Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling strafonderbreking jeugdigen

Geldend van 17-07-2011 t/m heden

Regeling strafonderbreking jeugdigen

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 77j, tweede lid, Wetboek van Strafrecht;

Gelet op het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 3 mei 2001, kenmerk 5095686/01/TH/rb;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. relatie:

persoon met wie de jeugdige aantoonbaar een pedagogisch betekenisvolle relatie heeft;

b. strafonderbreking:

onderbreking van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 77j, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2

  • 1 Strafonderbreking wordt door de jeugdige schriftelijk aangevraagd bij de directeur.

  • 2 De Minister van Veiligheid en Justitie beslist over het verzoek tot strafonderbreking.

Artikel 3

  • 1 Na ontvangst van het verzoek tot strafonderbreking wint de directeur alle benodigde inlichtingen en adviezen in. Inlichtingen van niet aan de inrichting verbonden artsen, psychiaters en psychologen kunnen slechts worden ingewonnen na schriftelijke toestemming van de jeugdige.

  • 2 Betreft het een verzoek van een jeugdige ten aanzien van wie en voor zolang het openbaar ministerie een executie-indicator heeft geplaatst, dan vraagt de directeur het openbaar ministerie om advies.

  • 3 De directeur adviseert de Minister van Veiligheid en Justitie omtrent de toekenning van strafonderbreking.

  • 4 Alvorens aan de Minister van Veiligheid en Justitie advies uit te brengen hoort de directeur de jeugdige. Van het horen wordt aantekening gehouden.

Artikel 4

  • 1 Aan de jeugdige kan strafonderbreking worden verleend voor onverwachte gebeurtenissen of omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is en het tijdelijk verlaten van de inrichting op grond van artikel 32 van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen onvoldoende mogelijkheden biedt.

  • 2 Gebeurtenissen of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid zijn onder andere:

    • a. het in levensgevaar verkeren van een relatie;

    • b. het overlijden of de begrafenis van een relatie;

    • c. een bevalling van de jeugdige of diens partner;

    • d. het niet in staat zijn om naar de inrichting te reizen van een relatie.

  • 3 In bijzondere omstandigheden kan de Minister van Veiligheid en Justitie toestaan dat de jeugdige aan wie strafonderbreking is verleend in het buitenland verblijft.

Artikel 5

Bij het bepalen van de duur van de strafonderbreking wordt rekening gehouden met de omstandigheden van het geval. De strafonderbreking wordt toegekend voor een duur langer dan drie etmalen tot maximaal drie maanden.

Artikel 6

  • 1 Bij de beoordeling van de toekenning van het verzoek tot strafonderbreking wordt het belang van de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuïteit van de tenuitvoerlegging en voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Het verzoek tot strafonderbreking kan slechts worden verleend indien de eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.

  • 2 Als risico's kunnen worden aangemerkt:

    • a. het gevaar voor niet terugkeren naar de inrichting;

    • b. weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter voorkoming van het niet terugkeren naar de inrichting;

    • c. gevaar voor recidive;

    • d. maatschappelijke onrust als gevolg van de strafonderbreking;

    • e. vermoeden dat de strafonderbreking zal leiden tot alcohol- of drugsmisbruik;

    • f. twijfel over het nakomen van afspraken;

    • g. agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor een ongestoord verloop van de strafonderbreking;

    • h. het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen;

    • i. risico van mogelijk ongewenste confrontatie van de jeugdige met een slachtoffer of met anderszins bij het delict betrokkene;

    • j. het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een wraakactie.

  • 3 Bij de inschatting van het risico's betrekt de Minister van Veiligheid en Justitie in ieder geval:

    • a. de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of recidivegevaar;

    • b. relevante ervaringen bij eerder genoten verloven;

    • c. een recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.

Artikel 7

  • 1 De beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie wordt onverwijld meegedeeld aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft.

  • 2 Bij toekenning van de strafonderbreking geeft de Minister van Veiligheid en Justitie in een schriftelijke mededeling aan de jeugdige de aanvangsdatum en de duur van de strafonderbreking en eventuele bijzondere voorwaarden aan.

  • 3 Bij afwijzing van het verzoek tot strafonderbreking geeft de Minister van Veiligheid en Justitie de jeugdige schriftelijk, voor zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

Artikel 8

  • 1 Strafonderbreking kan slechts worden gewijzigd en ingetrokken door de Minister van Veiligheid en Justitie.

  • 2 In verband met gewijzigde omstandigheden of indien zich tijdens de strafonderbreking een incident voordoet, kan de Minister van Veiligheid en Justitie, afhankelijk van de aard van het incident, de reeds verleende strafonderbreking of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar een ander tijdstip verplaatsen of nadere voorwaarden stellen.

  • 3 De directeur stelt de Minister van Veiligheid en Justitie onverwijld van de gewijzigde omstandigheden of het incident in kennis.

  • 4 Van een incident is in ieder geval sprake wanneer de jeugdige tijdens de strafonderbreking betrokken is bij een verstoring van de openbare orde of bij een strafbaar feit.

  • 5 De Minister van Veiligheid en Justitie geeft de jeugdige een schriftelijke, voor zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

Artikel 9

  • 1 Indien de jeugdige wegens ziekte niet in staat is tijdig naar de inrichting terug te keren, meldt hij dit onverwijld aan de inrichting. Desgevraagd toont de jeugdige aan dat hij om medische redenen niet in staat is terug te keren.

  • 2 De directeur neemt, na overleg met de inrichtingsarts en voor zover mogelijk gehoord de jeugdige maatregelen met het oog op een zo spoedig mogelijke voortzetting van vrijheidsontneming.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2001.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling strafonderbreking jeugdigen.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Justitie,

A.H. Korthals