Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verordening op de Raad voor Geschillen

Geldend van 01-01-2010 t/m heden

Verordening op de Raad voor Geschillen

De ledenvergadering van het NIVRA,

Gelet op artikel 19, lid 1, van de Wet op de Registeraccountants, stelt de volgende verordening vast;

Artikel I

Inleidend artikel

Artikel 1

Er is een Raad voor Geschillen, hierna te noemen: de Raad.

Hoofdstuk I. : Taak van de Raad

Artikel 2

  • 1 De Raad doet uitspraak in burgerrechtelijke geschillen, die terzake van de beroepsuitoefening tussen leden onderling dan wel tussen leden en derden zijn gerezen en schriftelijk aan de Raad zijn voorgelegd.

  • 2 De uitspraken van de Raad hebben kracht van bindend advies.

Hoofdstuk II. : Samenstelling van de Raad

Artikel 3

  • 1 Leden van de Raad zijn: een voorzitter en één of meer plaatsvervangende voorzitters, die geen lid van het NIVRA zijn; alsmede tenminste vier leden en tenminste twee plaatsvervangende leden, die lid zijn van het NIVRA.

  • 2 De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechter in een arrondissementsrechtbank.

Artikel 4

  • 1 Een lid van de Raad is onpartijdig en onafhankelijk. Hij heeft geen nauwe persoonlijke of zakelijke banden met één of beide partijen of een of meer van de medeleden van de Raad. Hij heeft geen rechtstreeks persoonlijk of zakelijk belang bij de afloop van het geding.

  • 2 Het lidmaatschap van de Raad is onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur van het NIVRA, de Raad van Tucht, het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, een door of namens het NIVRA ingesteld lichaam en met het dienstverband met het NIVRA.

Artikel 5

  • 1 Het bestuur benoemt de leden van de Raad voor een periode van maximaal vier jaar. Herbenoeming is mogelijk.

  • 2 De wijze, waarop aanbevelingen kunnen worden gedaan ter vervulling van vacatures in de Raad, kan afzonderlijk door het bestuur van het NIVRA worden geregeld.

  • 3 Het lid van de Raad dat ingevolge de bepalingen van dit artikel moet aftreden, behoudt zijn functie met betrekking tot die zaken aan de behandeling waarvan hij heeft deelgenomen, maar die op het tijdstip van aftreden nog niet zijn afgetreden.

Artikel 6

Het bestuur van het NIVRA benoemt, na overleg met de voorzitter van de Raad, een secretaris en zo nodig een plaatsvervangend secretaris van de Raad. Dezen moeten het doctoraat examen Nederlands recht aan een Nederlandse universiteit met goed gevolg hebben afgelegd. Zij zijn geen lid van de Raad.

Artikel 7

De leden van de Raad ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vergoeding voor tijdverzuim overeenkomstig de regeling van de artikelen 1, 2 en 3 van de Verordening Kostenvergoedingen.

Artikel 8

  • 1 Het is van de leden van de Raad en (plaatsvervangend) secretaris van de Raad verboden:

    • a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen direct of indirect bekend te maken;

    • b. op enigerlei wijze de gevoelens te openbaren die in de Raad over aanhangige geschillen zijn geuit;

    • c. om met betrekking tot een voor hen aanhangig geschil of een geschil dat naar hun weten of vermoeden voor hen aanhangig gemaakt zal worden, buiten de behandeling van het geschil door de Raad, deel te nemen in enig onderhoud, gesprek of samenkomst met belanghebbenden of van hen enige inlichting of schriftelijk stuk betreffende het geschil aan te nemen.

  • 2 Indien een lid of (plaatsvervangend) secretaris van de Raad een in het vorig lid genoemd verbod overtreedt, kan hij op verzoek van één of meer leden van de Raad of van één of beide partijen worden uitgesloten van (verdere) deelnemingen aan de behandeling van het geschil in verband waarmee de overtreding heeft plaatsgevonden.

  • 3 De voorzitter van de Raad kan te allen tijde aanvulling van het depot van partijen verlangen. Over het bedrag van het gestorte depot wordt geen rente vergoed.

Artikel 9

  • 1 Voor de behandeling van geschillen is een vergoeding van procedurekosten verschuldigd.

  • 2 Alvorens de Raad een geschil in behandeling neemt, – dient ofwel door de partij die het geschil heeft voorgelegd ofwel door partijen die gezamenlijk het geschil aan de Raad hebben voorgelegd, een depot ten behoeve van de vergoeding van procedurekosten te worden gestort bij het NIVRA. De hoogte van het depot is per geschil afhankelijk van de hoogte van de te verwachten procedurekosten en wordt door de voorzitter van de Raad bepaald.

Hoofdstuk III. : Onderzoeken en beslissingen van de Raad

Artikel 10

  • 1 De Raad neemt een geschil slechts in behandeling:

    • a. indien een lid van het NIVRA een geschil met een derde heeft voorgelegd en de derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen;

    • b. indien een derde een geschil met een lid van het NIVRA heeft voorgelegd en deze derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen, in welk geval leden van het NIVRA gehouden zijn zich aan de uitspraak van de Raad te onderwerpen, onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel;

    • c. in alle overige gevallen indien partijen de Raad hebben laten weten dat zij zich aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen.

  • 2 In het geval bedoeld in het eerste lid onder b, kan het betrokken lid van de NIVRA het geschil met voorbijgaan van de Raad bij de volgens de wet bevoegde rechter aanhangig maken op de bij de wet voorgeschreven wijze, doch uiterlijk binnen van één maand nadat hem mededeling is gedaan van het aanhangig maken van een geschil bij de Raad, mits het lid de Raad daarvan gelijktijdig bij aangetekende brief in kennis stelt.

  • 3 Aan het gestelde in het eerste lid onder c wordt geacht te zijn voldaan, indien partijen zijn overeengekomen, dat zij geschillen die tussen hen kunnen rijzen met uitsluiting van de gewone rechter aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen, mits tenminste een van de partijen lid is van het NIVRA.

  • 4 De voorzitter van de Raad beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan.

Artikel 11

De eis wordt ingesteld bij een schriftelijk gemotiveerde conclusie, waaruit de inhoud van het geschil duidelijk blijkt. De verweerder wordt in de gelegenheid gesteld schriftelijk, gemotiveerd op de conclusie van eis te antwoorden.

Artikel 12

De Raad behandelt een haar voorgelegd geschil op de wijze die hij dienstig oordeelt, met inachtneming van de bepalingen van deze verordening. De voorzitter van de Raad regelt de werkzaamheden.

Artikel 13

De voorzitter, dan wel de Raad is bevoegd, onder het stellen van een termijn, van partijen te verlangen dat zij de Raad schriftelijk of mondeling nadere inlichtingen verschaffen, of bepaalde stukken overleggen.

Artikel 14

  • 1 Is de voorzitter van oordeel dat het dossier in het stadium verkeert dat het geschil voor verdere behandeling gereed is, dan geeft de secretaris hiervan kennis aan partijen, met opgave van de namen van de leden van de Raad.

  • 2 Elk der partijen is gedurende veertien dagen na kennisgeving bedoeld in het eerste lid, bevoegd onder opgave van redenen de Raad mede te delen dat zij één of meer leden wenst te wraken. Bij het verstrekken van de opgave van de namen van de leden van de Raad wijst de secretaris partijen op hun bevoegdheid in dezen.

  • 3 Een lid van de Raad kan worden gewraakt, indien er te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een lid van de Raad kan zich verschonen op dezelfde gronden.

  • 4 Over de wraking of verschoning wordt door de overige leden van de Raad zo spoedig mogelijk beslist. In geval van staking van stemmen is het verzoek tot wraking of verschoning ingewilligd.

  • 5 Wanneer vaststaat welke leden van de Raad aan de verdere behandeling van het geschil kunnen deelnemen, stelt de voorzitter de kamer van de Raad – verder te noemen de Kamer – samen, die als Raad voor Geschillen het geschil zal behandelen.

  • 6 In de Kamer hebben zitting de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter en twee leden, die lid zijn van het NIVRA.

  • 7 Indien de voorzitter van de Raad van oordeel is dat het geschil door vijf in plaats van door drie leden dient te worden behandeld, of indien partijen behandeling door vijf leden verzoeken en de voorzitter dit verzoek voor inwilliging vatbaar acht, wijst hij uit de Raad vijf leden (zichzelf of een plaatsvervangend voorzitter hieronder begrepen) aan die alsdan de Kamer zullen vormen.

Artikel 15

Een tegenvordering die niet uiterlijk bij het eerste antwoord van verweerder zoals bedoeld in artikel 11, tweede volzin, is ingesteld, kan nadien niet meer in dezelfde geschillenprocedure worden ingesteld. De oorspronkelijke eiser wordt in de gelegenheid gesteld schriftelijk op de tegenvordering te antwoorden.

Artikel 16

  • 1 De Kamer kan op verzoek van één der partijen, in elke stand van het geding voorlopig die beslissing nemen of die maatregel treffen ten aanzien van zaken in het geschil, die haar nodig of nuttig voorkomt.

  • 2 De beslissing of maatregel prejudicieert op geen enkele wijze het uiteindelijke oordeel van de Kamer ten aanzien van de zaak zelf.

  • 3 Het verzoek doet geen afbreuk aan het recht van een partij de rechter te verzoeken om een maatregel ter bewaring van recht dan wel zich te wenden tot de president van de rechtbank in kort geding.

Artikel 17

  • 1 De Kamer beslist omtrent een aan haar voorgelegd geschil niet dan na verhoor, althans oproeping van de betrokken partijen, tenzij de voorzitter of diens plaatsvervanger van oordeel is dat het geringe belang van het geschil onmiddellijke schriftelijke afdoening daarvan door de Kamer rechtvaardigt.

  • 2 De betrokken partijen kunnen – tenzij de Kamer beveelt, dat zij in persoon verschijnen – zich ter zitting doen vertegenwoordigen door een daartoe gemachtigde. Partijen kunnen zich door een raadsman doen bijstaan.

  • 3 De Kamer kan weigeren bepaalde personen, die geen advocaat zijn, als gemachtigde of als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt de Kamer de zaak tot een volgende zitting aan.

  • 4 De Kamer zal van schriftelijke of gedrukte stukken of van mondelinge verklaringen alleen gebruik maken voorzover zij partijen in de gelegenheid heeft gesteld van die stukken kennis te nemen en het afleggen der mondelinge verklaringen bij te wonen.

  • 5 De zakelijke inhoud van de mededelingen van partijen en van door derden afgelegde mondelinge verklaringen wordt door de secretaris op schrift gesteld.

  • 6 Aan een ter zitting niet verschenen partij wordt een proces-verbaal van de zakelijke inhoud van de mededelingen van de wederpartij, indien deze is verschenen, en van door derden afgelegde mondelinge verklaringen gezonden.

  • 7 Indien één der partijen niet verschijnt op een oproeping van de Kamer, bij behandeling weigert te antwoorden op vragen door de Kamer gesteld, niet of op onvolledige wijze voldoet aan het bevel van de Kamer om stukken te overleggen of nalaat de door de Kamer gewenste inlichtingen te verschaffen, is de Kamer bevoegd een beslissing naar behoren te nemen en toch een uitspraak te doen.

Artikel 18

Indien één der partijen voor of tijdens de behandeling van een geschil de wens uitspreekt, dat de Kamer van verdere behandeling afziet, zal de Kamer, indien de andere partij zich daartegen niet verzet, de zaak als afgedaan beschouwen.

Artikel 19

  • 1 Leden van het NIVRA die als getuige zijn opgeroepen, zijn verplicht voor de Kamer te verschijnen en op de hun gestelde vragen te antwoorden.

  • 2 Zij kunnen de Kamer verzoeken van de verplichting tot het antwoorden op de hun gestelde vragen te worden verschoond. Dit verzoek dient met redenen te zijn omkleed. De Kamer beslist zo spoedig mogelijk op dit verzoek.

  • 3 Indien een lid van het NIVRA, dat als getuige is opgeroepen, niet verschijnt, of is verschenen, maar weigert te antwoorden op de hem door de Kamer gestelde vragen, hetzij zonder een verzoek in te dienen, als in het tweede lid bedoeld, hetzij nadat de Kamer een zodanig verzoek heeft afgewezen, wordt het bestuur van het NIVRA hiervan in kennis gesteld.

Artikel 20

Is de Kamer van oordeel dat het geschil in staat van wijzen is, dan stelt zij haar uitspraak vast.

Artikel 21

Alle beslissingen van de Kamer worden genomen met gewone meerderheid van stemmen.

Artikel 22

De Kamer bepaalt dat de kosten van de procedure tot een door de Kamer te bepalen bedrag door één of door beide partijen worden gedragen. Daarbij bepaalt de Kamer tevens in hoeverre de procedurekosten worden voldaan uit het depot als bedoeld in artikel 9.

Artikel 23

  • 1 De uitspraak van de Kamer wordt op schrift gesteld en ondertekend door haar voorzitter en secretaris. De uitspraak moet gedagtekend en met redenen omkleed zijn en de samenstelling van de Kamer vermelden.

  • 2 Van de uitspraak wordt een afschrift, ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de Kamer, aan partijen toegezonden.

Artikel 24

Zodra de Kamer bij de behandeling van een geschil haar einduitspraak heeft gedaan, zenden de leden van de Kamer de in hun bezit zijnde stukken, die op dit geschil betrekking hebben, aan de secretaris. Deze draagt zorg, dat de stukken in het archief van de Raad worden bewaard of, voorzover zij overtollig zijn, worden vernietigd.

Artikel 25

  • 1 Elke in deze verordening bedoelde kennisgeving aan, toezending van stukken aan en oproeping van partijen zal geschieden bij aangetekend schrijven ter keuze van de Kamer aan het kantoor of aan de werkelijke of gekozen woonplaats van partijen.

  • 2 Het bewijs van verzending van een aangetekend poststuk aan partijen zal, tezamen met de verklaring van de secretaris omtrent de inhoud van dat poststuk, tegenover partijen gelden als bewijs van behoorlijke verzending. Partijen worden geacht dat poststuk te hebben ontvangen, tenzij zij het tegendeel aannemelijk kunnen maken.

Overgangsbepaling

Artikel 26

De ledenvergadering waarin de leden van de Raad voor de eerste maal worden benoemd, kan ten aanzien van de zittingsduur van deze personen regelen stellen, welke afwijken van het bepaalde in artikel 5.

Slotbepaling

Artikel 27

Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam: Verordening op de Raad voor Geschillen.

Artikel II

De Verordening op het beslechten van geschillen wordt ingetrokken.

Overgangsbepaling Verordening op de Raad voor Geschillen

Artikel III

Artikel 1

  • 1 De op grond van artikel 1 van de Verordening op het beslechten van Geschillen ingestelde Raad voor Geschillen blijft in stand, met toepassing van het voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Verordening op de Raad voor Geschillen geldende recht, ten behoeve van de behandeling van op dat tijdstip bij die Raad voor Geschillen aanhangige geschillen, totdat aangaande die geschillen uitspraak is gedaan.

  • 2 De behandeling van een op het tijdstip van inwerkingtreding van de Verordening op de Raad voor Geschillen bij de in het eerste lid bedoelde Raad voor Geschillen aanhangig geschil wordt voortgezet door die Raad voor Geschillen, met toepassing van het voor dat tijdstip geldende recht.

Artikel IV

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2002.