Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Keuringsreglement voor de Zeevaart 2002[Regeling vervallen per 08-01-2005 met terugwerkende kracht tot en met 01-01-2005.]

Geldend van 26-11-2004 t/m 31-12-2004

Regeling, houdende vaststelling van regels omtrent de medische geschiktheid, de medische keuring, de vrijstelling van onderdelen van de medische keuring, de te volgen procedures en andere voorschriften van administratieve aard, alsmede vaststelling van formulieren

Artikel 1. Definities [Vervallen per 08-01-2005]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. keuring: medisch onderzoek als bedoeld in artikel 105, eerste lid, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart, of artikel 61, eerste lid, van het Besluit zeevisvaartbemanning;

  • b. keurling: natuurlijke persoon die zich aan een keuring onderwerpt;

  • c. keuringskaart: de keuringskaart, vermeld in het monsterboekje, bedoeld in artikel 4 van de Regeling monsterrol en monsterboekje;

  • d. risicogebied: gebied buiten Nederland, waar het risico van besmetting met tuberculose groter is dan het besmettingsrisico voor de Nederlandse bevolking, blijkend uit een jaarlijks voorkomen van tubercolose in het desbetreffende land dat hoger is dan 50 gevallen per 100.000 inwoners en dat als zodanig is geregistreerd door de Wereldgezondheidsorganisatie.

Artikel 2. Bij keuringen over te leggen en te controleren [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 Voorafgaand aan de keuring controleert de geneeskundige of medisch specialist:

    • a. het monsterboekje van de keurling of, ingeval de keurling nog niet in het bezit is van een monsterboekje, de verklaring door of namens de scheepsbeheerder dat de keurling in dienst is of komt, dan wel het bewijs van aanmelding van de keurling bij een erkende opleiding voor zeevarenden, vergezeld van een geldig identiteitsbewijs;

    • b. indien het niet een eerste keuring betreft: de voorafgaande geneeskundige verklaring van de keurling en de keuringskaart.

  • 2 Indien het een keuring van de algemene lichamelijke geschiktheid betreft controleert de geneeskundige verder:

    • a. de uitslag van een onderzoek op tuberculose (thoraxfoto of Mantoux-test) of een verklaring van vrijstelling als bedoeld in artikel 10;

    • b. een verklaring van de bloedgroep en de rhesusfactor, en

    • c. indien van toepassing, de geneeskundige verklaringen voor het gezichts- en het gehoororgaan.

Artikel 3. Afgifte van een keuringskaart [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 De afgifte van een keuringskaart wordt door de geneeskundige of medisch specialist aangetekend op de daartoe bestemde bladzijde van het monsterboekje, dan wel op diens bewijs van inschrijving aan een erkende opleiding voor zeevarenden, onder vermelding van plaats en datum. Hij bekrachtigt deze aantekening met zijn handtekening en naamstempel.

  • 2 Indien een keurling geen keuringskaart aan de geneeskundige kan overleggen, kan deze pas een nieuwe keuringskaart aan de keurling afgeven nadat daartoe toestemming is verkregen van de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 3 Het model van de keuringskaart wordt vastgesteld zoals opgenomen in Bijlage I van deze regeling.

Artikel 4. Keuring van de algemene lichamelijke geschiktheid [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 De keuring van de algemene lichamelijke geschiktheid vindt plaats met inachtneming van de keuringsaanwijzingen en overeenkomstig de medische maatstaven, opgenomen in de bij deze regeling behorende Bijlage II, onderscheidenlijk Bijlage III.

  • 2 De keuring omvat een onderzoek naar de voorheen doorgemaakte ziekten en overkomen ongevallen (anamnese), de in de familie voorkomende erfelijke en chronische ziekten (familie-anamnese), een algemene beoordeling van de geestelijke gesteldheid van de keurling, alsmede een algemeen onderzoek van het lichaam waartoe behoort:

    • a. de bepaling van de bloeddruk;

    • b. de bepaling van de lichaamslengte en het gewicht;

    • c. een inspectie van de te keuren persoon, waarbij deze in ontklede toestand is;

    • d. een onderzoek van het gezichtsorgaan, het gehoororgaan, keel en neus met inbegrip van een beoordeling van de spraak;

    • e. een onderzoek van lymfeklieren en schildklier;

    • f. een onderzoek van de borstorganen door percussie en auscultatie;

    • g. een onderzoek van de buikorganen in liggende houding door palpatie en percussie;

    • h. een onderzoek van de regio analis en de geslachtsorganen;

    • i. een onderzoek van het bewegingsapparaat en de reflexen;

    • j. een onderzoek naar breuken, ook in staande houding;

    • k. een chemisch onderzoek van de urine, tenminste op eiwit en suiker, en

    • l. op indicatie: aanvullend laboratoriumonderzoek van bloed, urine of ontlasting.

Artikel 5. Keuring gezichts- en gehoororgaan [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 De keuring van het gezichts- en gehoororgaan vindt plaats met inachtneming van de keuringsaanwijzingen en overeenkomstig de medische maatstaven XXII en XXIII, opgenomen in de bij deze regeling behorende Bijlage II, onderscheidenlijk Bijlage III.

  • 2 De keuring van het gezichtsorgaan omvat een anamnese en familie-anamnese, alsmede een onderzoek van het oog en gezichtsvermogen waartoe behoren:

    • a. de bepaling van de gezichtsscherpte;

    • b. controle op het bezit van een adequate reservebril, indien van toepassing;

    • c. de bepaling van het nabijzien;

    • d. een onderzoek van de oogbewegingen en controle op dubbelzien;

    • e. een onderzoek van de gezichtsvelden;

    • f. een onderzoek van het kleurenonderscheidingsvermogen, en

    • g. op indicatie: een donkeradaptatie-curve bij vermoeden op nachtblindheid.

  • 3 De keuring van het gehoororgaan omvat een anamnese en familie-anamnese, alsmede een onderzoek van het oor en gehoor waartoe behoort:

    • a. een onderzoek met de otoscoop;

    • b. de bepaling van de gehoorscherpte met behulp van een toon-audiogram, fluister- of conversatiespraak, en

    • c. op indicatie: een spraakaudiogram

Artikel 6. Afgifte geneeskundige verklaring bij goedkeuring [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 De geneeskundige die een keuring heeft verricht waarvan de uitslag gunstig is, overhandigt aan de keurling een geneeskundige verklaring van algemene lichamelijke geschiktheid voor de zeevaar, met gebruikmaking van het model opgenomen in de bij deze regeling behorende Bijlage IV. Op de verklaring worden geldigheidsduur en -gebied vermeld.

  • 2 De medisch specialist die een keuring van het gezichtsorgaan, dan wel van het gehoororgaan heeft verricht waarvan de uitslag gunstig is, overhandigt aan de keurling een geneeskundige verklaring betreffende het gezichtsorgaan, onderscheidenlijk het gehoororgaan, met gebruikmaking van het model opgenomen in de bij deze regeling behorende Bijlage V, onderscheidenlijk Bijlage VI.

  • 3 De geneeskundige of de medisch specialist bekrachtigt de geneeskundige verklaring met zijn handtekening en naamstempel.

  • 4 De geneeskundige of de medisch specialist vermeldt de datum, de functie waarvoor is gekeurd en het resultaat van de keuring op de daartoe bestemde plaats op de keuringskaart, en bekrachtigt deze vermelding met zijn handtekening en naamstempel.

  • 5 Bevestiging van de geneeskundige verklaringen van het gezichtsorgaan, dan wel van het gehoororgaan kan worden gedaan door een algemeen geneeskundige, indien deze beschikt over de benodigde uitrusting.

Artikel 7. Bericht van afkeuring [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 Indien de afgifte van een geneeskundige verklaring moet worden geweigerd, deelt de geneeskundige of medisch specialist dit aan de keurling mede onder vermelding van de reden(en) tot afkeuring.

  • 2 De geneeskundige of medisch specialist deelt tevens mede dat de keurling het recht heeft zich door een scheidsrechter te laten herkeuren.

  • 3 Van iedere afkeuring voor de zeevaart doet de geneeskundige of de medisch specialist onverwijld mededeling aan de Medisch Adviseur Scheepvaart door middel van het daarvoor bestemde `Bericht van afkeuring', onder opgave van de reden(en) tot afkeuring, met gebruikmaking van het model opgenomen in de bij deze regeling behorende Bijlage VII.

  • 4 De geneeskundige of medisch specialist overhandigt aan de keurling de doordrukkopie van het `Bericht van afkeuring' en vermeldt daarop de reden(en) tot afkeuring.

  • 5 Indien de geneeskundige of de medisch specialist bij een tussentijds onderzoek bemerkt dat de keurling tijdelijk, voorlopig dan wel blijvend ongeschikt is voor de zeevaart, handelt hij als beschreven in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel.

  • 6 Indien bij de keuring met het oog op bevestiging van de verklaringen inzake het gezichts- en het gehoororgaan blijkt dat de toestand van het gezichts- of gehoororgaan niet meer in overeenstemming is met de overgelegde geneeskundige verklaring, bevestigt de geneeskundige de verklaring niet. Hij stelt de keurling hiervan op de hoogte en verwijst hem door middel van een `Bericht van afkeuring' als bedoeld in het derde lid, naar een aangewezen medisch specialist. Op de desbetreffende geneeskundige verklaring plaatst hij de aantekening `voldoet niet aan de gestelde eisen', en bekrachtigt deze met zijn handtekening en naamstempel. De geneeskundige geeft voorts onverwijld kennis van zijn bevindingen aan de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 7 De keurling die een herkeuring wenst, richt zich daartoe tot een van de scheidsrechters onder overlegging van de doordrukkopie van het `Bericht van afkeuring'.

Artikel 8. Herkeuring [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 Na afgifte van een verklaring van tijdelijke of voorlopige ongeschiktheid kan herkeuring uitsluitend plaatsvinden door dezelfde geneeskundige die de keurling ongeschikt heeft bevonden, tenzij hij gebruik wenst te maken van het recht tot herkeuring door een aangewezen scheidsrechter.

  • 2 Na afgifte van een verklaring van blijvende ongeschiktheid kan herkeuring uitsluitend plaatsvinden door een aangewezen scheidsrechter.

Artikel 9. Handeling bij herkeuring door de scheidsrechter [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 Van de uitslag van een herkeuring geeft de scheidsrechter onverwijld kennis aan de Medisch Adviseur Scheepvaart, vergezeld van een schriftelijk verslag van zijn bevindingen die tot de keuringsuitslag hebben geleid.

Artikel 10. Vrijstelling [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1 Studenten aan een zeevaartopleiding zijn vrijgesteld van het onderzoek op tuberculose, zolang zij niet monsteren aan boord van een zeeschip.

  • 2 Vrijstelling van het onderzoek op tuberculose wordt verleend aan zeevarenden die uitsluitend dienst doen aan boord van vissersvaartuigen waarvoor een certificaat van deugdelijkheid is afgegeven voor een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan Vaargebied II voor de zeevisvaart en waarvan geen van de bemanningsleden afkomstig is uit een risicogebied. De bemanningsleden van deze schepen leggen bij de keuring een kopie over van het certificaat van deugdelijkheid van het schip waarop men vaart, te samen met een afschrift van het visserijmaatschapscontract of de arbeidsovereenkomst waaruit blijkt dat men uitsluitend dienst doet aan boord van het genoemde schip.

  • 3 Vrijstelling van het onderzoek op tuberculose wordt voorts verleend aan zeevarenden die uitsluitend dienst doen aan boord van zeilschepen op reizen binnen Vaargebied I, II of IIIA voor de zeilvaart. De bemanningsleden van deze schepen leggen bij de keuring een namens de Vereniging voor Beroepschartervaart BBZ ondertekende verklaring over.

  • 4 Vrijstelling van het onderzoek op tuberculose wordt tenslotte verleend aan zeevarenden die uitsluitend dienst doen aan boord van zeeschepen op reizen nabij de kust uit een met name genoemde Nederlandse werkhaven. De bemanningsleden van deze schepen leggen bij de keuring een kopie over van een daartoe strekkende verklaring, afgegeven door de inspecteur-generaal.

Artikel 11. Ontheffing [Vervallen per 08-01-2005]

Van de bij deze regeling vastgestelde medische eisen voor het gezichts- en het gehoororgaan kan ontheffing worden verleend overeenkomstig de bij deze regeling behorende Bijlage VIII.

Artikel 12. Vastlegging van keuringsresultaten [Vervallen per 08-01-2005]

De resultaten van de keuringen worden door de geneeskundige of de medisch specialist aangetekend en telkens na het verstrijken van het kalenderkwartaal aan de Medisch Adviseur Scheepvaart toegezonden. De keurende arts behoudt een kopie voor zijn medisch archief.

Artikel 13. Formulieren [Vervallen per 08-01-2005]

Bij de afgifte van de documenten, vermeld in deze regeling, maakt de geneeskundige of medisch specialist uitsluitend gebruik van de formulieren voor deze documenten die verkrijgbaar zijn bij de Medisch Adviseur Scheepvaart.

Artikel 14. Wijziging van andere regelgeving [Vervallen per 08-01-2005]

[Red: Wijzigt de Regeling geneeskundig onderzoek vaarbewijzen binnenvaart.]

Artikel 15. Inwerkingtreding [Vervallen per 08-01-2005]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2002.

Artikel 16. Citeertitel [Vervallen per 08-01-2005]

Deze regeling wordt aangehaald als: Keuringsreglement voor de Zeevaart 2002.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Bijlage I [Vervallen per 08-01-2005]

Bijlage 22668.png
Bijlage 22669.png

Bijlage II [Vervallen per 08-01-2005]

Keuringsaanwijzingen [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Het handhaven en bevorderen van de veiligheid op zee houdt onder meer in een zorgvuldig geneeskundig onderzoek van zeevarenden op wie de Nederlandse zeevaartbemanningswetgeving van toepassing is.

    In het algemeen dient de betrokkene om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring vrij te zijn van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert.

    Een zeevarende dient verder te allen tijde in staat te zijn om adequaat te handelen in geval van nood. Hij moet daarbij niet alleen in staat zijn zichzelf in veiligheid te stellen, maar moet kunnen assisteren bij het bestrijden van brand, het lanceren van reddingmiddelen en het assisteren van medebemanningsleden en passagiers.

    Daarnaast mag zijn (haar) aanwezigheid aan boord geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden.

    Van groot belang daarbij is vooral het tijdig herkennen en (laten) behandelen van die aandoeningen die een duidelijke risicoverhogende factor betekenen.

  • 2. Bij het beoordelen van de geschiktheid van diegenen die al geruime tijd een zeevarend beroep hebben uitgeoefend, is het in een aantal gevallen billijk om enige soepelheid te betrachten.

    Voor het incidenteel en in een individueel geval toch afgeven van een geneeskundige verklaring van geschiktheid bij een reden van ongeschiktheid, is vereist dat daarover tevoren overeenstemming is bereikt met de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 3. Indien er bij de beoordeling van de geschiktheid of van de mate van ongeschiktheid twijfels rijzen, dient daarover overleg plaats te vinden met de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 4. Bij de keuring dient men zich terdege bewust te zijn van de specifieke werkomstandigheden aan boord, die overigens afhankelijk van het soort schip en vaargebied sterk kunnen variëren:

    • a. het werk aan boord vertoont onregelmatige fysieke en psychische piekbelastingen;

    • b. het werk aan boord vindt niet zelden plaats in situaties met slecht weer of veel wind, en wisselende koude of warme omstandigheden;

    • c. afhankelijk van het type schip wordt gewerkt in een min of meer onrustige omgeving met veel achtergrondgeluid en beweging;

    • d. Het werk aan boord brengt een forse lichamelijke belasting met zich mee, waarbij veel traplopen, het manoeuvreren rond obstakels en beperkte bewegingsruimte met soms een ongunstige werkhouding extra belasting van het bewegingsapparaat met zich mee brengen;

    • e. door de aard van de werkzaamheden is er niet altijd gelegenheid om op regelmatige tijden te eten en te slapen, en

    • f. het aantal bemanningsleden aan boord is sterk afgenomen ten opzichte van vroeger.

    Indien een opvarende door ziekte wordt uitgeschakeld, moeten zijn taken worden overgenomen door collega's.

  • 5. Het is in dit verband van belang dat men zich tevens realiseert dat er aan boord vele werkzaamheden zijn waarbij langdurige concentratie is vereist:

    • a. het navigeren, waarbij vooral voortdurende aandacht is geboden tijdens het varen 's nachts, bij mist en onder slechte weersomstandigheden;

    • b. het wacht houden in de machinekamer, vooral in zgn. `stand-by'- situaties, waarbij extra oplettendheid is vereist om op ieder gewenst moment te kunnen manoeuvreren;

    • c. het werken met en het verantwoordelijk zijn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

    • d. het werken aan en in de buurt van werktuigen met bewegende delen, zoals kranen, lieren, ankerspillen e.d.;

    • e. het uitvoeren van werkzaamheden aan elektrische leidingen en stoomleidingen, en

    • f. het verrichten van werkzaamheden op grote hoogte of in en om diepe ruimen.

  • 6. Men moet zich realiseren dat, wanneer tengevolge van een onzorgvuldige keuring bij een zeevarende bijvoorbeeld een maagzweer of een liesbreuk over het hoofd wordt gezien, dit voor betrokkene een levensgevaarlijke situatie kan opleveren wanneer hij op volle zee een ernstige maagbloeding krijgt, of wanneer zijn liesbreuk ingeklemd raakt.

    Adequate medische hulp is op dat moment ver verwijderd. Het is daarom belangrijk, dat bij de keuring aandoeningen waarvoor een behandeling voorspelbaar is, worden herkend. Zo moet er bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met de beperkte - en vaak late - mogelijkheden voor tandheelkundige hulp.

  • 7. Zeevarenden leven gedurende langere tijd dicht op elkaar. Besmettelijke aandoeningen zijn daarom een serieus probleem en kunnen de veiligheid van het schip in gevaar brengen. Vooral bij het keuren van personeel dat betrokken is bij de voedselbereiding en catering, moet hieraan extra aandacht worden geschonken.

  • 8. Het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen moet zonder bezwaar mogelijk zijn en niet worden belemmerd door lichamelijke aandoeningen of beperkingen.

    Hierbij moet worden gedacht aan veiligheidshelmen en -brillen, maskers, gehoorbescherming, veiligheidsschoenen en beschermende kleding. Het dragen van een persluchttoestel van 15 kg gedurende minimaal 20 minuten vereist een goede lichamelijke conditie. Hierbij wordt speciale beschermende kleding gedragen.

    Tijdens het bestrijden van een brand wordt onder grote spanning gewerkt in een warme omgeving, waarbij mogelijk door nauwe openingen of gangen gemanoeuvreerd moet worden.

  • 9. De medische maatstaven die zijn opgenomen in Bijlage III dienen te worden gehanteerd bij de keuring van zeevarenden, onverminderd de algemene medische maatstaven voor een keuring.

  • 10. De geneeskundige of de medisch specialist laat zich bij een beslissing tot afkeuring leiden door de navolgende algemene richtlijnen:

    Medisch ongeschikt voor de zeevaart is de persoon, die lijdt aan een ziekte, afwijking of verwonding:

    • a. waardoor een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmerd kan worden;

    • b. waardoor de zeevarende niet te allen tijde in staat is om adequaat te handelen in geval van nood;

    • c. die tijdens de functie-uitoefening aan boord kan verergeren, in die zin dat daardoor een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid of veiligheid van hemzelf of de overige opvarenden ontstaat, of ernstige hinder voor andere personen aan boord, of

    • d. die een behandeling behoeft, waarbij voortdurend medisch toezicht is vereist of waarbij acuut ingrijpen door een medicus noodzakelijk kan worden.

Bijlage III. Medische maatstaven [Vervallen per 08-01-2005]

I. Geneesmiddelengebruik: [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Het gebruik van anti-coagulantia (cumarines), insuline, sulfonylureum (SU) derivaten, anti-epileptica of immuunsuppressiva is een reden voor ongeschiktheid.

    Uitsluitend na overleg met de Medisch Adviseur Scheepvaart of bij scheidsrechterlijke herbeoordeling is bij bevaren zeelieden incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie goedkeuring mogelijk.

  • 2. Het aangewezen zijn op het gebruik van geneesmiddelen welke neveneffecten hebben in de zin van: duizeligheid, verminderd concentratie- en reactievermogen, psychische stoornissen, hypotensie en bradycardie, kan een reden zijn voor ongeschiktheid.

  • 3. Indien geneesmiddelen worden gebruikt in doseringen die zich met de veiligheid van het varen laten verenigen (van patiënt tot patiënt verschillend, maar voor één patiënt behoorlijk constant), moet bij de afgifte van een geneeskundige verklaring worden overwogen of de betrokkene de (bij)werkingen van het geneesmiddel begrijpt, en de voorschriften van de arts nauwgezet naleeft.

  • 4. Bij de beoordeling van de veiligheid van het gebruik van medicijnen, dient ook te worden bekeken in hoeverre het plotseling staken van de geneesmiddelen (zeeziekte, noodsituatie) problemen kan opleveren.

II. Infectieziekten: [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Álle infectieziekten zijn een reden voor tijdelijke of voorlopige ongeschiktheid, totdat afdoende behandeling heeft plaatsgehad.

    Bij gastro-intestinale infectieziekten dient speciale aandacht te worden besteed aan het personeel dat betrokken is bij de voedselbereiding en catering.

  • 2. Longtuberculose: Indien na een adequate behandeling de betrokkene genezen wordt verklaard door een longarts, kan een verklaring van geneeskundige geschiktheid worden afgegeven.

  • 3. Seropositiviteit (HIV) is in het algemeen geen reden voor ongeschiktheid. Bij profylactisch gebruik van AIDS-remmende middelen wordt de beslissing over eventuele geschiktheid slechts genomen na overleg met de Medisch Adviseur Scheepvaart. AIDS is een reden voor blijvende ongeschiktheid in alle bevestigde gevallen.

  • 4. Overgevoeligheid of contraïndicaties voor vaccinaties of profylactica die in het vaargebied van de zeevarende noodzakelijk zijn, zijn een reden voor ongeschiktheid of beperking van het vaargebied.

III. Maligniteiten [Vervallen per 08-01-2005]

Deze zijn in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid. Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt dat complete remissie is bereikt, en redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten. Goedaardige tumoren die door hun lokalisatie aanleiding kunnen zijn voor complicaties zijn een reden voor ongeschiktheid.

IV. Endocriene stoornissen [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Zowel Insuline afhankelijke als niet van Insuline afhankelijke Diabetes Mellitus zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid. Uitsluitend indien het een NIADM bij bevaren zeelieden betreft, kan therapie met Metformine, Acarbose of Rosiglitazon.worden toegestaan, indien na een periode van tijdelijke of voorlopige ongeschiktheid een goede en stabiele instelling is bereikt. Behandeling met SU-derivaten is in álle gevallen een contraïndicatie voor geschiktheid voor de zeevaart. Als gevolg van de ontwikkeling van nieuwe orale antidiabetica kan aanpassing van het regime plaatsvinden, waarbij de beslissing over eventuele geschiktheid slechts genomen kan worden na overleg met de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 2. Manifeste hyper- en hypothyreoidie vormen een reden voor voorlopige, dan wel blijvende ongeschiktheid.

  • 3. Overige endocriene stoornissen: voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten.

V. Aandoeningen van het bloed en/of de bloedvormende organen. [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Humorale immuundeficiënties, zoals agamma- en hypogammaglobulinaemieën zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Cellulaire immuundeficiëntie is een reden voor blijvende ongeschiktheid. Na splenectomie wordt de beslissing over eventuele geschiktheid slechts genomen na overleg met de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 3. Stollingsstoornissen zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid. Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten.

  • 4. Anaemie met nog onbekende aetiologie is een reden voor tijdelijke ongeschiktheid. Na analyse volgt herbeoordeling van de geschiktheid.

  • 5. Overige chronische bloedziekten: voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten.

VI. Psychische stoornissen [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Psychosen in de anamnese met een kans op herhaling of verergering zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Bipolaire stoornissen in de anamnese zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 3. Depressies die niet onder het begrip bipolaire stoornis vallen zijn een reden voor tijdelijke of voorlopige ongeschiktheid. Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist.

  • 4. Persoonlijkheidsstoornissen met antisociale, borderline, theatrale, narcisitische, ontwijkende, afhankelijke of obsessief-compulsieve patronen zijn in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 5. Chronisch alcoholisme, hetzij voortdurend, hetzij gedurende bepaalde perioden, is in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 6. Verslaving aan verdovende, opwekkende of andere psychotrope stoffen in de anamnese van de laatste vijf jaar is in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid. Gokverslaving is een reden voor ongeschiktheid, indien de afwezigheid van de gokmiddelen kan leiden tot een verminderde inzetbaarheid.

  • 7. Overige psychiatrische stoornissen: voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist.

  • 8. Hoogtevrees en engtevrees kunnen een reden zijn voor blijvende ongeschiktheid.

VII. Aandoeningen van het centrale zenuwstelsel [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Alle aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen of aanvallen van draaiduizeligheid zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Alle vormen van epilepsie en narcolepsie in de anamnese zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid. Uitsluitend bij scheidsrechterlijke herbeoordeling is bij bevaren zeelieden incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie goedkeuring mogelijk.

  • 3. Systeemziekten van het centrale zenuwstelsel, zoals multipele sclerose of M. Parkinson, zijn - afhankelijk van het stadium waarin de ziekte verkeert - in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 4. Migraine, gepaard gaande met arbeidsverzuim, is een reden voor voorlopige, of blijvende ongeschiktheid.

  • 5. Noctambulisme is in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

VIII. Spraak [Vervallen per 08-01-2005]

Ernstige spraakstoornissen zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

Ook bij achtergrondgeluid moet er met stemverheffing voldoende spreekvaardigheid zijn.

IX. Aandoeningen van neus, mond en keel [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Een ernstige belemmering van de neusademhaling, bijvoorbeeld door een sterke neusseptum-deviatie is een reden voor tijdelijke ongeschiktheid.

  • 2. Uitgebreide cariës of aandoeningen van het tandvlees zijn een reden voor tijdelijke ongeschiktheid.

  • 3. Recidiverende tonsillitis en focale infecties zijn een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid.

X. Thoraxafwijkingen [Vervallen per 08-01-2005]

Thoraxafwijkingen die gepaard gaan met belemmering van de normale hart- en/of longfunctie zijn redenen voor blijvende ongeschiktheid.

XI. Aandoeningen van de luchtwegen [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Asthma bronchiale kan een reden zijn voor blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Chronische luchtweginfecties en COPD met ernstige longfunctiestoornissen zijn in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 3. Recidiverende spontane pneumothorax is een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 4. Andere chronische longaandoeningen met de mogelijkheid van acute verslechtering van de longfunctie zijn een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid.

XII. Aandoeningen van hart en bloedvaten [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Hartklepafwijkingen en congenitale hartgebreken met haemodynamische consequenties zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid. Een kunstklep is in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Pathologische ritme- of geleidingsstoornissen zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 3. Het dragen van een pacemaker is in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid. De beslissing over eventuele geschiktheid wordt slechts genomen na overleg met de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 4. Aandoeningen van het myocard, resulterend in een verminderde, ergometrisch bepaalde belastbaarheid van het hart, zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 5. Angina pectoris is een reden voor tijdelijke, voorlopige of blijvende ongeschiktheid. Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten.

  • 6. Aneurysma aortae is in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid. Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten.

  • 7. Hypertensie: een bij herhaling gemeten diastolische druk van < 105 mm Hg is een reden voor tijdelijke of voorlopige ongeschiktheid.

  • 8. Symptomen van perifere vasculaire aandoeningen, arterieel of veneus, zijn een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid. Een vaatprothese is in het algemeen geen reden voor ongeschiktheid.

  • 9. Ieder cerebrovasculair accident, inclusief T.I.A.'s, in de anamnese, is in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

XIII. Maag- en darmaandoeningen [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Een aandoening van maag of oesofagus met een verhoogde kans op bloeding of perforatie, inclusief het ulcus pepticum is een reden voor voorlopige ongeschiktheid. Goedkeuring is slechts mogelijk nadat endoscopisch genezing is vastgesteld.

  • 2. Chronische darmziekten zijn in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 3. Hernia inguinalis is een reden voor tijdelijke ongeschiktheid; niet te corrigeren recidieven zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

XIV. Aandoeningen van lever, galblaas en pancreas [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Verschijnselen die wijzen op de aanwezigheid van een leveraandoening, van galstenen of een galblaasontsteking, zijn een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid. Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te verwachten.

  • 2. Chronische pancreatitis is een reden voor blijvende ongeschiktheid.

XV. Aandoeningen van de urinewegen [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Aandoeningen van de hogere of lagere urinewegen, resulterend in recidiverende klachten of een verminderde nierfunctie zijn in het algemeen een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Een niersteen is een reden voor tijdelijke of voorlopige ongeschiktheid.

  • 3. Het hebben van één nier is in het algemeen geen reden voor ongeschiktheid.

XVI. Gynaecologische aandoeningen [Vervallen per 08-01-2005]

Meno-/metrorrhagieën, uterusprolaps, endometriosis en recidiverende salpingitis zijn een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid.

XVII. Zwangerschap [Vervallen per 08-01-2005]

De zeevarende zélf neemt de uiteindelijke beslissing om voor goedkeuring in aanmerking te willen komen. Extra aandacht dient te worden geschonken aan een eerste zwangerschap, en aan eerdere zwangerschappen met complicaties in de anamnese. Varen kan uitsluitend worden toegestaan bij een ongecompliceerde zwangerschap van de 13e tot 28e week. Het eerste en laatste trimester, en de herstelperiode post partum dienen te worden beschouwd als een periode van tijdelijke ongeschiktheid. Varen in het tweede trimester kan uitsluitend worden toegestaan op schepen in een beperkt vaargebied waarbinnen adequate medische voorzieningen voorhanden zijn. Varen in het tweede trimester in een onbeperkt vaargebied is toegestaan op schepen waarop een dokter aanwezig is met voldoende bekwaamheden in de verloskunde.

XVIII. Huidaandoeningen [Vervallen per 08-01-2005]

Huidziekten welke frequent recidiveren, of bij herhaling een ernstige belemmering vormen voor de uitoefening van een functie aan boord, zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

XIX. Aandoeningen van het bewegingsapparaat [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Recidiverende rugklachten gepaard gaande met arbeidsverzuim, zijn een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Gewrichtsaandoeningen en andere ziekten van het bewegingsapparaat zijn een reden voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid indien de aandoening progressief is, pijn of functiebeperking tot gevolg heeft.

  • 3. Contracturen die tot een aanzienlijke bewegingsbeperking hebben geleid zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 4. Verminkingen of aangeboren afwijkingen die tot een verminderde arbeidsgeschiktheid of tot een verhoogd ongevalsrisico leiden, zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 5. Ledemaatprothesen en kunstgewrichten zijn in het algemeen een reden voor blijvende ongeschiktheid. De beslissing over eventuele geschiktheid wordt slechts genomen na overleg met de Medisch Adviseur Scheepvaart.

  • 6. Recidiverende schouderluxaties zijn een reden voor voorlopige ongeschiktheid. Na operatieve correctie volgt herbeoordeling van de geschiktheid.

XX. Overgewicht [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Ongecompliceerd overgewicht: een Quetelet-index ≥ 30 met een duidelijk verminderde belastbaarheid en aanwijzingen dat de kandidaat belemmerd wordt in het uitoefenen van zijn functie, kan een reden zijn voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid.

  • 2. Gecompliceerd overgewicht: een Quetelet-index ≥ 30 met een normale lichamelijke belastbaarheid, maar met bijkomende risicofactoren zoals bijvoorbeeld hypertensie en verhoogde serumlipiden, kan een reden zijn voor voorlopige of blijvende ongeschiktheid.

XXI. Allergieën [Vervallen per 08-01-2005]

Ernstige allergische reacties als gevolg van contact met stoffen die aan boord aanwezig zijn, zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

XXII. Oog en gezichtsvermogen [Vervallen per 08-01-2005]

  • A. Alle zeevarenden zonder uitkijk- of wachtfunctie.

    De keuring van het gezichtsvermogen is een onderdeel van de algemene lichamelijke keuring.

    • 1. De gezichtsscherpte wordt bepaald met behulp van de kaart van Landolt TNO, de Snellen letterkaart of een andere test die geacht mag worden gelijkwaardig te zijn. Met beide ogen dient, zonodig met behulp van eigen (reserve)bril of contactlenzen, een gezichtsscherpte te worden bereikt van 0,4. De visus dient zonder optische correctiemiddelen met elk oog afzonderlijk niet minder dan 0,1 te bedragen.

    • 2. Indien bij de keuring gebruik is gemaakt van optische correctiemiddelen, moet aan de keurend arts een adequate reservebril worden getoond

  • B. Dek- en brugdienst met uitkijk- of wachtfunktie (Z1) / Machinekamerdienst met wachtfunktie Z2).

    Na gebleken geschiktheid wordt de `Geneeskundige verklaring voor het gezichtsorgaan' afgegeven.

    • 1. De gezichtsscherpte wordt bepaald met behulp van de kaart van Landolt TNO, de Snellen letterkaart of en andere test die geacht mag worden gelijkwaardig te zijn.

      • a. Z1: Met elk oog afzonderlijk dient, zonodig met eigen (reserve)bril of contactlenzen, een gezichtsscherpte te worden bereikt van 0,7 voor het beste oog en 0,5 voor het slechtste oog. De visus dient zonder optische correctiemiddelen met elk oog afzonderlijk niet minder dan 0,1 te bedragen.

      • b. Z2: Met elk oog afzonderlijk dient, zonodig met eigen (reserve)bril of contactlenzen, een gezichtsscherpte te worden bereikt van 0,4. De visus dient zonder optische correctiemiddelen met elk oog afzonderlijk niet minder dan 0,1 te bedragen.

    • 2. Voor het nabijzien geldt dat, zonodig met eigen correctiemiddelen, een gezichtsscherpte overeenkomend met een van de volgende uitslagen moet worden bereikt:

      • Precision Vision test op 40 cm;

      • Laméris `De Nederlanders' op 30 cm D=0,6;

      • Oculus Landolt C's op 30 cm regelaanduiding =0,9;

      • Nieden Jaeger op 30 cm J=3.

      De gezichtsscherpte voor het lezen van beeldschermen van computer of radar en voor het aflezen van navigatie- of meet en regelapparatuur op 70 cm dient voldoende te zijn, zonodig adequaat gecorrigeerd.

    • 3. Indien bij de keuring voor de visus veraf of nabij gebruik is gemaakt van optische correctiemiddelen, moet aan de keuren arts een adequate reservebril worden getoond. Het gebruik van gekleurde corrigerende glazen of contactlenzen is een reden voor specialistische keuring door een aangewezen oogarts.

    • 4. Bij het onderzoek van het kleurenonderscheidingsvermogen, verricht bij de in de betreffende test voorgeschreven belichting is een score van 2 fouten bij de Ishihara test een reden voor specialistische keuring door een aangewezen oogarts. Bij de specialistische keuring is een reden voor blijvende ongeschiktheid een grotere afwijking dan de volgende uitkomsten:

      • Hardy, Rand and Rittler: `mild'; danwel

      • Tokyo Medical College: `second degree'; danwel

      • een equivalente uitkomst bij een gelijkwaardige test.

    • 5. Een bij de confrontatiemethode volgens Donders gevonden stoornis in het gezichtsveld is een reden voor specialistische keuring. Bij de specialistische keuring dient bij perimetrisch onderzoek het gezichtsveld vrij te zijn van voor de functie van de zeevarende storende beperkingen.

    • 6. Er worden geen eisen gesteld aan het diepte zien.

    • 7. Alle vormen van refractiechirurgie zijn een reden voor specialistische keuring door een aangewezen oogarts. Bij de specialistische keuring is goedkeuring mogelijk na volledige genezing, mits na een postoperatieve stabilisatieperiode wordt voldaan aan alle criteria voor het gezichtsvermogen en er geen nadelige verschijnselen zijn met betrekking tot contrastwaarneming, glare en nachtmyopie.

    • 8. Bij het vermoeden op nachtblindheid (anamnestisch of door gedragingen van de kandidaat) dient specialistisch onderzoek plaats te vinden. Een adaptatiestoornis groter dan 1 logeenheid is een reden voor ongeschiktheid.

    • 9. Er mag geen dubbelzien bestaan.

    • 10. Een progressieve of chronische oogaandoening is een reden voor specialistische keuring door een aangewezen oogarts. Bij de specialistische keuring dient te worden vastgesteld dat het gezichtsvermogen niet binnen 2 jaar dusdanig wordt bedreigd dat niet meer kan worden voldaan aan de criteria.

XXIII. Oor en gehoor [Vervallen per 08-01-2005]

  • 1. Een actieve infectie van middenoor of gehoorgang op het moment van de keuring is een reden voor tijdelijke ongeschiktheid.

  • 2. Recidiverende cq chronische otitis media is een reden voor ongeschiktheid, tenzij de aandoening geruime tijd (ongeveer 6 maanden) rustig is zodat mag worden aangenomen dat deze volledig is genezen.

  • 3. Een trommelvliesperforatie is een reden voor voorlopige ongeschiktheid, tenzij de onderliggende aandoening geruime tijd (ongeveer 6 maanden) rustig is zodat mag worden aangenomen dat deze volledig is genezen.

  • 4. Trommelvliesbuisjes zijn een reden voor een voorlopige ongeschiktheid van minimaal 6 maanden na plaatsing. Goedkeuring is mogelijk indien de onderliggende aandoening na die tijd rustig is zodat mag worden aangenomen dat deze volledig is genezen.

  • 5. Een operatieholte is een reden voor ongeschiktheid, tenzij deze 6 maanden rustig is en geen andere behandeling behoeft dan het incidenteel verwijderen van cerumen.

  • 6. Met pijn en hevige jeuk gepaard gaande recidiverende cq chronische otitis externa is een reden voor ongeschiktheid.

  • 7. M. Menière is een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • 8. Alle aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen of aanvallen van draaiduizeligheid zijn een reden voor blijvende ongeschiktheid.

  • A. Alle zeevarenden zonder uitkijk- of wachtfunctie.

    De keuring van het gehoor is een onderdeel van de algemene lichamelijke keuring.

    • 1. De gehoorscherpte dient zodanig te zijn, dat conversatiespraak op een afstand van 2 meter voor ieder oor afzonderlijk geheel foutloos wordt verstaan. Deze test dient volgens de geldende richtlijnen te worden uitgevoerd.

    • 2. Uitsluitend bij scheidsrechterlijke herbeoordeling is incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie het gebruik van een hoortoestel toegestaan, zie Bijlage VIII, onder B.

  • B. Dek- en brugdienst met uitkijk- of wachtfunctie (H1)/ Machinekamerdienst met wachtfunctie (H2).

    Na gebleken geschiktheid wordt de `Geneeskundige verklaring voor het gehoororgaan' afgegeven.

    • 1. a. H1: Eenmaal in de 6 jaar voor de dek- en brugdienst wordt een onderzoek gedaan met de toon-audiometer.

      b. H2: Eenmaal in de 2 jaar voor de machinekamerdienst wordt een onderzoek gedaan met de toon-audiometer.

      Reden voor blijvende ongeschiktheid is een gehoorverlies van gemiddeld 30 dB(HL) of meer voor het beste oor en bovendien een gemiddeld verlies van 40 dB(HL) of meer voor het slechtste oor. Als criterium geldt het rekenkundig gemiddeld van de ongemaskeerde luchtgeleidingsdrempels bij 500, 1000, 2000 en 3000 Hz. Indien de apparatuur een meting bij 3000 Hz niet toelaat, mag de drempel bij 3000 Hz per oor worden berekend op basis van het gemiddelde van de drempels bij 2000 en 4000 Hz voor hetzelfde oor.

    • 2. Bij tussentijdse controle om de 2 jaar voor verlenging van de H1 verklaring voor de dek- en brugdienst dient de gehoorscherpte zodanig te zijn, dat fluisterspraak op een afstand van 2 meter en conversatiespraak op een afstand van 3 meter voor ieder oor afzonderlijk foutloos worden verstaan.

      Deze testen dienen volgens de geldende richtlijnen te worden uitgevoerd.

    • 3. Uitsluitend bij scheidsrechterlijke herbeoordeling is incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie het gebruik van een hoortoestel toegestaan, zie Bijlage VIII, onder B.

Bijlage IV [Vervallen per 08-01-2005]

Bijlage 22670.png

Bijlage V [Vervallen per 08-01-2005]

Bijlage 22671.png

Bijlage VI [Vervallen per 08-01-2005]

Bijlage 22672.png

Bijlage VII [Vervallen per 08-01-2005]

Bijlage 22673.png

Bijlage VIII [Vervallen per 08-01-2005]

  • A. In de volgende gevallen kan ontheffing worden verleend van de eisen voor het gezichtsorgaan:

    • 1. Aan bevaren zeelieden, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1981 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst zijn getreden, en een gezichtsscherpte hebben, zonder corrigerende glazen, van ten minste 0,2 met beide ogen gelijktijdig, en met corrigerende glazen van ten minste 0,6 met beide ogen gelijktijdig en van tenminste 0,1 met elk oog afzonderlijk.

    • 2. Aan bevaren zeelieden, aan wie de wacht in de ruimte voor machines kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1981 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst getreden en een gezichtsscherpte hebben van ten minste 0,4 bij het zien met een of twee ogen, eventueel met corrigerende glazen;

    • 3. Aan bevaren zeelieden, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1988 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst getreden, en een refractieve chirurgie hebben ondergaan.

    • 4. Aan bevaren zeelieden, aan wie de wacht in de ruimte voor machines kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1988 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst getreden en een refractieve chirurgie hebben ondergaan, of een ernstige kleurenzienstoornis hebben

    • 5. Aan bevaren zeelieden, die vóór 1 augustus 1988 als loods in dienst zijn getreden en een gezichtsscherpte zonder corrigerende glazen hebben van ten minste 0,2 met beide ogen gelijktijdig en met corrigerende glazen van ten minste 0,6 met beide ogen gelijktijdig en van ten minste 0,1 met elk oog afzonderlijk.

    • 6. Aan bevaren zeelieden, die vóór mei 1998 dienst hebben gedaan als bemanningslid aan boord van een zeegaand Rijksvaartuig, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen en een gezichtsscherpte, zonder corrigerende glazen, hebben van ten minste 0,2 met beide ogen gelijktijdig en met corrigerende glazen, van ten minste 0,6 met beide ogen gelijktijdig en van ten minste 0,1 met elk oog afzonderlijk.

    • 7. Aan bevaren zeelieden, die weliswaar niet voldoen aan de keuringseisen, maar waarvan de scheidsrechter vast stelt dat er voldoende compensatie is door ervaring in het herkennen en intuïtief beoordelen van bepaalde waarnemingen, waarbij een veilige uitoefening van de werkzaamheden niet wordt belemmerd, en de aanwezigheid van de kandidaat geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de overige opvarenden.

    Waar nodig kunnen beperkingen aan werkzaamheden, vaargebied of scheepstype worden gesteld. Een zeevarende dient te allen tijde in staat te zijn om adequaat te handelen in geval van nood. Hij moet daarbij niet alleen in staat zijn zichzelf in veiligheid te stellen, maar moet tevens kunnen assisteren bij het bestrijden van brand, het lanceren van reddingboten en het assisteren van medebemanningsleden en passagiers.

  • B. In de volgende gevallen kan ontheffing worden verleend van de eisen voor het gehoororgaan:

    • 1. Aan bevaren zeelieden, die vóór 1 augustus 1988 als loods in dienst zijn getreden en op de leeftijd van 41 jaar of ouder geen groter gehoorverlies hebben dan 30 decibel voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz.

    • 2. Aan bevaren zeelieden, die vóór mei 1998 dienst hebben gedaan als bemanningslid aan boord van een zeegaand Rijksvaartuig, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen, en op de leeftijd van 41 jaar of ouder geen groter gehoorverlies hebben dan 30 decibel voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz.

    • 3. Aan bevaren zeelieden die gebruik maken van één of twee hoortoestellen, mits wordt voldaan aan de volgende metingen in het `vrije veld':

      • a. Bij gebruik van één of meer hoortoestellen op een door de gebruiker te kiezen versterking dienen losse woorden, zonder lipbeeld gesproken op conversatiesterkte op 2 meter afstand, geheel foutloos nagesproken te worden.

      • b. Bij gebruik van één of meer hoortoestellen dient richtinghoren mogelijk te zijn tot binnen een hoek van 45°.

      Daarnaast dient bij de keuring te worden aangetoond dat aan het navolgende wordt voldaan:

      • a. Er dienen voldoende batterijen aan boord te zijn voor een periode gelijk aan tweemaal de duur van de reis.

      • b. Er dient bij de keuring ten minste één adequaat reserve hoortoestel te worden getoond, waarbij in het geval van een achter-het-oor hoortoestel ook een bijpassend oorstukje aanwezig dient te zijn.

      • c. Indien in tropische gebieden wordt gevaren dienen de hoortoestellen op het moment van de keuring een `tropenbehandeling' te hebben gehad.

      • d. Tijdens de keuring moet blijken dat de kandidaat bij het blootstaan aan lawaai een goede keuze kan maken tussen het gebruik van gehoorbescherming of het uitschakelen van het hoortoestel

    • 4. Aan bevaren zeelieden, die weliswaar niet voldoen aan de keuringseisen, maar waarvan de scheidsrechter vaststelt dat het gehoorverlies voldoende wordt gecompenseerd door ervaring in het herkennen en intuïtief beoordelen van bepaalde geluiden, waarbij een veilige uitoefening van de werkzaamheden niet wordt belemmerd, en de aanwezigheid van de kandidaat geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de overige opvarenden.

      Waar nodig kunnen beperkingen aan werkzaamheden, vaargebied of scheepstype worden gesteld. Een zeevarende dient te allen tijde in staat te zijn om adequaat te handelen in geval van nood. Hij (zij) moet daarbij niet alleen in staat zijn zichzelf in veiligheid te stellen, maar moet tevens kunnen assisteren bij het bestrijden van brand, het lanceren van reddingboten en het assisteren van medebemanningsleden en passagiers.