen 13 tot en met 19a, mede verstaan de officier van justitie van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de hulpofficier van justitie, bedoeld in artikel 191 van het Wetboek van Strafvordering BES, en de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 184 van dat wetboek.

  • Artikel 2

    • 1. Onverminderd de overige leden van dit artikel is deze rijkswet van toepassing op Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

    • 2. Indien het verzoek van het Strafhof inhoudt een verzoek om een handeling, te verrichten door de autoriteiten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, wordt het verzoek, in afwijking van artikel 3, eerste lid, in behandeling genomen door de Minister van Justitie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten. Deze zendt het verzoek overeenkomstig artikel 3, tweede en vierde lid, door aan de procureur-generaal van Aruba en aan de procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

    • 3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, zijn, in afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze wet en behoudens strijd met het Statuut, het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede het Wetboek van Strafvordering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten van overeenkomstige toepassing.

    • 4. Tegen een uitspraak van de bevoegde rechter van Aruba, Curaçao of Sint Maarten op of naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof tot overlevering of tenuitvoerlegging staat geen rechtsmiddel open.

  • Artikel 3

    • 1. Een overeenkomstig het Statuut ontvangen verzoek van het Strafhof om samenwerking, om tenuitvoerlegging of om vervolging van een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof, wordt door Onze Minister in behandeling genomen. Zo het verzoek niet tot Onze Minister is gericht, wordt het door de geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden.

    • 2. Tenzij Onze Minister het verzoek zelf kan afdoen dan wel van oordeel is dat eerst aanvullende informatie van het Strafhof is vereist, en behoudens het derde en vierde lid, zendt hij het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage.

    • 3. Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf, handelt Onze Minister daarmee overeenkomstig de artikelen 67 en 68.

    • 4. Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een bevel tot het doen van herstelbetalingen als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, treft Onze Minister de maatregelen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een goede uitvoering van het bevel. Indien het bevel inhoudt een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden, zendt Onze Minister het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, die daarmee handelt overeenkomstig de artikelen 72 en 83.

    • 5. Een verzoek om bijstand wordt door Onze Minister of de door deze daartoe aangewezen autoriteiten in behandeling genomen.

    • 6. Onze Minister licht het Strafhof regelmatig in over de voortgang van de behandeling van de verzoeken.

  • Artikel 4

    Tot de behandeling, voor zover aan de rechter opgedragen, van verzoeken van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging, alsmede van enig beroep, beklag of verzet in verband daarmee, is de rechtbank te 's-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd.

  • Artikel 5

    • 1.Op verzoek van enige Nederlandse autoriteit, belast met de behandeling van een strafzaak, kan Onze Minister overeenkomstig artikel 93, tiende lid, van het Statuut, een verzoek om rechtshulp van en samenwerking met het Strafhof aan het Strafhof richten.

    • 2.Stukken betreffende ambtshandelingen terzake van opsporing en vervolging die de autoriteiten van het Strafhof hebben opgemaakt en naar aanleiding van een verzoek overleggen, hebben de bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige, door Nederlandse ambtenaren verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij voor het Strafhof hebben.

  • Artikel 6

    Politiegegevens kunnen ook zonder daartoe strekkend verzoek worden verstrekt aan het Strafhof indien dit voor de goede uitvoering van zijn taak noodzakelijk is. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van het Korps landelijke politiediensten.

  • Artikel 7

    • 1.Indien Onze Minister van oordeel is dat voor de inwilliging van een verzoek van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging belemmeringen of hindernissen bestaan, consulteert deze onverwijld het Strafhof teneinde deze belemmeringen of hindernissen weg te nemen.

    • 2.Belemmeringen of hindernissen als bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval bestaan uit:

      • a. onvoldoende informatie voor de inwilliging van het verzoek;

      • b. het feit dat een op verzoek van het Strafhof aan te houden persoon ondanks uiterste inspanningen niet in Nederland wordt aangetroffen;

      • c. het feit dat is gebleken dat een op grond van een aanhoudingsbevel op verzoek van het Strafhof aangehouden persoon niet de in het bevel genoemde persoon is;

      • d. het feit dat inwilliging van het verzoek in zijn huidige vorm strijd zou meebrengen met een reeds eerder, voorafgaande aan het verzoek, bestaande verdragsrechtelijke verplichting jegens een andere staat;

      • e. het feit dat inwilliging van het verzoek in zijn huidige vorm zou leiden tot schending van het beginsel van ne bis in idem, bedoeld in artikel 20 van het Statuut;

      • f. het feit dat tegen de opgeëiste persoon wegens dezelfde gedragingen een vervolging in Nederland gaande of in voorbereiding is;

      • g. het feit dat de onmiddellijke inwilliging van het verzoek van het Strafhof een onderzoek of vervolging in een andere zaak dan die waarop het verzoek betrekking heeft, zou belemmeren;

      • h. het feit dat de inwilliging van het verzoek de nationale veiligheidsbelangen van Nederland als bedoeld in artikel 72 van het Statuut zou schaden;

      • i. het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid.

    • 3.Indien de officier van justitie, belast met de uitvoering van een verzoek van het Strafhof, belemmeringen of hindernissen als bedoeld in dit artikel signaleert, stelt hij Onze Minister hiervan onverwijld in kennis.

    • 4.Onze Minister verzoekt het Strafhof om binnen een in overleg vast te stellen redelijke termijn te reageren. Op verzoek van het Strafhof kan deze termijn worden verlengd.

    • 5.Voor de duur van de termijn, bedoeld in het vierde lid, wordt de behandeling van een verzoek om overlevering van een persoon dan wel om tenuitvoerlegging van een uitspraak van het Strafhof opgeschort. De behandeling van een verzoek om enigerlei andere vorm van samenwerking kan door Onze Minister, onderscheidenlijk door de officier van justitie, na overleg met Onze Minister, worden opgeschort.

    • 6.Indien Onze Minister of de door deze aangewezen autoriteiten van oordeel zijn dat een verzoek om bijstand van het Gastland niet kan worden ingewilligd, pleegt hij onverwijld en met inachtneming van de zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut, en de daarop gebaseerde regelingen en overeenkomsten overleg met het Strafhof teneinde de zaak op te lossen.

  • Artikel 8

    • 1.Indien en zolang het Strafhof een betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Strafhof ingevolge artikel 18 of 19 van het Statuut onderzoekt, wordt de behandeling van een op die zaak betrekking hebbend verzoek om overlevering van een persoon opgeschort.

    • 2.In het geval, bedoeld in het eerste lid, kan de behandeling van een verzoek om enigerlei andere vorm van samenwerking door Onze Minister, onderscheidenlijk door de officier van justitie, na overleg met Onze Minister, worden opgeschort, tenzij het Strafhof heeft bepaald dat de Aanklager kan voortgaan met het vergaren van het bewijs ingevolge het genoemde artikel 18 of 19.

  • Artikel 9

    Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, gedaan krachtens deze wet, zijn de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 10

    Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, is zij mede van toepassing op een verzoek van het Strafhof om samenwerking of om tenuitvoerlegging terzake van een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut.

  • Hoofdstuk 2. Overlevering van personen aan het Strafhof

  • § 1. Algemeen

  • Artikel 11
    • 1.Op verzoek van het Strafhof en met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk worden personen aan het Strafhof overgeleverd:

      • a. ter vervolging en berechting terzake van strafbare feiten, tot kennisneming waarvan het Strafhof ingevolge het Statuut bevoegd is;

      • b. ter tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf.

    • 2.De Uitleveringswet is niet van toepassing.

  • Artikel 12
    • 1.Overlevering wordt niet toegestaan dan onder de algemene voorwaarde dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt terzake van feiten die voor het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd.

    • 2.Overlevering wordt niet toegestaan dan onder de algemene voorwaarde dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister door het Strafhof ter beschikking zal worden gesteld aan de autoriteiten van een derde staat terzake van feiten die voor het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan. De toestemming kan worden gegeven ten aanzien van strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon ook door Nederland aan de derde staat had kunnen worden uitgeleverd.

  • § 2. Voorlopige aanhouding

  • Artikel 13
    • 1. Op verzoek van het Strafhof kan een persoon voorlopig worden aangehouden.

    • 2. Iedere officier van justitie of hulpofficier is bevoegd de voorlopige aanhouding te bevelen.

    • 3. Kan het optreden van de officier van justitie of de hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de persoon aan te houden.

    • 4. De aangehouden persoon wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage.

    • 5. Indien de opgeëiste persoon zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt, blijft het vierde lid buiten toepassing. De aangehouden persoon die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie van het openbaar ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • Artikel 14
    • 1. Na de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid, en 59, tweede lid, van het Statuut, te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven.

    • 2. Indien de opgeëiste persoon zich bevindt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt het bevel door de officier van justitie van het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in het eerste lid, gegeven in overleg met de officier van justitie van het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage. Met het oog op de toepassing van het derde lid kan de termijn van inverzekeringstelling éénmaal met drie dagen worden verlengd.

    • 3. Indien een opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeenkomstig deze paragraaf in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid en tweede lid overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage.

    • 4. Het derde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijnen van het eerste lid en tweede lid.

  • Artikel 15
    • 1.De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, kan op vordering van de officier van justitie de bewaring van de opgeëiste persoon bevelen.

    • 2.Alvorens een bevel ingevolge het eerste lid te geven hoort de rechter-commissaris zo mogelijk de opgeëiste persoon.

  • Artikel 16
    • 1.Ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechter-commissaris bevelen dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht.

    • 2.De rechter-commissaris gaat niet over tot het bevel, bedoeld in het eerste lid, dan nadat het Strafhof, daartoe door tussenkomst van Onze Minister geconsulteerd, binnen een door Onze Minister te stellen termijn, aanbevelingen ingevolge artikel 59, vijfde lid, van het Statuut heeft gegeven.

    • 3.De opschorting of schorsing eindigt van rechtswege zodra de officier van justitie overeenkomstig artikel 32 in kennis is gesteld van de beslissing van Onze Minister waarbij de overlevering is toegestaan.

    • 4.Op bevelen tot voorwaardelijke opschorting en schorsing, krachtens het eerste lid gegeven, zijn de artikelen 80, eerste en derde tot en met vijfde lid, en 81 tot en met 88, met uitzondering van artikel 86, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

    • 5.De rechter-commissaris kan ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman het bevel tot bewaring opheffen indien binnen zestig dagen na de dag van de voorlopige aanhouding van het Strafhof geen verzoek tot overlevering, met de daarbij behorende stukken, is ontvangen.

  • Artikel 17

    Van elke beslissing, genomen krachtens een van de artikelen 13 tot en met 16, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister.

  • § 3. Aanhouding

  • Artikel 18
    • 1.De officier van justitie die van Onze Minister het verzoek tot overlevering heeft ontvangen, is bevoegd de aanhouding te bevelen, welk bevel in het gehele land ten uitvoer kan worden gelegd.

    • 2.De persoon wordt na zijn aanhouding binnen vierentwintig uren voor de officier van justitie geleid. Na de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid, en 59, tweede lid, van het Statuut, te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.

  • Artikel 19

    Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot overlevering ontvangt, reeds krachtens artikel 14 in verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming, in afwijking van artikel 15, eerste lid, op bevel van de officier van justitie worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist.

  • Artikel 19a
    • 1. Nadat de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid en 59, tweede lid, van het Statuut, is gehoord, kan de officier van justitie bij het parket in eerste aanleg van de openbare lichamen bevelen dat de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. Hij overlegt daartoe met de officier van justitie bij het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage.

    • 2. Indien de opgeëiste persoon op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot uitlevering ontvangt reeds krachtens artikel 14 in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming – met afwijking van artikel 14 – uitsluitend op bevel van de officier van justitie bij het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist.

    • 3. Indien de opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te ‘s-Gravenhage.

    • 4. Het derde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijn van artikel 14.

    • 5. Nadat de opgeëiste persoon is gehoord, kan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage in overleg met de officier van justitie bij het gerecht in eerste aanleg van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevelen dat de vrijheidsbeneming wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.

  • Artikel 20
    • 1.Ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechter-commissaris bevelen dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht.

    • 2.Artikel 16, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • § 4. Behandeling en uitspraak door de rechtbank

  • Artikel 21
    • 1.Nadat hij het verzoek tot overlevering heeft ontvangen, vordert de officier van justitie zo spoedig mogelijk dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. Hij legt daarbij de stukken aan de rechtbank over.

    • 2.Een afschrift van de krachtens het eerste lid vereiste vordering wordt aan de opgeëiste persoon betekend. Daarbij wordt hem mededelinggedaan van de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, met vermelding van de tijden en de plaatsen waarop deze zijn begaan, een en ander zoals bij het verzoek tot overlevering omschreven, alsmede van het feit dat het een verzoek tot overlevering aan het Strafhof betreft. De eerste en de tweede volzin gelden eveneens in het geval dat de officier van justitie naar aanleiding van een naderhand ontvangen verzoek zijn vordering heeft aangevuld of gewijzigd. Van de ontvangst van aanvullende stukken, die in het dossier worden gevoegd, wordt de opgeëiste persoon mededeling gedaan.

    • 3.Nadat de stukken aan de rechtbank zijn overgelegd, mag de kennisneming daarvan aan de opgeëiste persoon en diens raadsman niet worden onthouden. Het bepaalde bij en krachtens artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 22
    • 1.Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 21 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zo veel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen.

    • 2.De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling en, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel worden aan de opgeëiste persoon betekend.

    • 3.Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman.

  • Artikel 23
    • 1.Het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar, tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of de rechtbank op de vordering van de officier van justitie of ambtshalve om gewichtige, in het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen sluiting der deuren beveelt.

    • 2.Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van de officier van justitie.

    • 3.Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.

    • 4.Is de opgeëiste persoon niet verschenen en acht de rechtbank zijn aanwezigheid bij het verhoor wenselijk, dan gelast de rechtbank tegen een door haar te bepalen tijdstip zijn dagvaarding, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging.

  • Artikel 24
    • 1.De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon, alsmede de ontvankelijkheid van het verzoek tot overlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan.

    • 2.De officier van justitie geeft ter zitting van de rechtbank zijn opvatting over de toelaatbaarheid van de verzochte overlevering en legt een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank over. De opgeëiste persoon en diens raadsman worden eveneens in de gelegenheid gesteld tot het maken van terzake dienende opmerkingen omtrent het verzoek tot overlevering en de in verband daarmede te nemen beslissingen.

    • 3.Indien de rechtbank zulks met het oog op het door haar krachtens het eerste lid in te stellen onderzoek noodzakelijk acht, gelast zij, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping van getuigen of deskundigen.

  • Artikel 25
    • 1.De rechtbank schorst het onderzoek met het oog op consultatie van het Strafhof, indien naar het voorlopig oordeel van de rechtbank de aan haar voorgeleide persoon niet degene is wiens overlevering is gevraagd.

    • 2.Omtrent het besluit en de overwegingen van de rechtbank licht de officier van justitie Onze Minister in.

  • Artikel 26
    • 1.Op de vordering van de officier van justitie kan de rechtbank ter zitting de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevelen.

    • 2.Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist de rechtbank ambtshalve omtrent de gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zo deze in bewaring of in verzekering is gesteld.

    • 3.Ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechtbank bevelen dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht.

    • 4.Artikel 16, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 27
    • 1.Zo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter zitting doet de rechtbank uitspraak omtrent het verzoek tot overlevering. De uitspraak wordt met redenen omkleed.

    • 2.Indien de rechtbank bevindt dat zich het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid, voordoet, verklaart zij bij haar uitspraak de overlevering ontoelaatbaar.

    • 3.In alle andere gevallen verklaart de rechtbank bij haar uitspraak de overlevering toelaatbaar.

    • 4.Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De uitspraak is dadelijk uitvoerbaar.

  • Artikel 28
    • 1.Indien de opgeëiste persoon niet bij de voorlezing van de uitspraak van de rechtbank aanwezig is, wordt de uitspraak aan hem betekend.

    • 2.De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe. Indien de overlevering toelaatbaar is verklaard, doet zij het afschrift vergezeld gaan van haar advies omtrent het aan het verzoek tot overlevering te geven gevolg. Een afschrift van het advies wordt door de griffier aan de opgeëiste persoon en diens raadsman ter hand gesteld of toegezonden.

    • 3.De griffier zendt het verzoek tot overlevering met de daarbij behorende stukken terug aan Onze Minister.

  • Artikel 29
  • § 5. Beslissing op het verzoek en feitelijke overlevering

  • Artikel 30
    • 1.Nadat Onze Minister de stukken overeenkomstig artikel 28, derde lid, heeft terugontvangen, beslist hij zo spoedig mogelijk op het verzoek tot overlevering.

    • 2.Indien de overlevering toelaatbaar is verklaard en Onze Minister nadere informatie van het Strafhof nodig acht voor een verantwoorde beslissing, kan hij de beslissing aanhouden en het Strafhof consulteren. Indien de consultatie van het Strafhof daartoe aanleiding geeft, kan hij het dossier van de zaak opnieuw toezenden aan de officier van justitie die het verzoek tot overlevering heeft behandeld, waarna de artikelen 21 tot en met 29 opnieuw toepassing vinden.

    • 3.Indien tegen de opgeëiste persoon wegens hetzelfde feit een strafvervolging in Nederland gaande is, geeft Onze Minister bij zijn beslissing tot inwilliging van het verzoek tevens opdracht de vervolging te staken.

    • 4.Indien en voor zover de overlevering ontoelaatbaar is verklaard, wordt op het verzoek afwijzend beschikt.

  • Artikel 31

    Indien het Strafhof en een of meer staten de overlevering onderscheidenlijk uitlevering van dezelfde persoon hebben gevraagd, beslist Onze Minister met inachtneming van artikel 90 van het Statuut.

  • Artikel 32

    Van zijn beslissing op het verzoek tot overlevering geeft Onze Minister onverwijld kennis aan de officier van justitie en het Strafhof.

  • Artikel 33
    • 1.Binnen tien dagen na de beslissing van Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inwilliging van het verzoek om overlevering wordt de opgeëiste persoon op een door Onze Minister in overleg met het Strafhof vastgestelde tijd en plaats ter beschikking van het Strafhof gesteld.

    • 2.Een overeenkomstig artikel 26 bevolen vrijheidsbeneming kan tot de feitelijke overlevering worden voortgezet.

    • 3.Na een afwijzende beslissing van Onze Minister gelast de officier van justitie de beëindiging van de vrijheidsbeneming zodra hij kennis heeft gekregen van die beslissing.

  • Artikel 34
    • 1.Indien zulks voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, of 35, tweede lid, noodzakelijk is, wordt de opgeëiste persoon op bevel van de daartoe door Onze Minister aangeschreven officier van justitie aangehouden voor ten hoogste drie dagen. Indien de overlevering niet binnen de termijn van drie dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd.

    • 2.Na verlenging van de in het eerste lid bedoelde termijn door de officier van justitie, kan deze uitsluitend op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris met vier dagen worden verlengd. Deze verlenging kan slechts geschieden wanneer de overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van zes dagen heeft kunnen plaatsvinden.

  • Artikel 35
    • 1.In afwijking van de artikelen 33, eerste lid, en 34 kan de beslissing omtrent de tijd en de plaats van overlevering worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

    • 2.In gevallen als voorzien in het eerste lid kan Onze Minister, zo hij daarvoor termen aanwezig acht, bepalen dat de opgeëiste persoon, ten behoeve van diens berechting door het Strafhof, reeds aanstonds ter beschikking van het Strafhof wordt gesteld.

    • 3.Ondergaat de opgeëiste persoon, te wiens aanzien het tweede lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking is gesteld van het Strafhof, in mindering op zijn straftijd.

  • § 6. Verkorte procedure

  • Artikel 36
    • 1.De persoon wiens voorlopige aanhouding of overlevering vanwege het Strafhof is verzocht, wordt voorafgaand aan ieder verhoor gewezen op de mogelijkheid te verklaren dat hij instemt met onmiddellijke overlevering.

    • 2.Tot de aanvang van de zitting kan hij een verklaring als bedoeld in het eerste lid afleggen ten overstaan van de rechter-commissaris. Tijdens de zitting kan hij de verklaring afleggen ten overstaan van de rechtbank.

    • 3.De opgeëiste persoon kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de rechter-commissaris.

    • 4.Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de opgeëiste persoon over de mogelijke gevolgen daarvan ingelicht. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt.

    • 5.De rechter-commissaris zendt het proces-verbaal aan de officier van justitie.

  • Artikel 37
    • 1.Nadat een verklaring overeenkomstig artikel 36 is afgelegd, kan de officier van justitie beslissen dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof.

    • 2.Het eerste lid blijft buiten toepassing indien blijkt dat tegen de opgeëiste persoon in Nederland een strafrechtelijke vervolging gaande is of dat tegen hem door een Nederlandse rechter een nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen. In dat geval doet de officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 21.

    • 3.Van elke beslissing, genomen krachtens het eerste of tweede lid, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister.

  • Artikel 38
    • 1.Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 37, eerste lid, heeft beslist dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof, blijft artikel 21 buiten toepassing.

    • 2.Is de in artikel 21 bedoelde vordering reeds bij de rechtbank ingediend, dan wordt deze onverwijld ingetrokken. De griffier van de rechtbank stelt alsdan het verzoek tot overlevering, met de daarbij behorende stukken, weder in handen van de officier van justitie.

    • 3.Van het intrekken van de vordering geeft de officier van justitie kennis aan de opgeëiste persoon.

  • Artikel 39
    • 1.Binnen tien dagen nadat de officier van justitie een beslissing heeft genomen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, wordt de opgeëiste persoon op een door Onze Minister in overleg met het Strafhof vastgesteld moment ter beschikking van het Strafhof gesteld. De opgeëiste persoon kan tot dan toe in bewaring of in verzekering gesteld blijven.

    • 2.De officier van justitie kan, zo nodig, met het oog op de overlevering krachtens de bepalingen van deze paragraaf, de aanhouding van de opgeëiste persoon bevelen. Artikel 34 is verder van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 40

    In geval van overlevering krachtens deze paragraaf is artikel 12, eerste lid, niet van toepassing.

  • § 7. Overige bepalingen

  • Artikel 41
    • 1.Voorwerpen, aangetroffen in het bezit van degene wiens overlevering of voorlopige aanhouding krachtens het Statuut is gevraagd, kunnen op verzoek van het Strafhof in beslag worden genomen. De inbeslagneming geschiedt door of op last van de officier of hulpofficier van justitie, bevoegd tot het geven van een bevel tot aanhouding of voorlopige aanhouding.

    • 2.Bij de in artikel 21 bedoelde vordering legt de officier van justitie een lijst van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechtbank voor.

  • Artikel 42
    • 1.De rechtbank beslist bij haar uitspraak omtrent het verzoek tot overlevering tevens over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in beslag genomen voorwerpen. Afgifte van die voorwerpen aan het Strafhof kan alleen worden bevolen voor het geval van inwilliging van het verzoek tot overlevering.

    • 2.Met het oog op mogelijke rechten van derden kan de rechtbank ten aanzien van bepaalde voorwerpen beslissen, dat afgifte aan het Strafhof slechts mag geschieden onder het beding, dat die voorwerpen onmiddellijk zullen worden teruggezonden nadat daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik zal zijn gemaakt.

    • 3.Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 116 tot en met 119, 552a en 552c tot en met 552e van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

    • 4.In geval van overlevering overeenkomstig de bepalingen van § 6 van dit hoofdstuk beslist de officier van justitie over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in beslag genomen voorwerpen, behoudens de bevoegdheden van de rechtbank krachtens het derde lid.

  • Artikel 43

    Ten aanzien van de bevelen tot vrijheidsbeneming, gegeven krachtens dit hoofdstuk, zijn de artikelen 52 tot en met 55 en 57 van de Uitleveringswet van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 44
  • Hoofdstuk 3. Samenwerking als bedoeld in artikel 93 van het Statuut

  • § 1. Algemeen

  • Artikel 45
    • 1.Aan verzoeken van het Strafhof om enigerlei vorm van samenwerking als bedoeld in artikel 93 van het Statuut wordt zo veel mogelijk het verlangde gevolg gegeven, met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.

    • 2.Aan verzoeken van het Strafhof om samenwerking als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onder l, van het Statuut wordt zo spoedig mogelijk het verlangde gevolg gegeven, tenzij de inwilliging ervan strijdt met de wet.

  • Artikel 46
    • 1.Aan een verzoek om samenwerking als bedoeld in dit hoofdstuk wordt zo veel mogelijk voldaan op de wijze die in het verzoek is aangegeven, met inbegrip van het volgen van de daarin uiteengezette procedures en het toestaan aan in het verzoek vermelde personen om aanwezig te zijn en te helpen bij de uitvoering.

    • 2.De met de uitvoering van verzoeken om samenwerking belaste Nederlandse autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van daarbij betrokken personen en zijn te dien einde bevoegd voorwaarden te stellen aan de wijze waarop aan verzoeken om samenwerking uitvoering wordt gegeven.

  • Artikel 47

    Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om samenwerking, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van Nederlandse stukken van vergelijkbare strekking.

  • Artikel 48
    • 1.Onze Minister kan toestaan dat personen die in Nederland rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, tijdelijk ter beschikking van het Strafhof worden gesteld voor identificatiedoeleinden, ter verkrijging van getuigenverklaringen of met het oog op andere vormen van samenwerking. De betrokken persoon wordt slechts ter beschikking van het Strafhof gesteld, indien hij vrijelijk zijn toestemming daarvoor geeft na omtrent de gevolgen daarvan behoorlijk te zijn ingelicht.

    • 2.Ondergaat de ter beschikking te stellen persoon, te wiens aanzien het eerste lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking is gesteld van het Strafhof, in mindering op zijn straftijd.

  • § 2. Optreden van de officier van justitie en de rechter-commissaris

  • Artikel 49

    De officier van justitie die het verzoek om samenwerking heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg. De officier van justitie roept voor de uitvoering ervan zo nodig de tussenkomst in van het openbaar ministerie in andere arrondissementen of van de procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het belang van een spoedige en doelmatige afdoening kan hij het verzoek overdragen aan zijn ambtgenoot in een ander arrondissement.

  • Artikel 50
    • 1.De officier van justitie stelt het verzoek om samenwerking in handen van de rechter-commissaris:

      • a. indien het strekt tot het horen van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;

      • b. indien het strekt tot het meewerken aan een verhoor door het Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie;

      • c. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring of om een verklaring, afgelegd ten overstaan van een rechter;

      • d. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.

    • 2.In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van het Strafhof in handen van de rechter-commissaris stellen.

    • 3.De overlegging van het verzoek geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.

    • 4.De vordering, bedoeld in het derde lid, kan te allen tijde worden ingetrokken.

  • Artikel 51
    • 1.De in artikel 50, derde lid, bedoelde vordering heeft dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, zulks voor wat betreft:

      • a. de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het bevelen van de uitlevering of overbrenging van stukken van overtuiging, het nemen van maatregelen in het belang van het onderzoek, het laten verrichten van een DNA-onderzoek alsmede het daartoe bevelen van het afnemen van celmateriaal, het betreden van plaatsen, het doorzoeken van plaatsen, het in beslag nemen van stukken van overtuiging en het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde werken;

      • b. de bevoegdheden van de officier van justitie;

      • c. de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris te horen personen;

      • d. de bijstand van een raadsman;

      • e. de verrichtingen van de griffier.

    • 2.In afwijking van het eerste lid heeft een vordering als bedoeld in artikel 50, derde lid, welke is gedaan met het oog op de voldoening aan een verzoek tot het meewerken aan een verhoor door het Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, voor zover het betreft de toepassing van de artikelen 190, eerste en vierde lid, 191, eerste en vierde lid, 210, eerste lid, tweede volzin, 213, 215, 217 tot en met 219a, 221 tot en met 225, 226a, eerste lid, 226c, eerste lid, 226f en 236 van het Wetboek van Strafvordering.

    • 3.Ter voldoening aan een verzoek van het Strafhof om samenwerking kan, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.

  • Artikel 52
    • 1.Voor zover het verzoek van het Strafhof om samenwerking strekt tot:

      • a. onderzoek van telecommunicatie,

      • b. stelselmatige observatie van personen,

      • c. infiltratie,

      • d. pseudo-koop of -dienstverlening,

      • e. het stelselmatig inwinnen van informatie omtrent de persoon tegen wie een onderzoek loopt,

      • f. het heimelijk betreden van een besloten plaats,

      • g. het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel,

      • h. een verkennend onderzoek, kan de officier van justitie de hem in de titels IVa, V, Va en Vc van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering met het oog daarop toegekende bevoegdheden uitoefenen. Voor zover het verzoek daartoe strekt, kan eveneens toepassing worden gegeven aan artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering.

    • 2.Ter voldoening aan een verzoek van het Strafhof om samenwerking kan geen gebruik van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden worden gemaakt en kan aan artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering geen toepassing worden gegeven, anders dan overeenkomstig het eerste lid.

    • 3.Processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen door toepassing van een van de bevoegdheden tot het onderzoeken van telecommunicatie of het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, kunnen worden afgegeven aan het Strafhof voor zover de rechtbank daartoe verlof verleent. De artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

    • 4.De artikelen 126aa, tweede lid, alsmede 126bb tot en met 126dd van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 126cc is slechts van toepassing voor zover de betreffende processen-verbaal en andere voorwerpen niet aan het Strafhof zijn afgegeven. De officier van justitie draagt er zorg voor dat een betrokkene de processen-verbaal en andere voorwerpen die op hem betrekking hebben, op enig moment kan inzien.

  • Artikel 53
    • 1.De rechter-commissaris doet het verzoek om samenwerking, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie.

    • 2.De door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging en onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover de rechtbank daartoe verlof verleent. De artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

    • 3.Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de in beslag genomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden, wordt het krachtens het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan het Strafhof wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

    • 4.Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 116 tot en met 119, 552a, 552ca, 552d, eerste lid, en 552e van het Wetboek van Strafvordering is ten aanzien van het gestelde in het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel vereiste verlof.

  • Artikel 54
    • 1.Na beëindiging van zijn werkzaamheden ter voldoening aan het verzoek om samenwerking zendt de officier van justitie het verzoek met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk terug aan Onze Minister.

    • 2.Onze Minister stelt het Strafhof onverwijld in kennis van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het verzoek, alsmede van de resultaten daarvan.

  • Hoofdstuk 4. Tenuitvoerlegging van straffen

  • § 1. Algemeen

  • Artikel 55

    Op verzoek van het Strafhof en met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen door het Strafhof bij onherroepelijke uitspraak opgelegde straffen in Nederland ten uitvoer worden gelegd.

  • Artikel 56
    • 1.Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn opgelegd wegens een of meer van de misdrijven, bedoeld in artikel 5 van het Statuut, en waarvan de tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, kan geen gratie worden verzocht en verleend. Een verzoekschrift om vermindering of kwijtschelding van zodanige straf wordt door Onze Minister onverwijld doorgezonden aan het Strafhof.

    • 2.Op een daartoe strekkend verzoek van het Strafhof maakt Onze Minister aan het Strafhof zijn zienswijze bekend met betrekking tot de heroverweging van een straf als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 110 van het Statuut. Met het oog daarop kan Onze Minister het advies inwinnen van de rechtbank te 's-Gravenhage en kan hij overigens bij derden alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht.

    • 3.Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut, alsmede terzake van overige door het Strafhof opgelegde straffen, kan, indien de tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, overeenkomstig artikel 558 van het Wetboek van Strafvordering gratie worden verzocht en verleend. Alvorens omtrent de gratieverlening wordt beslist, consulteert Onze Minister het Strafhof teneinde diens zienswijze te vernemen.

  • Artikel 57

    Ten aanzien van de bevelen tot voorlopige vrijheidsbeneming, gegeven krachtens dit hoofdstuk, zijn de artikelen 61 tot en met 64a en 66 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 58
    • 1.De door het Strafhof overeenkomstig artikel 75 van het Statuut gegeven burgerrechtelijke beslissingen worden in Nederland erkend en kunnen er ten uitvoer worden gelegd, nadat zij er op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard.

    • 2.Erkenning en tenuitvoerlegging vinden niet plaats indien:

      • a. de erkenning of tenuitvoerlegging kennelijk strijdig is met de Nederlandse openbare orde;

      • b. het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;

      • c. de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in het Koninkrijk gegeven beslissing;

      • d. de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere staat tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland.

    • 3.De bevoegdheid van het Strafhof wordt door de rechter niet getoetst. De bevoegdheidsregels van het Strafhof betreffen niet de openbare orde als bedoeld in het tweede lid, onder a.

    • 4.In geen geval zal worden overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de door het Strafhof gegeven beslissing.

    • 5.Alleen beslissingen van het Strafhof waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, komen in aanmerking voor tenuitvoerlegging.

    • 6.Beslissingen van het Strafhof die tot vergoedingen leiden welke de werkelijk geleden materiële en immateriële schade te boven gaan, worden niet erkend voorzover zij buitensporig zijn.

    • 7.Verzoeken als bedoeld in het eerste en het zesde lid worden gericht tot de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage.

    • 8.Voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken, zijn op het verzoek de bepalingen van de artikelen 985 tot en met 992 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

  • § 2. Voorlopige maatregelen

  • Artikel 59

    De officier van justitie die een verzoek van het Strafhof als bedoeld in artikel 60, eerste lid, 61, eerste lid, 62, eerste lid, of 63, eerste lid, heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg. Artikel 49, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 60
    • 1.Op verzoek van het Strafhof kan de persoon die door het Strafhof is veroordeeld tot een gevangenisstraf en zich in vrijheid bevindt, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat deze straf in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd.

    • 2.De artikelen 13 tot en met 17 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

      • a. de bewaring wordt bevolen voor een termijn van ten hoogste dertig dagen en op vordering van de officier van justitie telkens met een termijn van ten hoogste dertig dagen kan worden verlengd, totdat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf overeenkomstig artikel 67, vierde lid, of artikel 68, tweede lid, een aanvang neemt;

      • b. de in artikel 16, vijfde lid, genoemde termijn dertig dagen bedraagt.

  • Artikel 61
    • 1.Naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof om samenwerking of om tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring kan, overeenkomstig de bepalingen van de negende afdeling van titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld dat is gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door een persoon die aan onderzoek door het Strafhof is onderworpen. Onder wederrechtelijk verkregen voordeel worden mede verstaan voorwerpen die, middellijk of onmiddellijk, zijn verkregen door middel van het misdrijf waarvan die persoon wordt verdacht.

    • 2.Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel 94, tweede lid, en artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege het Strafhof een verzoek om tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring zal worden gedaan dan wel artikel 82, vierde lid, zal worden toegepast.

    • 3.De officier van justitie doet van de instelling onderscheidenlijk de sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld mededeling aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor het Strafhof dienstige inlichtingen.

  • Artikel 62
    • 1.Naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof kunnen voorwerpen in beslag worden genomen:

      • a. ten aanzien waarvan door het Strafhof een bevel tot verbeurdverklaring kan worden gegeven,

      • b. tot bewaring van het recht tot verhaal voor een overeenkomstig artikel 82, vierde lid, op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, of

      • c. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

    • 2.Inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan slechts plaatsvinden indien:

      • a. inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan en

      • b. gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van de voorwerpen vanwege het Strafhof een verzoek om tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring zal worden gedaan dan wel artikel 82, vierde lid, zal worden toegepast.

  • Artikel 63
    • 1.Op verzoek van het Strafhof kunnen voorwerpen in beslag worden genomen ten aanzien waarvan door het Strafhof een bevel tot verbeurdverklaring is gegeven.

    • 2.Inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden indien:

      • a. inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan en

      • b. gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat het in het eerste lid bedoelde bevel op korte termijn in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd.

  • Artikel 64
  • Artikel 65
    • 1.Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 552a, onderscheidenlijk 552c van het Wetboek van Strafvordering treedt de rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, indien daarover in verband met een bevel tot verbeurdverklaring door het Strafhof een vaststelling is gedaan. De rechter kan slechts in een dergelijk nieuw onderzoek treden indien:

      • a. die vaststelling betrekking heeft op rechten terzake van in Nederland gelegen onroerende goederen of in Nederland te boek gestelde registergoederen;

      • b. die vaststelling betreft de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in Nederland gevestigde rechtspersonen of de besluiten van hun organen;

      • c. die vaststelling is gedaan zonder dat de belanghebbende die niet is verschenen, tijdig tevoren van het geding in kennis was gesteld;

      • d. die vaststelling onverenigbaar is met een terzake eerder in Nederland gegeven rechterlijke beslissing;

      • e. erkenning van die vaststelling onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde.

    • 2.Indien en zolang terzake van de rechten van een belanghebbende een procedure voor het Strafhof aanhangig is, is deze in zijn klaagschrift of vordering niet ontvankelijk.

  • § 3. Tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen

  • Artikel 66

    Deze paragraaf is van toepassing op een verzoek van het Strafhof tot tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf:

    • a. indien Nederland zich bereid heeft verklaard veroordeelden te aanvaarden en het Strafhof Nederland overeenkomstig artikel 103, eerste lid, onderdeel a, van het Statuut aanwijst;

    • b. indien Nederland als Gastland overeenkomstig artikel 103, vierde lid, van het Statuut gehouden is de gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.

  • Artikel 67
    • 1.In het geval, bedoeld in artikel 66, onder a, beslist Onze Minister of aan de aanwijzing van het Strafhof gevolg wordt gegeven.

    • 2.Op de beslissing van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, is artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing.

    • 3.Onze Minister deelt het Strafhof zo spoedig mogelijk zijn beslissing mee.

    • 4.De tenuitvoerlegging geschiedt op voordracht van de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage door Onze Minister.

  • Artikel 68
    • 1.In het geval, bedoeld in artikel 66, onder b, wordt de door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf op aanwijzing van Onze Minister in Nederland ten uitvoer gelegd of verder ten uitvoer gelegd, overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut. Op de beslissing van Onze Minister is artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing.

    • 2.Artikel 67, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 69
    • 1.De tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 67, vierde lid, of artikel 68, tweede lid, van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwet of enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde.

    • 2.De artikelen 15 tot en met 15l van het Wetboek van Strafrecht zijn niet van toepassing, behoudens ten aanzien van een gevangenisstraf die door het Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut.

  • Artikel 70
    • 1.Indien het Strafhof overeenkomstig artikel 104 van het Statuut besluit de veroordeelde over te brengen naar een andere staat, wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de autoriteiten van die staat, zulks op een door Onze Minister, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats.

    • 2.Op het moment dat de betrokkene ter beschikking van de in het eerste lid bedoelde autoriteiten wordt gesteld, eindigt de tenuitvoerlegging in Nederland van de hem opgelegde gevangenisstraf van rechtswege.

  • Artikel 71
    • 1.Mededelingen, gewisseld tussen de veroordeelde en het Strafhof, worden niet belemmerd en zijn vertrouwelijk. De indiening door de veroordeelde van een verzoekschrift of enig ander geschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waarin de veroordeelde verblijft, geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het geschrift, voorzien van een dagtekening, onverwijld aan het Strafhof wordt gezonden.

    • 2.Daartoe door het Strafhof aangewezen personen hebben overeenkomstig artikel 38, zevende lid, tweede tot en met vierde volzin, van de Penitentiaire beginselenwet, toegang tot de veroordeelde in de inrichting waarin hij verblijft.

    • 3.Verzoeken van het Strafhof om informatie die het Strafhof nodig heeft voor de uitoefening van zijn toezichthoudende taak overeenkomstig artikel 106 van het Statuut, worden door Onze Minister zo veel mogelijk ingewilligd.

    • 4.Op verzoek van het Strafhof wordt de veroordeelde die daarmee instemt, tijdelijk ter beschikking van het Strafhof gesteld met het oog op enig door het Strafhof te verrichten onderzoek in verband met de tenuitvoerlegging.

  • § 4. Tenuitvoerlegging van overige straffen en bevelen

  • Artikel 72

    Deze paragraaf is van toepassing op een verzoek van het Strafhof tot tenuitvoerlegging van een of meer van de volgende straffen en bevelen, door het Strafhof opgelegd onderscheidenlijk uitgevaardigd:

    • a. een geldboete;

    • b. een bevel tot verbeurdverklaring van opbrengsten, goederen en vermogensbestanddelen die direct of indirect door het misdrijf zijn verkregen;

    • c. een bevel als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, inhoudend een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden.

  • Artikel 73

    De officier van justitie vordert binnen twee weken na de dag waarop hij het verzoek met de daarbij behorende stukken heeft ontvangen, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt de officier van justitie de stukken aan de rechtbank over. Een afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend.

  • Artikel 74
    • 1.Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in artikel 73 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank het tijdstip waarop de rechtbank een aanvang zal maken met de behandeling van de vordering. Tussen de dag waarop de mededeling om ter zitting te verschijnen aan de veroordeelde is betekend en die der zitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen.

    • 2.Met toestemming van de veroordeelde kan deze termijn worden verkort, mits van deze toestemming uit een schriftelijke verklaring blijkt.

  • Artikel 75

    De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde, indien niet blijkt dat hij reeds een raadsman heeft, opmerkzaam gemaakt op zijn bevoegdheid een of meer raadslieden te kiezen en op de mogelijkheden tot toevoeging van een raadsman, alsmede op zijn recht op kennisneming van de processtukken.

  • Artikel 76
    • 1.De officier van justitie en de veroordeelde zijn bevoegd ten behoeve van het onderzoek dat de rechtbank ingevolge deze paragraaf heeft te verrichten en de beslissingen die zij heeft te nemen, getuigen en deskundigen te doen oproepen.

    • 2.De officier van justitie kan bij met redenen omklede beslissing weigeren getuigen of deskundigen op te roepen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze door de veroordeelde zijn opgegeven teneinde ter zitting verklaringen af te leggen ter betwisting van feiten, als bedoeld in artikel 78, derde lid. De beslissing wordt onverwijld schriftelijk ter kennis van de veroordeelde gebracht. Hij wordt daarbij opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in artikel 78, vijfde lid.

  • Artikel 77
    • 1.De behandeling van de vordering heeft plaats in tegenwoordigheid van de officier van justitie. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn en kan zich door zijn raadsman doen bijstaan.

    • 2.De behandeling van de vordering geschiedt in het openbaar, tenzij de rechtbank op verzoek van de veroordeelde of om gewichtige, in het proces-verbaal van de zitting te vermelden redenen sluiting der deuren beveelt.

    • 3.Indien de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is beroofd op last van het Strafhof of van de autoriteiten van een vreemde staat, kan hij voor het bijwonen van de zitting naar de rechtbank worden overgebracht.

  • Artikel 78
    • 1.De rechtbank onderzoekt de identiteit van de veroordeelde, de ontvankelijkheid van de officier van justitie, alsmede de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van het Strafhof en de feiten en omstandigheden die voor haar beslissing van belang zijn.

    • 2.De officier van justitie en de veroordeelde en diens raadsman worden in de gelegenheid gesteld ter zitting van de rechtbank te worden gehoord.

    • 3.De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten die het Strafhof kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.

    • 4.De artikelen 260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271, eerste lid, 272, 273, derde lid, 274 tot en met 277, 278, tweede lid, 279, 280,281, 286, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 293, 299, 300, 301, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 310, 311, tweede tot en met vierde lid, 315 tot en met 317, 319, 320, 322, eerste en tweede lid, 324, 326, 327, 328 tot en met 331, 345, eerste tot en met derde lid, 346 en 347 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

    • 5.Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 76, tweede lid, heeft geweigerd een getuige te doen oproepen kan de veroordeelde de rechtbank verzoeken alsnog de oproeping van de getuige te bevelen. De rechtbank gaat hiertoe over indien zij van oordeel is dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

    • 6.De in het vierde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.

    • 7.De officier van justitie legt, na voorlezing, een conclusie aan de rechtbank over. Indien zijn conclusie strekt tot bewilliging in de tenuitvoerlegging, omschrijft de officier van justitie de straf of maatregel die naar zijn oordeel in plaats van de door het Strafhof opgelegde straf behoort te worden opgelegd.

    • 8.De officier van justitie kan, zolang het onderzoek ter zitting niet is gesloten, zijn vordering, bedoeld in artikel 73, intrekken. Van het intrekken van de vordering stelt hij de veroordeelde terstond in kennis.

  • Artikel 79
    • 1.De rechtbank verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de beslissing van het Strafhof en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het Statuut voorgeschrevene, de straf of maatregel op die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

    • 2.In geen geval is de rechtbank bevoegd een zwaardere straf of maatregel op te leggen dan door het Strafhof is vastgesteld.

    • 3.Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De uitspraak is dadelijk uitvoerbaar.

    • 4.De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe.

    • 5.De artikelen 363 en 365 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 80

    Op de tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 79 opgelegde straf of maatregel is artikel 69, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 81
    • 1.Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om tenuitvoerlegging van een geldboete.

    • 2.Op de oplegging, overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van een geldboete is artikel 23, derde, vierde, zevende en achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing.

    • 3.Bij oplegging van een geldboete blijft een bevel als bedoeld in artikel 24c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht achterwege.

    • 4.Indien de veroordeelde onwillig blijkt om het verschuldigde bedrag te betalen en volledig verhaal onmogelijk is gebleken of daarvan door het openbaar ministerie is afgezien, zendt de officier van justitie het verzoek met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk terug aan Onze Minister, die het Strafhof in kennis stelt.

    • 5.Indien het Strafhof in het geval, bedoeld in het vierde lid, de duur van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf verlengt en die gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, zijn de artikelen 67 en 68 ten aanzien van het extra deel van de gevangenisstraf van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 82
    • 1. Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om tenuitvoerlegging van een bevel tot verbeurdverklaring.

    • 2. Bij zijn vordering, bedoeld in artikel 73, legt de officier van justitie tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over die ingevolge de artikelen 61 tot en met 63 in beslag zijn genomen.

    • 3. Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van een bevel tot verbeurdverklaring, spreekt zij de verbeurdverklaring uit van de desbetreffende voorwerpen. Indien verbeurdverklaring van een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, kan de rechtbank overeenkomstig de artikelen 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht de onttrekking aan het verkeer van de desbetreffende voorwerpen uitspreken.

    • 4. Indien verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, legt de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Met inachtneming van de beslissing van het Strafhof stelt zij het bedrag vast op het bedrag van de voorwerpen of het gedeelte daarvan waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer niet mogelijk is.

    • 6. Op uitspraken, voor zover houdende de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 83
    • 1.Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, inhoudend een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden.

    • 2.De officier van justitie doet de begunstigde of begunstigden van het bevel oproepen, tenzij oproeping redelijkerwijs niet mogelijk is.

    • 3.De begunstigde heeft recht op kennisneming van de stukken.

    • 4.De begunstigde kan zich doen bijstaan. Hij kan zich ook doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht door hem schriftelijk gemachtigde.

    • 5.Ter zitting wordt de begunstigde in de gelegenheid gesteld het woord te voeren over de vordering van de officier van justitie.

    • 6.Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van het bevel bedoeld in het tweede lid, legt zij aan de veroordeelde overeenkomstig artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van de begunstigde of begunstigden.

    • 7.In geen geval is de rechtbank bevoegd de som geld op een hoger bedrag te bepalen dan door het Strafhof is vastgesteld. De rechtbank treedt niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, tenzij erkenning van de beslissing van het Strafhof daaromtrent onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde.

    • 8.De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan de door het Strafhof aangewezen personen of instellingen.

    • 9.Het vierde tot en met zesde lid van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 84

    Al hetgeen wordt verkregen uit straffen en bevelen als bedoeld in artikel 72 komt ten bate van het Strafhof, onverminderd artikel 83, achtste lid.

  • Hoofdstuk 5. Bijstand van het gastland

  • Artikel 85

    • 1.Doorvoer van personen die als verdachten door de autoriteiten van een vreemde staat aan het Strafhof worden overgeleverd, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.

    • 2.Doorvoer van andere personen die op verzoek van het Strafhof naar Nederland zijn overgebracht of gekomen, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.

    • 3.Het transport in Nederland buiten de onder het gezag van het Strafhof staande ruimten van personen aan wie op last van het Strafhof hun vrijheid is ontnomen, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.

    • 4.De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de betrokken personen en ter voorkoming van hun ontvluchting.

  • Artikel 86

    • 1.Doorvoer van personen die door het Strafhof aan de autoriteiten van een vreemde staat worden overgedragen, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.

    • 2.De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de betrokken personen en ter voorkoming van hun ontvluchting.

  • Artikel 87

    • 1.Ingeval getuigen, deskundigen, slachtoffers of andere personen die aanwezig dienen te zijn op de zetel van het Strafhof, van welke nationaliteit ook, naar Nederland komen ten vervolge op een dagvaarding of oproeping dan wel een bevel tot medebrenging van het Strafhof of ten vervolge op een verzoek van het Strafhof aan Nederland om toelating overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut kunnen zij in Nederland niet worden vervolgd, aangehouden of aan enige andere vrijheidsbeperkende maatregel worden onderworpen voor feiten of veroordelingen die voorafgingen aan hun aankomst in Nederland.

    • 2.De in het eerste lid bedoelde immuniteit vervalt indien de desbetreffende persoon, hoewel hij gedurende vijftien achtereenvolgende dagen na het tijdstip waarop zijn aanwezigheid niet meer door het Strafhof werd vereist, de mogelijkheid had Nederland te verlaten, hier te lande is gebleven of in Nederland is teruggekeerd na het te hebben verlaten.

  • Artikel 88

    De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten.

  • Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

  • Artikel 89

    De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • Artikel 90

    Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002

    Beatrix

    De Minister van Justitie,

    A. H. Korthals

    Uitgegeven de zevenentwintigste juni 2002

    De Minister van Justitie,

    A. H. Korthals