Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Artikel 30 van de Successiewet 1956; ongelukkige redactie testament[Regeling vervallen per 28-02-2007.]

Geldend van 09-11-2001 t/m 27-02-2007

Artikel 30 van de Successiewet 1956; ongelukkige redactie testament

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiƫn het volgende besloten.

Op grond van artikel 30 van de Successiewet 1956 heeft verwerping van de nalatenschap niet tot gevolg dat minder successierecht wordt geheven dan zonder die verwerping het geval zou zijn geweest. De wetgever heeft hiermee willen voorkomen dat door samenspanning tussen erfgenamen en derden te weinig successierecht zou worden geheven.

Er zijn echter situaties denkbaar waarin toepassing van genoemd artikel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ik heb aanleiding gevonden om in het volgende aan mij voorgelegde geval met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen goed te keuren dat artikel 30 van de Successiewet 1956 buiten toepassing blijft.

Echtgenoten hebben beiden een gelijkluidend testament gemaakt, waarin werd geregeld dat de inwonende ouders c.q. schoonouders gratis het zakelijk recht van gebruik en bewoning van een huis zouden krijgen. Onder die last werden tot erfgenamen benoemd voor de ene helft hun bloedverwanten en voor de andere helft de bloedverwanten van de echtgeno(o)t(e). Alles met de bedoeling dat deze regeling van kracht zou zijn als de langstlevende van hen zou zijn overleden. Deze laatste zinsnede is echter abusievelijk niet in het testament opgenomen. De erfgenamen hebben verworpen, zodat de nalatenschap overeenkomstig de bedoeling van de erflater bij de langstlevende echtgenoot terecht kwam.

In het onderhavige geval achtte ik het aannemelijk dat erflater met het ongelukkig geredigeerde testament kennelijk niet heeft bedoeld zijn echtgenote van de nalatenschap uit te sluiten.

Voorts heb ik aanleiding gevonden de bevoegdheid om artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toe te passen voor gevallen als het onderhavige, te mandateren aan de voor de verzoeker competente eenheid van de belastingdienst.