Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling urine onderzoek jeugdigen

Geldend van 17-07-2011 t/m heden

Regeling urine onderzoek jeugdigen

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 35, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van datum 30 mei 2000, nr.5032390/00/TH/JMO;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet:

de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

b. uitvoeringsverantwoordelijke instantie:

de door de selectiefunctionaris als zodanig aangewezen justitiële jeugdinrichting of de instantie welke is belast met het toezicht op de deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma;

c. indicatieonderzoek:

een onderzoek van urine op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen waarvan de uitslag slechts een voorlopig en indicatief karakter heeft;

d. urineonderzoek:

een onderzoek van urine op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;

e. herhalingsonderzoek:

een urineonderzoek dat volgens eenzelfde dan wel een vergelijkbare methode als gebruikt bij het aanvankelijke urineonderzoek op een identiek tweede monster wordt uitgevoerd met behulp van apparatuur welke vergelijkbaar is met dan wel gelijkwaardig is aan de apparatuur welke bij het aanvankelijke onderzoek is gebruikt;

f. bevestigingsonderzoek:

een urineonderzoek dat volgens een andere gevalideerde methode als gebruikt bij het aanvankelijke onderzoek en het herhalingsonderzoek wordt uitgevoerd op het monster dat het uitgangsmateriaal vormde voor het aanvankelijke onderzoek dan wel het herhalingsonderzoek.

Artikel 2

  • 1 Het anders dan door een arts, tandarts of verloskundige voorgeschreven gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel niet toegestaan.

  • 2 Het gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen vormt een contra-indicatie voor de toekenning van verlof, strafonderbreking of deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.

  • 3 In de eerste twee weken van het verblijf van de jeugdige in de inrichting wordt de jeugdige geïnformeerd over de wijze waarop de inrichting uitvoering geeft aan het drugsontmoedigingsbeleid.

Artikel 3

  • 1 De afname van urine gebeurt bij voorkeur `s ochtends vroeg.

  • 2 Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van het urineonderzoek aan de jeugdige medegedeeld en wordt de jeugdige uitleg gegeven over de te volgen procedure.

  • 3 De jeugdige urineert bij voorkeur in een daartoe bestemde ruimte onder direct visueel toezicht van een personeelslid of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker.

  • 4 Indien de jeugdige niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog hiertoe in de gelegenheid gesteld. De jeugdige verblijft gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de resultaten van de analyse te beïnvloeden.

  • 5 De urine wordt in twee buizen overgegoten, waarna deze zorgvuldig worden afgesloten. Indien de directeur voornemens is een indicatie onderzoek te doen plaatsvinden wordt de urine verdeeld over drie buizen. Hierna worden stickers met een uniek registratienummer, al dan niet onder toevoeging van de naam van de jeugdige of de geboortedatum van de jeugdige, op de buizen geplakt.

  • 6 In het bijzijn van de jeugdige controleert het personeelslid of de medewerker, of het aanvraagformulier voor het onderzoek goed en volledig is ingevuld alsmede of het nummer op de buizen overeenstemt met het nummer op het aanvraagformulier.

  • 7 Het aanvraagformulier vermeldt in ieder geval een opgave van de volledige naam en voorletters van de jeugdige, het registratienummer van de jeugdige, de afnamedatum, het tijdstip van afname, de stoffen waarop gecontroleerd dient te worden alsmede gegevens over medicatiegebruik en relevante pathologie.

  • 8 Zowel de jeugdige als het personeelslid of de medewerker plaatsen een handtekening op het aanvraagformulier ter bevestiging dat de procedure correct is verlopen.

Artikel 4

  • 1 De directeur kan besluiten de urine afkomstig uit één buis te gebruiken voor een indicatieonderzoek. Indien de directeur hiertoe besluit, vindt het indicatieonderzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 24 uur na afname van de urine plaats.

  • 2 De urine afkomstig uit de voor het indicatieonderzoek gebruikte buis wordt niet gebruikt ten behoeve van een urineonderzoek, herhalingsonderzoek of bevestigingsonderzoek.

  • 3 De uitslag van het indicatieonderzoek wordt aan de jeugdige medegedeeld. Indien de uitslag van het indicatieonderzoek op mogelijk gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen duidt, wordt de uitslag met de jeugdige besproken.

  • 4 Ongeacht de uitslag van het indicatie onderzoek kan de directeur besluiten tot het doen plaatsvinden van een urine onderzoek. De directeur doet zulks in elk geval op verzoek van de jeugdige indien de uitslag van het indicatie onderzoek duidt op mogelijk gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen.

  • 5 De uitslag van het indicatie onderzoek wordt aan de jeugdige medegedeeld.

Artikel 5

Indien de directeur besluit tot het doen plaatsvinden van een urineonderzoek wordt één buis met het aanvraagformulier zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk de eerstvolgende werkdag, naar een laboratorium verstuurd. Een andere buis wordt, gedurende ten hoogste twee weken na afname, ten behoeve van een eventueel herhalingsonderzoek in een voor onbevoegden niet toegankelijke diepvries of koelkast bewaard dan wel naar een laboratorium verstuurd waar de buis, ten behoeve van een eventueel herhalingsonderzoek, gedurende ten hoogste twee weken na afname in een voor onbevoegden niet toegankelijke diepvries of koelkast wordt bewaard.

Artikel 6

  • 1 De analyse wordt verricht door:

    • a. een inrichtingslaboratorium dat deelneemt aan een extern kwaliteitscontrole programma in samenspraak met de stichting Kwaliteitsbewaking Klinische Geneesmiddelenanalyse en Toxicologie dan wel

    • b. een extern laboratorium dat deelneemt aan een extern kwaliteitscontrole programma in samenspraak met de stichting Kwaliteitsbewaking Klinische Geneesmiddelenanalyse of deelneemt aan een op zijn minst vergelijkbaar extern kwaliteitsbewakingsprogramma dan wel een laboratorium dat voldoet aan de internationale GLP-norm (Good Laboratory Practice).

  • 2 Het laboratorium heeft de mogelijkheid een urine onderzoek, een herhalingsonderzoek en een bevestigingsonderzoek te verrichten of te laten verrichten.

  • 3 Het laboratorium treft maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik van de verkregen persoonsgegevens.

  • 4 De inrichting en het laboratorium maken nadere afspraken omtrent de wijze van verzending van de urinemonsters.

Artikel 7

  • 1 Indien er vragen bestaan omtrent de uitslag van het urine onderzoek of de interpretatie daarvan, vindt overleg plaats tussen het laboratorium en de inrichting omtrent mogelijke factoren die de uitslag hebben kunnen beïnvloeden en de interpretatie van de uitslag.

  • 2 De uitslag van het urineonderzoek wordt aan de jeugdige medegedeeld. Hierbij wordt de jeugdige gewezen op het recht op een herhalingsonderzoek. Indien de mededeling mondeling wordt gedaan legt het personeelslid of de medewerker welke de mededeling heeft gedaan, schriftelijk vast dat, en wanneer, de mededeling is gedaan.

Artikel 8

  • 1 De jeugdige heeft het recht op een herhalingsonderzoek.

  • 2 De kosten van het herhalingsonderzoek komen voor rekening van de jeugdige, tenzij uit de uitslag van dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van ongeoorloofd gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen. De directeur kan besluiten dat slechts een deel van de kosten van het herhalingsonderzoek voor rekening van de jeugdige komen.

  • 3 De jeugdige dient een verzoek om een herhalingsonderzoek binnen vierentwintig uur na kennisneming van de uitslag van de het urine onderzoek schriftelijk in bij de directeur van de inrichting.

  • 4 De uitslag van het herhalingsonderzoek wordt aan de jeugdige medegedeeld. Hierbij wordt de jeugdige gewezen op het recht op een bevestigingsonderzoek. Indien de mededeling mondeling wordt gedaan legt het personeelslid of de medewerker welke de mededeling heeft gedaan, schriftelijk vast dat, en wanneer, de mededeling is gedaan.

Artikel 9

  • 1 De jeugdige heeft het recht een bevestigingsonderzoek te laten plaatsvinden.

  • 2 De kosten van het bevestigingsonderzoek zijn voor rekening van de jeugdige, tenzij uit de uitslag blijkt dat er geen sprake is van ongeoorloofd gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen. De directeur kan besluiten dat slechts een deel van de kosten van het herhalingsonderzoek voor rekening van de jeugdige komen.

  • 3 De jeugdige dient een verzoek om een bevestigingsonderzoek binnen vierentwintig uur na kennisneming van de uitslag van het herhalingsonderzoek schriftelijk in bij de directeur van de inrichting.

  • 4 De uitslag van het bevestigingsonderzoek wordt aan de jeugdige medegedeeld. Indien de mededeling mondeling wordt gedaan legt het personeelslid of medewerker welke de mededeling heeft gedaan, schriftelijk vast dat, en wanneer, de mededeling is gedaan.

Artikel 10

  • 1 Indien gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is vastgesteld of de jeugdige weigert aan het urine onderzoek mee te werken, dan wel is gebleken dat de jeugdige met het urinemonster heeft gefraudeerd, kan de jeugdige een disciplinaire straf worden opgelegd.

  • 2 Indien de jeugdige na het verstrijken van de in artikel 3, vierde lid, gestelde termijn van vier uur nog geen urine heeft afgestaan, wordt dit gelijk gesteld met een weigering medewerking te verlenen aan het urine onderzoek.

  • 3 In afwachting van de uitslag van een herhalingsonderzoek dan wel een bevestigingsonderzoek wordt de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf opgeschort.

  • 4 In afwachting van de uitslag van een herhalingsonderzoek dan wel een bevestigingsonderzoek kan onder meer:

    • a. de effectuering van verlof of strafonderbreking worden geschorst, dan wel opgeschort.

    • b. de effectuering van een scholings- en trainingsprogramma worden geschorst, dan wel opgeschort.

Artikel 11

Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op urineonderzoeken die gedurende de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma worden uitgevoerd. De taken van het personeelslid of de medewerker worden dan verricht door een personeelslid van de uitvoeringsverantwoordelijke instantie.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2001

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling urine onderzoek jeugdigen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Justitie,

A.H. Korthals