Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap

Geldend van 01-07-2009 t/m heden

Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Gelet op artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies;

Besluit:

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

1. minister:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

2. subsidie:

exploitatiesubsidie die voor één of meer boekjaren wordt verstrekt.

Artikel 2. Doelomschrijving

De minister kan exploitatiesubsidies verlenen voor de financiering van instellingen op het gebied van onderzoek en wetenschap anders dan bedoeld in artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3. Subsidieaanvrager

  • 1 De subsidie kan slechts worden verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverlening.

  • 2 De subsidie kan worden verleend indien de subsidieaanvrager een rol vervult op het gebied van onderzoek en wetenschap en indien de instelling is opgenomen in de Rijksbegroting OCenW, hoofdstuk onderzoek en wetenschapsbeleid onder de kop exploitatiesubsidies.

Artikel 4. Subsidiebedrag

Bij de subsidieverlening maakt de minister het maximaal beschikbare subsidiebedrag bekend.

Artikel 5. Subsidieplafond

  • 1 Het subsidieplafond is gelijk aan het bedrag in de Rijksbegroting OCenW, hoofdstuk onderzoek en wetenschapsbeleid vermeld onder exploitatiesubsidies.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt het subsidieplafond voor het jaar 2002 apart bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud

In het geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 2 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander voor zover van toepassing naar rato van het aantal subsidieontvangers en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Paragraaf 2. Subsidieaanvraag

Artikel 7. Subsidieaanvraag

De subsidie wordt op aanvraag verleend.

Artikel 8. Vereisten ten aanzien van in te dienen stukken

  • 1 De subsidieaanvraag omvat, tenzij aan één of meer van de navolgende stukken naar het oordeel van de Minister geen behoefte bestaat:

    • a. een activiteitenplan;

    • b. een meerjarenactiviteitenplan, voor zover de subsidie meerdere boekjaren bestrijkt;

    • c. een meerjarenraming, voor zover de subsidie meerdere boekjaren bestrijkt;

    • d. een begroting;

    • e. overige voor de subsidie van belang zijnde informatie.

  • 2 De subsidieaanvraag die wordt ingediend door een privaatrechtelijk ingestelde rechtspersoon gaat de eerste maal vergezeld van de statuten zoals deze laatstelijk zijn vastgesteld of gewijzigd, alsmede het laatst opgemaakte financieel verslag of jaarrekening dan wel een schriftelijk overzicht van de financiële situatie van de subsidieaanvrager. De financiële bescheiden zijn voorzien van een accountantsverklaring, zoals bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de minister dit gelet op de hoogte van het bedrag niet noodzakelijk oordeelt.

  • 3 De minister kan nadere eisen stellen ten aanzien van de in dit artikel genoemde vereisten.

Artikel 9. Activiteitenplan

Het activiteitenplan omvat een overzicht van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten alsmede een omschrijving waaruit blijkt dat de subsidiedoeleinden op doelmatige en rechtmatige wijze worden bereikt.

Artikel 10. Meerjarenactiviteitenplan

  • 1 Het meerjarenactiviteitenplan omvat de hoofdlijnen van activiteiten en de daarmee beoogde resultaten. Het plan bevat verifieerbare doelstellingen.

  • 2 Het meerjarenactiviteitenplan ziet op de gehele looptijd tenzij de minister hiertoe anders besluit.

Artikel 11. Meerjarenraming

  • 1 De meerjarenraming biedt inzicht in de inkomsten en uitgaven die de aanvrager in verband met de te subsidiëren activiteiten voorziet. De raming bevat een kasstroomprognose waarin het vermoedelijke verloop van de financieringsbehoefte en de liquiditeitsplanning wordt aangegeven.

  • 2 De meerjarenraming ziet op de gehele looptijd tenzij de minister hiertoe anders besluit.

Artikel 12. Begroting exploitatiesubsidie

  • 1 De begroting bevat een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven in het jaar waarop de begroting betrekking heeft.

  • 2 Voor zover van toepassing worden in ieder geval als aparte inkomstenpost vermeld:

    • a. de bijdrage van de minister,

    • b. de bijdragen van derden,

    • c. de eigen bijdrage, en

    • d. de verwachte opbrengsten.

  • 3 Voor zover van toepassing worden in ieder geval als aparte uitgavenpost vermeld:

    • a. de apparaatskosten met specificatie naar personele en materiele kosten, en

    • b. de programmakosten met specificaties naar de te houden activiteiten.

  • 4 Bij de subsidieverlening kan de minister bepalen dat in aanvulling op de begroting een overzicht wordt ingediend waarin de subsidieaanvrager gemotiveerd inzage geeft in het verloop van de liquiditeitsbehoefte. Daarbij bepaalt de minister de periode waarop het overzicht betrekking dient te hebben.

Artikel 13. Termijn indiening

De subsidieaanvraag wordt in ieder geval 13 weken voor aanvang van het boekjaar ingediend.

Paragraaf 3. Subsidieverlening

Artikel 14. Subsidieverlening

  • 1 De minister besluit tot subsidieverlening aan een, voor exploitatiesubsidie in aanmerking komende, instelling op voorwaarde van instemming met het door de subsidieaanvrager ingediende stukken zoals vermeld in artikel 8, eerste lid.

  • 2 Voor zover een subsidieplafond als bedoeld in artikel 4 eerste lid niet is bereikt, besluit de minister tot subsidieverlening in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.

Artikel 15. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 9 van de Wet overige OCenW-subsidies kan de subsidie in ieder geval worden geweigerd in de volgende gevallen:

  • a. de subsidie past niet binnen de in artikel 2 genoemde overwegingen,

  • b. binnen het onderzoek- en wetenschapsterrein is al een instelling actief waarvan de minister van oordeel is dat de financiering tot de taakuitoefening van deze instelling behoort, en

  • c. de subsidieverlening is mogelijk op grond van een ander wettelijk voorschrift.

Artikel 16. Advies voorafgaande aan de subsidieverlening

De minister kan ten behoeve van het besluit tot subsidieverlening het advies inwinnen van een of meer externe deskundigen.

Artikel 17. Tijdvak subsidieverlening

De subsidie wordt verleend voor één of meer boekjaren.

Artikel 18. Delegatie

  • 1 De minister kan de bevoegdheid delegeren tot het nemen van besluiten met betrekking tot subsidiëring van in het kader van een programma op te starten projecten.

  • 2 De delegatie blijkt expliciet uit de subsidieverlening.

  • 3 Indien de subsidieontvanger bij de uitoefening van de delegatiebevoegdheid het door de minister beschikbaar gestelde subsidiebedrag overschrijdt, dan komt die overschrijding geheel voor rekening van de subsidieontvanger tenzij de minister hiertoe anders beslist.

  • 4 Aan de delegatie wordt een looptijd verbonden. Indien door de subsidieontvanger besluiten worden genomen waaruit verplichtingen tot subsidiëring volgen die ingaan na afloop van de looptijd van de delegatie, dan komen de financiële consequenties geheel voor rekening van de subsidieontvanger tenzij de minister hiertoe anders beslist.

  • 5 Een subsidie ontvanger waaraan de bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent subsidiëring wordt gedelegeerd, is verantwoordelijk voor het opstellen van voorwaarden waaronder hij besluiten tot subsidiëring zal honoreren. Hieronder valt in ieder geval de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van een subsidieplafond.

Paragraaf 4. Verplichtingen

Artikel 19. Verplichtingen ten aanzien van de financiering, inrichting en uitvoering

  • 1 Bij de subsidieverlening kunnen verplichtingen ten aanzien van de financiering, inrichting en uitvoering van het onderzoek worden opgelegd waaronder de verplichting tot het verwerven van additionele middelen of de inzet van eigen middelen, de inrichting en uitvoering van een programma zodat voldaan wordt aan EU regelgeving en EU jurisprudentie omtrent staatssteun, het bijhouden van een administratie en het betrekken van andere partijen bij de uitvoering.

  • 2 Indien de instelling de bevoegdheid tot het nemen van besluiten delegeert, dan wordt het programma eerst als afgerond beschouwd nadat de instelling alle subsidies heeft vastgesteld, doch uiterlijk zes maanden na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verstrekt.

  • 3 Indien een instelling een onderzoek uitvoert dat gericht is op het behalen van een bepaald resultaat, dan kan de minister bij het besluit tot subsidieverlening de verplichting opleggen om garant te staan voor het behalen van het resultaat.

Artikel 20. Informatieplicht

  • 1 Indien de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt verleend dient de subsidieontvanger gedurende het tijdvak van de subsidieverlening jaarlijks voor een door de minister te bepalen tijdstip een activiteitenplan in met bijbehorende begroting, tenzij de minister hiertoe anders bepaalt.

  • 2 Bij de subsidieverlening kan de minister verplichtingen opleggen tot het indienen van voortgangs- en eindrapportages. De betaalbaarstelling van de voorschotten kan hiervan afhankelijk worden gesteld. Op basis van de voortgangs- of eindrapportage kan de minister besluiten tot intrekking of wijziging van de subsidieverlening of tot terugvordering van de verleende voorschotten.

  • 3 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling en verantwoording van beleid.

  • 4 De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een besluit tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Bij de subsidieverlening kunnen de van belang geachte omstandigheden nader worden omschreven.

Artikel 21. Evaluatie

  • 1 Bij de subsidieverlening kan de minister de verplichting opleggen tot het houden van een evaluatie. De minister kan daarbij nadere regels stellen en de betaalbaarstelling van de voorschotten kan hiervan afhankelijk worden gesteld.

  • 2 De minister kan besluiten tot het instellen van een externe evaluatiecommissie. In dat geval verleent de subsidieontvanger de daaraan gewenste medewerking.

  • 3 Op basis van de evaluatie kan de minister besluiten tot intrekking of wijziging van de subsidieverlening of tot terugvordering van de verleende voorschotten.

Artikel 22. Goederen aan en diensten voor derden

Voor de beschikbaarstelling van goederen aan derden of het verrichten van diensten voor derden brengt de subsidieontvanger een vergoeding in rekening waarbij de economische tegenprestatie in verhouding moet staan tot de overheidsgelden die zijn doorbetaald of ter beschikking gesteld.

Artikel 23. Egalisatiereserve

De subsidieontvanger vormt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 24. Vermogensvorming

  • 1 Voor zover het verstrekken van de subsidie leidt tot vermogensvorming of inkomsten komt deze jaarlijks in de egalisatiereserve tot uitdrukking. In de toelichting op de jaarlijkse mutatie van de egalisatiereserve specificeert de subsidieontvanger de inkomsten en uitgaven naar soort en omvang.

  • 2 De minister is bevoegd vermogensvorming of inkomsten zijnde rente in mindering te brengen op de nog uit te betalen voorschotten, of te verrekenen bij vaststelling van de subsidie.

  • 3 Voor vermogensvorming ontstaan door acquisitie, bezwaring of vervreemding van onroerende of roerende zaken, aandelen of opties kan een vergoeding worden bedongen. Het maximum van de vergoeding is gelijk aan de vermogenstoename of de genoten inkomsten.

  • 4 Het is niet toegestaan de uit subsidie verworven vermogensbestanddelen over te dragen aan een stichting met als enig doel aan de vergoedingsplicht te ontkomen.

Artikel 25. Voorafgaande instemming met activiteiten na

De minister kan voorwaarden stellen voor het aangaan van overeenkomsten en het verwerven van eigendommen indien dit geschiedt met door hem verleende subsidiegelden.

Artikel 26. Jaarlijkse verantwoording

  • 1 In de jaarlijkse verantwoording geeft de subsidieontvanger inzicht in de voortgang en de behaalde resultaten. Aangegeven wordt in hoeverre de vooraf gestelde doelstellingen zijn behaald. Indien de doelstellingen niet zijn gehaald geeft de subsidieontvanger daarvoor een verklaring. Afwijkingen van de doelstellingen zonder goede verklaring kunnen leiden tot intrekking of wijziging van de subsidieverlening of tot terugvordering van de verleende voorschotten.

  • 2 Bij de subsidieverlening worden de vereisten ten aanzien van de jaarlijkse verantwoording gespecificeerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het voor de subsidieontvanger geldende verantwoordingsregime.

Paragraaf 5. Subsidievaststelling

Artikel 27. Aanvraag tot subsidievaststelling

Na afloop van ieder boekjaar dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. In het geval aan de subsidie ontvanger de bevoegdheid tot het nemen van besluiten met betrekking tot de subsidiëring is gedelegeerd, dan wordt het programma, bedoeld als in artikel 18, eerste lid, eerst geacht af te zijn gerond nadat de subsidieontvanger alle subsidies heeft vastgesteld.

Artikel 28. Termijn voor indiening aanvraag tot subsidievaststelling

Bij de subsidieverlening stelt de minister een termijn vast waarbinnen de aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het voor de subsidie ontvanger geldende verantwoordingsregime.

Artikel 29. Vereisten ten aanzien van de aanvraag tot subsidievaststelling

  • 2 De inrichting van het financieel verslag komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan of meerjarenactiviteitenplan.

  • 3 Het verslag van activiteiten bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten. Voor zover van toepassing bevat het verslag tevens een analyse van de verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het activiteitenplan of het meerjarenactiviteitenplan, en de feitelijke realisatie.

  • 4 Het financieel verslag geeft inzicht in het feitelijke verloop van de inkomsten en uitgaven gedurende de looptijd van de subsidie en het eindsaldo. Indien de subsidie ontvanger op basis van een gedelegeerde bevoegdheid projecten heeft gesubsidieerd, dan geeft de eindafrekening inzicht in het saldo zoals dat na de vaststelling van voor de projecten verstrekte subsidiebedragen kan worden opgemaakt.

Artikel 30. Accountantsverklaring

  • 2 De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger.

  • 3 De minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de accountantsverklaring.

Artikel 31. Besluit tot subsidievaststelling

  • 1 Indien bij de subsidieverlening aan de subsidieontvanger de verplichting is opgelegd tot het houden van een evaluatie, of wanneer de minister een externe evaluatiecommissie heeft ingesteld, dan gaat de minister niet eerder tot vaststelling van de subsidie over dan nadat de resultaten van de evaluatie bekend zijn.

  • 2 In het besluit tot vaststelling kan de minister een uit het financieel verslag blijkend positief saldo ten behoeve van de subsidieontvanger herbestemmen.

Paragraaf 6. Betaling

Artikel 32. Voorschotten

  • 1 Bij de subsidieverlening wordt een bevoorschottingsritme vastgesteld. De minister bepaalt de hoogte van het voorschot mede op basis van de stukken, bedoeld in artikel 8, eerste lid.

  • 2 Indien de begroting, het activiteitenplan of enige andere in deze regeling voor exploitatiesubsidie genoemde vereiste stukken niet of niet tijdig worden ingediend dan behoudt de minister zich het recht voor de bevoorschotting op te schorten of stop te zetten.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 33. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 34. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L.M.L.H.A. Hermans