Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Examenreglement voor RPL(G)

Geldend van 01-11-2001 t/m heden

Examenreglement voor RPL(G)

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 15, vierde lid, en artikel 16 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

  • 1 De examencommissie voor zweefvliegen heeft tot taak te onderzoeken of kandidaten beschikken over voldoende praktische bedrevenheid en voldoende ervaring voor het verkrijgen van het RPL(G) en bevoegdverklaringen daarin.

  • 2 De examencommissie is samengesteld uit twee subcommissies, waarvan de eerste is belast met de examens voor het RPL(G) en de bevoegdverklaringen lieren en slepen, en de tweede is belast met de examens voor de bevoegdverklaringen RFI(G), alsmede de standaardisatie van normen ten behoeve van het afnemen van deze examens.

  • 3 De examencommissie wordt vertegenwoordigd door de voorzitter van de commissie of, bij diens afwezigheid, door de vice-voorzitter. De voorzitter heeft als bijzondere taak het onderhouden van alle contacten met de minister.

Hoofdstuk 2. Organisatie van de commissie

Artikel 2

  • 1 Voor de benoeming van de examencommissie door de minister worden voor beide subcommissies afzonderlijke voordrachten opgesteld door de voorzitter. Een persoon kan tot lid van beide subcommissies worden benoemd.

  • 2 De examencommissie adviseert de minister met betrekking tot de voordrachten van personen voor de benoeming tot lid, voorzitter en vice-voorzitter van de examencommissie.

  • 3 Bij het advies voor de voordracht tot benoeming tot lid van een van de subcommissies van de examencommissie wordt voor iedere persoon aangegeven voor welke examens of voor welke onderdelen van deze examens het advies geldt.

  • 4 Bij haar advies tot benoeming van een persoon tot lid van een van beide subcommissies voor het afnemen van theorie-examens voor het RPL(G) en bevoegdverklaring RFI(G), houdt de examencommissie er rekening mee dat daartoe bij voorkeur een persoon worden benoemd, die:

    • a. zelf in het bezit is van de bevoegdverklaring, waarvoor het examen is bedoeld,

    • b. een meer dan gebruikelijke affiniteit tot de theorie voor de betreffende bevoegdverklaring bezit, en

    • c. te goeder naam en faam bekend staat als deskundige.

  • 5 Bij haar advies tot benoeming van een persoon tot lid van de subcommissie voor het afnemen van praktijkexamens voor het RPL(G) en de bevoegdverklaringen lieren en slepen in het RPL(G), houdt de examencommissie er rekening mee, dat daartoe bij voorkeur een persoon wordt benoemd, die:

    • a. actief zweefvlieger is,

    • b. meer dan drie jaar in het bezit is van die bevoegdverklaring RFI(G) voor de bevoegdverklaring waarvoor zij examen afnemen, en

    • c. te goeder naam en faam bekend staat als zweefvlieger.

  • 6 Bij haar advies tot benoeming van een persoon tot lid van de subcommissie voor het afnemen van praktijkexamens voor de bevoegdverklaringen RFI(G) in het RPL(G) houdt de examencommissie er rekening mee, dat daartoe bij voorkeur een persoon wordt benoemd, die:

    • a. actief zweefvlieger is,

    • b. minimaal 6 jaar in het bezit is van de bevoegdverklaringen waarvoor men examen afneemt,

    • c. een meer dan gebruikelijke affiniteit tot de opleiding van RFI(G) bezit, hetgeen moet blijken uit het vervuld hebben van de mentorfunctie bij de succesvolle opleiding van ten minste drie instructeurs, en

    • d. te goeder naam en faam bekend staat als zweefvlieginstructeur.

  • 7 De voorzitter kan tijdelijk of permanent een of meer commissieleden belasten met de verantwoordelijkheid voor bepaalde deeltaken binnen de commissie of de subcommissies.

  • 8 Door de minister wordt voorzien in een secretaris. De secretaris verricht de secretariële werkzaamheden ten behoeve van de examencommissie.

  • 9 Voor zover leden van de examencommissie zijn betrokken bij de opleiding voor het behalen van bevoegdverklaringen in het RPL(G) worden kandidaten aan de opleiding van wie zij in belangrijke mate hebben bijgedragen niet door hen geëxamineerd.

Hoofdstuk 3. Organisatie van de theorie-examens

Artikel 3

  • 1 De theorie-examens voor het bewijs van bevoegdheid RPL(G) en de bevoegdverklaringen in het RPL(G) zijn, afhankelijk van het examenvak en de bevoegdverklaring, schriftelijk en mondeling, of uitsluitend mondeling.

  • 2 In bijzondere gevallen kan de voorzitter bepalen uitsluitend mondeling te examineren.

  • 3 Bij gemengde examens geldt, dat onder zekere voorwaarden met betrekking tot het resultaat van het schriftelijk deel, het mondelinge deel kan komen te vervallen. De tijd tussen het afleggen van het schriftelijk examen en het eventueel af te leggen mondeling examen bedraagt maximaal 6 weken.

  • 4 Van theorie-examens die uit meer examenvakken bestaan kunnen deze examenvakken apart worden geëxamineerd. Bij een voldoende resultaat voor één van deze vakken wordt aan de kandidaat een certificaat uitgereikt. De kandidaat is voor het gehele theorie-examen geslaagd indien hij binnen de daarvoor gestelde termijn certificaten heeft verworven voor alle vakken van het betreffende examen.

  • 5 Voor de organisatie van de theorie-examens worden bij verenigingen of opleidingsinstituten op hun verzoek door de voorzitter leden van de examencommissie voor een van tevoren overeengekomen periode als coördinator benoemd. Deze coördinatoren houden namens hun vereniging of instituut contact met de voorzitter van de examencommissie, schrijven in zijn naam certificaten uit en coördineren de theorie-examens binnen hun vereniging of instituut.

  • 6 De coördinator nodigt tijdig een voldoende aantal leden van de examencommissie uit voor het opstellen van de examenvragen, het uitoefenen van toezicht tijdens het schriftelijk gedeelte en het afnemen van de mondelinge examens. De coördinator houdt hierbij rekening met het gestelde in artikel 2, negende lid.

  • 7 De examenopgaven worden gesteld over een zo groot mogelijk gedeelte van de in de exameneisen vervatte leerstof, opdat een zo goed mogelijk beeld wordt verkregen van de kennis van de kandidaat. Examinatoren maken voor het opstellen van de vragen zoveel mogelijk gebruik van de voor het betreffende examen aanbevolen literatuur.

  • 8 De opgestelde examenopgaven worden door de opsteller zo spoedig mogelijk aan de coördinator voor het betreffende theorie-examen ter hand gesteld of toegezonden. Deze stelt de opgaven na overleg met de opstellers vast en zorgt voor de vermenigvuldiging ervan.

  • 9 Voor ieder af te nemen theorie-examen draagt de coördinator zorg voor het beschikbaar zijn van de benodigde examenruimte en de examenmaterialen. Voor de aanvang van een examen is hij verantwoordelijk voor de controle op het geschikt zijn van de examenruimte.

  • 10 Bij het schriftelijk gedeelte van het examen zijn in elk lokaal ten minste twee leden van de examencommissie aanwezig voor het houden van toezicht.

  • 11 Uiterlijk 10 minuten voor aanvang van het schriftelijke examen vervoegt de kandidaat zich bij de toezichthoudende examinator(en).

  • 12 Bij het examen moeten kandidaten zich kunnen legitimeren met een algemeen gebruikelijk identiteitsbewijs, voorzien van een goedgelijkende foto. De personalia van de kandidaat worden verwerkt op het examenuitslagformulier.

  • 13 De examenopgaven worden voorafgaande aan het begin van het schriftelijk examen door de coördinator aan de aan het toezicht deelnemende examinator(en) overhandigd om uit te delen aan de kandidaten.

  • 14 De kandidaten beantwoorden de opgaven slechts op daarvoor aan hen uitgereikt papier. Al het uitgereikte papier wordt na afloop van het schriftelijk examen ingenomen. De kandidaten mogen op hun tafel slechts de zaken hebben, welke door de toezichthoudende examinator(en) als noodzakelijk worden geacht. Uitlenen van hierboven bedoelde noodzakelijke zaken zonder toestemming van de examinator(en) is niet toegestaan.

  • 15 Gedurende het examen mogen kandidaten het lokaal niet verlaten, niet met elkaar spreken en niet elkaars werk inzien. Als dat toch gebeurt, leidt dit tot het direct inleveren van het examenwerk.

  • 16 Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het schriftelijk deel van een examen wordt het schriftelijk werk door bij voorkeur twee examinatoren nagekeken en beoordeeld. Daarna wordt door de coördinator aan de kandidaten bericht voor welk(e) vak(ken) men is geslaagd en, indien van toepassing, voor welk(e) vak(ken) nog een mondeling examen moet worden afgelegd.

  • 17 Wanneer meer mondelinge examens tegelijkertijd worden afgenomen, zorgt de coördinator ervoor dat de opstelling van de tafels zodanig is dat de examens geen hinder van elkaar ondervinden.

  • 18 Na afloop van het mondeling deel van het examen stelt de coördinator in overleg met de aan de examinering deelnemende leden van de examencommissie het eindresultaat per examenvak voor iedere kandidaat vast en deelt dit aan de kandidaat mede. Als bewijs van een voldoende resultaat schrijft de coördinator in naam van de voorzitter van de examencommissie ter plaatse de door de kandidaat behaalde certificaten uit. Deze certificaten worden mede ondertekend door de betreffende examinator.

  • 19 Om het ter plaatse uitschrijven van de certificaten mogelijk te maken wordt ruim vóór het examen door de coördinator aan het secretariaat opgave gedaan van het verwacht aantal deelnemende kandidaten. Het secretariaat zorgt naar aanleiding van deze opgave voor een tijdige toezending van een voldoende aantal blanco certificaten.

  • 20 Na afloop van het examen is de coördinator verantwoordelijk voor toezending aan het secretariaat van de niet uitgeschreven certificaten, samen met

    • a. het beoordeelde examenwerk,

    • b. een overzichtlijst van de deelnemende examinatoren,

    • c. een volledig stel vragen, en

    • d. een ingevuld examenuitslagformulier met daarop de uitslag van het examen per kandidaat en de aanduiding of een certificaat is uitgeschreven en uitgereikt.

      Al deze bescheiden worden door toedoen van het secretariaat minimaal 5 jaren zorgvuldig bewaard.

  • 21 Na afloop van het examen mogen de opgaven voor het schriftelijk deel van het theorie-examen door kandidaten worden behouden.

Hoofdstuk 4. Organisatie van de praktijkexamens

§ 4.1. Praktijkexamens voor het RPL(G) en de bevoegdverklaringen lieren en slepen

Artikel 4

  • 1 Voor de organisatie van de praktijkexamens voor het RPL(G) en de bevoegdverklaringen lieren en slepen worden bij verenigingen of opleidingsinstituten op hun verzoek door de voorzitter leden van de examencommissie voor een van tevoren overeengekomen periode als coördinator benoemd. Deze coördinatoren houden namens hun vereniging of opleidingsinstituut contact met de voorzitter van de examencommissie, schrijven in zijn naam certificaten uit en coördineren de praktijkexamens afgenomen binnen hun vereniging of opleidingsinstituut.

  • 2 De coördinator nodigt voor de praktijkexamens voor het RPL(G) en de bevoegdverklaringen lieren en slepen van kandidaten die nog niet in het bezit zijn van het RPL(G), per volledig praktijkexamen ten minste twee leden van de examencommissie uit voor het afnemen van het examen.

    Voor het afnemen van examens voor de aanvullende bevoegdverklaringen lieren en slepen nodigt de coördinator één lid van de examencommissie uit.

  • 3 Na gunstige afloop van het praktijkexamen vult de examinator een examenuitslagformulier dan wel een certificaat in. De examinator ondertekent het examenformulier dan wel het certificaat. Het certificaat wordt hierna, namens de voorzitter, door de coördinator ondertekend.

  • 4 De coördinator doet opgave van ieder door hem uitgeschreven certificaat aan de secretaris.

§ 4.2. Praktijkexamens voor de bevoegdverklaring RFI(G)

Artikel 5

  • 1 Voor de organisatie van de praktijkexamens voor het behalen van de bevoegdverklaring RFI(G) wordt door de voorzitter voor een van tevoren overeengekomen periode een coördinator benoemd. Deze houdt contact met de voorzitter van de examencommissie, coördineert de praktijkexamens en schrijft in naam van de voorzitter de op de praktijkexamens betrekking hebbende certificaten uit.

  • 2 De coördinator voor de praktijkexamens voor de bevoegdverklaring RFI(G) nodigt per praktijkexamen ten minste één examinator uit. De examinator bepaalt in overleg met de kandidaat de plaats en de datum voor het examen.

  • 3 Na afloop van een praktijkexamen voor een bevoegdverklaring RFI(G) vult de examinator een examenuitslagformulier in. Dit ondertekende examenuitslagformulier wordt door één van de examinatoren naar de coördinator gestuurd, die op grond daarvan in naam van de voorzitter van de examencommissie een certificaat voor het betreffende examen uitschrijft en toezendt aan de kandidaat.

  • 4 De coördinator doet opgave van ieder door hem uitgeschreven certificaat aan het secretariaat.

§ 4.3. Verplichtingen van kandidaten van praktijkexamens

Artikel 6

  • 1 Kandidaten voor een praktijkexamen kunnen dit slechts afleggen, nadat zij het volledige theorie-examen met goed gevolg hebben afgelegd en aan de ervaringseisen voor het RPL(G) respectievelijk de betreffende bevoegdverklaring voldoen.

  • 2 Bij ieder examen moeten kandidaten zich kunnen legitimeren door middel van een wettig legitimatiebewijs voorzien van goedgelijkende foto. De personalia van de betrokken kandidaat worden verwerkt op uitslagformulieren dan wel certificaten.

  • 3 Voor ieder af te nemen praktijkexamen draagt de kandidaat in overleg met de aangewezen examinatoren zorg voor toegang en opvang van de examinatoren op het te gebruiken terrein, draagt zorg voor de aanwezigheid van het voor het examen benodigde materiaal en de aanwezigheid van een voor het examen geschikt vliegbedrijf.

Artikel 7

Binnen een periode van 48 maanden moeten alle benodigde certificaten voor het theorie en praktijkexamen zijn behaald om in aanmerking te komen voor het RPL(G).

Hoofdstuk 5. Omvang van de examens

§ 5.1. Theorie-examens

Artikel 8

  • 2 Op de betreffende bijlage is tevens voor elk vak aangegeven wat de tijdsduur is van zowel het schriftelijk als het mondeling examengedeelte.

§ 5.2. Praktijkexamens

Artikel 9

  • 2 De tijdsduur van een mondeling examen als onderdeel van een praktijkexamen is ter beoordeling van de examinator respectievelijk examinatoren met een minimum- en een maximum-duur, zoals vermeld in bijlage 1 bij deze regeling.

  • 3 Een kandidaat is geslaagd voor een praktijkexamen zodra alle van toepassing zijnde groepen en onderdelen van het examen afgelegd en als voldoende beoordeeld zijn.

Hoofdstuk 6. Waardering van onderdelen van examens in percentages en letters

§ 6.1. Theorie-examens

Artikel 10

  • 1 Kandidaten worden afgewezen, wanneer bij het schriftelijk examen 40% van de te behalen punten of lager wordt behaald.

  • 2 Kandidaten, die bij het schriftelijk examen meer dan 40%, maar minder dan 70% van de te behalen punten behalen, kunnen in het betreffende vak een mondeling examen afleggen. Het eindoordeel van het mondeling gedeelte vormt tevens het eindoordeel over het betreffende vak.

  • 3 Kandidaten, die bij het schriftelijk examen 70% of meer van de te behalen punten behalen, zijn geslaagd voor dat vak.

§ 6.2. Praktijkexamens

Artikel 11

  • 1 Het oordeel omtrent de praktische bedrevenheid van de kandidaat wordt per groep en onderdeel uitgedrukt met de letters O of V, waaraan de volgende betekenis wordt gehecht:

    O onvoldoende

    V voldoende

  • 2 Kandidaten die voor alle onderdelen van het praktijkexamen een voldoende hebben gekregen, zijn geslaagd voor het praktijkexamen.

Hoofdstuk 7. Beslissingen

Artikel 12

  • 1 Alle beslissingen in de examencommissie worden met gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter of vice-voorzitter.

  • 2 In geval van verschil van mening over de beoordeling van het examenwerk beslist de voorzitter van de examencommissie, die daartoe het werk opnieuw kan laten beoordelen door andere examinatoren.

  • 3 Bij situaties ten aanzien van de examens voor het RPL(G) waarin dit reglement niet voorziet, beslist de voorzitter.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 13

De bijlagen bij deze regeling worden ter inzage gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2001 en werkt terug tot en met 1 oktober 2001.

Artikel 15

Deze regeling wordt aangehaald als: Examenreglement voor RPL(G).

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Bijlage 1

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]

Bijlage 2a

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]

Bijlage 2b

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]

Bijlage 2c

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]