Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Oret/Milievregeling 2002[Regeling vervallen per 05-02-2005.]

Geldend van 05-12-2003 t/m 04-02-2005

Wijziging van het Besluit hernieuwde vaststelling beleidsvoornemen in het kader van het Oret/Miliev-programma

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 1.1.6, 1.1.10, onder a, en 2.7.4 onder h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken (Stcrt. 1998, nr. 249);

Besluit:

Artikel I [Vervallen per 05-02-2005]

Het Besluit hernieuwde vaststelling beleidsvoornemen in het kader van het Oret/Miliev-programma van 24 januari 2000, nr. DOB-1540/99 (Stcrt. 2000, 27) wordt ingetrokken.

Artikel II [Vervallen per 05-02-2005]

Voor subsidieverlening op grond van artikel 2.7.4, onder h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken in het kader van het Oret/Miliev-programma geldt het als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsvoornemen.

Artikel III [Vervallen per 05-02-2005]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Ontwikkelingssamenwerking,

J.A. Boer

Bijlage [Vervallen per 05-02-2005]

Dit is de nieuwe integrale tekst van de beschrijving van de Oret/Miliev-regeling. De regeling werd voor het eerst gepubliceerd in de Staatscourant 199, nr. 139, dd. 9 juli 1999. Sindsdien is de regeling meermaals geamendeerd (februari 2000, december 2000 en juli 2001). Met de publicatie van deze tekst komen eerdere ORET/MILIEV-regelingen te vervallen.

Kenmerken van Oret/Miliev

1.1. Stimuleren van werkgelegenheid, verbeteren van het milieu [Vervallen per 05-02-2005]

Het ORET-programma ontstond in 1983 als een samenvoeging van programma's van Economische Zaken en van Ontwikkelingssamenwerking, ter ondersteuning van Ontwikkelingsrelevante Export Transacties door Nederlandse ondernemingen. Oorspronkelijk werden aan ontwikkelingslanden zachte leningen ter beschikking gesteld om die transacties te financieren. In 1991 kreeg het programma zijn huidige vorm, toen de financiering op leningbasis werd omgezet in een gedeeltelijke schenking van het transactiebedrag. Naast ORET werd in 1993 het MILIEV-programma (Milieu en Economische Verzelfstandiging) opgezet, ter bevordering van milieuprojecten. Dit programma kende hogere schenkingspercentages, maar was verder identiek aan ORET.

Met ingang van 1998 zijn de programma's samengevoegd tot het Oret/Miliev-programma, dat niet langer aparte criteria voor milieuprojecten kent. Doel van het programma is het bevorderen van de werkgelegenheid en van het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden en de verbetering van het milieu. Het Oret/Miliev-programma verlaagt voor het ontwikkelingsland de kosten van projecten die binnen de doelstellingen passen, door middel van een schenking ten behoeve van de aankoop in Nederland van kapitaalgoederen, diensten of werken.

Oret/Miliev is een subsidieregeling van Ontwikkelingssamenwerking die in overleg met het ministerie van Economische Zaken vanaf 14 februari 2002 onder mandaat wordt uitgevoerd en beheerd door de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelinglanden NV (NIO). NIO is een volle dochter van de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden NV (FMO).

Een schenking moet worden aangevraagd door de Nederlandse onderneming die zo'n project wil uitvoeren. Bij positief besluit over de ingediende aanvraag kent de NIO een schenking toe aan het ontwikkelingsland. De schenkingsovereenkomst bevat een bepaling waarmee het ontwikkelingsland de NIO machtigt uit de schenking rechtstreeks betalingen te doen aan de leverancier. De schenking wordt als subsidie aan het ontwikkelingsland aangeboden, maar feitelijk benut voor rechtstreekse betalingen aan de leverancier. Het toekennen van een aanvraag - in de vorm van een beschikking - vestigt voor de aanvrager een aanspraak op de beschikbaarstelling van financiële middelen door de Nederlandse overheid en geldt daardoor als subsidie in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Nederlandse onderneming, die een aan een ontwikkelingsland toe te kennen schenking aanvraagt, is daarmee een aanvrager in de zin van de Awb. In deze beschrijving van de Oret/Miliev-regeling worden de begrippen `aanvrager', `leverancier' en `exporteur' dan ook door elkaar gebruikt.

De Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken (gepubliceerd in Staatscourant 1998, nr 249) (hierna: de Subsidieregeling) bevat in artikel 2.7.4, onderdeel h, de juridische grondslag voor Oret/Miliev. Hoe de minister voor Ontwikkelingssamenwerking (OS), uit wiens budget de Oret/Miliev-regeling wordt gefinancierd, uitvoering zal geven aan zijn bevoegdheid in deze, wordt hieronder uiteengezet.

De Oret/Miliev-regeling is onderworpen aan enkele internationale regels en afspraken. Omdat de schenking gebonden is aan leveringen uit Nederland, wordt Oret/Miliev aangemerkt als gebonden hulp, die valt onder de afspraken die Westerse landen hebben gemaakt over het beteugelen van overheidssteun onder toezicht van de in Parijs gevestigde Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de zogenaamde Consensus, en onder de richtlijnen van de Europese Unie (EU). Deze zijn niet van toepassing op de export van landbouwprodukten en militaire goederen en stellen aanzienlijke beperkingen aan kernenergieprojecten en de levering van vliegtuigen. Andere projecten kunnen slechts onder voorwaarden worden gesteund (zie verder paragraaf 4.1).

1.2. De landenlijst [Vervallen per 05-02-2005]

De lijst van ontwikkelingslanden, waarvoor een Oret/Miliev schenking kan worden aangevraagd, wordt vastgesteld mede in aanmerking nemende de internationale afspraken in OESO verband. De OESO lidstaten zijn onlangs overeengekomen per 1 januari 2002 over te gaan tot ontbinding van hun gebonden hulp aan de Minst Ontwikkelde Landen (MOLs). De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking heeft daarop besloten dat de Oret/Miliev-regeling met ingang van 1 oktober 2001 niet langer openstaat voor MOL's. De landenlijst bestaat uit twee delen, zie bijlagen 2A en 2B van deze beschrijving.

Bijlage 2A bevat de ontwikkelingslanden waarvoor zonder meer Oret /Miliev-steun kan worden aangevraagd. Dit is de actieve landenlijst. Bijlage 2B bevat de passieve landenlijst. Voor projecten in deze - passieve - landen kunnen alleen aanvragen worden ingediend indien de Nederlandse aanvrager op een voor de NIO acceptabele manier aantoont dat buitenlandse bedrijven meedingen naar de order die daarbij gebruik maken van concessionele hulp van hun overheid. Voor het bewijs van deze overheidsgesteunde concurrentie, bijvoorbeeld door overlegging van terzake doende officiële documenten, kan het Nederlandse bedrijf gebruik maken van de diensten van de Nederlandse Ambassade ter plaatse. Voor projecten in landen op de passieve lijst gelden voorts dezelfde beoordelingscriteria als projecten in landen op de actieve lijst.

Deze landenlijst kan worden gewijzigd. Tekst en wijzigingen worden in de Staatscourant gepubliceerd. De actuele lijst is, evenals de actuele tekst van de Oret/Miliev-regeling en de bijlagen, rechtstreeks via het Internet te raadplegen (zie hoofdstuk 8).

1.3. Het budget [Vervallen per 05-02-2005]

Voor uitvoering van de Oret/Miliev-regeling is op jaarbasis € 104,369 miljoen beschikbaar. Wijzigingen in het budget worden gepubliceerd in de Staatscourant. Een deel van het budget is nodig voor lopende en reeds toegezegde projecten. Nieuwe projecten kunnen slechts worden goedgekeurd indien voldoende budgetruimte beschikbaar is in elk jaar waarin schenkingsuitgaven zullen plaatsvinden.

Het totaal van de schenkingsbedragen dat per jaar wordt toegekend op aanvraag van één onderneming of groep van ondernemingen is beperkt tot 20% van het jaarlijks beschikbare Oret/Milievbudget. Dezelfde limiet geldt voor het totaal van de schenkingen aan één land; met China zijn afwijkende afspraken gemaakt. Daarnaast geldt een maximum transactie-omvang van € 45 miljoen (zie ook paragraaf 1.8).

1.4. De schenking [Vervallen per 05-02-2005]

De Oret/Miliev-schenking bedraagt standaard 35% en voor de onder het akkoord over exportkrediet ten behoeve van zeegaande schepen 25% van het transactiebedrag, berekend volgens de vigerende internationale regels. De schenking wordt aangeboden aan de (centrale) overheid van het ontwikkelingsland waar het project wordt uitgevoerd.

De schenking kan in diverse vormen en combinaties worden aangeboden (als regelrechte schenking, als rentesubsidie of ter verzachting van lease-overeenkomsten).

Schenkingen worden gedaan in euro's, bij voorkeur voor een contract dat luidt in euro's. Indien het contract voor een project luidt in andere valuta, dan wordt als omrekenkoers naar de euro genomen de wisselkoers op de dag van projectgoedkeuring door NIO.

Het is aan de ontvangende overheid om te bepalen of de schenking wordt doorgegeven aan de `eigenaar' van het project en, zo ja, hoe: als schenking of als (zachte) lening. In de regel geeft de overheid aan afnemers-overheidsinstellingen de schenking volledig als schenking door, maar aan een particuliere afnemer als min of meer marktconforme lening, waarbij de overheid er op let dat deze niet bevoordeeld wordt ten opzichte van andere private ondernemers. Het is van belang tijdig na te gaan wat de lokale overheid van de eindafnemer vraagt in verband met de berekening van de financiële haalbaarheid van een project. De (lokale) overheid wordt geacht over Oret/Miliev-gesteunde transacties geen enkele vorm van belasting te heffen.

De schenking wordt namens de Nederlandse overheid ter beschikking gesteld door NIO. NIO zal de afspraken hierover vastleggen in een schenkingsovereenkomst met de overheid van het ontwikkelingsland.

De restfinanciering kan afkomstig zijn uit eigen middelen van de afnemer, een banklening, leverancierskrediet of een lease-overeenkomst, eventueel zelfs uit zachte leningen of schenkingen van andere donoren. De restfinanciering moet veilig gesteld worden, via een documentair krediet (Letter of Credit), met gebruik van wissels, of anderszins, maar altijd op een vooraf door NIO uit hoofde van haar bankiersfunctie goed te keuren wijze. Leasecontracten (of soortgelijke structuren) zijn alleen toegestaan indien de eigendom van de goederen na de laatste leasetermijn op de lessee overgaat (koopverplichting).

1.5. De transactie-inhoud [Vervallen per 05-02-2005]

De transactie betreft dat deel van het project waaraan de Nederlandse leverancier verbonden is door middel van een contract met de afnemer. Daarbij kan het gaan om leveringen uit Nederland en uit andere landen, inclusief het betreffende ontwikkelingsland zelf. Voor Oret/Miliev-steun komt in aanmerking de levering van kapitaalgoederen, diensten of werken, zelfstandige dienstencontracten dan wel een combinatie hiervan. Wel moet de transactie zoveel componenten bevatten, zoals technische assistentie, de levering van reserveonderdelen gedurende een redelijk aantal jaren of afspraken over verdere samenwerking bij exploitatie, dat het beoogde duurzame effect wordt gewaarborgd. De aanvraag moet een helder beeld van de verschillende transactiecomponenten geven. Zie ook de uitgebreide toelichting in het aanvraagformulier.

1.6. Transactiekosten, voorzieningen en winst [Vervallen per 05-02-2005]

Het transactiebedrag is de prijs van de transactie die contractueel tussen leverancier en afnemer is overeengekomen. In dit transactiebedrag kunnen kosten zijn opgenomen die ter voorbereiding (haalbaarheidsonderzoeken) of verkrijging van de opdracht (acquisitiekosten) zijn gemaakt. Deze kunnen niet worden meegefinancierd uit een Oret/Miliev-schenking, aangezien `achteraf-financiering' met ontwikkelingsgeld niet is toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien de leverancier kan aantonen dat hij de integrale standaardkostprijsberekening hanteert en hij in de standaardkostprijs een vaste opslag voor deze kosten heeft opgenomen.

Overigens komen ook losstaande haalbaarheidsonderzoeken niet in aanmerking, omdat daar reeds andere subsidiemogelijkheden voor bestaan (bijvoorbeeld het Programma Economische Samenwerkings Projecten, PESP).

Hetzelfde geldt voor commissiekosten; deze komen niet in aanmerking voor meefinanciering uit een schenking.

Agentkosten komen slechts in aanmerking voor meefinanciering uit de schenking als de (lokale) agent werk verricht tijdens de implementatie van de transactie. Deze kosten kunnen dan onder de locale kosten worden gespecificeerd.

Financieringskosten die in het transactiebedrag zijn opgenomen kunnen uit de schenking worden meegefinancierd, voorzover zij daadwerkelijk worden gemaakt.

De post voor risico-opslag moet samen met de winst in redelijke verhouding staan tot de rest van het project.

Dat geldt ook voor de post meer-en-minder-werk. Oret/Miliev-steun voor die post kan pas worden verkregen nadat NIO de uitleg voor beroep op die post heeft geaccepteerd.

Door het ontwikkelingsland opgelegde belastingen, invoerrechten en andere heffingen mogen niet in de transactie worden opgenomen. Lokale uitgaven voor de aankoop van grond of als compensatie wegens onteigening van grond mogen geen deel van de transactie uitmaken.

1.7. Nederlands aandeel [Vervallen per 05-02-2005]

Het aandeel van leveringen uit Nederland in de transactie (Nederlands aandeel) bedraagt ten minste 60% van het transactiebedrag.

Omdat het gebruik maken van diensten en produkten uit het ontwikkelingsland zelf de kans vergroot dat de afnemer de activiteit met eigen middelen voortzet en ook voor dat land gunstig is, kan het Nederlands aandeel in twee gevallen lager zijn:

- ten minste 50%, indien de produkten en diensten die in het ontwikkelingsland zelf zijn voortgebracht 10% of meer van het transactiebedrag uitmaken.

- ten minste 40%, indien sprake is van een dienstencontract waarbij in aanzienlijke mate lokale deskundigen worden ingezet. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat dienstencontracten tot vervolgopdrachten aan Nederlandse ondernemingen kunnen leiden.

Zie ook paragraaf 3.3.

1.8. De transactie-omvang [Vervallen per 05-02-2005]

De transactie mag niet groter zijn dan € 45 miljoen. Indien sprake is van twee elkaar aanvullende transacties voor een zelfde project, zoals een groot aannemingswerk en het onafhankelijke toezicht daarop, geldt de limiet voor beide transacties tezamen.

1.9. De aanvrager [Vervallen per 05-02-2005]

Uitsluitend in Nederland gevestigde en werkzame ondernemingen kunnen aanvragen indienen voor een Oret/Miliev-schenking. De onderneming moet bovendien voldoende exportervaring hebben, aantonen technisch, organisatorisch en financieel in staat te zijn om de transactie tot een goed einde te brengen en in het algemeen bijdragen aan een duurzame economische relatie met het ontwikkelingsland. De aanvrager moet eventueel garanties kunnen stellen.

Het komt voor dat (ondernemingen in) ontwikkelingslanden vragen om leveringen uit Nederland met Oret/Miliev-steun, zonder aan te geven aan welke leveranciers men denkt. Ook in die gevallen wordt Oret/Miliev-steun pas in overweging genomen indien formeel een aanvraag is gedaan door een Nederlandse onderneming. De afspraken die met China zijn gemaakt schrijven voor dat een aanvrager zich er eerst van moet vergewissen of het door hem bedoelde project voorkomt op de lijst die in overleg tussen de Nederlandse en de Chinese overheid wordt vastgesteld. NIO kan hierover informatie verschaffen.

1.10. De opdrachtgever/afnemer [Vervallen per 05-02-2005]

De schenkingsovereenkomst wordt gesloten met de centrale overheid van het ontwikkelingsland, meestal het ministerie van Financiën of het ministerie van Planning. De feitelijke opdrachtgever, contractpartij en afnemer van de goederen, diensten of aannemingswerken is vaak een ander onderdeel van deze centrale overheid of een lagere overheid, maar kan ook een particuliere onderneming zijn. Doorgaans zal de overheid niet bereid zijn een schenking zomaar aan een particuliere onderneming door te geven en deze te bevoordelen boven andere ondernemingen. Daarom dient een particuliere afnemer hierover duidelijke afspraken met zijn overheid gemaakt te hebben.

Het wordt toegejuicht als de leverancier zich inspant tot het verbeteren van de capaciteit van de afnemer om het project tot een goed einde te brengen en eventueel uit te bouwen. Dit kan uitmonden in een samenwerkingsovereenkomst, bezegeld met een belang in het bedrijf van de afnemer, investeringen in een gezamenlijke nieuwe onderneming, of anderszins. Op haar beurt kan een levering ook voortkomen uit een dergelijke samenwerking. Op het moment van de aanvraag mag de leverancier/aanvrager echter geen controlerend belang hebben in het bedrijf van de afnemer.

Bij een levering van roerende (en dus doorverkoopbare) kapitaalgoederen dient de afnemer garanties te geven dat deze gebruikt blijven worden voor het project van het ontwikkelingsland. Dit zal worden opgenomen in de schenkingsovereenkomst aan het betrokken land.

1.11. Onderhandelingen en concurrenten [Vervallen per 05-02-2005]

Het is aan het ontwikkelingsland om te bepalen hoe een opdracht wordt gegund, via een internationale openbare aanbesteding (tender) dan wel via directe onderhandelingen met een of meerdere bedrijven. In elk geval moet de prijsstelling voor NIO transparant zijn en toetsbaar op marktconformiteit.

Het is ook aan het ontwikkelingsland om te bepalen aan wie een opdracht wordt gegund, ook in het geval meer Nederlandse bedrijven Oret/Miliev-steun aanvragen voor dezelfde transactie. In geen geval maakt NIO openbaar welke Nederlandse ondernemingen een aanvraag hebben ingediend. Alleen in geval van een Oret/Miliev-aanvraag voor de aankoop van zeeschepen is het noodzakelijk - volgens regels van de Europese Commissie - dat de hoofdgegevens van de transactie bekend worden gemaakt aan andere Nederlandse bouwers van zeeschepen. (zie ook paragraaf 3.1)

Oret/Miliev-steun is gebonden aan een project en aan een specifiek Nederlands bedrijf (de Oret/Miliev-aanvrager). Als een afnemer in een ontwikkelingsland de Oret/Miliev-steun toch wil inzetten via een ander Nederlands bedrijf, dan zal dat bedrijf een complete Oret/Miliev-aanvraag moeten indienen, opdat kan worden beoordeeld of ook zijn projectinvulling (prijs, kwaliteit, etc) voldoet aan de Oret/Miliev-regels.

Ter bescherming van ondernemers die tijd en energie hebben gestoken in een grondige specificatie van een offerte worden aanvragen voor eenzelfde project slechts in behandeling genomen gedurende (lees: binnen) twee maanden nadat een eerste aanvraag voor behandeling is geaccepteerd.

De om die reden afgewezen aanvrager kan later, indien hij de opdracht krijgt en een reeds door de opdrachtgever getekend contract kan overleggen waarin het niet afkomen van Oret/Miliev-financiering als ontbindende voorwaarde is opgenomen, alsnog een aanvraag indienen, die dan versneld zal worden beoordeeld. Desgevraagd zal de nieuwe aanvrager moeten toelichten waarom het ontwikkelingsland alsnog voor hem koos.

In het geval van een openbare aanbesteding door het ontwikkelingsland, waarin een termijn wordt voorgeschreven langer of korter dan de genoemde twee maanden, geldt die termijn.

1.12. Besluitvorming en beschikking [Vervallen per 05-02-2005]

Maximaal zes maanden na de ontvangstbevestiging van de aanvraag krijgt de Nederlandse onderneming die de aanvraag heeft ingediend bericht - in de vorm van een beschikking - of de aanvraag wordt gehonoreerd, al dan niet onder door de betrokken onderneming en/of het ontwikkelingsland te vervullen voorwaarden.

De tijd die de aanvrager nodig heeft om aanvullende informatie te verstrekken of vragen te beantwoorden telt niet mee in de berekening van deze termijn.

2. Vereisten

Een Oret/Miliev-aanvraag moet tenminste een drietal documenten omvatten: een juist en volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, een verklaring van de centrale overheid van het ontwikkelingsland en een haalbaarheidsstudie van het gehele project waarin de transactie een rol speelt. In deze documenten moet de aanvrager aannemelijk maken dat zijn aanvraag aan de criteria voldoet (zie hoofdstuk 3).

De aanvraag moet in tweevoud bij NIO worden ingediend, dus met complete kopie van de drie basisdocumenten en van eventuele andere bijlagen. De aanvraag en alle bijlagen dienen gesteld te zijn in het Nederlands of het Engels.

De onderneming die een aanvraag wil indienen moet derhalve veel voorwerk verrichten, in veel gevallen met behulp van de afnemer. In bepaalde gevallen kan hij daarbij een beroep doen op de fondsen voor projectstudies die beschikbaar zijn bij Senter en FMO. Het zal de opdrachtgever/afnemer niet altijd duidelijk zijn dat ook hij inzage moet geven in het reilen en zeilen van de organisatie of het bedrijf waar het project onder valt. De eisen van de OESO-Consensus (zie paragraaf 4.1) maken dat echter noodzakelijk. Eventueel kan de Nederlandse ambassade worden ingeschakeld om bij de betrokken overheid te onderstrepen dat de gevraagde informatie van essentieel belang is voor een beslissing over het verstrekken van een schenking.

Alleen volledig ingevulde en ondertekende aanvraagformulieren die vergezeld zijn van de genoemde documenten, worden in behandeling genomen. Zodra NIO een aanvraag in behandeling neemt, dan worden de Nederlandse aanvrager en de potentiële afnemer in het ontwikkelingsland hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

1. Aanvraagformulier [Vervallen per 05-02-2005]

Het aanvraagformulier is te verkrijgen bij NIO. Eerste vereiste voor het in behandeling nemen van een aanvraag is een juist en volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier.

Met het ondertekenen van het aanvraagformulier zal een aanvrager tevens verklaren dat hij kennis heeft genomen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en dat hij zich zal inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen. Deze verklaring is gebaseerd op het beleid van de Nederlandse overheid om Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen te bevorderen: bij alle subsidies van de Nederlandse overheid in het kader van export- en investeringsbevordering wordt om een dergelijke inspanningsverplichting gevraagd. Bij het aanvraagformulier worden de OESO-richtlijnen door NIO verstrekt. Daarnaast zijn ze te vinden op www.oesorichtlijnen.nl .

2. Verklaring van de centrale overheid van het ontwikkelingsland [Vervallen per 05-02-2005]

De tweede vereiste bij een aanvraag is een verklaring van de centrale overheid van het ontwikkelingsland waarin deze aangeeft welk belang het project voor haar heeft, op welke wijze zij het project - met inbegrip van een donorbijdrage - zal financieren, en bij voorkeur ook welke verwervingsprocedure zij verkiest (tender of directe onderhandelingen). Er moet een duidelijke indicatie zijn dat de financiering rond komt (bijvoorbeeld door middel van een budgettoezegging door deze overheid of een voor NIO acceptabele bereidheidsverklaring van een bank tot het verschaffen van het benodigd krediet).

3. Haalbaarheidsstudie [Vervallen per 05-02-2005]

De derde vereiste bij iedere aanvraag is een haalbaarheidsstudie van het gehele project waarin de transactie een rol speelt. De haalbaarheidsstudie moet van voldoende niveau zijn en alle voor de beoordeling benodigde informatie over project en transactie (inclusief cijfermateriaal en berekeningen), de afnemer en de leverancier bevatten. Zie hiertoe ook de checklist in bijlage 3. De haalbaarheidsstudie moet een goed inzicht in de cash flow van het project geven.

Beoordelingscriteria

De subsidieaanvraag moet aan de volgende beoordelingscriteria voldoen: [Vervallen per 05-02-2005]

  • 1. het project is volgens de richtlijnen van de OESO niet commercieel haalbaar, of niet financierbaar (twee `key tests');

  • 2. het project is ontwikkelingsrelevant;

  • 3. de transactie draagt bij aan een duurzame economische relatie van Nederland met het ontwikkelingsland;

  • 4. niet commercieel haalbaar.

In OESO-verband (zie paragraaf 1.1) is afgesproken dat gebonden hulp alleen mag gaan naar projecten die bij financiering op marktvoorwaarden (`commercieel') niet haalbaar zijn. Aangenomen wordt dat een project commercieel niet haalbaar is als het bij normale marktprijzen binnen 10 jaar onvoldoende opbrengt om de investering en de lopende (operationele en financierings-) kosten te dekken. Indien dit wel het geval is, maar geen bonafide bank bereid blijkt voor dat project commercieel krediet te verschaffen, dan wordt het geacht niet financierbaar te zijn.

De berekening van (niet) commerciële haalbaarheid speelt een sleutelrol in menige aanvraag. Het gaat om een cash flow analyse die uitmondt in een berekening van de geaccumuleerde cash flow in jaar tien (met zicht op wat gebeurt in jaar 11 en 12) waarbij aan buitenlandse leningen een rente toegerekend wordt ter hoogte van de door de OESO vastgestelde commerciële referentierente (CIRR). De berekening wordt gemaakt over het project in zijn geheel en niet over de afzonderlijke transactie (die meestal onderdeel van een project is) of over een project waar bepaalde activiteiten uit zijn weggelaten. Een goede projectdefinitie is dus van groot belang (zie daarover paragraaf 4.2). Voorts moet bij de waardering van de opbrengsten van het project gerekend worden met redelijke en verantwoorde prijzen: marktprijzen dus. Als de lokale overheid de prijzen kunstmatig laag houdt met subsidies, moet gerekend worden met een opslag tot wereldmarktniveau, met enige tolerantie voor het ontwikkelingsland dat de tarieven tot dit niveau wil verhogen.

Het is de bedoeling dat de Consensus op korte termijn onverkort van toepassing wordt voor schepen, maar op dit moment is dat slechts voor bepaalde schepen (kleine zeeschepen en binnenvaartschepen) het geval. Schepen die vallen onder de `Sector Understanding on Export Credits for Ships' (in het algemeen nieuwe zichzelf voortstuwende zeegaande schepen groter dan 100 BRT) behoeven in Consensusverband niet te worden getoetst op commerciële niet-haalbaarheid.

Ontwikkelingshulp welke door een EU-lidstaat wordt verstrekt voor orders van zeegaande schepen moet aan de EU worden gemeld en dient ingevolge Europese Verordering (EG) nr 1540/98 van 29 juni 1998 (Pb L 202) door de Europese Commissie te worden goedgekeurd. Hierbij onderzoekt de Commissie onder meer of `de steun open heeft gestaan voor offertes van verschillende werven'. De Europese Commissie hanteert daarbij als voorwaarde dat de Nederlandse werven minimaal één maand voor indiening van de Oret/Miliev-aanvraag door middel van een kennisgevingsbrief over de potentiële scheepsbouwtransactie zijn geïnformeerd.

5. Ontwikkelingsrelevantie [Vervallen per 05-02-2005]

De aanvraag moet passen in de plannen van het ontwikkelingsland en mag samenwerkingsafspraken van Nederland met dat land niet doorkruisen.

Hoewel armoedebestrijding het hoofddoel is van OS, hoeft het voorgestelde project niet zelf directe positieve gevolgen te hebben voor de armen. Het mag de belangen van de armen echter niet schaden, noch nadelige effecten hebben voor achtergestelde groepen en/of vrouwen. Het project moet voldoen aan de lokale wetgeving of, als deze aantoonbaar tekortschiet, aan de internationale normen. De indiener van een aanvraag kan hierbij desgewenst gebruik maken van de richtlijnen voor projectbeoordeling van de OESO (Aid Quality Assessment).

Oret/Miliev-schenkingen moeten investeringen in ontwikkelingslanden stimuleren die een positieve bijdrage leveren aan de duurzame economische, ecologische en sociale ontwikkeling van hun omgeving. Aanvragen worden getoetst op hun effecten op deze drie terreinen. Op elk van deze terreinen hiervan moet een project - op termijn - een positief effect hebben om voor subsidie in aanmerking te komen. Een project moet bijdragen aan het scheppen van duurzame werkgelegenheid in het ontwikkelingsland en een voldoende groot `over all' economisch effect hebben. Om dit te bepalen wordt het project getoetst op (I) financieel-economische effecten (II) milieu effecten en (III) sociale effecten:

Ad (I) Financieel-economische effecten [Vervallen per 05-02-2005]

De financieel-economische aspecten worden zo realistisch mogelijk ingeschat door te kijken naar (a) economische aspecten en (b) financiële aspecten. Daarnaast hangen (c) institutionele en (d) technische aspecten hier nauw mee samen.

Ad (a) Economische duurzaamheid [Vervallen per 05-02-2005]

Hier wordt gekeken naar de economische baten die direct voortvloeien uit het project en terecht komen in het ontvangende land. Deze opbrengsten kunnen dus ook terechtkomen bij andere partijen dan de directe afnemers van het Oret/Miliev-project. Te denken valt hierbij aan de bijdrage aan de lokale economie, aan overheidsinkomsten en aan het voorziene effect op de betalingsbalans. Het totaaleffect moet ruim positief zijn. Voor de inschatting zal onder meer gebruik worden gemaakt van de Economische Interne Rentevoet (EIRR).

Ad (b) Financiële duurzaamheid [Vervallen per 05-02-2005]

Het project moet tijdens zijn levensduur voldoende inkomsten opbrengen om de kosten van kapitaal (afgezien van de Oret/Miliev-schenking) en de kosten van de bedrijfsvoering plus vervangingen te financieren. Ook wordt vastgesteld of tegen de reële rente (of een benadering daarvan) de netto contante waarde van de cash-flow positief is. Indien een project geen of onvoldoende inkomsten oplevert kan een overheidsgarantie, met betrekking tot de dekking van operationele uitgaven en vervangingsinvesteringen, uitkomst bieden. Het verdient de voorkeur dat het project is ondergebracht in een bedrijfsmatig werkende (project-)organisatie. Er moet zekerheid bestaan dat een project efficiënt (kosteneffectief) is opgezet. Voor de toets zal onder meer gebruik worden gemaakt van de Financiële Interne Rentevoet (FIRR).

Ad (c) Institutionele duurzaamheid [Vervallen per 05-02-2005]

De voor het project verantwoordelijke organisatie moet in alle opzichten (organisatie, bemanning, financieel, technisch) in staat zijn het project te beheren en zelfstandig voort te zetten. Dit blijkt onder andere uit de kennis en ervaring, personele, financiële en technische capaciteit van het management en aandeelhouders, en uit de toepassing van de principes die gevat worden onder de term `maatschappelijk verantwoord ondernemen'. Trainingen in management, financieel beheer en planning kunnen deze capaciteit versterken, maar in de regel niet van de grond af aan opbouwen. Aanvragen die dit aspect onvoldoende toelichten of hierover twijfel laten bestaan, hebben geen kans op financiering uit Oret/Miliev.

Ad (d) Technische duurzaamheid [Vervallen per 05-02-2005]

De in het kader van de transactie geleverde goederen, diensten en/of werken moeten van zodanige technische kwaliteit zijn, dat de afnemende organisatie deze zelfstandig in stand kan blijven houden. Als lokaal personeel daarvoor technische training nodig heeft, moet het project hierin voorzien. Als een ontwikkelingsland standaarden hanteert of naar standaardisatie streeft, moeten de geleverde goederen hieraan voldoen. De transactie moet voorzien in de (na)levering van voldoende reserve-onderdelen en in andere nazorg.

Het komt voor dat de inhoud en het totaalbedrag van een voorgestelde transactie op grond van de beoordeling moeten worden aangepast. Deze aanpassing kan een inkrimping/verlaging zijn, maar ook een uitbreiding/verhoging, wanneer NIO bijvoorbeeld als voorwaarde stelt extra trainingen of andere voorzieningen in de transactie op te nemen. Zowel aanvrager als afnemer dienen zich er van bewust te zijn dat in dat geval het contract en de financiering moet worden aangepast, tenzij men van Oret/Miliev-steun afziet.

Ad (II) Milieu effecten [Vervallen per 05-02-2005]

Het voorgestelde project mag niet per saldo schadelijk zijn voor het milieu. Uitgangspunt bij de toetsing zijn de normen op milieu en veiligheidsgebied zoals geformuleerd door de Wereldbank, of de lokale normen van het betreffende ontwikkelingsland, indien deze laatste strenger zijn. Een adequate milieueffectrapportage zal in ieder geval deel uitmaken van aanvragen op grote infrastructurele projecten en projecten in milieugevoelige gebieden. Bij elke Oret/Miliev-aanvraag dient naar voren te komen welk beleid de afnemer heeft of aan het ontwikkelen is ten aanzien van het milieu, of zij er systematisch naar kijkt en wat de resultaten zijn.

Projecten die een positief effect (bedoelen te) hebben op het milieu worden geregistreerd als Miliev projecten.

Ad (III) Sociale effecten [Vervallen per 05-02-2005]

Het project waarop de aanvraag zich richt zal (binnen een nader over een te komen termijn) moeten voldoen aan internationaal gestelde normen op sociaal gebied. Bij toetsing op dit terrein wordt uitgegaan van de formuleringen op dit gebied van de ILO en de Wereldbank. Het project moet bijdragen aan het scheppen van duurzame werkgelegenheid in het ontwikkelingsland. Dit effect kan direct of indirect zijn, bijvoorbeeld door verbetering van de infrastructuur.

6. Duurzame economische relatie [Vervallen per 05-02-2005]

De indiener van een aanvraag moet aannemelijk maken dat hij door middel van het project bouwt aan de samenwerking met ondernemingen in het ontwikkelingsland, met mogelijk uitstralingseffecten op andere Nederlandse en lokale ondernemingen. Het project moet een katalyserende werking hebben, doordat het leidt tot vervolgopdrachten en/of investeringen van hemzelf en/of anderen.

De aanvrager moet een bonafide (zie ook artikel 1.1.4 van de Subsidieregeling) onderneming zijn, met een gezonde balans en resultatenrekening, kwalitatief en qua omvang voldoende sterk om de transactie zonder problemen tot een goed einde te brengen.

De voorgestelde transactie moet in elk geval herkenbaar Nederlands zijn. Dit is het geval als de waarde van het transactiebedrag voor tenminste 60% in Nederland voortgebracht is. Dit moet, zo nodig, voor elke transactiecomponent afzonderlijk worden vastgesteld. Daarbij mogen componenten die voor meer dan 50% in Nederland worden voortgebracht als 100% Nederlands worden beschouwd (zie ook het aanvraagformulier). Producten kunnen daaraan voldoen maar toch bekend staan als een buitenlands merkartikel. Ook het omgekeerde komt voor. Voor vragen over het Nederlands aandeel kan een onderneming het beste contact opnemen met NIO. Het Nederlands aandeel kan in twee gevallen lager zijn dan de gestelde 60%: bij gebruikmaking van lokale producten en diensten en in geval van dienstencontracten (zie paragraaf 1.7)

Beperkende internationale afspraken

7. De Consensus [Vervallen per 05-02-2005]

Internationale afspraken over het beperken van overheidssteun bij het verzekeren van exportkredieten bestaan al sinds de dertiger jaren. Nadien zijn in de internationale fora meermalen afspraken gemaakt over het beperken van de diverse vormen van exportsteun, onder meer binnen de Europese Gemeenschap (EG). Bij de gangbare vormen van exportsteun voegden zich in de jaren `60 de hulp aan ontwikkelingslanden voor het importeren van kapitaalgoederen en diensten uit het Westen, de gebonden hulp (tied aid).

Mede op initiatief van de EG hebben de leden van de OESO sinds 1971 geprobeerd hierover afspraken te maken. In 1978 leidde dat tot de zogenaamde `Arrangement on Guidelines for Officially Supported Export Credits', die in de wandeling de Consensus wordt genoemd, omdat het gaat om een gentlemen's agreement met besluitvorming bij consensus. De Consensus werd in 1992 aanzienlijk aangescherpt, onder redactie van de toenmalige Finse voorzitter (het zgn. Helsinki-pakket) en kreeg daarmee zijn huidige vorm. De afspraken worden regelmatig bijgesteld naar bevinding van de praktijk. In 1998 is de laatste aanpassing van de Consensus uitgebracht.

De Consensus bevat afspraken over allerlei vormen van steun en, indien het gaat om ontwikkelingshulp, over het minimale schenkingselement (Nederland hanteert bij Oret/Miliev de minimale percentages), de landen waaraan, de projecten waarvoor en de voorwaarden waaronder zulke hulp kan worden geboden. Verder zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop kan worden gecontroleerd of de afspraken worden nagekomen. Op grond van deze afspraken moeten Consensusdeelnemers elkaar over elk voornemen tot steun met ontwikkelingshulp, voordat een toezegging wordt gedaan, informeren via een speciaal daarvoor ingericht netwerk (OLIS) onder toezicht van het OESO-secretariaat. Deze melding (`notificatie') biedt de deelnemers de gelegenheid om op zo'n voornemen te reageren, bezwaren te uiten of bespreking te eisen in de onderlinge vergadering in Parijs (`consulteren'). Dit is gebonden aan wachttermijnen en limieten.

Het belangrijkste criterium in de Consensus is dat geen steun mag worden gegeven aan een project dat commercieel haalbaar is. Alle Oret/Miliev aanvragen dienen aan dit criterium te voldoen, m.u.v. zeegaande schepen die in Consensusverband niet behoeven te worden getoetst op commerciële niet-haalbaarheid (zie paragraaf 3.1). Alle projecten worden gemeld, met het oog op de transparantie en om te verhinderen dat projecten zodanig op maat geknipt worden, dat ze buiten de toetsing vallen.

Aangeraden wordt kennis te nemen van de `Arrangement' en van de in 1996 opgestelde `Ex Ante Guidance for Tied Aid' die via de website www.oecd.org (aanklikken `On-line Documents') kunnen worden geraadpleegd. In de `Ex Ante Guidance' worden ervaringen met de Consensus beschreven en kenmerken opgesomd van projecten die niet commercieel haalbaar zijn. Deze kenmerken worden ook bij de besprekingen van de Consensusdeelnemers als richtlijn gebruikt.

De EU heeft de Consensus bij raadsbesluit verheven tot regel, zodat de lidstaten zich in de handel met niet EU-landen aan dezelfde regels moeten houden. De EU heeft bovendien aanvullende eigen regels opgesteld voor gevallen waarin de Consensus niet voorziet. De EU-lidstaten moeten hun gebonden hulpvoornemens daarom ook in Brussel aanmelden.

8. De projectdefinitie [Vervallen per 05-02-2005]

Hiervoor is onderscheid gemaakt tussen de begrippen project en transactie. De Consensusdeelnemers gebruiken in de praktijk de volgende definitie van een project: `de kleinste complete, fysiek en technisch geïntegreerde productieve eenheid die de voorgenomen investering ten volle benut en alle financiële baten plukt die aan de investering kunnen worden toegeschreven'.

Soms zijn project en transactie identiek, vaak niet. Meestal heeft de transactie op een deel van een project betrekking of maakt de transactie deel uit van een groter pakket voor de realisatie van een project als geheel.

De Consensusdeelnemers zien er met de hulp van het OESO-secretariaat op toe dat rendabele projecten niet kunstmatig worden opgesplitst in rendabele onderdelen die commercieel gefinancierd kunnen worden en in onrendabele onderdelen waarvoor gebonden hulp wordt gevraagd.

Bijzondere aandachtspunten

9. Het prijs/kwaliteitsonderzoek [Vervallen per 05-02-2005]

Bij de beoordeling van Oret/Miliev-aanvragen wordt standaard een prijs/kwaliteitsonderzoek uitgevoerd: een licht onderzoek als de aanvraag meedingt in een internationale openbare aanbesteding door het ontwikkelingsland en een meer gedegen onderzoek in alle andere gevallen. De door NIO ingeschakelde deskundigen vergelijken de voorgestelde leveranties en transactiebedragen met de gangbare prijsniveaus en kwaliteitsnormen en analyseren deze zo nodig tot op het niveau van de afzonderlijke transactiecomponenten, de kostprijzen, winstmarges, voorzieningen, agentkosten, etc. Hun adviezen kunnen ertoe leiden dat voor het toekennen van Oret/Miliev-schenkingen voorwaarden gesteld worden en aanvragers de prijs, de kwaliteit en/of het volume van het geleverde moeten aanpassen.

10. Belastingen [Vervallen per 05-02-2005]

Lokale belastingen - voor zover betaald door de Nederlandse exporteur en dus deel van zijn contract - dienen binnen de Oret/Miliev-aanvraag te worden opgenomen. Met Oret/Miliev gesteunde transacties worden geacht niet door het ontwikkelingsland te worden belast. Door het ontwikkelingsland aan de afnemer (in verband met de transactie) opgelegde belastingen, invoerrechten en andere heffingen mogen niet in de transactie worden opgenomen.

11. Vertrouwelijkheid [Vervallen per 05-02-2005]

Aangezien het gaat om door de aanvrager vertrouwelijk ter beschikking gestelde gegevens (bedrijfsinformatie) is het op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur mogelijk om openbaarmaking van deze gegevens achterwege te laten. Aanvragen krijgen altijd een strikt vertrouwelijke behandeling en aan derden wordt geen informatie over (het bestaan van) afzonderlijke aanvragen verstrekt, tenzij de betrokken ondernemingen daarvoor toestemming geven. Bij notificaties worden echter wel de voorgenomen transactie, de globale transactieomvang, het schenkingselement en de naam van de opdrachtgever/afnemer (dus niet de naam van de leverancier) internationaal bekend gemaakt. Ook wordt jaarlijks een samenvattend overzicht van alle in het afgelopen jaar toegekende Oret/Miliev-schenkingen naar de Tweede Kamer gestuurd.

12. Omkoping [Vervallen per 05-02-2005]

Geen schenking wordt verstrekt in het geval er concrete aanwijzingen bestaan dat de betrokken partijen met het oog op verkrijging van de subsidie, danwel bij de uitvoering van het project of de toepassing van de resultaten ervan, omkoping - in de zin van artikelen 177, 177a en 178a van het Wetboek van Strafrecht - hebben gepleegd respectievelijk zullen plegen.

Omkoping van buitenlandse ambtenaren is in bovengenoemde wetsartikelen uitdrukkelijk verboden. Omkoping moet daarbij in de ruimste zin worden opgevat. Betrokkenheid bij dergelijke praktijken kan reden zijn voor intrekking van de subsidie of een deel ervan. In het geval NIO concrete aanwijzingen krijgt dat toch omkoping heeft plaatsgevonden zal NIO hiervan aangifte doen bij de bevoegde autoriteiten.

13. De aansprakelijkheid van de Nederlandse overheid [Vervallen per 05-02-2005]

De Oret/Miliev-regeling voorziet in schenkingen van de Nederlandse overheid aan overheden van ontwikkelingslanden, die kwalificeren als Official Development Assistance (ODA). Indien deze overheden de Oret/Miliev-schenkingen en de daarbij gestelde voorwaarden aanvaarden, zijn zij gebonden de schenking te gebruiken voor de aankoop van de goederen, diensten of werken van de Nederlandse ondernemingen die in de schenkingsovereenkomst zijn genoemd.

NIO geeft daarbij tegenover deze overheden geen blijk van enige voorkeur voor een Nederlandse onderneming. Zij zijn vrij om uit de Nederlandse aanbiedingen te kiezen, wat hen het beste past. Maar als de keus eenmaal gemaakt is, moeten zij erop toezien dat deugdelijke contracten met de Nederlandse leveranciers/contractdeelnemers tot stand komen en dat deze contracten worden nagekomen. Desgevraagd kan NIO deze overheden daarbij terzijde staan. De Nederlandse overheid is zelf geen partij bij Oret/Miliev-transacties, anders dan als financier.

Aanvraag en beoordelingsprocedure

14. Voorbereiding [Vervallen per 05-02-2005]

Deze beschrijving van de Oret/Miliev-regeling en het daarbij horende aanvraagformulier worden op verzoek door NIO toegezonden, maar kunnen sneller rechtstreeks via het Internet worden geraadpleegd en overgenomen van de website www.fmo.nl .

Als een onderneming een Oret/Miliev-aanvraag overweegt, wordt aanbevolen hierover in een zo vroeg mogelijk stadium advies in te winnen bij NIO, (voor de financiering en de betalingen), de huisbank (idem) en de Nederlandsche Kredietverzekerings Maatschappij NCM of een andere kredietverzekeraar (voor een eventuele kredietverzekering). Ook de Nederlandse ambassade ter plaatse kan nuttige informatie verstrekken.

Bij de beoordeling van de aanvraag neemt de haalbaarheidsstudie een centrale plaats in. Gezien de aan deze studie gestelde eisen kan het raadzaam zijn een professionele consultant in te schakelen om te helpen bij het opstellen daarvan, of het bijstellen en uitbreiden van een haalbaarheidsstudie die al door de opdrachtgever/afnemer was gemaakt. Als de haalbaarheidsstudie in het kader van de door Senter beheerde PESP-programma tot stand komt, kunnen de kosten voor tweederde - door Senter - worden vergoed. (zie ook programma's en instrumenten op de volgende websites: www.senter.nl, www.minez.nl en www.evd.nl) Als een onderneming een beroep op het PESP-programma wil doen om de haalbaarheidsstudie later bij een Oret/Miliev-aanvraag te kunnen gebruiken, wordt aanbevolen in de haalbaarheidsstudie ook alle in Oret/Miliev-verband aan de orde te stellen onderwerpen uitgebreid te behandelen. Het Oret/Miliev-traject zal dan sneller doorlopen kunnen worden.

15. Start procedure [Vervallen per 05-02-2005]

Aanvragen moeten in tweevoud, dus met complete kopie van de drie basisdocumenten en van eventuele bijlagen, in het Nederlands of Engels worden ingediend bij NIO. Alle aanvragen worden door NIO bij ontvangst geregistreerd. Binnen een week ontvangt de aanvrager een ontvangstbevestiging. De datum van deze ontvangstbevestiging vormt tevens de formele start van de procedure die maximaal zes maanden zal duren (zie paragraaf 1.12).

Wanneer de aanvraag niet volledig is, d.w.z. niet de in paragraaf 2 omschreven 3 basisdocumenten omvat, krijgt de aanvrager de gelegenheid de aanvraag te completeren. De aanvraag wordt buiten behandeling gelaten, indien dit binnen de door NIO gestelde termijn niet of niet voldoende is gebeurd. De tijd die de aanvrager nodig heeft om de aanvraag aan te vullen telt niet mee bij de berekening van de zes maanden die de procedure maximaal in beslag mag nemen.

16. Behandeling [Vervallen per 05-02-2005]

Voor de beoordeling van Oret/Miliev-aanvragen beperkt NIO zich tot de informatie die door de aanvrager is ingediend. In dit proces kan NIO onafhankelijke deskundigen raadplegen.

In principe zal NIO één gesprek organiseren tussen de aanvrager en externe deskundigen om vragen te beantwoorden. Indien de aanvrager vragen niet direct kan beantwoorden, wordt hij in de gelegenheid gesteld deze schriftelijk binnen de door NIO gestelde termijn te beantwoorden.

17. Beslissing [Vervallen per 05-02-2005]

Bij positief besluit informeert NIO de aanvrager bij beschikking dat zij bereid is een Oret/Miliev-schenking aan de overheid van het ontwikkelingsland aan te bieden, ter gedeeltelijke financiering van de voorgenomen transactie van de aanvrager met het ontwikkelingsland. Hierin worden de algemene en specifieke voorwaarden en verplichtingen vermeld waaraan de onderneming zal moeten voldoen. De algemene vorwaarden betreffen onder meer de voortgangsrapportage en de eindverantwoording, het recht op projectinspectie en boekenonderzoek en een anti-corruptieclausule. De specifieke voorwaarden verschillen per project. In sommige gevallen zal NIO, alvorens de beschikking op te stellen, zich per brief aan de aanvrager er van vergewissen of deze aan de specifieke voorwaarden en verplichtingen zal (kunnen) voldoen.

Indien de eindbeslissing een afwijzing inhoudt, ontvangt de aanvrager een beschikking die de motieven voor afwijzing toelicht.

18. Bezwaar en beroep [Vervallen per 05-02-2005]

Beslissingen op Oret/Miliev-aanvragen zijn beschikkingen over subsidieverlening in de zin van de Awb. Afwijzingen van aanvragen zijn, evenals positieve beslissingen, beschikkingen waartegen aanvragers bezwaar en beroep kunnen aantekenen. In beschikkingen en in de Awb staan de wettelijke termijnen vermeld binnen welke bezwaar kan worden aangetekend. Een bezwaar leidt - na hoorzitting en heroverweging - tot een beslissing op bezwaar. Beroep kan ingevolge artikelen 8:1, eerste lid, en 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. De procedures staan vermeld onderaan de beschikkingen.

19. Notificatie [Vervallen per 05-02-2005]

De voorgenomen Oret/Miliev-steun wordt door NIO zo vroeg mogelijk bij de OESO en de EU genotificeerd. Andere landen kunnen gedurende 30 werkdagen vragen stellen of bezwaar aantekenen vanwege veronderstelde commerciële haalbaarheid van het project waarvan de transactie deel uitmaakt. Geen reactie binnen 30 werkdagen na notificatie betekent stilzwijgende goedkeuring van de aanvraag.

Als er vragen worden gesteld of bezwaren geuit, wordt de klok voor de duur van de beantwoording stilgezet, daarna tikt hij door tot de 30 werkdagen voorbij zijn. Als de bezwaren overeind blijven, kan het project, en dus de voorgestelde transactie, niet voor overheidssteun in aanmerking komen. In dat geval is het geven van gebonden ontwikkelingshulp voor iedere consensusdeelnemer verboden.

De Consensusdeelnemers kunnen - bij unanimiteit - besluiten om voor bepaalde projecten van de Consensus af te wijken: dus het geven van gebonden hulp toe te staan waar het eigenlijk niet mag of deze te verhinderen waar het naar de letter zou moeten kunnen. Dergelijke afspraken worden `common lines' genoemd. Het komt regelmatig voor dat vooraf afspraken worden gemaakt om geen gebonden hulp te geven aan mogelijk commercieel haalbare projecten (common line: no aid). Een onderneming die voorziet dat andere landen hulp zullen bieden aan een project dat door Nederland niet zal worden gesteund kan aansturen op een dergelijke afspraak.

20. Schenkingsovereenkomst [Vervallen per 05-02-2005]

Na een positief besluit biedt NIO een schenking aan aan het ontwikkelingsland en stelt hiertoe een schenkingsovereenkomst op. Deze schenkingsovereenkomst regelt de betalingsprocedure en bevat een aantal algemene voorwaarden, zoals over financiële en andere zekerheden, belastingen en arbitrage, en eventueel ook projectspecifieke voorwaarden. NIO stuurt de overeenkomst ter ondertekening aan de overheid van het ontwikkelingsland, alvorens deze zelf te tekenen. Indien een positieve beschikking wordt afgegeven voordat het contract tussen de leverancier en de afnemer is getekend, stuurt NIO meestal eerst een globale intentieverklaring (preliminaire schenkingsovereenkomst), zonodig nog met het voorbehoud van goedkeuring door OESO en EU.

De definitieve schenkingsovereenkomst wordt door NIO aangeboden nadat:

- NIO een getekend origineel contract tussen aanvrager en afnemer heeft goedgekeurd (inclusief alle annexen, een gedetailleerde uitsplitsing van het contractbedrag en de financieringsovereenkomst voor het niet-schenkingsgedeelte van de transactie);

- NIO de financieringsregeling voor het niet-schenkingsgedeelte van de transactie heeft goedgekeurd.

De schenkingsovereenkomst treedt in werking nadat aan alle in deze schenkingsovereenkomst gestelde voorwaarden is voldaan en de notificatieprocedure met positief resultaat is afgerond.

Het schenkingsaanbod is zes maanden geldig. Het kan op verzoek van het ontwikkelingsland of de leverancier éénmaal met zes maanden worden verlengd en vervalt daarna. Bij verlenging kan niet meer worden gegarandeerd dat de betalingen uit de schenking volgens het oorspronkelijke betalingsschema zullen plaatsvinden.

Het vervallen van een schenkingsaanbod is definitief. Als het ontwikkelingsland achteraf aangeeft toch prijs op de schenking te stellen, zal de aanvrager een nieuwe aanvraag moeten indienen en zal de Oret /Miliev-procedure opnieuw doorlopen moeten worden. Als zich inmiddels geen grote veranderingen in het project en/of de transactie hebben voorgedaan, zal dit versneld kunnen gebeuren. Een schenkingsaanbieding moet in alle gevallen twee jaar na notificatie opnieuw worden genotificeerd.

Als een ontwikkelingsland of de aanvrager, om wat voor redenen dan ook, van de transactie afziet, moet de aanvrager of het ontwikkelingsland dit aan NIO melden. NIO zal dan de beschikking intrekken, het dossier sluiten en de voor het project gemaakte reserveringen ongedaan maken.

21. Betalingen [Vervallen per 05-02-2005]

Na inwerkingtreding van de schenkingsovereenkomst en overlegging van een aanbetalingsgarantie door de leverancier, doet NIO, namens het ontwikkelingsland, aan de leverancier een aanbetaling uit het schenkingsdeel van de transactie van maximaal 10% van het transactiebedrag. Indien de aanvrager de noodzaak dat de aanloopfinanciering van het project een afwijkend percentage vergt voldoende aantoont, kan een afwijkend percentage worden toegestaan. Als het totale aanbetalingsbedrag hoger is dan de aanbetaling uit het schenkingsdeel, moet het meerdere uit het niet-schenkingsgedeelte van de transactie worden betaald.

De volgende betalingen door NIO aan de leverancier vinden plaats conform het contract en de schenkingsovereenkomst, waarvan de bepalingen op elkaar moeten aansluiten. NIO kan de rest van het schenkingsdeel in een vaste verhouding (pro rata) met het niet-schenkingsdeel uitkeren maar ook in overleg met de aanvrager en de opdrachtgever/afnemer andere betalingsafspraken maken. Nadat de aanbetaling gedaan is, is het mogelijk de schenking te gebruiken voor het verlagen van de rentebetalingen over een krediet, of op een andere wijze, die het project ten goede komt.

De betalingen door NIO en uit de restfinanciering vinden steeds gelijktijdig plaats. NIO zal niet uitbetalen als de andere betaling niet plaatsvindt en omgekeerd.

De slotbetaling bedraagt steeds 5% van het transactiebedrag. In het leveringscontract moet een bepaling zijn opgenomen dat 5% van de Oret /Miliev-schenking (te maximeren op euro 250.000) en 5% van de restfinanciering als slotbetaling zal worden aangehouden. Deze slotbetaling vindt plaats bij de uiteindelijke subsidievaststelling, dus nadat aan alle door NIO gestelde voorwaarden is voldaan en de eindverantwoording van de leverancier door NIO is goedgekeurd (zie paragraaf 7.4), meestal een aantal maanden na voltooiing van de transactie. Indien de leverancier voor dit bedrag een bankgarantie wil afgeven (waaronder NIO kan trekken) en de kosten van deze bankgarantie geheel zelf draagt, kan de slotbetaling reeds bij de transactievoltooiing plaatsvinden.

Verplichtingen

22. Voorwaarden en verplichtingen [Vervallen per 05-02-2005]

De overheid van het ontwikkelingsland verbindt zich door ondertekening van de schenkingsovereenkomst ertoe om de hierin gestelde afspraken en voorwaarden na te komen. De leverancier is gehouden aan de in de beschikking gestelde voorwaarden te voldoen en de bij beschikking opgelegde verplichtingen na te komen.

23. Melding van wijzigingen [Vervallen per 05-02-2005]

Als zich op enig moment na ontvangst van de aanvraag dan wel tijdens de uitvoering van de transactie gebeurtenissen voordoen die invloed hebben op de achtergrond of de inhoud van de transactie, moet de leverancier dit direct melden en eventuele wijzigingen in de transactie vooraf ter goedkeuring aan NIO voorleggen.

Aanzienlijke wijzigingen leiden meestal tot een nieuwe notificatie aan de Consensusdeelnemers.

24. \oortgangsrapportage [Vervallen per 05-02-2005]

In het kader van de Oret/Miliev-regeling is de leverancier gehouden om elke zes maanden, op 1 maart en 1 september, aan NIO inhoudelijk en financieel over de transactievoortgang te rapporteren. De rapportageperioden lopen respectievelijk van juli t/m december en januari t/m juni. Deze rapportage-verplichting gaat in zodra de beschikking door de leverancier is ontvangen. De rapportage-verplichting bestaat dus ook al als de transactie nog niet van start is gegaan en bijvoorbeeld nog in de fase van gunning is: de leverancier rapporteert dan over de factoren die de start van de uitvoering vertragen of over hoeveel kans op gunning hij maakt.

De rapportage moet worden opgesteld conform het bij de beschikking gevoegde model. Zij dient, in al haar beknoptheid, goed en volledig inzicht te geven in het verloop van de transactie, zowel inhoudelijk als financieel. Informatie over de geboekte voortgang, de knelpunten daarbij, vertraging of versnelling van de uitvoering, de verwachte verdere voortgang en een zo goed mogelijke raming van verwachte uitgaven, vooral de uitgaven uit hoofde van de schenking (kans op, hoogte en tijdstip van uitgaven) is essentieel.

25. Eindverantwoording [Vervallen per 05-02-2005]

De leverancier is verplicht binnen zes maanden na uitvoering van de transactie bij NIO een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te dienen. Hij dient hierbij ter goedkeuring over te leggen:

  • -

    een door de opdrachtgever/afnemer afgegeven `Final Certificate of Completion' van de onder de uitgevoerde transactie vallende activiteiten;

  • -

    een door de leverancier opgestelde samenvattende, inhoudelijke en financiële verantwoording van de gehele transactieuitvoering, met een toelichting in hoeverre aan de gestelde voorwaarden is voldaan en de gestelde doelen zijn bereikt; alsook in hoeverre en waarom de voorzieningen moesten worden aangewend;

  • -

    een door een Nederlandse externe accountant opgestelde verklaring dat de uitgevoerde transactie is gecontroleerd en in orde bevonden, dat wil zeggen dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd zoals overeengekomen en vermeld in het Oret/Miliev-aanvraagformulier en in het contract met de afnemer.

Uit de eindverantwoording moeten derden zich inhoudelijk en financieel een goed beeld van de gehele transactieuitvoering kunnen vormen.

26. Afsluiting [Vervallen per 05-02-2005]

Na goedkeuring van de eindverantwoording wordt het groene licht voor de slotbetaling gegeven (tenzij dit al eerder op basis van een bankgarantie kon worden gegeven, zie paragraaf 6.8) en verstrekt NIO aan de leverancier een vaststellingsbeschikking, waarmee de actieve betrokkenheid van NIO bij de transactie formeel wordt afgesloten. Pas dan vervalt de rapportageverplichting van de leverancier.

27. Eindevaluatie [Vervallen per 05-02-2005]

Een jaar na afsluiting vraagt NIO aan het ontwikkelingsland om een actuele inschatting van het duurzame effect van de transactie. NIO kan deze eindevaluatie ook door derden laten uitvoeren en hiervoor externe deskundigen inschakelen. Met het oog op de eindevaluatie is de leverancier ook na voltooiing van de transactie verplicht alle gevraagde informatie over de uitvoering te verschaffen en inspecties en boekenonderzoek toe te staan.

28. Als verplichtingen niet worden nagekomen [Vervallen per 05-02-2005]

Als blijkt dat de leverancier niet aan de bovenstaande verplichtingen heeft voldaan of andere verplichtingen voortvloeiende uit de subsidiebeschikking niet is nagekomen, kan NIO de volgende maatregelen nemen

  • -

    de beschikking tot subsidieverlening intrekken of wijzigen,

  • -

    de subsidie lager vaststellen of

  • -

    de betalingen opschorten.

De beschikking tot subsidievaststelling kan tot vijf jaren na voltooiing van de transactie worden ingetrokken of gewijzigd. Deze drie sancties komen er in essentie op neer dat het subsidiebedrag uiteindelijk lager uitvalt dan het in de subsidieverleningsbeschikking genoemde maximumbedrag. De reeds overgemaakte gelden worden in dat geval geheel of gedeeltelijk teruggevorderd van de subsidie-ontvanger (de leverancier).

Het besluit dat het subsidiebedrag verlaagd wordt (of zelfs geheel komt te vervallen), wordt pas genomen nadat overleg met de subsidie-ontvanger heeft plaatsgevonden.

Adressen

Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV (NIO)

Koningskade 40

Postbus 93060

2509 AB Den Haag

Tel: 070-3149.814, Fax: 070-3149.895

E-mail: nio-oret@fmo.nl

Website: www.fmo.nl

Voor een overzicht van programma's en instrumenten van de Nederlandse overheid waar bedrijven gebruik van kunnen maken: zie www.minbuza.nl, www.senter.nl, www.minez.nl en www.evd.nl.

Bijlage 1. - Afkortingenlijst [Vervallen per 05-02-2005]

Awb: Algemene wet bestuursrecht

CIRR: Commerciële Referentierente (`Commercial Interest Reference Rate')

CV: commercieel haalbaar (`commercially viable')

DAC: Development Assistance Committee

EIRR: Economische Interne Rentevoet (`Economical Internal Rate of Return')

EKI: directie Exportkrediet en Investeringsgaranties van het ministerie van Financiën

EG: Europese Gemeenschap, voorloper van

EU: Europese Unie

EZ: ministerie van Economische Zaken

FIRR: Financiële Interne Rentevoet (`Financial Internal Rate of Return')

FMO: Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden NV te Den Haag

Miliev: Milieu en Economische Verzelfstandiging

MOL: Minst Ontwikkeld Land

NCM: Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij NV te Amsterdam

NIO: Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV, dochter van de FMO

ODA: Official Development Assistance

OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling te Parijs

Oret: Ontwikkelings Relevante Export Transacties

OS: Ontwikkelingssamenwerking, ook vaak gebruikte afkorting voor de overheidsonderdelen die met Ontwikkelingssamenwerking belast zijn.

PESP: Programma Economische Samenwerkings Projecten

SDR: Special Drawing Rights, door het IMF gehanteerde rekengrootheid voor reservevaluta

Senter: Agentschap van het ministerie van EZ

Bijlage 2. - De Oret/Miliev landenlijst [Vervallen per 05-02-2005]

Bijlage 2A - Actieve Oret/Miliev landenlijst

Afrika [Vervallen per 05-02-2005]

Egypte

Ghana

Ivoorkust

Nigeria1

Zuid-Afrika

Azië [Vervallen per 05-02-2005]

Armenië

China

Filippijnen

India

Indonesië

Jordanië

Sri Lanka

Thailand

Vietnam

Lat. Amerika [Vervallen per 05-02-2005]

Bolivia

Colombia

Cuba

Ecuador

El Salvador

Guatemala

Nicaragua

Peru

Europa [Vervallen per 05-02-2005]

Bosnië

Georgië

Macedonië

Moldavië

1 De feitelijke inzet van de regeling op Nigeria zal worden bezien in het licht van de ontwikkeling van de schuldensituatie van dit land.

Bijlage 2B - Passieve Oret/Miliev landenlijst

(Het indienen van een aanvraag is slechts mogelijk indien kan worden aangetoond dat een buitenlandse onderneming met buitenlandse overheidssteun een concurrerende offerte wil doen.)

Afrika [Vervallen per 05-02-2005]

Algerije

Kongo

Kameroen

Kenia

Marokko

Namibië

Swaziland

Tunesië

Azië [Vervallen per 05-02-2005]

Azerbajdzjan

Fiji

Iran

Kazachstan

Kiribati

Kyrgyzstan

Marshall Eilanden

Micronesië

Mongolië

Oezbekistan

Pakistan

Papoea Nieuw Guinea

Syrië

Tadzjikistan

Tonga

Turkmenistan

Tuvalu

Lat. Amerika [Vervallen per 05-02-2005]

Belize

Dominic. Rep.

Guyana

Honduras

Jamaica

Paraguay

St Vincent & Grenadines

Suriname

Europa [Vervallen per 05-02-2005]

Albanië

Bijlage 3. Checklist voor de haalbaarheidsstudie [Vervallen per 05-02-2005]

In de haalbaarheidsstudie aan de orde te stellen elementen (deze lijst is niet uitputtend)

1. Achtergrond, omgeving en historie van het project [Vervallen per 05-02-2005]

De algemene en economische achtergrond, overheidsbeleid en andere institutionele aspecten, concrete aanleidingen, bestaande knelpunten, eerdere pogingen, situatie als het project geen doorgang zou vinden.

2. Omschrijving van het project [Vervallen per 05-02-2005]

De lange en korte termijn doelstellingen, projectdefinitie, activiteiten tijdens de uitvoering en daarna, gebruikers (evt. hun financiële draagkracht), planning en organisatie, management en supervisie, totale kosten, budget voor investeringen en lopende kosten, wijze en herkomst van financiering en financieringsvoorwaarden, fysieke inputs en outputs, inputs en outputs in geld (cash flow), looptijd, risico's, andere betrokken partijen, financiële, technische en management capaciteit van mede-uitvoerenden, rol van de overheid, belastingen en subsidies.

3. Aantonen dat het project aan de criteria voldoet [Vervallen per 05-02-2005]

  • 1. Niet-commercieel haalbaar (d.m.v. cash flow analyse op ondernemingsniveau, waarbij de voorgestelde Oret/Miliev-schenking buiten beschouwing blijft)

  • 2. Ontwikkelingsrelevant:

    • I. Financieel-economisch (het project moet langdurig een positieve impact hebben, te meten aan vier vormen van duurzaamheid (a) economisch, (b) financieel, (c) institutioneel en (d) technisch)

    • II. Milieu effecten (moeten per saldo niet schadelijk zijn, normen van de Wereldbank, milieu effect rapportage)

    • III. Sociale effecten (moeten positief zijn, normen ILO en Wereldbank)

  • 3. Duurzame economische relatie (katalyserende werking, Nederlands aandeel, maatschappelijk verantwoord ondernemen)

In het aanvraagformulier mag bij het beantwoorden van een vraag gewezen worden op passages in de bijgevoegde haalbaarheidsstudie indien daarmee reliëf wordt gegeven aan het antwoord. Het zonder meer verwijzen naar de haalbaarheidsstudie ter beantwoording van een vraag is niet toegestaan.

4. Nadere uitwerking, onderbouwing en bewijsvoering [Vervallen per 05-02-2005]

Specifieke rol en doelstellingen van de transactie binnen het project, transactie-inhoud versus projectinhoud, nadere uitwerking van technische karakteristieken van de goederen, diensten en/of werken, organisatie, etc.

Onderbouwing dat de transactie geen deel uitmaakt van een project dat kunstmatig in rendabele en onrendabele (commercieel niet haalbare) onderdelen wordt opgeknipt.

Bewijsvoering m.b.t. de verstrekte informatie.