Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling thema's/onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. 2004 (oude en nieuwe stijl)[Regeling vervallen per 01-08-2007.]

Geldend van 28-07-2001 t/m 31-07-2007

Regeling thema's/onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. 2004 (oude en nieuwe stijl)

Artikel 1. Thema's/onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o. en h.a.v.o. examenjaar 2004 (oude en nieuwe stijl) [Vervallen per 01-08-2007]

De thema's/onderwerpen voor het centraal examen v.w.o. en h.a.v.o. (oude en nieuwe stijl) in 2004 zijn:

  • a. Nederlanders en hun gezagsdragers 1950-1990: verzuiling, polarisatie en herwonnen consensus (domein D, subdomein: Politiek systeem en politieke cultuur in Nederland);

  • b. Met de loep op Lancashire, katoen en samenleving 1750-1850 (domein B, subdomein: Levensonderhoud en sociale verhoudingen).

Artikel 2. Stofomschrijving [Vervallen per 01-08-2007]

  • 1 De stofomschrijving voor het thema/onderwerp ‘Nederlanders en hun gezagsdragers 1950-1990: verzuiling, polarisatie en herwonnen consensus’ bedoeld in onderdeel a van artikel 1, is opgenomen in de bijlage bij de Regeling onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. (oude stijl) examenjaar 2003 en stofomschrijving Politiek systeem en politieke cultuur in Nederland v.w.o./h.a.v.o. (oude en nieuwe stijl) van 2 november 2000 (Gele katern 2000, 27).

  • 2 De stofomschrijving voor het thema/onderwerp ‘Nederlanders en hun gezagsdragers 1950-1990: verzuiling, polarisatie en herwonnen consensus’ bedoeld in onderdeel a van artikel 1, is opgenomen in de bijlage bij de Regeling onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. (oude stijl) examenjaar 2003 en stofomschrijving Politiek systeem en politieke cultuur in Nederland v.w.o./h.a.v.o. (oude en nieuwe stijl) van 2 november 2000 (Gele katern 2000, 27).

Artikel 3. Bekendmaking [Vervallen per 01-08-2007]

Deze regeling zal in Uitleg OCenW-regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 4. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-08-2007]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekend gemaakt.

Artikel 5. Citeertitel [Vervallen per 01-08-2007]

Deze regeling wordt aangehaald als ‘Regeling thema's/onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. examenjaar 2004 (oude en nieuwe stijl)’.

De

staatssecretaris

van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

drs. K.Y.I.J. Adelmund

‘Met de loep op Lancashire’ Katoen en samenleving 1750 – 1850 [Vervallen per 01-08-2007]

Verantwoording

De commissie voor de stofomschrijving van het nieuwe examenonderwerp geschiedenis in 2004 kreeg de opdracht een thema/onderwerp te formuleren binnen het subdomein ‘Levensonderhoud en sociale verhoudingen’ (domein B) in de examenprogramma's voor havo en vwo. Het thema/onderwerp moest buiten Nederland en haar koloniën liggen. De Vereniging van docenten geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN) sprak een voorkeur uit voor een thema/onderwerp uit de periode vóór 1900.

Binnen deze grenzen heeft de commissie voor de stofomschrijving gekozen voor de katoennijverheid in Lancashire (Engeland) tussen 1750 en 1850. Dit thema biedt een goed voorbeeld van de overgang die binnen het subdomein centraal staat, namelijk die van ‘agrarisch- stedelijke naar industriële samenleving’.

In Lancashire vond tussen 1750 en 1850 voor het eerst in Europa een proces van industrialisatie plaats met grote sociale, economische en landschappelijke gevolgen. Domineerde rond 1750 nog de landbouw, rond 1850 werd het dagelijks leven in de regio grotendeels bepaald door gemechaniseerde loonarbeid buitenshuis en de sociale en economische verhoudingen die bij een industriële samenleving horen. Het proces van industrialisatie in Lancashire heeft zich dan op meer dan één gebied voltrokken: in de steenkoolwinning, de metaalnijverheid, de chemie en ‘last but not least’, de katoennijverheid. De titel ‘Met de loep op Lancashire’ brengt tot uitdrukking dat de commissie kiest voor een regionale aanpak. Het samenspel van kapitaal, arbeid, natuur en techniek (een specificatie van het subdomein) kan op dit niveau concreet en daardoor ook levendig worden gepresenteerd; aandacht voor mensen, het ‘persoonlijke’ in de geschiedenis is op deze wijze goed mogelijk. Deze regionale benadering sluit bovendien aan bij actuele inzichten in de historische wetenschap.

De commissie heeft gekozen voor de hoofdvraag: ‘Welke invloed had de ontwikkeling van de katoennijverheid op landschap, economie en samenleving in Lancashire?’.

De kandidaten worden uitgenodigd om te overwegen wat voor invloed er van de ontwikkelingen in de katoennijverheid uitging en hoe groot deze invloed was. Bovendien dienen zij de geleerde stof te kunnen toepassen op andere, niet bestudeerde katoenregio's in Europa in een latere periode. In dat kader dienen kandidaten overeenkomsten en verschillen te kunnen benoemen tussen Lancashire en de vergelijkbare regio. De deelvragen in de stofomschrijving concentreren zich op ontwikkelingen in de inrichting van het landschap, in de verbondenheid van Lancashire met de wereld, in arbeidsverhoudingen en bestaanszekerheid en in de reacties op veranderingen in de samenleving.

In de katoennijverheid werden alle beschikbare technieken en energiebronnen (hand-, paard, water-, en stoomkracht) naast elkaar en opeenvolgend ingezet. Er ontstonden in Lancashire fabrieken en ‘moderne’ transportmiddelen. De industrie ontwikkelde zich zowel in stedelijke als in plattelandsgebieden. Verschuivingen in de productieprocessen hingen samen met veranderingen in distributie en consumptie.

Zoals gezegd, Lancashire biedt de mogelijkheid om ook het ‘venster op de wereld’ te openen. De regio was al vroeg verbonden met de wereldmarkt en het Britse koloniale rijk. Katoen kwam van overzee en katoenen producten werden op grote schaal geëxporteerd. De katoensector in Lancashire werd tussen 1750 en 1850 toonaangevend in de wereld. De kandidaten krijgen inzicht in de samenhang tussen industrialisatie en ontwikkelingen op de wereldmarkt.

Daarnaast leren zij een verband leggen tussen afkomst, beroep, leeftijd en sekse enerzijds en sociaal-economische posities anderzijds. In de katoennijverheid werkten mannen, vrouwen en kinderen. Hun sociaal-economische posities en (onderlinge) arbeidsverhoudingen veranderden tussen 1750 en 1850. Arbeidsverhoudingen waren nauw verweven met gezinsverhoudingen en bestaanszekerheid.

De ingrijpende veranderingen in werk- en leefomstandigheden riepen reacties op. De nieuwe samenleving bewoog werkgevers, loonarbeiders en kleine zelfstandigen en uiteindelijk de overheid tot maatschappelijke initiatieven. ‘Met de loep op Lancashire’ verduidelijkt en verdiept het fenomeen industrialisatie. Het standaardbeeld van de industriële revolutie als plotselinge overgang naar fabrieksmatige productie en een totale uitbuiting (zoals dat in de leerstof van de onderbouw vaak naar voren komt) kan met dit thema genuanceerd worden. Het productieproces werd niet overal gemechaniseerd, handmatige productie bleef lange tijd financieel en sociaal aantrekkelijk. Zelfs in Lancashire, waar de industrialisatie zich relatief snel voltrok, was er sprake van een geleidelijk proces.

Door de uitzonderlijke snelle gang van zaken in Manchester te vergelijken met de wat gebruikelijker ontwikkeling in kleinere plaatsen op het platteland, worden stereotiepe voorstellingen van de wording van een industriële samenleving ter discussie gesteld. Aan de hand van Bolton worden in deze stofomschrijving de zich ontwikkelende industriecentra op het platteland gepresenteerd.

Het onderwerp nodigt leerlingen uit tot het denken over continuïteit en verandering en over de samenhang tussen economische, sociale en mentale processen. In dat kader kunnen docenten en leerlingen parallellen trekken met de huidige samenleving.

Over de industrialisatie in Engeland in het algemeen en over Lancashire in het bijzonder, is een overvloed aan wetenschappelijk en populaire literatuur aanwezig. Zowel overzichtswerken als case-studies zijn beschikbaar. Over de ontwikkeling van de industrialisatie in het algemeen bestaat in grote lijnen consensus. Toch worden er binnen dit onderwerp over vele thema's discussies gevoerd.

Dit biedt ruimte voor de toepassingen van vaardigheden genoemd in subdomein A en voor de twee specificaties die alleen voor vwo-leerlingen gelden. In dat kader valt te denken aan het vergelijken van verschillende historische interpretaties omtrent het tempo van industrialisatie in de 18e en 19e eeuw en die omtrent de al dan niet gunstige invloed die industrialisatie had op de levensstandaard van arbeidersgezinnen.

Voorzover het verband tussen demografische en industriële ontwikkelingen in deze stofomschrijving aan de orde komt, dienen zowel havo- als vwo-leerlingen deze stof te beheersen.

Waar namen van uitvinders, belangrijke ondernemers, wetenschappers, schrijvers of politici worden genoemd moeten ze worden gezien als voorbeelden, andere namen zijn denkbaar. De jaartallen die tussen haakjes staan, hebben slechts een oriënterende functie; deze jaartallen maken geen deel uit van het centraal examen.

Het historisch kader behoort tot de onderdelen die wel in het centraal examen getoetst kunnen worden.

Historisch kader

De komst van de industriële samenleving in Europa heeft een lange geschiedenis. Het proces van industrialisatie begon in de 16e eeuw en liep door tot ver in de 20e eeuw. Frankrijk was het laatst met industrialiseren; in Engeland vond de ‘industriële revolutie’ het eerst plaats. De term ‘revolutie’ is een beetje misleidend, omdat van een plotselinge omslag geen sprake was. Het gaat om een geleidelijk proces, maar wel om een proces dat ingreep in alle aspecten van het maatschappelijk leven en in dat opzicht toch een revolutie genoemd kan worden.

landbouweconomie produceerde men vooral voor de lokale markt. In de markteconomie speelde de wereldhandel een veel grotere rol. Dat vergrootte de onderlinge afhankelijkheid van gebieden die ver van elkaar lagen. Elders in de wereld, onder andere in de koloniën, werden grondstoffen en luxe goederen goedkoop geproduceerd en werd veel geld verdiend dat vervolgens in Europa werd geïnvesteerd. Tot in de 20e eeuw bleven echter agrarische gebieden bestaan, waar boeren alleen voor eigen gebruik en de lokale markt produceerden. Met de industrialisatie kreeg nijverheid een steeds grotere plaats in de economie. Door technologische ontwikkelingen kon mechanisering plaatsvinden en werd arbeid steeds meer gespecialiseerd. Arbeid werd loonarbeid en er ontstond een klassensamenleving met nieuwe sociale organisaties. Omdat de bevolking groeide, groeide ook de vraag naar kleding, woonruimte en voedsel. Vraag en aanbod joegen elkaar aan.

Dat juist Engeland het eerste industriële land werd, hangt samen met een aantal factoren. Engeland was rond 1800 de grootste koloniale macht, er was veel kapitaal en er was een gunstig klimaat voor vrij ondernemerschap. Ook belangrijk was dat de Engelsen vanaf de 16e eeuw te kampen hadden met een tekort aan hout. Ze raakten steeds meer aangewezen op het gebruik van steenkool als brandstof. In de 18e eeuw werden de mogelijkheden van steenkool voor de ijzerindustrie ontdekt, waarmee de basis werd gelegd voor de machinebouw. Voor de winning van diep gelegen steenkoollagen werden o.a. pompen ontwikkeld, o.a. door John Newcomen. De pompen werden aangedreven met behulp van stoomkracht; een bekende uitvinder was James Watt. Beide innovaties zorgden voor een ongekende productiviteitsstijging in andere sectoren. In de katoennijverheid was dit effect goed te zien.

Traditioneel vormden wol en vlas de belangrijkste grondstoffen voor textiel, maar in de 17e eeuw werd katoen op de Britse markt geïntroduceerd. Vooral in het zuidoosten van Lancashire ontwikkelde zich een welvarende katoenindustrie die aanzienlijk bijdroeg aan de economische macht van Engeland in het algemeen. Rond 1850 stond Engeland internationaal gezien aan de top van haar economische macht. In de vijftig jaar daarna werd het door de Verenigde Staten en Duitsland ingehaald. De meeste West-Europese landen industrialiseerden in de loop van de 19e eeuw. Ook daar ontstonden geïndustrialiseerde katoenregio's, die verbonden waren met afzetmarkten overzee. Overal raakten maatschappelijke ontwikkelingen als gevolg van de industrialisatie in een stroomversnelling. Lancashire geldt als regio waar dit proces zich voor het eerst voordeed. In dit thema is de centrale vraag: ‘Welke invloed had de ontwikkeling van de katoennijverheid op landschap, economie en samenleving in Lancashire?’.

1. Wat waren de belangrijkste kenmerken van de samenleving in Lancashire rond 1750?

1.1. Agrarisch en stedelijk Lancashire

Lancashire was een overwegend agrarisch gebied met heuvels, rivieren, beken en moerassen. Vooral kleine boeren produceerden er op schrale grond landbouwgewassen voor de naburige markt en voor eigen gebruik. Veeteelt kwam op zeer bescheiden schaal voor. In het noorden en in het westen waren vanwege natuurlijke omstandigheden wat grotere landbouwbedrijven. De landbouwgrond werd bij vererving opgedeeld. Daardoor werden de bedrijven steeds kleiner. Door de enclosure-wetten waren de gemeenschappelijke gronden, waar kleine boeren hun bestaan aanvulden, grotendeels verdwenen. Waar de bodem steenkool of mineralen bevatte, waren kleine mijnen.

De natuurlijke gesteldheid bemoeilijkte de communicatie tussen de delen van Lancashire. Het vervoer ging via gekanaliseerde rivieren en verharde tolwegen.

Het grootste deel van de bevolking van Lancashire woonde in dorpen en gehuchten. De bevolking groeide in de eerste helft van de 18e eeuw gestaag. De steden, gericht op handel en nijverheid, waren klein, tussen de 2000 en 5000 inwoners. Uitzonderingen vormden: Manchester (ca 20.000 inwoners) en Liverpool (ca 26.000 inwoners). De nijverheidsstad Manchester kende een sterke textielhandel met Londen. De havenstad Liverpool was gericht op Ierland en Noord-Amerika. Verder hield Liverpool zich bezig met de handel in slaven en koloniale producten.

1.2. Textielnijverheid

Lancashire werden rond 1750 wollen, linnen en bombazijnen stoffen geproduceerd. In bombazijn werden linnen en katoen gecombineerd. Voor de boeren was de handmatige productie van textiel een nevenactiviteit voor de winter. Binnen een werkdag konden agrarische activiteiten en textielproductie elkaar afwisselen.

In de boerenfamilie golden een vast hiërarchisch patroon en een strikte arbeidsverdeling. Mannen en oudere jongens weefden. Vrouwen, meisjes en jongere kinderen droegen zorg voor het schonen, kaarden en spinnen.

Opvoeding en opleiding vielen samen. Het tempo en de omvang van de productie werden door de familie zelf bepaald. Voorop stond het collectief belang; het inkomen werd als een gezinsinkomen gezien. De hele familie werd bij deze huisnijverheid ingeschakeld; men werkte tegen stukloon.

Een groeiend aantal landlozen en boeren met te kleine bedrijven werkte het hele jaar in de textielproductie, in de eigen woning of in werkplaatsen. In de traditionele textielateliers lag de nadruk op het weven; ambachtslieden werden opgeleid in een meester-leerlingsysteem.

Leerlingen werden in de familie van de meester opgenomen.

1.3. Textielhandel

De textiel werd van oudsher geproduceerd in het ‘putting-out-system’, een systeem dat kooplieden, tussenhandelaren, wevers en spinners verbond. Vaak hadden kooplieden en tussenhandelaren door familiebanden nauwe contacten met de producenten. Kooplieden leverden grondstoffen of halffabrikaten, die meestal via tussenhandelaren bij zelfstandige ambachtslui en boeren terechtkwamen. De producten volgden daarna de omgekeerde weg. Persoonlijke contacten, bijna uitsluitend tussen mannen, waren in dit systeem belangrijk. Bij afwezigheid van reguliere banken functioneerde het ook als informeel kredietsysteem.

Kooplieden en tussenhandelaren handelden vanuit verschillende steden in Lancashire, maar de meest invloedrijke woonden in Manchester. Deze maakten deel uit van een klein, maar internationaal handelsnetwerk en waren afhankelijk van de expertise en het geld van Londense partners.

1.4. Gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van de katoennijverheid

Binnen de rijke textieltraditie in Lancashire was er zoveel kennis en vaardigheid aanwezig, dat de katoenproductie makkelijk ingang vond. Daarnaast was het vochtige klimaat in Lancashire, zo belangrijk voor het weven, een bijkomende factor.

Door de groei van de bevolking, met name door stijgende geboortecijfers, was rond 1750 de vraag naar halfkatoenen producten groot. Katoen was goedkoop, een goed substituut voor wol of linnen, geschikt voor allerlei toepassingen, imitaties en dessins, en als product makkelijk te onderhouden. Door wijzigingen in de mode werden, ook in de betere kringen, bombazijn of volledig katoenen onder- en bovenkleding populair.

De katoennijverheid bood werk aan een groeiend aantal jonge mensen. Er waren maar weinig investeringen nodig om de huisnijverheid uit te breiden. Geld werd gevonden binnen de eigen omgeving, bij familie, bij tussenhandelaren of bij grootgrondbezitters. Het ‘putting-out-system’ (zie 1.3) kon fluctuaties op de markt goed opvangen.

Het aanbod van ruwe katoen groeide en de inkoopprijs daalde. Veel werd aangevoerd uit West-Indië en de Levant. Naast de grote binnenlandse markt voor katoenen producten werd een buitenlandse markt opengelegd. De koloniale macht Engeland controleerde met haar grote vloot de handelsroutes.

Sommige eeuwenoude gildenregels of overheidsregels golden niet voor Lancashire, zoals bijvoorbeeld de Calico Act (1721).

De katoennijverheid profiteerde van het in Engeland gunstige klimaat voor uitvindingen. De nabijheid van steenkoolmijnen en ervaring met het gebruik van stoommachines in mijnen waren stimulerende factoren voor verdere mechanisering.

2. Hoe beïnvloedde de katoennijverheid het platteland van Lancashire?

2.1. De inrichting en het uiterlijk van de werkplaatsen

Na 1770 veranderde de werkomgeving in de katoennijverheid ingrijpend. Werkplaatsen in boerderijen en huizen maakten geleidelijk plaats voor fabrieken.

Onder druk van de toenemende vraag naar textielproducten kwamen allerlei mensen zoals John Kay, James Hargreaves, Richard Arkwright en Samuel Crompton tot belangrijke technische uitvindingen. Vanaf ca. 1730 zorgden met handkracht aangedreven machines in de huisnijverheid voor een geweldige productieverhoging. Deze machines vroegen weinig investeringskapitaal en ruimte en verspreidden zich snel. Na 1770 werden steeds grotere spinmachines uitgevonden die werkten op paarden-, water- of stoomkracht.

Constructieproblemen, patentrecht en een tekort aan investeringsgeld stonden lange tijd een verspreiding op grote schaal in de weg.

De machines werden vaak geplaatst in watermolens. De watermolens vertoonden dezelfde bouwtechniek als boerderijen. De kracht van stromend water werd via houten hefbomen op de machines overgebracht. Deze ‘mills’ werden tot na 1840 in Lancashire gebouwd. Na 1800 vroegen grotere spinmachines steeds meer energie. Geleidelijk werden waterkrachtmachines gecombineerd met stoommachines. Na 1820 werden rond kleine plaatsen op het platteland steeds meer spinnerijen gebouwd die alleen op stoomkracht werkten. Uiterlijk en qua inrichting leken ze op stoomspinnerijen in Manchester (zie hoofdstuk 3).

Tot ca. 1840 vond handweven nog plaats in werkplaatsen in boerderijen en woningen, die op deze huisnijverheid werden ingericht. Er was een vochtige ruimte voor een beperkt aantal handweefgetouwen. Het aantal weefgetouwen per werkplaats nam toe. Na ca. 1800 werkte men hier het hele jaar aan. De overschakeling van handweven naar machinaal weven verliep aanvankelijk langzaam omdat de weefmachines geen fijnere weefsels konden maken.

Tussen 1820 en 1850 werden op grote schaal stoomweverijen opgericht, grote hallen waarin rijen weefmachines waren geplaatst.

2.2. De groei van de kleine plaatsen op het platteland

Tussen 1770 en 1850 onderging het platteland een gedaanteverandering. De ontwikkelingen in de katoennijverheid stimuleerden de groei van stadjes. Plaatselijke ondernemers lieten bijvoorbeeld rondom Bolton spinfabriekjes en gemechaniseerde volmolens en blekerijen bouwen. Vlakbij werden woningen gebouwd.

In 1800 werd de eerste stoommachine in Bolton in gebruik genomen. Na 1820 groeide het aantal stoommachines snel. Er ontstond een op de katoennijverheid gerichte machinebouwindustrie. Net als andere katoenstadjes in Lancashire profiteerde Bolton van de nabijheid van kolenmijnen. Via een netwerk van kanalen werd per schip ruwe katoen, ijzer en steenkool aangevoerd. In 1828 werd bij Bolton de eerste spoorlijn in Engeland geopend; twee jaar later werd deze lijn verbonden met de net aangelegde spoorlijn Manchester – Liverpool. De treinverbinding bevorderde de afzet van katoenen producten, de handelscontacten met Manchester en Londen, de aanvoer van levensbehoeften en de komst van nieuwkomers. De ontwikkelingen in andere kleine katoensteden zoals Preston waren soortgelijk.

Tussen 1750 en 1850 verdrievoudigde de bevolking van Lancashire, terwijl in dezelfde tijd de bevolking van Engeland ‘slechts’ verdubbelde. De bevolking van Bolton groeide in de tweede helft van de 18e eeuw van 4600 naar 17.000 inwoners. De kleine katoensteden trokken veel migranten aan uit nabijgelegen agrarische gebieden. Door de spreiding van de katoennijverheid bleef grootschalige verstedelijking aanvankelijk achterwege. Rond 1850 hadden de stadjes hoogstens 50.000 inwoners.

2.3. Woonwijken en publieke voorzieningen

Door de spreiding van economische activiteiten over stadjes en omliggend gebied lagen in stadjes als Bolton ‘mills’, pakhuizen, boerderijen, woonhuizen en akkers door elkaar. De grote vraag naar wevers bevorderde de oprichting van weverskolonies, bestaande uit rijtjes huurhuizen met weinig of geen land. Het kapitaal werd verschaft door welgestelde ondernemers of kooplieden die een economisch belang hadden bij het werk van de wevers. De versnelde mechanisatie na 1820 bevorderde een concentratie van economische activiteit in de steden en een versnelde urbanisatie. Ook steden als Bolton kregen rond 1840 de sloppenwijken die Manchester al eerder landelijk berucht maakten (zie hoofdstuk 3).

Deels om deze ontwikkelingen het hoofd te bieden en deels uit idealisme stichtten Robert Gardner en Thomas Bazley nabij Bolton het fabrieksdorp Barrow Bridge. Lang stond daar de gedachte centraal dat arbeiders onder paternalistisch toezicht zich door educatie en coöperatie konden verheffen. Voor nationale politici werd Barrow Bridge een modeldorp. Het dorp kreeg wereldwijd maar op enkele plaatsen navolging (zie verder hoofdstuk 5).

De urbanisatie confronteerde plattelandssteden als Bolton met een groeiend tekort aan publieke voorzieningen, als bestrating of riolering. De lokale overheid had op dit terrein weinig ervaring; de middelen om hierin te voorzien schoten tekort. Plaatselijke notabelen, mannen én vrouwen, zorgden uit filantropische overwegingen en uit eigenbelang voor publieke voorzieningen. In een deel van Bolton profiteerden inwoners al rond 1820 van straatverlichting door gaslantaarns. Na een uitbraak van cholera kwam er rond 1840 een waterleiding met publieke pompen. De plaatselijke kerk droeg zorg voor scholing van kinderen van zowel fabrikanten als arbeiders.

3. Hoe beïnvloedde de katoennijverheid de leefomgeving in Manchester?

3.1. Het uiterlijk en de inrichting van werkplaatsen

Ook Manchester kende huisnijverheid. Na 1770 lag de nadruk op het handmatig weven van katoenen producten. De huisnijverheid werd in de eerste helft van de 19e eeuw in Manchester een slecht betaalde branche. Mensen werkten er in kelders en krotten. Speciale weverswoningen zoals elders in Lancashire kwamen in Manchester nauwelijks voor.

Manchester werd de stad van de stoomspinnerijen. Slechts korte tijd werd er gebruik gemaakt van door waterkracht aangedreven ‘mills’. Na 1780 waren er steeds meer problemen met de toevoer van water. Rond 1790 werd de eerste stoomspinnerij gebouwd; kort na 1800 kende Manchester er al meer dan honderd. Stoomspinnerijen vestigden zich bij voorkeur bij kanalen voor de aanvoer van grondstoffen, de afvoer van producten en voor het industriële waterverbruik.

Eerst waren de stoomspinnerijen langwerpige gebouwen van drie of vier verdiepingen met kleine ramen. Na de introductie van gietijzeren zuilen werden fabriekshallen breder en nam het aantal verdiepingen toe. Open hallen vergemakkelijkten het toezicht. Een ijzeren as bracht via een stelsel van pullies en drijfriemen de spinmachines in beweging. Deze fabrieken in Manchester dienden als model voor stoomspinnerijen die in de loop van de 19e eeuw elders in Lancashire werden gebouwd.

Naast de katoenspinnerijen kende Manchester vele gemechaniseerde veredelingsbedrijven voor vollen, bleken, verven en bedrukken. Ze stonden in gebieden met veel ruimte en voldoende schoon water. Met deze bedrijven versterkten ondernemers en kooplui in Manchester hun greep op de katoenhandel in Lancashire. De grootschalige invoering van het stoomweefgetouw (na 1820) vond echter vooral op het platteland plaats in de andere katoensteden.

3.2. De groei van de stad

Uit stadsuitbreidingkaarten blijkt, dat de groei van Manchester na 1770 onregelmatig en zonder planning verliep. Vergeleken met de plattelandssteden voltrok de urbanisatie in Manchester zich snel en hevig. Een groot aantal pakhuizen voor katoenen producten werd gebouwd. In 1815 was in pakhuizen meer geld geïnvesteerd dan in fabrieken. Tussen de fabrieken of clusters van pakhuizen ontstonden sloppenwijken (zie 3.3). Rond 1830 begon de aanleg van spoorwegen. De invloed die de spoorwegen hadden op de industriële expansie van Manchester is, vergeleken met die invloed op het platteland, opvallend klein. Door lagere tarieven bleven de kanalen een grote concurrent.

Manchester groeide van 22.000 inwoners (rond 1773) tot ruim 300.000 inwoners (in 1850). Manchester kende door een hoog sterftecijfer en een lage levensverwachting geen natuurlijke aanwas, maar er was een sterke migratie naar de stad, uit de nabije omgeving en van verder weg. De grote bedrijvigheid in Manchester trok onder andere een groep rijke buitenlandse handelaren aan. Bovendien leefden er (rond 1850) ca 50.000 Ieren, die in decennia daarvoor vanwege de werkloosheid of (in de jaren veertig) vanwege honger uit Ierland waren gevlucht.

3.3. Woonwijken en publieke voorzieningen

De snelle expansie van Manchester bracht grote woningnood en verpaupering met zich mee. Lange tijd werd er weinig geïnvesteerd in goede woningbouw.

Arbeidersgezinnen vonden onderdak in oude woonwijken als Ancoats, waar huizen tot in de kelders toe werden opgedeeld. Open ruimtes tussen de nieuw opgerichte fabrieken werden door speculanten opgevuld met rug-tegen-rug goedkoop gebouwde arbeiderswoningen. De ramen waren klein en konden niet open. Een huizenblok had meestal één pomp of kraan en één buitentoilet. Onderhoud vond slechts provisorisch plaats. Door het massale gebruik van steenkool voor stoommachines en verwarming van huizen waren volkswijken in een zwarte roetsluier gehuld. Er waren nauwelijks winkels, ook niet voor de eerste levensbehoeften.

Anders dan de kleinere plattelandssteden kende Manchester al heel vroeg een sociale scheiding in woonwijken. De rijken, handelaren en fabrikanten, trokken zich bij voorkeur terug in half landelijke gebieden ten zuiden van de stad, in luxe buitenhuizen met veel land ingericht op recreatie. Ze reisden dagelijks naar hun werk in de stad. De snel groeiende middenklasse, bestaande uit geschoolde ambachtslieden, winkeliers, onderwijzers, kantoorpersoneel e.d., bevolkte nieuw gebouwde woningen in de betere woonwijken in het centrum van de stad, op korte afstand van katoenbeurs, banken en stadhuis. Daar probeerden zij een burgerlijk ideaal vorm te geven. De scheiding in wijken voedde een nieuw onderscheid, het denken in sociale klassen. Buiten Manchester bleven standsbewustzijn en paternalisme veel langer bestaan.

De lokale overheid richtte zich, deels uit onmacht en deels uit overtuiging, aanvankelijk alleen op het voorkomen van de ergste misdaden en van ernstige verstoringen van de openbare orde. De landelijke politiewet (1835) verruimde haar mogelijkheden. Onder druk van de Public Health Act (1835) werd op bescheiden schaal gezorgd voor waterleiding, riolering of bestrating. Voor andere voorzieningen was de stad aangewezen op de steun van rijke ondernemers.

4. Hoe beïnvloedde de katoensector de verbondenheid van Lancashire met de rest van de wereld?

4.1. Verbondenheid met Engeland

Rond 1790 was katoen de belangrijkste grondstof voor kleding geworden. Dat is te zien aan de invoer van ruwe katoen. De groei van de katoennijverheid was tot 1790 vrijwel alleen te danken aan de groei van de binnenlandse vraag. De Engelse markt groeide zeer snel door bevolkingstoename en de gunstige prijs-kwaliteitverhouding van katoenen stoffen. Vooral de lagere- en middenklassen kochten katoenproducten.

De prijs van katoen ging in drie stappen omlaag. Rond 1800 werd de ‘cotton-gin’ uitgevonden en werden de VS de voornaamste katoenleverancier; plantages, meestal bewerkt door slaven, breidden hun productie fors uit. Het stoomweefgetouw was rond 1830 de kinderziektes te boven; de productie van volledig machinaal geweven stoffen groeide aanzienlijk. De uitvinding van de naaimachine ca 10 jaar later maakte de opkomst van grootschalige confectienijverheid mogelijk.

Omdat het zuiden van Lancashire steeds meer gedomineerd werd door industrie, raakte de groeiende bevolking voor landbouwproducten steeds meer aangewezen op andere regio's.

4.2. Verbondenheid met overzeese gebieden

Lancashire was afhankelijk van overzeese gebieden voor de import van ruwe katoen. Tot 1800 kwam het meeste uit West-Indië, daarna uit de VS. Bovendien was na 1790 export overzee onmisbaar voor de verdere groei van de katoennijverheid in Lancashire. De buitenlandse markt was minder evenwichtig dan de Engelse markt. Diverse zakenlieden, zoals Robert Gardner, de ondernemer van Barrow Bridge, verloren er kapitalen mee.

Desondanks exporteerde Lancashire rond 1850 zo'n 50% van de productie. Opkomende concurrentie dwong steeds tot het zoeken van nieuwe afzetmarkten en aanpassing van de productie. Van de export ging rond 1800 het meeste naar de VS, maar rond 1810 was Europa de grootste afnemer geworden. Een stabiel marktaandeel in het dichtbevolkte Europa was van levensbelang voor verdere groei van de katoennijverheid in Lancashire. Zowel de VS als Europa ontwikkelde echter een eigen katoennijverheid. Tussen 1800 en 1850 verloor Lancashire steeds meer terrein aan de buitenlandse nijverheid. De Engelse regering maakte tevergeefs wetten om het verspreiden van productietechnologie naar andere landen te voorkomen. Anderzijds werden vanuit een zekere zelfgenoegzaamheid buitenlandse uitvindingen in Engeland weinig toegepast. In de eerste helft van de negentiende eeuw verschoof het zwaartepunt van de katoenexport naar India, China en Zuid-Amerika. De export naar deze werelddelen was onregelmatig en riskant. Engelse katoenfabrikanten, hun arbeiders en de rest van de bevolking werden door de groei van de export steeds afhankelijker van gebeurtenissen op mondiaal niveau, zoals prijsschommelingen op de wereldmarkt, maar ook politieke conflicten overzee. Een aantal grote crises met scherp dalende winsten en lonen was het gevolg, met alle sociale ellende van dien.

4.3. De organisatie van de handel

Om hun afhankelijkheid van verre leveranciers en afnemers te verkleinen, zetten fabrikanten vanaf 1790 bedrijven op die alle fasen van de handel moesten controleren, van aanvoer van ruwe katoen, via fabricage tot verkoop in binnen- en buitenland. Steeds vaker werd nu de haven van Liverpool gebruikt in plaats van te exporteren via Londen. De koopman-fabrikanten probeerden door voorraadvorming de prijs van katoenproducten te beïnvloeden. Ze staken veel geld in pakhuizen (zie hoofdstuk 3). Hiervoor leenden ze bij banken in Manchester. Deze regionale ondernemers en bankiers hadden te weinig kapitaal om de risico's van hun investeringen te kunnen afdekken, zoals bleek tijdens de oorlogen met Napoleon rond 1800. De export naar Europa stagneerde en een aantal van deze bedrijven ging over de kop. In die periode vestigden steeds meer buitenlandse kooplieden, zoals de Rothschilds, met veel kapitaal en kennis van delen van de wereldmarkt zich in Manchester, waar een katoenbeurs was opgericht. De financiering van de export en het afdekken van de financiële risico's werd steeds meer door buitenlandse zakenlieden en door banken in de Londense City gedaan

Grote faillissementen kwamen daardoor minder vaak voor.

5. Hoe beïnvloedde de katoennijverheid arbeidsverhoudingen en bestaanszekerheid?

5.1. Veranderingen in arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden

Tussen 1750 en 1850 werd de katoensector – en niet meer de landbouw – dominant. De katoensector ging het tempo en ritme van het dagelijkse leven in Lancashire, op het platteland en in Manchester bepalen. Steeds meer boerenfamilies gaven hun agrarische zelfstandigheid op in de hoop op betere inkomsten in de katoenproductie. Het traditionele ‘putting-out-system’ kon niet meer aan de vraag naar textielproducten voldoen. Daarom werd eerst het spinnen – oorspronkelijk vrouwenwerk – gemechaniseerd. In de nieuwe spinfabrieken gingen de vrouwen kaarden en de mannen spinnen. De enorme hoeveelheid garen werd ondergebracht bij een groeiend aantal families dat zich in hun eigen huis ging toeleggen op handweven. In huis was het dus stoffig. De hele familie werkte samen om een gezinsinkomen te verwerven.

Toen ook het weven gemechaniseerd werd, tussen 1810 en 1840, raakte het familieverband op het werk steeds meer op de achtergrond. De vrouwen en kinderen bleven werkzaam in de textiel, maar waar mijnbouw of machinebouw ontstond, zochten de mannen daar hun verdiensten. In Manchester vonden velen werk in de textielpakhuizen en in de handel in katoenproducten.

Het werk in de textielnijverheid vond steeds meer in fabrieken plaats. Daar werd op veel grotere schaal en sneller geproduceerd dan aan huis. De arbeiders kregen te maken met vaste werktijden, controle en arbeidsdeling. Vrouwen en kinderen kregen een lager loon dan mannen. Er ontstond een hiërarchie tussen arbeiders naar taak en loon. Door de mechanisatie werd het werk fysiek minder zwaar, maar wel gevaarlijker. De machines waren nauwelijks beveiligd. Stof en lawaai zorgden voor longaandoeningen en doofheid.

5.2. Veranderingen in arbeidsverhoudingen

Door de schaalvergroting groeide de afstand tussen werkgevers en werknemers, het sterkst in de grootste fabrieken. Er waren er met meer dan 500 werknemers, bijvoorbeeld Murray Bros in Manchester. Gemiddeld lag het aantal arbeiders per fabriek in Manchester tegen 1850 rond de 220. Op het platteland (Bolton) bedroeg dat gemiddelde 140. Ondernemers en arbeiders maakten per bedrijf gezamenlijk mondelinge afspraken over loon, werktijden en organisatie van het werk. De macht van de ondernemers was groot: zij bezaten niet alleen het kapitaal en de productiemiddelen, maar beschikten ook over een sterke politieke lobby, zowel lokaal als nationaal (zie 6.2.).

Arbeiders -zowel handwevers als fabrieksarbeiders- hadden weinig meer dan hun arbeidskracht om hier tegenover te stellen; hun ambachtelijke vaardigheden werden steeds minder belangrijk. Vakkennis werd niet meer verkregen via het meester-leerlingsysteem. De arbeiders leerden het werk van elkaar in enkele weken. Zij werden uitbetaald in stukloon. Ondanks een verbod op vakbondsorganisatie (tot 1824) protesteerden textielarbeiders soms tegen slechte arbeidsverhoudingen via lokale vakbonden. Bij staking was er het risico van uitsluiting. Op het platteland (Bolton), waren ondernemers meer bereid om aan de eisen van het personeel tegemoet te komen. Daar waren ze afhankelijker van de arbeidskracht uit de plaatselijke bevolking, dan in Manchester, waar de ruimere arbeidsmarkt door immigratie op peil gehouden werd.

Tot 1830 speelde de overheid geen rol in de arbeidsverhoudingen. Pas met de Factory Acts (1833) trachtte de overheid excessen te voorkomen en tegelijkertijd de werkgelegenheid van volwassen mannen te beschermen. De wetten betroffen veiligheid in fabrieken en werktijden van vrouwen en kinderen tot twaalf jaar. Er ging enig effect van de wetten uit omdat de arbeidsinspectie de naleving controleerde.

5.3. Gevolgen voor bestaanszekerheid

Met de industrialisatie werd een middenklasse zichtbaar bestaande uit zelfstandigen en kleine ondernemers. Zij zetten innoverende bedrijfjes op die vaak een succes, maar ook vaak een mislukking werden, met alle onzekerheid vandien.

Over de ontwikkelingen in de levensstandaard van arbeidersgezinnen tijdens de industrialisatie in Lancashire hebben wetenschappers verwoed gedebatteerd. Gingen de gezinnen er op voor- of achteruit met de veranderingen in de katoennijverheid? Was hun bestaanszekerheid nu wel of niet in gevaar? Het antwoord is nog steeds niet definitief gegeven, maar een aantal dingen is wel duidelijk geworden.

Al vanaf 1700 groeide de bevolking van Lancashire: de sterftecijfers daalden, de huwelijksleeftijd daalde en de geboortecijfers stegen. De gezinnen werden groter, er waren meer monden te voeden. In de meeste steden ontstond in de loop van de 19e eeuw een omvangrijke arbeidersklasse.

In kleine plaatsen op het platteland hadden arbeiders vaak nog wel een akkertje om groente op te verbouwen; in de grote stad Manchester was dit niet mogelijk en lagen de kosten van het levensonderhoud veel hoger. De voedselprijzen schommelden sterk.

In de beginfase van de industrialisatie steeg de vraag naar arbeidskrachten vrij constant. Dat was gunstig voor het gezinsinkomen. Arbeidersgezinnen in de textiel hadden te maken met perioden zowel van veel werk als van werkloosheid. Tijdens crises gingen de inkomens vaak omlaag. Handwevers werden in de loop van de industrialisatie steeds meer als arbeidsreserve ingezet. Tot 1820 kenden zij periodes van relatieve voorspoed, maar daarna kwamen hun gezinnen door toenemende concurrentie van andere huiswevers en het stoomweefgetouw onder druk te staan. Na 1840 was er alleen nog werk voor handwevers die gespecialiseerd waren in fijne weefsels.

Voor gezinnen die hun inkomen in katoenfabrieken verdienden, werden de verdiensten van vrouwen en kinderen steeds belangrijker. Werkgevers namen hen graag in dienst vanwege de lage loonkosten. De levensfase bepaalde de economische kwetsbaarheid van arbeidersgezinnen. In de moeilijke beginperiode, als de kinderen klein waren, moesten man en vrouw samen een gezinsinkomen verdienen. Zodra de kinderen groter waren, konden zij bijdragen aan het gezamenlijke inkomen en stopten hun moeders met het fabriekswerk. Pas eind 19e eeuw gingen sommige mannen een loon verdienen dat voldoende was om een heel gezin te onderhouden.

Familie- en buurtnetwerken waren en bleven tijdens de industrialisatie belangrijk voor het verkrijgen van werk en in tijden van ziekte en nood. Om de bestaansonzekerheid beter op te kunnen vangen verenigden textielarbeiders zich in zelfhulporganisaties (verbruikscoöperaties en friendly societies) waar een sterk gemeenschapsgevoel heerste. Armenwetten boden soms bijstand, in de vorm van werk of in natura.

Ook werkgevers trachtten soms de bestaanszekerheid en conditie van hun werknemers te verbeteren. In Bolton gaven Bazley en Gardner (vanaf 1820) een goed voorbeeld. Deze werkgevers hadden zowel sociale als economische motieven: het ging hen ook om loyaliteit, disciplinering en controle van de lokale arbeidsmarkt met als doel verhoging van de arbeidsproductiviteit. In Lancashire bleven zulke werkgevers een uitzondering.

6. Welke reacties riepen de veranderingen op in de samenleving?

6.1. Visies op de nieuwe samenleving

De industrialisatie in Lancashire riep uiteenlopende reacties op. Voorstanders benadrukten dat de arbeid in fabrieken eenvoudiger, minder inspannend, hygiënischer en goedkoper was. Wetenschappers, zoals bijvoorbeeld David Ricardo, Andrew Ure en Charles Babbage, wezen op de lage productiekosten, de enorme productiestijging en de groeiende winst. Volgens economen en ondernemers zou de snel groeiende katoennijverheid, gestimuleerd door internationale vrijhandel, uiteindelijk welvaart voor iedereen bereikbaar maken. Niet langer hing welvaart uitsluitend af van de oogst, zoals de theorie van Malthus beweerde.

Anderen belichtten vooral de schaduwzijden van de industrialisatie. Romans zoals de ‘social novels’ van Mrs. Gaskell en de boeken van Charles Dickens, brachten de anonimiteit en de onmenselijke ellende van het leven in de industriesteden onder de aandacht van een breder publiek. Politici, zoals bijvoorbeeld Benjamin Disraëli maakten zich zorgen om de groeiende kloof tussen de gegoede en de werkende klasse. Friedrich Engels, door de activiteiten van zijn vader betrokken bij de situatie in Manchester, benadrukte de onontkoombaarheid van uitbuiting van het industrieproletariaat.

Een industriestad als Manchester was niet alleen een bron van economische vitaliteit, maar had ook snel groeiende sloppenwijken, waar armoede, ziekte, misdaad en vervuiling heerste.

Wantoestanden werden nu zichtbaar voor buitenstaanders. In brede lagen van de samenleving ontstond bezorgdheid over traditionele (gezins-)verbanden die door de industrialisatie uit elkaar zouden zijn gerukt.

Omdat kinderen door het fabriekswerk meer tijd zonder hun ouders doorbrachten, vreesde men afkalving van het ouderlijk gezag. Onder de midden- en hogere klassen ontstond naast de angst voor sociale onrust nu ook oprechte bezorgdheid en morele verontwaardiging over wantoestanden.

6.2. Sociaal en politiek protest

De industrialisatie leidde tot soms grote sociale en politieke onrust. Het aantal protesten van textielarbeiders tegen (stuk)loonverlagingen en stijgende voedselprijzen groeide (zie ook 5.2). Het optreden van de Luddieten, die kortstondige, gewelddadige acties ondernamen, deed de vrees voor een volksopstand bij de gevestigde orde toenemen.

Plaatselijke autoriteiten verweten de grote ondernemers medeverantwoordelijkheid voor de onrust en reageerden soms afwachtend en soms repressief zoals bij het ‘Peterloo Massacre’ (1819). Toen de sociaal-economische situatie niet verbeterde, gingen meer geschoolde arbeiders rond 1820 ook politieke eisen stellen. Petities aan het parlement bleven echter zonder resultaat.

Hieruit ontwikkelde zich na 1830 de Chartisten-beweging, waarin vooral textielwerkers en leden van de lagere middenklasse waren vertegenwoordigd. De steun voor de Chartisten was in Lancashire massaler dan in de rest van het land. De beweging bereikte rond 1840 haar hoogtepunt, maar verloor na de eerste algemene ‘landelijke’ staking (1842) snel aan betekenis. Deze staking van voornamelijk mijnwerkers en textielarbeiders ging om zowel looneisen als om de politieke eisen van het Charter en weerspiegelde de opgehoopte frustraties van arbeiders in een nieuwe, hun vijandige samenleving. De overheid onderdrukte de staking onmiddellijk.

Politieke grieven leefden ook bij de industriële ondernemers. Hun eis tot herverkaveling van de kiesdistricten ten gunste van de sterk gegroeide noordelijke industriesteden, werd pas met de Reform Bill (1832) ingewilligd. In het Lagerhuis deelden zij de macht met de landbezittende adel, met wie zij een langdurig conflict hadden over de hoogte van de graanprijzen. De grootgrondbezitters wilden de invoerbeperkingen op graan (corn laws) handhaven. Ondernemers, maar ook arbeiders streefden naar een vrije graanhandel, die een daling van de broodprijs tot gevolg zou hebben. Zij vormden de Anti-Corn-Law League (1838) met als hoofdkwartier Manchester. Tijdens de regering van Robert Peel, van huis uit katoenfabrikant in Manchester, werden de graanwetten uiteindelijk ingetrokken (1846); de ‘lords of the loom’ hadden het van de ‘lords of the soil’ gewonnen. Zowel de Reform Bill als de intrekking van de graanwetten gaven aan dat de industriële sector in Engeland ook een politiek doorslaggevende factor was geworden.

Literatuurlijst [Vervallen per 01-08-2007]

  • Owen Ashmore, Industrial Archeology of Lancashire. Newton Abbot 1969.

  • Asa Briggs, Victorian Cities. Londen 1990 (eerste druk 1963).

  • B.E.E.P (in samenwerking met Bolton Central Library, Bolton M.B.C. Planning Dept, Bolton Museum Services, Lancaster Records Office (Preston) en Richard Hough Ltd.), The textile industry of Bolton, origins, growth and decline. Bolton zonder jaar.

  • Ann Digby, Charles Feinstein en David Jenkins (eds), New directions in Economic and Social History. Volume II. Hampshire/Londen 1992. Daarin vooral de bijdrage bekijken van M. Berg, ‘Women, work and the industrial revolution’, p.23-37.

  • Pat Hudson, The Industrial Revolution. Londen/New York/Melbourne/Auckland 1992. Brian Murphy, A History of the British Economy 1086-1970. Londen 1973.

  • Hans Rigthart, De trage revolutie. Over de wording van industriële samenlevingen. Meppel/Heerlen 1991.

  • Mary B. Rose (ed.), The Lancashire Cotton Industry. A history since 1700. Preston 1996 (standaardwerk; bevat per hoofdstuk aanbevelingen voor ‘verder lezen’)

  • John Rule, The Labouring Classes in Early Industrial England, London 1986. Geoffrey Timmins, Four Centuries of Lancashire Cotton, Preston 1996 (standaardwerk).

  • Geoffrey Timmins, The last shift, the decline of handloom weaving in nineteenth-century Lancashire. Manchester / New York 1993.

  • B.M.A. de Vries, ‘De Industriële Revolutie’– in: B.M.A. de Vries (red.), Van agrarische samenleving naar verzorgingsstaat. Demografie, economie, maatschappij en cultuur in West-Europa, 1450-2000. Groningen 2000, p. 219-253. (standaardwerk)

  • John K. Walton, Lancashire: A Social History, 1558-1939. Manchester 1987 (standaardwerk).