Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Kaderregeling subsidiering projecten ten behoeve van onderzoek en wetenschap

Geldend van 01-01-2002 t/m heden

Kaderregeling subsidiëring projecten ten behoeve van onderzoek en wetenschap

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

Gelet op artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies,

Besluit:

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

  • b. project:

    • één- of meerjarige onderzoekprogramma's of -projecten waaraan subsidie anders dan per boekjaar wordt verstrekt,

    • éénmaal of meermalen per jaar voorkomende activiteiten, of

    • éénmalige activiteiten,

  • c. Rijksbegroting OCenW: de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Artikel 2. Doelomschrijving

  • 1 De minister kan projectsubsidie verlenen voor projecten op het gebied van onderzoek en wetenschap.

  • 2 De subsidie wordt verleend op grond van een of meer van de volgende overwegingen:

    • a. de subsidieaanvrager is door of mede door de minister in aanmerking genomen voor de uitvoering van een project op het gebied van onderzoek en wetenschap,

    • b. de subsidie past binnen één of meer van de in de Rijksbegroting OCenW onder het hoofdstuk Onderzoek en Wetenschapsbeleid opgenomen beleidsterreinen, of

    • c. de subsidie past binnen de uitoefening van coördinerende verantwoordelijkheid van de minister voor het Nederlandse wetenschapsbeleid zoals deze verantwoordelijkheid is uitgewerkt in het hoofdstuk Onderzoek en Wetenschapsbeleid van de Rijksbegroting OCenW.

Artikel 3. Subsidieaanvrager

Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door een natuurlijke persoon of rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverlening.

Artikel 4. Subsidieplafond

De in de Rijksbegroting OCenW in het hoofdstuk Onderzoek en Wetenschapsbeleid onder het overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid opgenomen uitgaven, gelden als subsidieplafonds voor de in dat overzicht opgenomen beleidsthema's en voor de uitoefening van de coördinerende verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 5. Subsidiebedrag

Bij de subsidieverlening maakt de minister het maximale voor het project beschikbare subsidiebedrag bekend. Indien een project bestaat uit elkaar opvolgende fases of onderdelen en de subsidieverlening wordt gekoppeld aan een onderscheidenlijke fase of onderdeel, dan kan worden volstaan met het bekendmaken van het voor die fase of onderdeel maximaal beschikbare bedrag.

Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud

In het geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van dit besluit verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander voor zover van toepassing naar rato van het aantal subsidieontvangers en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Paragraaf 2. Subsidieaanvraag

Artikel 7. Subsidieaanvraag

De subsidie wordt op aanvraag verleend.

Artikel 8. Vereisten ten aanzien van in te dienen stukken

  • 1 De subsidieaanvraag omvat:

    • a. een activiteitenplan,

    • b. een meerjarenactiviteitenplan voor zover de subsidie meerdere jaren bestrijkt,

    • c. een begroting,

    • d. een meerjarenraming voor zover de subsidie meerdere jaren bestrijkt,

    • e. overige voor de subsidieverlening van belang zijnde informatie.

  • 2 De subsidieaanvraag die wordt ingediend door een privaatrechtelijk ingestelde rechtspersoon gaat de eerste maal vergezeld van de statuten dan wel de reglementen zoals deze laatstelijk zijn vastgesteld of gewijzigd, alsmede het laatst opgemaakte financieel verslag of jaarrekening dan wel een schriftelijk overzicht van de financiële situatie van de subsidieaanvrager. De financiële bescheiden zijn voorzien van een accountantsverklaring, tenzij de minister dit gelet op de hoogte van het bedrag niet noodzakelijk oordeelt.

  • 3 De minister kan nadere eisen stellen ten aanzien van het in dit artikel bepaalde.

Artikel 9. Activiteitenplan

Het activiteitenplan omvat een overzicht van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten alsmede een omschrijving waaruit blijkt dat de subsidiedoeleinden op een doelmatige en rechtmatige wijze kunnen worden bereikt.

Artikel 10. Meerjarenactiviteitenplan

  • 1 Het meerjarenactiviteitenplan omvat de hoofdlijnen van activiteiten en de daarmee beoogde resultaten. Het plan bevat verifieerbare doelstellingen.

  • 2 Het meerjarenactiviteitenplan ziet op de gehele looptijd van het project tenzij het project is opgebouwd uit fases of onderdelen. In dat geval dient de aanvrager een plan in per fase of onderdeel tenzij de minister hiertoe anders besluit.

Artikel 11. Begroting bij één- of meerjarige onderzoekprogramma's en -projecten

  • 1 De begroting bevat een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven in het jaar waarop de begroting betrekking heeft.

  • 2 Voor zover van toepassing worden in ieder geval als aparte inkomstenpost vermeld:

    • a. de bijdrage van de minister,

    • b. de bijdragen van derden,

    • c. de eigen bijdrage, en

    • d. de verwachte opbrengsten.

  • 3 Voor zover van toepassing worden in ieder geval als aparte uitgavenposten vermeld:

    • a. de apparaatskosten met specificatie naar personele en materiële kosten, en

    • b. de programmakosten met specificatie naar de te houden activiteiten.

  • 4 Bij de subsidieverlening kan de minister bepalen dat in aanvulling op de begroting een overzicht wordt ingediend waarin de subsidieaanvrager gemotiveerd inzage geeft in het verloop van de liquiditeitsbehoefte. Daarbij bepaalt de minister de periode waarop het overzicht betrekking dient te hebben.

Artikel 12. Begroting bij éénmalige activiteiten en bij éénmaal of meermalen per jaar voorkomende activiteiten

De begroting bevat in ieder geval een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven voor de activiteit waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

Artikel 13. Meerjarenraming

  • 1 De meerjarenraming biedt inzicht in de inkomsten en de uitgaven die de aanvrager in verband met de te subsidiëren activiteiten voorziet. De raming bevat een kasstroomprognose waarin het vermoedelijke verloop of de vermoedelijke afloop van de financieringsbehoefte en de liquiditeitsplanning wordt aangegeven.

  • 2 De meerjarenraming ziet op de gehele looptijd van het project tenzij het project is opgebouwd uit fases of onderdelen. In dat geval dient de aanvrager een raming in per fase of onderdeel, tenzij de minister hiertoe anders besluit.

Paragraaf 3. Subsidieverlening

Artikel 14. Subsidieverlening

  • 1 Bij subsidieverlening aan een voor de uitvoering van een project door of mede de minister in aanmerking genomen subsidieaanvrager besluit de minister, op voorwaarde van instemming met het door de subsidieaanvrager ingediende plan, tot subsidieverlening overeenkomstig een door of mede door de minister vastgesteld programma.

  • 2 Subsidieverlening aan een voor de uitvoering van een project in aanmerking genomen subsidieaanvrager gaat voor subsidieverlening aan andere projecten. Voor zover een subsidieplafond, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van dit besluit niet is bereikt, besluit de minister tot subsidieverlening in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.

Artikel 15. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 9 van de Wet overige OCenW-subsidies kan de subsidieverlening in ieder geval worden geweigerd in de volgende gevallen:

  • a. de subsidie past niet binnen de in artikel 2 van dit besluit genoemde overwegingen,

  • b. binnen het onderzoek- en wetenschapsterrein is een instelling actief waarvan de minister meent dat financiering tot de taakuitoefening van deze instelling behoort, of

  • c. subsidieverlening is mogelijk op grond van een ander wettelijk voorschrift.

Artikel 16. Advies voorafgaande aan de subsidieverlening

De minister kan ten behoeve van het besluit tot subsidieverlening het advies inwinnen van een of meer externe deskundigen.

Artikel 17. Tijdvak subsidieverlening

De subsidie wordt verleend voor maximaal de duur van het project. Indien een project is opgebouwd uit fases of onderdelen, kan de minister subsidie voor de duur van een fase of onderdeel verlenen.

Artikel 18. Delegatie

  • 1 De minister kan de bevoegdheid delegeren tot het nemen van besluiten met betrekking tot een verleende subsidie.

  • 2 De delegatie dient expliciet uit de subsidieverlening te blijken.

  • 3 Indien de subsidieontvanger bij de uitoefening van de delegatiebevoegdheid het door de minister beschikbaar gestelde subsidiebedrag overschrijdt, dan komt die overschrijding geheel voor rekening van de subsidieontvanger, tenzij de minister hiertoe anders beslist.

  • 4 De minister kan bij de subsidieverlening een looptijd bepalen gedurende welke de subsidieontvanger bevoegd is tot het nemen van besluiten die strekken tot het aangaan van nieuwe verplichtingen. Indien door de subsidieontvanger besluiten worden genomen waaruit verplichtingen tot subsidiëring volgen die ingaan na afloop van de looptijd, dan komen de financiële consequenties geheel voor rekening van de subsidieontvanger tenzij de minister hiertoe anders beslist.

  • 5 Een subsidieontvanger waaraan de bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent subsidiëring wordt gedelegeerd, is verantwoordelijk voor het opstellen van voorwaarden waaronder hij besluiten tot subsidiëring zal honoreren. Hieronder valt in ieder geval de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van een subsidieplafond.

Paragraaf 4. Verplichtingen

Artikel 19. Verplichtingen ten aanzien van de financiering, de inrichting en de uitvoering van een project

  • 1 Bij de subsidieverlening kunnen verplichtingen ten aanzien van de financiering, de inrichting en de uitvoering van een project worden opgelegd waaronder de verplichting tot het verwerven van additionele middelen of de inzet van eigen middelen, de inrichting en uitvoering van een project zodat voldaan wordt aan EG-regelgeving en EG-jurisprudentie omtrent staatssteun, het bijhouden van een projectadministratie, en het betrekken van andere partijen bij de uitvoering.

  • 2 Indien de minister de bevoegdheid delegeert om besluiten te nemen met betrekking tot de subsidie, dan wordt een project eerst als afgerond beschouwd nadat de subsidieontvanger alle door hem verleende subsidies heeft vastgesteld, doch uiterlijk zes maanden na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend. Bij subsidieverlening per fase of onderdeel van een project, stelt de subsidieontvanger uiterlijk 6 maanden na afloop van de desbetreffende fase of onderdeel alle door hem verleende subsidies vast tenzij de minister in het besluit tot subsidieverlening anders beslist.

  • 3 Indien een project, dan wel een fase of onderdeel daarvan, is gericht op het behalen van een bepaald resultaat, dan kan de minister bij het besluit tot subsidieverlening de verplichting opleggen om garant te staan voor het behalen van dat resultaat.

Artikel 20. Informatieplicht

  • 1 Bij meerjarige projecten dient de subsidieontvanger gedurende het tijdvak van de subsidieverlening jaarlijks vóór een door de minister te bepalen tijdstip een activiteitenplan in met bijbehorende begroting, tenzij de minister in het besluit tot subsidieverlening anders bepaald.

  • 2 Bij de subsidieverlening kan de minister verplichtingen opleggen tot het indienen van voortgangs- en eindrapportages. De betaalbaarstelling van voorschotten kan hiervan afhankelijk worden gesteld. Op basis van de voortgangs- of eindrapportage kan de minister besluiten tot intrekking of wijziging van de subsidieverlening of tot terugvordering van de verleende voorschotten.

  • 3 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van beleid.

  • 4 De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Bij de subsidieverlening kunnen de van belang geachte omstandigheden nader worden omschreven.

Artikel 21. Evaluatie

  • 1 Bij de subsidieverlening kan de minister de verplichting opleggen tot het houden van een evaluatie. De minister kan daarbij nadere regels stellen en aan de naleving van die regels de betaalbaarstelling van voorschotten verbinden.

  • 2 De minister kan besluiten tot het instellen van een externe evaluatiecommissie. In dat geval verleent de subsidieontvanger de daaraan gewenste medewerking.

  • 3 Op basis van de evaluatie van de subsidieontvanger of de externe evaluatie kan de minister besluiten tot wijziging of intrekking van de subsidieverlening en tot terugvordering van verleende voorschotten.

  • 4 Bij een subsidieverlening per fase of onderdeel van een project, kan de minister een positieve evaluatie als voorwaarde stellen voor het verlenen van subsidie voor de volgende fase of onderdeel.

Artikel 22. Goederen aan en diensten voor derden

Voor de beschikbaarstelling van goederen aan derden of het verrichten van diensten voor derden brengt de subsidieontvanger een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.

Artikel 23. Egalisatiereserve

Bij subsidieverlening voor meerjarige projecten vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 24. Verkrijgen van inkomsten of vermogensvorming

  • 1 Voor zover het verlenen van de subsidie leidt tot vermogensvorming of het verkrijgen van inkomsten, dient deze jaarlijks in de egalisatiereserve tot uitdrukking te komen. In de toelichting op de jaarlijkse mutatie van de egalisatiereserve specificeert de subsidieontvanger de inkomsten en uitgaven naar soort en omvang.

  • 2 Vermogensvorming of inkomsten zijnde rente kunnen in mindering worden gebracht op de nog uit te betalen voorschotten, of worden verrekend bij vaststelling van de subsidie.

  • 3 Voor vermogensvorming ontstaan door acquisitie bezwaring of vervreemding van onroerende of roerende zaken, aandelen of opties kan een vergoeding worden bedongen. Het maximum van de vergoeding is gelijk aan de vermogenstoename of de genoten inkomsten.

  • 4 Het is niet toegestaan de uit subsidie verworven vermogensbestanddelen over te dragen aan een stichting met als enig doel aan de vergoedingsplicht te ontkomen.

Artikel 25. Voorafgaande instemming met activiteiten na subsidieverlening

De minister kan voorwaarden stellen voor het aangaan van overeenkomsten en het verwerven van eigendommen indien dit geschiedt met door hem verleende subsidiegelden.

Artikel 26. Jaarlijkse verantwoording

  • 1 In de jaarlijkse verantwoording geeft de subsidieontvanger inzicht in de voortgang en de behaalde resultaten. Hij geeft hierbij aan in hoeverre de vooraf gestelde doelstellingen zijn behaald. Indien de doelstellingen niet zijn gehaald dan dient de subsidieontvanger daarvoor een verklaring te geven. Afwijkingen van de doelstellingen zonder goede motivering kunnen leiden tot intrekking of wijziging van de subsidieverlening of tot terugvordering van de verleende voorschotten.

  • 2 Bij de subsidieverlening worden de vereisten ten aanzien van de jaarlijkse financiële verantwoording gespecificeerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het voor de subsidieontvanger geldende verantwoordingsregime.

Paragraaf 5. Subsidievaststelling

Artikel 27. Aanvraag tot subsidievaststelling

Na afloop van een project dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Bij subsidieverlening voor de duur van een fase of een onderdeel van een project, dient de subsidieontvanger na afloop van de fase of het onderdeel een aanvraag tot vaststelling in. In het geval aan de subsidieontvanger de bevoegdheid is gedelegeerd tot het nemen van besluiten met betrekking tot de subsidie, dan wordt het project eerst geacht te zijn afgerond nadat de subsidieontvanger alle door hem verleende subsidies heeft vastgesteld.

Artikel 28. Termijn voor indiening aanvraag tot subsidievaststelling

Bij de subsidieverlening stelt de minister een termijn vast waarbinnen de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het voor de subsidieontvanger geldende verantwoordingsregime.

Artikel 29. Vereisten ten aanzien van bij de aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen stukken

  • 2 De inrichting van het verslag van activiteiten komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan of meerjarenactiviteitenplan.

  • 3 Het verslag van activiteiten bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten. Voor zover van toepassing bevat het verslag tevens een analyse van de verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten vermeld in het activiteitenplan of het meerjarenactiviteitenplan, en de feitelijke realisatie.

  • 4 Het financieel verslag geeft inzicht in het feitelijke verloop van de inkomsten, met inbegrip van alle vermogenstoenames, en de uitgaven gedurende de looptijd van het project en het eindsaldo. Indien de subsidieontvanger op basis van een gedelegeerde bevoegdheid subsidies heeft verleend, dan geeft het financieel verslag inzicht in het saldo zoals dat na de vaststelling van alle door de subsidieontvanger verleende subsidies kan worden opgemaakt.

Artikel 30. Accountantsverklaring

  • 2 De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger.

  • 3 De minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de accountantsverklaring.

Artikel 31. Besluit tot subsidievaststelling

  • 1 Indien bij de subsidieverlening aan de subsidieontvanger de verplichting is opgelegd tot het houden van een evaluatie, of wanneer de minister een externe evaluatiecommissie heeft ingesteld, dan gaat de minister niet eerder tot vaststelling van de subsidie over dan nadat de resultaten van de evaluatie bij hem bekend zijn.

  • 2 In het besluit tot vaststelling kan de minister een uit het financieel verslag blijkend positief saldo ten behoeve van de subsidieontvanger herbestemmen.

Paragraaf 6. Betaling

Artikel 32. Voorschotten

  • 1 Bij de subsidieverlening wordt een bevoorschottingsritme vastgesteld.

  • 2 De minister bepaalt de hoogte van het voorschot mede op basis van de stukken, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van dit besluit.

  • 3 Indien de begroting, het activiteitenplan of enig ander ingevolge dit besluit vereist document niet of niet tijdig wordt ingediend, behoudt de minister zicht het recht voor de bevoorschotting op te schorten of stop te zetten.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 33. Overgangsbepaling

[Red: Wijzigt deze regeling.]

Artikel 34. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt inwerking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 35. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Kaderregeling subsidiering projecten ten behoeve van onderzoek en wetenschap.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van

Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

,

L.M.L.H.A. Hermans