Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen

Geldend van 01-12-2013 t/m heden

Regeling geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 30 mei 2000, kenmerk 5032390/C/TH/JMO;

Besluit:

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet:

de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

b. eenheid:

een eenheid bij de Landelijke Bijzondere Bijstandsverlening van de Dienst Justitiële Inrichtingen;

c. meerdere:

de medewerker van de eenheid die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering;

d. geweld:

elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken;

e. aanwenden van geweld:

het gebruiken van geweld of het dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen;

f. vrijheidsbeperkende middelen:
g. geweldsmiddel:
  • 1. de semi-automatische uitvoering van het merk Heckler en Koch MP 5, type A2 en type A3, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;

  • 2. een semi-automatisch pistool van het merk Walther P5, kaliber 9 maal 19 millimeter of Walther P99Q van hetzelfde kaliber;

  • 3. een korte of lange wapenstok van een door de Minister van Veiligheid en Justitie goedgekeurd merk en type;

  • 4. CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van een door de Minister van Veiligheid en Justitie goedgekeurd merk en type;

  • 5. pepperspray van een door de Minister van Veiligheid en Justitie goedgekeurd merk en type.

h. het gebruik van een vuurwapen:

het trekken, het uit voorzorg ter hand nemen, het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen.

Paragraaf 2. Aanwenden geweldsmiddelen en vrijheidsbeperkende middelen door personeelsleden of medewerkers

Artikel 2

Een personeelslid of medewerker kan ten aanzien van een jeugdige, ten behoeve van het vervoer of interne overplaatsing, een broekstok of handboeien aanleggen.

Artikel 3

Het is een personeelslid of medewerker niet toegestaan de in artikel 1, onder g, genoemde geweldsmiddelen aan te wenden.

Artikel 4

  • 1 In afwijking van artikel 3 kan de directeur personeelsleden of medewerkers toestemming verlenen voor het hanteren van een korte of lange wapenstok.

  • 2 In afwijking van het in artikel 3 bepaalde kan de selectiefunctionaris aan door hem krachtens artikel 40, tweede lid, van de wet aangewezen personeelsleden of medewerkers toestemming verlenen voor het hanteren van een korte of lange wapenstok.

  • 3 De directeur draagt er zorg voor dat:

    • a. personeelsleden of medewerkers, die vrijheidsbeperkende middelen toepassen, over voldoende vaardigheden beschikken met betrekking tot het toepassen daarvan;

    • b. de in artikel 4, eerste lid, bedoelde personeelsleden of medewerkers over voldoende vaardigheden beschikken met betrekking tot het hanteren van een korte of lange wapenstok.

  • 4 De selectiefunctionaris draagt er zorg voor dat:

    • a. de door hem krachtens artikel 40, tweede lid, van de wet aangewezen personeelsleden of medewerkers over voldoende vaardigheden beschikken met betrekking tot het toepassen van vrijheidsbeperkende middelen;

    • b. de door hem krachtens artikel 4, tweede lid, aangewezen personeelsleden of medewerkers over voldoende vaardigheden beschikken met betrekking tot het hanteren van een korte of lange wapenstok.

Artikel 5

  • 1 De directeur stelt een voor zijn inrichting geldende dienstinstructie geweldstoepassing voor de personeelsleden of medewerkers vast.

  • 2 De directeur geeft daarin aan onder welke omstandigheden, welke personeelsleden of medewerkers bevoegd zijn, binnen en buiten de inrichting, jegens een jeugdige geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, en van welk geweldsmiddel dan wel vrijheidsbeperkend middel daarbij gebruik mag worden gemaakt.

Artikel 6

In afwijking van artikel 3 kunnen de in artikel 1, onder g, sub 1 en 2 genoemde geweldsmiddelen met toestemming van de directeur of de selectiefunctionaris uitsluitend worden toegepast door personeelsleden of medewerkers:

  • a. aan wie dat geweldsmiddel rechtens is toegekend en,

  • b. voor zover zij optreden ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldsmiddel hen is toegekend en,

  • c. die in het gebruik van dat geweldsmiddel zijn geoefend.

Paragraaf 3. De eenheid

Artikel 7

  • 1 De directeur of het daartoe door hem aangewezen personeelslid of medewerker kan de eenheid inzetten.

  • 2 Het personeelslid of medewerker zet de eenheid slechts in na toestemming van de directeur.

Artikel 8

  • 1 Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd in opdracht van de directeur.

  • 2 Uitsluitend personeelsleden of medewerkers van de eenheid zijn bevoegd tot het gebruik van CS-traangas.

  • 3 Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd:

    • a. in gesloten ruimten ter aanhouding van een jeugdige indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die een vuurwapen bij zich heeft en dat tegen personen zal gebruiken, dan wel ander ernstig geweld tegen personen zal gebruiken;

    • b. anders dan in gesloten ruimten ter verspreiding van menigten van jeugdigen die een ernstige en onmiddellijke bedreiging vormen voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.

Artikel 8a

  • 1 Het gebruik van pepperspray is slechts geoorloofd voor zover dit noodzakelijk is ter aanhouding van een jeugdige indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij ernstig geweld tegen personen zal gebruiken.

  • 2 Pepperspray wordt tegen een jeugdige per geval ten hoogste twee maal voor ten hoogste enkele seconden gebruikt op afstand van tenminste een meter.

  • 3 Pepperspray mag niet worden gebruikt tegen:

    • a. jeugdige vrouwen die zichtbaar zwanger zijn;

    • b. jeugdigen voor wie dit gebruik als gevolg van zichtbare ademhalings- of andere ernstige gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn;

    • c. groepen personen.

  • 4 Pepperspray mag niet worden gebruikt in de nabijheid van baby’s.

  • 5 De ambtenaar of medewerker die pepperspray heeft gebruikt is verantwoordelijk voor het verlenen van nazorg.

Paragraaf 4. Het gebruik van een vuurwapen

Artikel 9

Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:

  • a. om een jeugdige aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

  • b. tot het beteugelen van onrust, indien er sprake is van een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;

  • c. ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.

Artikel 10

Het personeelslid of de medewerker die krachtens artikel 6 bevoegd is tot het gebruik van een vuurwapen, mag in verband met zijn eigen veiligheid of die van anderen slechts uit voorzorg een vuurwapen ter hand nemen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken. Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het vuurwapen terstond opgeborgen.

Artikel 11

  • 1 Het personeelslid of de medewerker die krachtens artikel 6 bevoegd is tot het gebruik van een vuurwapen geeft onmiddellijk, voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze een waarschuwing dat geschoten zal worden. De waarschuwing kan worden vervangen door een waarschuwingsschot, wanneer omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

  • 2 Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden afgevuurd dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.

Paragraaf 5. Meldplicht

Artikel 12

  • 1 Het personeelslid of de medewerker die geweld heeft gebruikt, of vrijheidsbeperkende middelen heeft aangewend, of een geweldsmiddel heeft gebruikt, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de directeur of selectiefunctionaris. De schriftelijke melding dient duidelijkheid te verschaffen over de redenen, die tot het aanwenden van geweld hebben geleid, de daaruit voortvloeiende gevolgen en op wiens last dit aanwenden van geweld heeft plaatsgevonden.

  • 2 De directeur of de selectiefunctionaris wint, in geval van mogelijk lichamelijk letsel of ingeval een wapenstok, een vuurwapen, CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen gebruikt zijn, zo spoedig mogelijk advies in bij een arts.

  • 3 Indien de aanwending van het geweld of vrijheidsbeperkende middelen bij een jeugdige heeft geleid tot mogelijk lichamelijk letsel en in alle gevallen waarin van een vuurwapen, een wapenstok of CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen gebruik is gemaakt, wordt de melding, bedoeld in het eerste lid, tevens ter kennis gebracht van de Hoofddirecteur van de Minister van Veiligheid en Justitie en het Openbaar Ministerie.

  • 4 De melding, bedoeld in het eerste en derde lid, geschiedt in de vorm van een rapport indien:

    • a. de gevolgen van het aangewende geweld of vrijheidsbeperkende middel daartoe, naar het oordeel van de meerdere, aanleiding geven, of

    • b. gebruik is gemaakt van geweld of van enig geweldsmiddel en daardoor lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is.

  • 5 De directeur van de inrichting stelt de commissie van toezicht in kennis van de melding, bedoeld in het derde lid.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2001.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Justitie,

A.H. Korthals