Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Bordenregeling[Regeling vervallen per 20-01-2010.]

Geldend van 28-11-2001 t/m 19-01-2010

Regeling van 12 november 2001 houdende regels inzake borden op landingsterreinen en op platformen van luchtvaartterreinen

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 132, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 1 [Vervallen per 20-01-2010]

Deze regeling is van toepassing op borden op landingsterreinen en platformen van luchtvaartterreinen.

Artikel 2. Begripsbepalingen [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 In deze regeling verstaan onder:

    • a. baanwachtpositie: een gemarkeerde positie waar voertuigen en taxiënde luchtvaartuigen verplicht zijn te stoppen met als doel een baan, een hindernisbeperkend vlak of een ILS/MLS kritisch dan wel gevoelig gebied te beschermen;

    • b. hindernisbeperkend vlak: een gedefinieerd vlak dat is gerelateerd aan een baan met als doel de hindernissituatie te beheersten en een veilige vluchtuitvoering van en naar die baan te waarborgen;

    • c. kruispunt: een kruising van banen of rijbanen dan wel splitsing van een rijbaan;

    • d. luchtvaartterreincode: een indelingssysteem voor luchtvaartterreinen of delen daarvan dat is gebaseerd op de referentie baanlengte en de afmetingen van luchtvaartuigen (aerodrome reference code);

    • e. niet-instrumentbaan: een baan die is bedoeld voor operaties van een luchtvaartuig waarbij gebruik wordt gemaakt van visuele naderingsprocedures;

    • f. referentie baanlengte: de minimum baanlengte, zoals voorgeschreven door de certificerende autoriteit, die nodig is voor de start van een luchtvaartuig onder de volgende omstandigheden:

      • -

        maximum gecertificeerde startmassa,

      • baan op zeeniveau en zonder helling,

      • standaard atmosferische condities,

      • windstilte. (aeroplane reference field length);

    • g. rijbaankruispunt: een knooppunt van twee of meer rijbanen;

    • h. tussenliggende wachtpositie: een gemarkeerde positie niet zijnde een baanwachtpositie waar voertuigen en taxiënde luchtvaartuigen verplicht zijn te stoppen (intermediate holding position);

    • i. wachtpositie voor het wegverkeer: een gemarkeerde positie waar voertuigen verplicht zijn te stoppen (road-holding position);

    • j. zichtbare baanlengte: het voor de gezagvoerder van een luchtvaartuig dat zich op de baanhartlijn bevindt zichtbare gedeelte van de markeringen of lichten van de baanrand of baanhartlijn (RVR).

Artikel 3. Algemeen [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Voor een ordelijke en veilige verkeerscirculatie worden borden geplaatst.

  • 2 Borden worden onderscheiden in gebodsborden en informatieborden.

  • 3 Borden kunnen vaste of variabele opschriften hebben.

Artikel 4. Constructie [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 De borden zijn van een zodanige constructie dat zij bij een botsing breken, vervormen of meebuigen opdat zo min mogelijk schade aan het luchtvaartuig wordt toegebracht.

  • 2 De borden die bij een baan of rijbaan worden geplaatst hebben een zodanige hoogte dat er voldoende ruimte tussen bord en propellers en motorgondels van straalvliegtuigen overblijft. De afstand tussen maaiveld en de bovenkant van het bord overschrijdt de maximale hoogte als aangegeven in kolom 4 van tabel I in bijlage A niet.

  • 3 Vorm en afmetingen van de borden alsmede de opschriften voldoen aan de eisen zoals gesteld in bijlage B.

Artikel 5. Kleuren [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 De kleuren voldoen aan de normen, zoals opgenomen in de appendix van bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (ICAO Annex 14).

  • 2 De kleur rood wordt uitsluitend gebruikt voor gebodsborden.

  • 3 De achterzijde van de borden is in de kleur geel uitgevoerd.

Artikel 6. Benaming rijbanen [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een rijbaan wordt aangeduid door één of meer letters al dan niet gevolgd door een nummer.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het gebruik van de letters I, O en X alsmede de woorden "inner" en "outer" niet toegestaan.

Artikel 7. Lichttechnische eigenschappen [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Indien een luchtvaartterrein wordt gebruikt bij een zichtbare baanlengte van minder dan 800 meter zijn de borden zodanig verlicht dat wordt voldaan aan de luminantie eisen zoals gesteld in bijlage C.

  • 2 Bij niet-instrumentbanen met codecijfer 3 of 4 of bij instrumentbanen zijn de borden zodanig verlicht dat wordt voldaan aan de luminantie eisen zoals gesteld in bijlage C, indien het luchtvaartterrein buiten de uniforme daglichtperiode wordt gebruikt.

  • 3 Bij niet-instrumentbanen met codecijfer 1 of 2 zijn de borden retro-reflecterend uitgevoerd of verlicht conform de luminantie eisen zoals gesteld in bijlage C, indien het luchtvaartterrein buiten de uniforme daglichtperiode wordt gebruikt.

Artikel 8. Elektrische schakeling [Vervallen per 20-01-2010]

Gebodsborden zijn steeds verlicht wanneer de baanlichten van de bijbehorende baan zijn ingeschakeld.

Artikel 9. Borden met variabele opschriften [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Borden met variabele opschriften worden geplaatst indien:

    • a. de afgebeelde instructie of informatie slechts gedurende een bepaalde periode van toepassing is; of

    • b. er een operationele noodzaak bestaat om op voorhand bepaalde variabele informatie te kunnen

  • 2 Indien borden met een variabel opschrift niet in gebruik zijn vertonen zij geen opschrift. Bij storingen vertonen de borden geen informatie die tot onveilige acties van voertuigbestuurders of gezagvoerders kan leiden.

  • 3 Het tijdsinterval om over te schakelen naar een ander opschrift is maximaal vijf seconden.

Hoofdstuk II. Gebodsborden [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 10. Algemeen [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Gebodsborden worden als volgt ingedeeld:

    • a. baanaanduidingsborden;

    • b. categorie I, II en III wachtpositieborden;

    • c. baanwachtpositieborden;

    • d. geslotenverklaringsborden; en

    • e. wachtpositieborden voor het wegverkeer.

  • 2 Gebodsborden met uitzondering van geslotenverklaringsborden worden geplaatst op locaties waar taxiënde vliegtuigen en voertuigen verplicht zijn te stoppen.

  • 3 Indien het op een locatie als bedoeld in het tweede lid door plaatselijke omstandigheden niet mogelijk is een gebodsbord te plaatsen wordt een gebodsmarkering als bedoeld in artikel 25 op de rijbaanverharding aangebracht.

  • 4 Gebodsborden hebben een wit opschrift op een rode achtergrond.

  • 5 Het opschrift is steeds zichtbaar voor voertuigbestuurders of gezagvoerders van luchtvaartuigen die zich in de richting bewegen van de delen van het landingsterrein waarop het betreffende bord betrekking heeft.

  • 6 De afstand tussen gebodsborden en de verharding is in overeenstemming met kolom 5 of 6 van tabel 1 in bijlage A.

Artikel 11. Baanaanduidingsbord (runway designation sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een precisielandingsbaan wordt een baanaanduidingsbord geplaatst aan beide zijden van de baanwachtpositiemarkering type "A" in overeenstemming met figuur 1a en tabel 2 in bijlage A.

  • 2 Bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een startbaan, niet-instrumentbaan of niet-precisielandingsbaan wordt een baanaanduidingsbord geplaatst aan de linker zijde van de baanwachtpositiemarkering type "A" in overeenstemming met figuur 1b en tabel 2 in bijlage A.

  • 3 Bij een aansluiting van een rijbaan op een baan wordt naast een baanaanduidingsbord een locatiebord als bedoeld in artikel 23 geplaatst.

  • 4 Het opschrift op een baanaanduidingsbord geplaatst bij het baaneinde toont alleen de aanduiding van het betreffende baaneinde. Een baanaanduidingsbord geplaatst bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een baan anders dan bij een baaneinde bevat de aanduiding van beide baaneinden van de kruisende baan.

Artikel 12. CAT I, II of III wachtpositiebord (CAT I, II or III holding-position sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een categorie I, II of III wachtpositiebord dan wel een gecombineerd categorie II/III wachtpositiebord wordt geplaatst aan beide zijden van een baanwachtpositiemarkering type "B" in overeenstemming met figuur la van bijlage A.

  • 2 Het opschrift op een categorie I, II of III wachtpositiebord dan wel een gecombineerd categorie II/III wachtpositiebord bevat de baanaanduiding gevolgd door CAT I, CAT II, CAT III dan wel CAT II/III.

Artikel 13. Baanwachtpositiebord (runway holding position sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Indien een rijbaan zodanig is gelegen dat een voertuig of taxiënd luchtvaartuig een hindernisbeperkend vlak kan doorsnijden of een ILS//MLS kritisch dan wel gevoelig gebied kan binnenrijden, wordt een baanwachtpositiebord geplaatst aan beide zijden van een type "A" baanwachtpositiemarkering ten behoeve van het vrijhouden van het betreffende vlak of gebied.

  • 2 Het opschrift op een baanwachtpositiebord bevat de rijbaanaanduiding en een nummer.

Artikel 14. Geslotenverklaringsbord (NO ENTRY sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Bij het begin van die delen van het landingsterrein of de platformen waarvan de toegang vanuit die richting verboden is, wordt aan beide zijden van de rijbaan een geslotenverklaringsbord geplaatst.

  • 2 Wanneer geslotenverklaringsborden zijn geplaatst bij een rijbaan die toegang geeft tot een baan, worden zij voor de wachtpositiemarkering en bijbehorende gebodsborden geplaatst.

  • 3 Het opschrift van een geslotenverklaringsbord is in overeenstemming met de afbeelding zoals opgenomen in figuur 2 van bijlage A.

Artikel 15. Wachtpositiebord voor het wegverkeer (road-holding position sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een wachtpositiebord voor het wegverkeer wordt geplaatst bij alle wegen die toegang geven tot een baan.

  • 2 Het wachtpositiebord voor het wegverkeer wordt geplaatst op 1,5 meter van de rechterkant van de weg ter hoogte van de wachtpositie in overeenstemming met tabel 2 in bijlage A.

  • 3 Het opschrift op een wachtpositiebord voor het wegverkeer is in overeenstemming met het terzake bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 bepaalde en omvat het volgende:

    • a. een verplichting tot stoppen; en

    • b. een verplichting tot het verkrijgen van klaring door de luchtverkeersleiding, indien op het luchtvaartterrein luchtverkeersleiding aanwezig is; en

    • c. een locatie-aanduiding, indien meerdere locaties toegang geven tot een baan.

  • 4 Indien de wegen worden gebruikt buiten de uniforme daglichtperiode is het wachtpositiebord voor het wegverkeer retro-reflecterend of verlicht.

Hoofdstuk III. Informatieborden [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 16. Algemeen [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Informatieborden worden als volgt ingedeeld:

    • a. baanafritborden;

    • b. baanklaringsborden;

    • c. intersectie startborden;

    • d. bestemmingsborden;

    • e. richtingborden;

    • f. locatieborden; en

    • g. aanduidingsborden voor vliegtuigopstelplaatsen.

  • 2 Informatieborden worden geplaatst indien er een operationele noodzaak bestaat om informatie te geven over een specifieke locatie of route.

  • 3 Informatieborden worden geplaatst aan de linkerzijde van de rijbaan of baan. De afstand tot de verharding is in overeenstemming met kolom 5 of 6 van tabel 1 in bijlage A.

  • 4 Bij een rijbaankruispunt worden de informatieborden voor het kruispunt in lijn met de tussenliggende wachtpositiemarkering geplaatst. Indien geen tussenliggende wachtpositiemarkering aanwezig is worden de borden op ten minste 60 meter van de hartlijn van de kruisende rijbaan geplaatst als het codecijfer 3 of 4 is en op ten minste 40 meter als het codecijfer 1 of 2 is.

  • 5 Indien het door plaatselijke omstandigheden onmogelijk is om een informatiebord te plaatsen in overeenstemming met deze regeling wordt een informatiemarkering als bedoeld in artikel 26 aangebracht op de rijbaanverharding of platformverharding.

  • 6 Informatieborden worden met uitzondering van locatieborden niet in combinatie met gebodsborden geplaatst.

  • 7 Informatieborden hebben met uitzondering van locatieborden een zwart opschrift op een gele achtergrond.

  • 8 Locatieborden hebben een geel opschrift op een zwarte achtergrond en zijn voorzien van een gele rand.

Artikel 17. Baanafritbord (runway exit sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een baanafritbord wordt geplaatst vóór de baanafrit en afhankelijk van de luchtvaartterreincode op een positie van ten minste 60 meter voor het tangentpunt bij een baan met codecijfer 3 of 4 en ten minste 30 meter voor het tangentpunt bij een baan met codecijfer 1 of 2.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde lid, wordt een baanafritbord aan dezelfde zijde van de baan geplaatst waar de baanafrit is gelegen. De afstand tot de baanverharding is in overeenstemming met kolom 6 van tabel I in bijlage A.

  • 3 Het opschrift op een baanafritbord bestaat uit de aanduiding van de baanafrit en een pijl die de te volgen richting aangeeft.

Artikel 18. Baanklaringsbord (runway vacated sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een baanklaringsbord wordt geplaatst indien:

    • a. de baanafrit niet is voorzien van rijbaanhartlijnlichten; en

    • b. het noodzakelijk is om aan een gezagvoerder die de baan verlaat aan te geven waar de grens van het ILS/MLS kritische dan wel gevoelige gebied of de onderste begrenzing van het binnenste zijvlak zich bevindt.

  • 2 In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 16, derde lid, wordt een baanklaringsbord ten minste aan één zijde van de rijbaan geplaatst. De afstand tussen het bord en de hartlijn van een baan is ten minste gelijk aan de grootste van:

    • a. de afstand tussen de hartlijn van de baan en de grens van het ILS/MLS kritische dan wel gevoelige gebied; of

    • b. de afstand tussen de hartlijn van de baan en de grens van het binnenste zijvlak.

  • 3 Het opschrift op een baanklaringsbord bevat een afbeelding van de baanwachtpositiemarkering type "A".

Artikel 19. Intersectie startbord (intersection take-off sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een intersectie startbord wordt geplaatst aan de linkerzijde van de aansluiting van een rijbaan op een baan. De afstand tussen het bord en de baanhartlijn bedraagt ten minste 60 meter bij een baan met codecijfer 3 of 4 en ten minste 45 meter bij een baan met codecijfer 1 en 2.

  • 2 Het opschrift op een intersectie startbord bestaat uit een aanduiding van de resterende beschikbare startlengte in meters en een pijl die de richting van de start aangeeft.

Artikel 20. Bestemmingsbord (destination sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een bestemmingsbord wordt geplaatst om de richting naar specifieke bestemmingen op het luchtvaartterrein aan te geven.

  • 2 Een bestemmingsbord wordt niet gebruikt in combinatie met een locatie- of een richtingbord.

  • 3 Het opschrift op een bestemmingsbord bestaat uit letters, cijfers of een combinatie daarvan, die de bestemming aangeven en een pijl met de te volgen route.

Artikel 21. Richtingbord (direction sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Naast een richtingbord wordt een locatiebord als bedoeld in artikel 23 geplaatst tenzij luchtvaarttechnisch onderzoek aangeeft dat het locatiebord niet noodzakelijk is.

  • 2 Het opschrift op een richtingbord bestaat uit de rijbaanaanduiding en één of meerdere pijlen die de mogelijk te volgen richting aangeven.

Artikel 22 [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Waar een rijbaan bij een kruispunt eindigt, wordt een afzetting, een richtingbord of ander visueel hulpmiddel geplaatst.

  • 2 De visuele hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid worden geplaatst aan de overzijde van het kruispunt.

Artikel 23. Locatiebord (location sign) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Bij een tussenliggende wachtpositie wordt een locatiebord geplaatst.

  • 2 Indien zich meerdere tussenliggende wachtposities op dezelfde rijbaan bevinden, bevat het locatiebord de aanduiding van de rijbaan en een nummer.

  • 3 Locatieborden worden geplaatst bij rijbanen welke aansluiten op een platform of zich achter een kruispunt bevinden. In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde lid, worden de locatieborden na een rijbaankruispunt aan de linker- of rechterzijde van de rijbaan geplaatst.

  • 4 Een locatiebord bij een baanaanduidingsbord of baanklaringsbord wordt ten opzichte van de rijbaanhartlijn aan de buitenzijde van het betreffende bord geplaatst.

  • 5 In het geval dat twee banen elkaar kruisen wordt geen locatiebord naast het baanaanduidingsbord geplaatst

  • 6 Indien de richting van een rijbaan na een kruispunt significant verandert wordt naast het locatiebord een richtingbord geplaatst.

  • 7 Bij combinatie van een locatiebord en één of meer richtingborden:

    • a. worden alle richtingborden met betrekking tot bochten naar links aan de linkerzijde van het locatiebord geplaatst en alle richtingborden met betrekking tot bochten naar rechts aan de rechterzijde van het locatiebord.

    • b. wordt in het geval dat de rijbaan wordt gekruist door een rijbaan met zowel links als rechts dezelfde benaming het locatiebord aan de linkerkant van het richtingbord geplaatst.

    • c. worden de richtingborden zo geplaatst dat de richting van de pijlen vanuit de verticale as met toenemende afwijking naar de corresponderende rijbanen wijzen.

    • d. worden de opschriften gescheiden door een verticale zwarte lijn in overeenstemming met bijlage B onder 7 indien op één bord meerdere opschriften zijn geplaatst.

  • 8 Het opschrift op een locatiebord bestaat uit de aanduiding van de baan, rijbaan of andere verharding waarop het luchtvaartuig zich bevindt of die door het luchtvaartuig wordt ingereden.

Artikel 24. Aanduidingsborden voor vliegtuigopstelplaatsen (aircraft stand identification signs) [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Bij een vliegtuigopstelplaats wordt een aanduidingsbord voor vliegtuigopstelplaatsen geplaatst.

  • 2 Het opschrift op een aanduidingsbord voor vliegtuigopstelplaatsen bestaat uit een letter, nummer of een combinatie daarvan.

Hoofdstuk IV. Gebods- en informatiemarkeringen [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 25. Gebodsmarkering [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Indien artikel 10, derde lid, van toepassing is, wordt een gebodsmarkering aangebracht voor de wachtpositiemarkering aan de linkerzijde van de rijbaanhartlijnmarkering zoals aangegeven in figuur 6 van bijlage A.

  • 2 De gebodsmarkering bevat hetzelfde opschrift als het overeenkomstige gebodsbord.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid bevat een geslotenverklaringsmarkering het opschrift "NO ENTRY".

  • 4 Een gebodsmarkering heeft een wit opschrift op een rode achtergrond.

  • 5 De hoogte van het opschrift bedraagt ten minste 4 meter.

  • 6 Vorm en afmetingen van het opschrift voldoen aan de normen als bedoeld in appendix 3 van bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (ICAO Annex 14).

  • 7 De achtergrond is rechthoekig van vorm en steekt aan weerszijden alsmede aan boven- en onderzijde van de inscriptie ten minste 0,5 meter uit.

Artikel 26. Informatiemarkering [Vervallen per 20-01-2010]

  • 1 Een informatiemarkering wordt aangebracht op de rijbaan- of platformverharding en zodanig gepositioneerd dat de markering leesbaar is vanuit het gezichtspunt van de gezagvoerder van een naderend luchtvaartuig.

  • 2 Indien een markering wordt gebruikt om een locatiebord te vervangen of aan te vullen heeft de informatiemarkering een geel opschrift. Bij onvoldoende contrast tussen de markering en de verharding wordt een zwarte achtergrond toegevoegd.

  • 3 Indien een markering wordt gebruikt om een richtingbord of bestemmingsbord te vervangen of aan te vullen heeft de informatiemarkering een zwart opschrift. Bij onvoldoende contrast tussen de markering en de verharding wordt een gele achtergrond toegevoegd.

  • 4 De hoogte van het opschrift bedraagt ten minste 4 m.

  • 5 Vorm en afmetingen van het opschrift voldoen aan de normen als bedoeld in appendix 3 van bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (ICAO Annex 14). <

Hoofdstuk V. Slotbepalingen [Vervallen per 20-01-2010]

Artikel 27 [Vervallen per 20-01-2010]

Indien plaatselijke omstandigheden een aanpassing van de plaatsing van de borden als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, artikel 16, derde lid, of artikel 17, tweede lid, nodig of wenselijk maken, kan door Onze Minister ontheffing worden verleend van het bij deze artikelen bepaalde. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Onze Minister kan de ontheffing wijzigen of intrekken.

Artikel 28 [Vervallen per 20-01-2010]

De borden op het landingsterrein en de platformen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn geplaatst en niet voldoen aan het bij deze regeling bepaalde, worden voor 1 juli 2002 vervangen.

Artikel 29 [Vervallen per 20-01-2010]

Een overtreding van de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, of 28, wordt aangemerkt als strafbaar feit.

Artikel 30 [Vervallen per 20-01-2010]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 31 [Vervallen per 20-01-2010]

Deze regeling wordt aangehaald als: Bordenregeling.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos.

Bijlage A. als bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 10, vijfde lid, 11, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, 14, derde lid, 15, tweede lid, 16 derde lid, 17, tweede lid, en 25, eerste lid van de Bordenregeling [Vervallen per 20-01-2010]

Tabel 1 Hoogte en afstanden bij de plaatsing van borden

1

2

3

4

5

6

Bordhoogte

(mm)

Loodrechte

Loodrechte

Codecijfer

Tekst

Leesvlak

Geïnstalleerd

afstand van rand

afstand van rand

(max)

rijbaanverharding

baanverharding

tot aan

tot aan

dichtstbijzijnde

dichtstbijzijnde

bordkant

bordkant

1 of 2

200

400

700

57-11 m

3-10 m

1 of 2

300

600

900

5-11 m

3-10 m

3 of 4

300

600

900

11-21 m

8-15 m

3 of 4

400

800

1100

11-21 m

8-15 m

Tabel 2 Minimum afstand tussen baanhartlijn en (baan)wachtpositiemarkering (X)

Soort baan

Codecijfer

Codecijfer

Codecijfer

Codecijfer

1

2

3

4

Niet-instrumentbaan

30 m

40 m

75 m

75 m

Niet-

40 m

40 m

75 m

75 m

precisielandingsbaan

Precisielandingsbaan

60 m

Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

60 m

Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

90 m

Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.

Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

90 m

Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.

Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

CAT I

Precisielandingsbaan

-

-

90 m

Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.

Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

90m

Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.

Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

CAT II en III

Startbaan

30 m

40 m

75 m

75 m

Bijlage 71769.png
Figuur 1a locatie van borden bij aansluitingen van rijbanen op precisielandingsbanen
Bijlage 71770.png
Figuur 1b locatie borden bij aansluiting van rijbanen op startbanen, niet-instrumentbanen en niet-precisielandingsbanen
Bijlage 71771.png
Figuur 2 Gebodsborden (voorbeelden) Afhankelijk van de toepassing worden de volgende opschriften/symbolen gebruikt:
Bijlage 71772.png
Figuur 3 Informatieborden (voorbeelden)
Bijlage 71773.png
Figuur 4 locatiebord met richtingsbord
Bijlage 71774.png
Figuur 5 locatiebord gecombineerd met meerdere richtingsborden
Bijlage 71775.png
Figuur 6 locatie gebodsmarkering
Bijlage 71776.png
Figuur 7 Geslotenverklaringsmarkering

Bijlage B. als bedoeld in de artikelen 4, derde lid, en 23, zevende lid, onder d, van de Bordenregeling [Vervallen per 20-01-2010]

Vereisten met betrekking tot afmetingen van borden en karakters
1. De grootte van de karakters voldoet aan onderstaande waarden.

Baan codecijfer

Minimale karakter

hoogte (mm)

 
 

Gebodsbord

Informatiebord

 
   

baanafrit- en baan

overige borden

   

klaringsbord

 

1 of 2

300

300

200

3 of 4

400

400

300

Opm. Indien een locatiebord wordt gecombineerd met een gebodsbord, wordt de hoogte van de karakters van het gebodsbord toegepast.

2. Afmetingen van de pijl zijn als volgt:

Hoogte opschrift (mm)

Streepdikte (mm)

200

32

300

48

400

64

3. Streepdikte van een enkele letter is als volgt:

Hoogte opschrift (mm)

Streepdikte (mm)

200

32

300

48

400

64

4. De vorm van karakters zoals letters, cijfers, pijlen en symbolen is zoals aangegeven in figuur 1. De breedte van de karakters en de spatiëring wordt bepaald volgens tabel 1.

5. De hoogte van het leesvlak (face) van het bord is als volgt:

Hoogte tekst (mm)

hoogte leesvlak (mm)

200

400

300

600

400

800

6. De breedte van het leesvlak wordt vastgesteld volgens figuur 2. Echter in het geval dat een gebodsbord slechts aan één zijde van een rijbaan is geplaatst, is de breedte minimaal:

  • a. 1,94 m voor codecijfer 3 en 4;

  • b. 1,46 m voor codecijfer 1 en 2.

7. Randen

  • a. De verticale zwarte scheidingslijn tussen twee richtingborden heeft een breedte van 0,7 maal de streepdikte.

  • b. De gele rand om een locatiebord heeft een breedte van 0,5 maal de streepdikte.

Bijlage 71777.png
Figuur 1 Vorm van karakters
Bijlage 71778.png
Bijlage 71779.png
Bijlage 71780.png
Bijlage 71781.png
Bijlage 71782.png
Baanklaringsbord
Bijlage 71783.png
Geslotenverklaringsbord
Bijlage 71784.png
Punt, pijl en streep

Opm. 1. - De streepdikte van de pijl, diameter van de punt en zowel de breedte als de lengte van de streep zijn afgestemd op de streepdikte van de karakters.

Opm. 2 - De afmetingen van de pijl blijven gelijk voor een bepaalde bordafmeting, onafhankelijk van de richting van de pijl.

Tabel 1 Breedte van karakters en spatiëring

a) letter - letter code nummer

voorgaande letter

volgende letter

B, D, E, F, H, I,

K, L, M, N,

P, R, U

C, G, O, Q,

S, X, Z

A, J, T, V,

W, Y

code nummer

A

2

2

4

B

1

2

2

C

2

2

3

D

1

2

2

E

2

2

3

F

2

2

3

G

1

2

2

H

1

1

2

I

1

1

2

J

1

1

2

K

2

2

3

L

2

2

4

M

1

1

2

N

1

1

2

O

1

2

2

P

1

2

2

Q

1

2

2

R

1

2

2

S

1

2

2

T

2

2

4

U

1

1

2

V

2

2

4

W

2

2

4

X

2

2

3

Y

2

2

4

Z

2

2

3

b) cijfer - cijfer code nummer

voorgaande cijfer

volgende letter

1, 5

2, 3, 6

8, 9, 0

4, 7

code nummer

1

1

1

2

2

1

2

2

3

1

2

2

4

2

2

4

5

1

2

2

6

1

2

2

7

2

2

4

8

1

2

2

9

1

2

2

0

1

2

2

c) spatie tussen karakters

code nummer

letter hoogte (mm)

   

200

300

400

spatie (mm)

1

48

71

96

2

38

57

76

3

25

38

50

4

13

19

26

d) letterbreedte

Letter

letter hoogte (mm)

200

300

400

breedte (mm)

A

170

255

340

B

137

205

274

C

137

205

274

D

137

205

274

E

124

186

248

F

124

186

248

G

137

205

274

H

137

205

274

I

32

48

64

J

127

190

254

K

140

210

280

L

124

186

248

M

157

236

314

N

137

205

274

O

143

214

286

P

137

205

274

Q

143

214

286

R

137

205

274

S

137

205

274

T

124

186

248

U

137

205

274

V

152

229

304

W

178

267

356

X

137

205

274

Y

171

257

342

Z

137

205

274

e) cijferbreedte

Letter

cijfer hoogte (mm)

200

300

400

breedte (mm)

1

50

74

98

2

137

205

274

3

137

205

274

4

149

224

298

5

137

205

274

6

137

205

274

7

137

205

274

8

137

205

274

9

137

205

274

0

143

214

286

Instructies

1. Om de juiste spatiëring tussen letters en cijfers te bepalen: Bepaal met behulp van tabel a of b het codenummer. Kijk in tabel c bij dit codenummer onder de gewenste letter- of cijferhoogte.

2. De spatiëring tussen woorden, groepen van karakters welke een afkorting vormen of een symbool is gelijk aan 0,5 tot 0,75 maal de hoogte van de gebruikte karakters behalve wanneer een pijl bij een enkel karakter is geplaatst, zoals "A->". In dit geval kan de spatiëring worden gereduceerd tot een kwart van de hoogte van het karakter om een goede visuele balans te verkrijgen.

3. Gebruik code 1 wanneer een cijfer volgt op een letter en andersom.

4. Gebruik code 1 wanneer een koppelteken, punt of schuine streep volgt op een karakter of andersom.

Figuur 2 Breedte leesvlak

Bijlage 71785.png
Baanaanduidingsbord met aanduiding van twee baaneinden
Bijlage 71786.png
Baanaanduidingsbord met aanduiding van één baaneinde.
Bijlage 71787.png
Locatiebord
Bijlage 71788.png
Overige gebodsborden en informatieborden

Bijlage C. als bedoeld in artikel 7 van de Bordenregeling Vereisten met betrekking tot luminantie [Vervallen per 20-01-2010]

1 [Vervallen per 20-01-2010]

De luminantie van het bord (sign luminance) is als volgt:

  • a. Wanneer operaties plaatsvinden bij RVR-waarden minder dan 800 m is de gemiddelde luminantie van het bord tenminste:

    rood

    30 cd/m²

    geel

    150 cd/m²

    wit

    300 cd/m²

  • b. wanneer operaties plaatsvinden onder omstandigheden als vermeld in artikel 7.2 en 7.3 van de bordenregeling is de gemiddelde luminantie van het bord tenminste:

    rood

    10 cd/m²

    geel

    50 cd/m²

    wit

    100 cd/m²

2 [Vervallen per 20-01-2010]

De verhouding in luminantie tussen rode en witte delen van een gebodsbord is minimaal 1:5 en maximaal 1:10.

3 [Vervallen per 20-01-2010]

De gemiddelde luminantie van het bord wordt berekend door de luminantiewaarden van diverse meetpunten bij elkaar op te tellen, waarna de uitkomst door het aantal meetpunten wordt gedeeld. De meetpunten worden gevonden met behulp van het raster zoals afgebeeld in figuur 1.

4 [Vervallen per 20-01-2010]

De verhouding tussen de luminantiewaarden van aanliggende meetpunten is maximaal 1,5:1. Voor die gebieden waar de afstand tussen twee meetpunten 7,5 cm bedraagt is de verhouding tussen de luminantiewaarden van aanliggende meetpunten is maximaal 1,25:1. De verhouding tussen maximum en minimum waarden over het hele vlak is maximaal 5:1.

Bijlage 71789.png
Figuur 1 Meetpunten ter berekening van de gemiddelde luminantie van een bord
  • 1. De meetpunten worden als volgt geplaatst:

    • ¨. Een referentie meetpunt bevindt zich 7,5 cm uit zowel de linker- als de bovenkant van het bord.

    • ¨. Maak, uitgaande van het referentie meetpunt, een raster van meetpunten op een onderlinge afstand van 15 cm, zowel horizontaal als verticaal. Meetpunten op een afstand van minder dan 7,5 cm van de rand van het bord moeten worden uitgesloten.

    • ¨. Indien het laatste punt in een rij/kolom van meetpunten zich tussen de 22,5 en 75 cm van de rand van het bord bevindt, wordt op een afstand van 7,5 cm een extra meetpunt aangebracht.

    • ¨. Indien een meetpunt op de grens van een karakter en de achtergrond valt, wordt het meetpunt zodanig verschoven dat het zich volledig buiten het karakter bevindt.

  • 2. Om ervoor te zorgen dat elk karakter tenminste vijf meetpunten bevat, worden extra meetpunten toegevoegd.

  • 3. Indien meerdere typen borden zich op één unit bevinden, wordt op elk type bord een afzonderlijk raster aangebracht.